PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02118 P Zitting 6 oktober 2020 (bij vervroeging) CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene ] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de betrokkene. 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 24 april 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 2.182.865,93 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. 2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/02119) alsmede met de ontnemingszaken van twee medeverdachten (19/02285 P en 19/02116 P). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking heeft genomen en redengevend heeft geacht voor het oordeel dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten. 5. Ter toelichting op de berekening van het voordeel geef ik hieronder eerst de bewijsmotivering van het hof weer. In het bestreden arrest heeft het hof onder het kopje ‘de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel’, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende overwogen: “Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 2.182.865,93. Het hof neemt hierbij over de bewijsoverwegingen van de rechtbank in het ontnemingsvonnis van 19 januari 2017, zoals weergegeven op pagina 4 tot en met 10, inclusief de daarbij genoemde voetnoten, voor zover inhoudende: ‘(…) Transporten voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode Wat betreft de periode die voorafgaat aan 5 september 2015 gaat de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (…) Aankoop vrachtwagen BV-TR-22 Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] op 10 november 2015 werd administratie aangetroffen van de aankoop van een DAF truck bij [A] op naam van [B] van januari 2014. Door verkoper [betrokkene 2] is verklaard dat hij de truck met kenteken [kenteken 1] aan [B] heeft verkocht. De kopers vertelden hem dat zij op Engeland zouden gaan rijden met de truck. In de administratie van de verkoop van [betrokkene 2] is een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 1] aanwezig. [betrokkene 2] verklaart echter dat [betrokkene 1] niet aanwezig was bij de verkoop en herkent bij een fotoconfrontatie [betrokkene ] als de koper van de truck en [medeverdachte 2] als de chauffeur. [betrokkene ] heeft ter zitting bevestigd betrokken te zijn geweest bij de aankoop van deze vrachtwagen. Verklaring [betrokkene 1] over [B] [betrokkene 1] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [B] , dat per augustus 2012 ook wel handelt onder de naam [B] , gevestigd te [plaats] . [betrokkene 1] heeft verklaard op papier eigenaar te zijn geweest van [B] . [betrokkene ] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene ] ) heeft hem benaderd omdat hij gebruik wilde maken van deze vennootschap om transporten mee te gaan doen. Hiervoor krijgt [betrokkene 1] een vergoeding van [betrokkene ] in de vorm van € 1.500,- salaris per maand. Dit bedrag zou [betrokkene ] elke maand storten op de privérekening van [betrokkene 1] , gebruikmakend van de rekening van [B] . [betrokkene 1] heeft zelf geen activiteiten ondernomen vanuit het bedrijf. [betrokkene 1] heeft een vrachtwagen op zijn naam gehad die door [betrokkene ] is gekocht. Ook is hij door [betrokkene ] gevraagd om een oplegger op naam van [B] te zetten. Het bedrijfspand is uitgezocht door [betrokkene ] en de huur werd ook door hem betaald, aldus [betrokkene 1] . [betrokkene 1] hoorde van [betrokkene 3] dat de oplegger op Engeland reed. De trailer werd gebruikt door een Engelsman. [betrokkene 1] wist dat [betrokkene 3] handelingen verrichtte op dinsdagen. [betrokkene 1] zegt hierover dat hij natuurlijk wel aanvoelde dat er iets niet aan klopte. (…) Conclusie De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gebezigde wettige bewijsmiddelen voldoende aanwijzingen bestaan dat het strafbare handelen van de organisatie, te weten het exporteren van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk, ook voorafgaand aan 15 september 2015 heeft plaatsgevonden. Reeds vanaf maart 2013 heeft [medeverdachte 2] als chauffeur transport van staal naar het Verenigd Koninkrijk uitgevoerd, eerst met de vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] en later met de vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] . Dat de lading telkens uit een rol staal bestond blijkt uit de registratie door Stena Line en wordt ondersteund door de waarneming op 4 november 2014 tijdens de ILT-controle. Dat de lading ook telkens verdovende middelen bevatte volgt uit de (grotendeels) ongewijzigde modus operandi. Uit de tachograafgegevens blijkt dat al geruime tijd voor de bewezen verklaarde periode volgens hetzelfde vaste patroon werd gereden, waarbij elke dinsdag tussen ongeveer 17.00 uur en 19.00 uur tijd was om de verdovende middelen te laden. De gebruikte oplegger met kenteken [kenteken 3] stond ook al per april 2013 op naam van [B] . Reeds in maart 2013 werden overtochten geboekt door [C] in opdracht van [B] en verstuurde [medeverdachte 1] - kennelijk na het boeken van die overtocht - een SMS aan [medeverdachte 2] met de tekst ‘youre booked mate’. De rechtbank stelt vast dat de organisatie ten minste in maart 2013 is aangevangen met het uitvoeren van drugstransporten op overwegend dezelfde wijze als de bewezen verklaarde transporten in september tot en met november 2015. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat hiermee door betrokkenen wederrechtelijk voordeel is verkregen.’ In aanvulling op de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende. (…) Betrokkenheid van veroordeelde en berekening van zijn wederrechtelijk voordeel Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van veroordeelde bij de drugstransportorganisatie vanaf tenminste maart 2013. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen - in samenhang met de bewijsmiddelen in de strafzaak - leidt het hof namelijk af dat veroordeelde [betrokkene 1] vóór maart 2013 heeft benaderd om gebruik te maken van diens vennootschap. Daar komt bij dat het bestand ‘ […] , dat is gebruikt om stickers te maken die bij elk transport op de rol staal werden geplakt, op 4 maart 2013 is aangemaakt, op welk moment ‘ [betrokkene ] ’ als gebruiker (user) was ingelogd. Door de verdediging is gesteld dat ook anderen dan veroordeelde op zijn account konden werken, maar niet is aangegeven wie dit dan zouden moeten zijn geweest en op welke manier dat dan gebeurd zou zijn. In de strafzaak is bewezenverklaard dat veroordeelde in de periode 15 september 2015 tot en met 10 november 2015 als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest bij de drugstransportorganisatie. Mede gelet op de omstandigheid dat de modus operandi (chauffeur [medeverdachte 2] die elke woensdag met een vrachtwagen met oplegger met een rol staal van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk gaat) vanaf maart 2013 ongewijzigd is -daargelaten kleine verschillen op detailniveau- is het hof van oordeel dat niet valt in te zien dat veroordeelde niet ook al in maart 2013 (als feitelijk leidinggevende) betrokken was bij de organisatie. De verklaring die verdachte in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat hij pas vanaf de zomer van 2015 op de hoogte raakte van en betrokken raakte bij de drugshandel acht het hof op grond van de hiervoor genoemde betrokkenheid van verdachte in maart 2013 niet aannemelijk.” 6. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat het hof zijn oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ook vóór januari 2014 strafbare feiten heeft begaan en daardoor voordeel heeft verkregen, onder meer heeft ontleend aan de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] . Aangezien voor de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot het ondervragen van [betrokkene 1] heeft ontbroken, getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] zonder schending van de aan de betrokkene op grond van artikel 6 EVRM toekomende verdedigingsrechten bij de schatting van het wederrechtelijke voordeel kunnen worden betrokken, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onvoldoende met redenen omkleed. De stellers van het middel beroepen zich hierbij (onder meer) op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vidgen tegen Nederland en de zaak Schatschaschwilli tegen Duitsland. 7. De gang van zaken omtrent het verzoek van de verdediging tot het horen van medeverdachte [betrokkene 1] als getuige is als volgt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.