PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01437 Datum 30 november 2020 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Forensenbelasting 1 januari 2015-31 december 2015 Nr. Gerechtshof 18/00646 Nr. Rechtbank Awb 16/1767 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ommen tegen [X] 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie naar aanleiding van het beroep in cassatie van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ommen (hierna: het College) tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) van 31 maart 2020, inzake de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de forensenbelasting over het belastingjaar
(1995)een grote vrijheid toe bij de keuze en de invulling van de heffingsmaatstaven en de daarmee samenhangende tarieven. Behoudens wettelijke voorschriften die een specifiek kader inhouden kunnen de gemeentelijke belastingen blijkens art. 219 lid 2 Gemeentewet worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven. De enige algemene beperking die is aangelegd, is dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Deze beperking wordt veelal geduid als het verbod om draagkracht te hanteren als verdelingsbeginsel voor gemeentelijke belastingen. 2.Anders dan voor de onroerendezaakbelasting (OZB) zijn voor de rechten bedoeld in art. 229 Gemeentewet, waartoe de leges behoren, geen wettelijke voorschriften opgenomen die een specifiek kader inhouden voor de keuze van de heffingsmaatstaf en de daarmee samenhangende tariefstelling. Voor de OZB schrijft art. 220c Gemeentewet als heffingsmaatstaf de WOZ-waarde voor. In art. 220f Gemeentewet is vervolgens bepaald dat de OZB een percentage bedraagt van de heffingsmaatstaf en dat het percentage gelijkelijk moet worden vastgesteld voor onderscheidenlijk de belastingen van eigenaren van woningen en niet-woningen en van gebruikers van niet-woningen. Met betrekking tot de OZB is de keuzevrijheid van de gemeentelijke regelgever derhalve sterk beperkt. Een tariefstelsel zoals het onderhavige is bij de OZB niet toegestaan. Voor de rechten, met inbegrip van de onderhavige leges, kent de wet een dergelijke beperking niet. Het is aan de gemeenteraad om te kiezen welke heffingsmaatstaven en welke tarieven voor de rechten gelden. De begrenzing van de keuzevrijheid van de gemeenteraad moet blijkens de wetsgeschiedenis worden gezocht in het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het gekozen tariefstelsel mag niet leiden tot onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad bij het toekennen van de bevoegdheid om rechtenheffing in te voeren. 3.In het onderhavige geval toetst de belastingrechter of de gemeenteraad bij het vaststellen van het onderhavige tariefstelsel binnen die begrenzing is gebleven. Die toetsing is naar haar aard en gezien de ruime keuzevrijheid die in casu toekomt aan de gemeenteraad als decentrale wetgever, marginaal. Dat deze toetsing marginaal is vloeit eveneens voort uit de onderscheiden rollen van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht binnen de trias. De rechter kan niet de rol van de wetgever bij het maken van (politieke) keuzen overnemen. Hij kan wel toetsen of de wetgever binnen de grenzen van zijn bevoegdheid is gebleven. Met A-G IJzerman ben ik van oordeel dat de belastingrechter in dit geval – binnen de rechtsstrijd van partijen – mocht toetsen of het door de gemeente Rotterdam gekozen tariefstelsel, dat door de vaste bedragen per tariefklasse leidt tot percentages van de bouwsom die variëren van ongeveer 1,5% tot ruim 9,5% en tevens tot een zogenoemd zaagtandeffect, leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid om rechtenheffing in te voeren niet voor ogen kan hebben gehad. De belastingrechter mag bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een concrete belastingaanslag toetsen of deze steunt op een verbindende belastingverordening. 4.Bij de beoordeling of de gemeenteraad de grenzen van de hem toekomende keuzevrijheid heeft overschreden, is van belang welk oogmerk hij had bij de keuze voor een tariefstelsel met vaste bedragen per tariefklasse. Uit r.o. 8.1 van het Hof valt op te maken dat de gemeenteraad van Rotterdam bij de invoering van dit tariefstelsel in 1992 ervoor wilde zorgen dat op voorhand duidelijk zou zijn welk bedrag moest worden betaald, dat er minder discussie zou ontstaan over de opgelegde aanslagen en dat de kosten voor bepaalde typen bouwwerken niet met elke gulden zouden toenemen. Tot de invoering van dit tariefstelsel hanteerde de gemeente Rotterdam een systeem dat was gebaseerd op een promillage van de bouwsom. Inmiddels doet zij dat wederom, naar ik heb begrepen. De belastingrechter moet in het kader van de vraag of het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden, naast de beoordeling van de vraag of de optredende variaties in het percentage van de bouwsom en het zaagtandeffect op zich reeds onredelijk groot of willekeurig zijn, afwegen of deze bedoeling een objectieve rechtvaardiging vormt voor die variaties en het zaagtandeffect. 5.Rechtbank, Hof en A-G IJzerman meenden dat de gemeenteraad van Rotterdam de grenzen van zijn keuzevrijheid heeft overschreden en dat het onderhavige tariefstelsel onverbindend is. De Hoge Raad is het hiermee, terecht, niet eens. Gemeenten mogen het legestarief afhankelijk maken van de bouwsom. De gemeenteraad mocht kiezen voor het onderhavige tariefstelsel met vaste bedragen per tariefklasse. De verschillen in belasting die in het onderhavige geval in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen zijn niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel. Duidelijker kan het niet gezegd worden. 6.De door de Hoge Raad met dit arrest gegeven duidelijkheid is in mijn ogen winst voor de rechtspraktijk. Daardoor kunnen veel discussies over de inrichting van tariefstelsels worden beëindigd. De gemeente mag kiezen voor eenvoud en duidelijkheid, ook al gaat dat ten koste van de rechtlijnigheid van het tariefstelsel. Dat er bij de keuze voor tariefklassen in combinatie met vaste bedragen verschillen ontstaan in percentages is niet verwonderlijk. Die verschillen ontstaan ook bij de toepassing van vrijstellingen. Vrijstellingen zijn materieel immers gelijk te stellen aan de hantering van een nultarief. Tussen vrijgestelde en niet-vrijgestelde gevallen is het tariefverschil rekenkundig oneindig groot. Toch zijn vrijstellingen toegestaan. Het gaat erom, wat de bedoelingen van de gemeentelijke regelgever zijn bij de inrichting van het tariefstelsel en of met de daardoor optredende tariefverschillen geen inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of enig ander algemeen rechtsbeginsel. De tariefverschillen die in casu optreden blijven, zoals de Hoge Raad terecht overweegt, binnen de grenzen van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De gemeenteraad van Rotterdam kan derhalve overwegen het inmiddels afgeschafte tariefstelsel opnieuw in te voeren. 4.23 Poelmann schrijft in de Cursus Belastingrecht ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel het volgende: Kort gezegd houdt het gelijkheidsbeginsel in dat gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen ongelijk dienen te worden behandeld naar de mate van hun ongelijkheid, dat wil zeggen dat de ongelijke behandeling in een redelijke verhouding moet staan tot de onderlinge verschillen. Alleen indien voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, is ongelijke behandeling toegestaan. Wanneer burgers het gevoel hebben dat zij niet gelijk worden behandeld respectievelijk worden gediscrimineerd ten opzichte van andere burgers, treft dit hen rechtstreeks in hun rechtvaardigheidsgevoel. De diep gewortelde overtuiging dat zij slechter, althans niet gelijk, worden behandeld dan de in hun ogen vergelijkbare medeburger heeft sinds mensenheugenis heel wat verzet, burgerlijke ongehoorzaamheid en opstand tegen het gezag/de overheid ontketend en daarmee heel wat stof opgeleverd voor rechterlijke procedures. Het probleem daarbij is echter dat hetgeen gelijk lijkt vaak niet gelijk is, althans niet in de zin dat daarmee het evenwicht in de te betrachten rechtvaardigheid wordt verstoord. Van daadwerkelijke schending van het gelijkheidsbeginsel is met andere woorden eerst sprake indien vaststaat dat er een ongelijkheid bestaat met betrekking tot de rechtens relevante feiten. Daar komt nog bij dat in onze sociale rechtsstaat in menige rechtsregel aspecten van sociale rechtvaardigheid en aspecten van effectieve uitvoering zijn meegenomen die als zodanig een rechtvaardiging kunnen vormen voor de ongelijke behandeling. Dit geldt zowel voor wettelijke regels als voor beleidsregels. In feite gaat het bij het gelijkheidsbeginsel mede om het antwoord op de vraag wat maatschappelijk gewenst respectievelijk aanvaardbaar is. Niessen spreekt mede in dit verband van de kunst van het gelijke (ars aequi) en de kunst van het evenwicht. Het gelijkheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel dat zowel een rol speelt bij regelgeving als bij de wijze waarop bestuur zijn bevoegdheden uitvoert. Burgers mogen van zowel de wetgever als de bestuurder verlangen dat zij niet zonder goede reden minder goed worden behandeld dan andere burgers. (…) 4.24 Verder schrijft Poelmann: Wat zijn feitelijk gelijke gevallen Van feitelijk gelijke gevallen kan worden gesproken indien de gevallen die met elkaar vergeleken worden, dezelfde feitelijke kenmerken hebben. Het gaat daarbij om de omstandigheden van de betrokken belastingplichtige die relevant zijn voor de toepassing van de wet of de beleidsregel in een concrete situatie en dus niet om een puur abstracte vergelijking. Daarin ligt besloten dat het oordeel over de vergelijkbaarheid ook steeds een waardering inhoudt van de concrete omstandigheden die van belang zijn voor de belastingheffing. Het gelijkheidsbeginsel wordt vrijwel steeds in stelling gebracht in procedures inzake de toepassing van de Wet WOZ. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de in art. 4.
- Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ neergelegde vergelijkingsmethode. Het gaat bij de Wet WOZ niet om de vergelijkbaarheid van de belastingplichtigen maar om de vergelijkbaarheid van de onroerende zaken. Wat zijn rechtens gelijke gevallen Van rechtens gelijke gevallen wordt gesproken indien op de heffing van de betrokken belastingplichtige dezelfde algemeen verbindende voorschriften (wetten, algemene maatregelen van bestuur en beleidsregels) van toepassing zijn als op de heffing van de belastingplichtigen met wie hij wordt vergeleken. Bij beleidsregels komt bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel in het bijzonder belang toe aan de strekking of de doelstelling van de betreffende beleidsregel. Zo werd op grond van de doelstelling van de beleidsregel om de aan werknemers tijdens werktijd verstrekte consumpties onbelast te laten, in het zogenoemde koffiegeldarrest HR 22 juni 1988, nr. 24 592, BNB 1988/259 (concl. Van Soest, noot Van Dijck) aftrek van consumptiekosten tijdens werktijd toegestaan op grond van het gelijkheidsbeginsel: een vergoeding voor het betalen van een consumptie werd in de voor de toepassing van de beleidsregel relevante (feitelijke) opzichten vergelijkbaar geacht met het zelf moeten dragen van de uitgave. Relevante verschillen bij wat feitelijk en rechtens is Het antwoord op de vraag of feitelijk en rechtens sprake is van gelijke gevallen moet worden bezien in het licht van het concrete geschilpunt. Zo bestaan er zowel feitelijk als rechtens aanzienlijke verschillen tussen werknemers en ondernemers die op tal van punten — naast een verschillende wettelijke behandeling — ook een verschillende bestuurlijke behandeling zouden kunnen rechtvaardigen. In overeenkomstige zin concludeerde A-G Niessen over de vrijstelling van de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen zoals die op grond van art. 40 Gw voor de Koning geldt. Een vraag is dan of belanghebbende rechtens en feitelijk in eenzelfde situatie verkeert. A-G Niessen concludeerde dat daarvan geen sprake is omdat de vrijstelling is beperkt tot de inkomsten en vermogensbestanddelen die verbonden zijn met de uitoefening van het Koningschap. In HR 18 maart 2016, nr. 15/02213, V-N Vandaag 2016/601 is het beroep in cassatie van belanghebbende onder verwijzing naar de conclusie van de A-G afgewezen. (…) 4.25 Vakstudie schrijft: Wanneer gesproken wordt over gelijke gevallen, dan wordt gedoeld op gevallen die in een zekere context dezelfde relevante kenmerken bezitten. In een fiscaaljuridische context gaat het om kenmerken die relevant zijn voor de toepassing van een rechtsregel uit het belastingrecht. De Hoge Raad spreekt over gevallen die 'feitelijk en rechtens' gelijk zijn. Daarmee wordt volgens Happé, Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming (FM nr. 77), p. 297, Deventer: Kluwer 1996, aangegeven dat de gevallen ten eerste dezelfde (feitelijke) kenmerken moeten hebben en ten tweede onder dezelfde wettelijke bepaling gerangschikt moeten kunnen worden. Het wettelijk kader wordt aldus tot uitgangspunt genomen, want dit wettelijk kader bepaalt ook welke kenmerken relevant zijn. Wordt reeds in de wet een bepaald onderscheid gemaakt, dat ertoe leidt dat de gevallen verschillend worden behandeld, dan kan in de uitvoeringssfeer niet meer worden gesproken van gelijke gevallen, en kan ook het gelijkheidsbeginsel in beginsel niet meer aan de orde komen. Hooguit kan betoogd worden dat sprake is van een onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen (…)
- Beoordeling van het beroep in cassatie van het College en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende. 5.1 Het College heeft in de inleiding tot zijn cassatiemiddelen een klacht geformuleerd die ik aldus begrijp dat het Hof in zijn behandeling van schendig van het gelijkheidsbeginsel verder is gegaan dan waarover belanghebbende heeft gesteld en aldus buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden. 5.2 Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft het Hof opgemaakt dat is geklaagd over schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarbij heeft het Hof met name ook betrokken schending van het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod als vervat in artikel 1 van de Grondwet. 5.3 In casu gaat het niet om schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, maar om schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke lagere (gemeentelijke) regelgeving. Het gaat met name om toetsing van de Verordening aan de Grondwet. Die speelt zich af binnen het recht. Op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, vult de rechter zelf de rechtsgronden aan. De rechter is daarbij niet afhankelijk van de stellingen van een bepaalde partij. Buiten de rechtsstrijd treden kan hierbij dus niet aan de orde komen, zodat door het College ten onrechte daarover geklaagd is. 5.4 In het eerste middel wordt betoogd dat het Hof in rechtsoverweging 4.9 heeft miskend dat de gemeente geen keuze heeft in het niet toepassen van artikel 16, aanhef, en onderdeel e, van de Wet WOZ bij het opleggen van forensenbelasting in geval van zo een recreatieterrein. 5.5 Het Hof heeft overwogen: 4.
- In artikel 4 van de Verordening is zowel de maatstaf van heffing als het tarief opgenomen. De gemeenteraad van de gemeente Ommen (hierna: de Raad) heeft ervoor gekozen om voor de heffingsmaatstaf voor de forensenbelasting 2015 aan te sluiten bij de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen. Naar het oordeel van het Hof stond dit de Raad vrij. De gekozen heffingsmaatstaf zoals vastgelegd in de eerste drie leden van artikel 4 van de Verordening komt erop neer dat de deze wordt bepaald door de WOZ-waarde die voor een gemeubileerde woning is vastgesteld, dan wel, indien deze niet is vastgesteld, de waarde die kan worden vastgesteld met toepassing van hoofdstuk IV van de Wet WOZ (door de verwijzing naar artikel 220c van de Gemeentewet), met dien verstande dat artikel 16, aanhef, en onderdeel e, van de Wet WOZ niet wordt toegepast. Voor de heffingsmaatstaf voor de forensenbelasting 2015 is de WOZ-waarde zoals die bij individuele waardering van de woning is of zou kunnen worden vastgesteld derhalve leidend. 5.6 De wetgever heeft aan gemeenten de bevoegdheid heeft om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen. 5.7 Ik lees in rechtsoverweging 4.9 geen miskenning in de keuze van de gemeente ten aanzien van de heffingsmaatstaven. Het Hof erkent dat het de Raad vrij stond om de heffingsmaatstaf te kiezen en om aan te sluiten bij de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen. Verder geeft het Hof slechts een uitleg over de werking van de gekozen heffingsmaatstaf. Aldus komt het mij voor dat middel 1 berust op een verkeerde lezing van de Hofuitspraak en daarom faalt. 5.8 In het tweede middel wordt gesteld dat het Hof in r.o. 4.10 ten onrechte stelt dat met de toepassing van een vast bedrag een geheel nieuwe heffingsmaatstaf wordt gecreëerd. Toegelicht is dat voor een te rechtvaardigen groep een geheel eigen forfaitaire regeling is getroffen, totaal los van de hoofdregel. 5.9 Het Hof heeft in r.o. 4.10 vastgesteld dat voor gemeubileerde woningen die onderdeel uitmaken van een recreatieterrein als bedoeld in artikel 16, aanhef, en onderdeel e, van de Wet WOZ (hierna ook: de gemeubileerde woning die onderdeel uitmaakt van een recreatiesamenstel), in de Verordening een eigen forfaitaire regeling is getroffen: Blijkens de aanhef van het vierde lid van artikel 4 van de Verordening wordt in dit artikellid het tarief geregeld (“De forensenbelasting bedraagt per jaar…”). Echter, voor gemeubileerde woningen die deel uitmaken van een belastingobject waarvan de waarde in het economisch verkeer is vastgesteld met toepassing van artikel 16, aanhef, en onderdeel e, van de Wet WOZ (hierna: gemeubileerde woningen die onderdeel uitmaken van een recreatieterrein) wordt de in de eerste drie leden van artikel 4 gecreëerde maatstaf van heffing losgelaten, en een geheel andere heffingsmaatstaf gecreëerd (het onderdeel uitmaken van een recreatieterrein). Het tarief voor deze woningen wordt vastgesteld op €
- 5.10 Die constatering lijkt mij op zichzelf juist. Het Hof heeft daaraan in r.o. 4.10 nog niet de latere conclusie verbonden dat het gemaakte onderscheid een verboden ongelijke behandeling oplevert. Daarom kan het tweede middel niet leiden tot cassatie. Strijd met artikel 1 van de Grondwet 5.11 De kernvraag in deze procedure is of die strijd er is. De overige middelen, die strekken ten betoge dat die strijd er niet is, zal ik gezamenlijk behandelen. Betoogd wordt dat het Hof volstrekt onbegrijpelijk ervan uitgaat dat er sprake is van gelijke gevallen tussen belanghebbende en belastingplichtigen op een recreatieterrein als bedoeld in artikel 16 voornoemd. Tevens wordt in de middelen gesteld dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor de veronderstelde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het Hof miskent de algemeenheid van de regel en de daarbij te accepteren ruwheid, aldus de middelen. 5.12 De kern van het geschil komt daarmee neer op de vraag of er sprake is van gelijke gevallen, en zo ja of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling. Gelijke gevallen 5.13 Mijns inziens heeft het Hof terecht geoordeeld dat er sprake is van gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Het gaat om het vergelijken van kenmerken die relevant zijn voor de toepassing van de forensenbelasting. De forensenbelasting bepaalt de context. 5.14 Op grond van zowel artikel 223 van de Gemeentewet als de artikelen 1 en 2 van de Verordening zijn de van belang zijnde kenmerken of het natuurlijke personen betreffen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Artikel 1 van de Verordening verwijst naar artikel 223 van de Gemeentewet, terwijl artikel 2 van de Verordening overeenkomt met artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet waarmee de gemeente gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheid om een forensenbelasting te heffen: Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet (Stb. 1993, 611). Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht
- Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. 5.15 Voor de forensenbelasting heeft de woning van belanghebbende dezelfde kenmerken als een gemeubileerde woning die onderdeel uitmaakt van een recreatiesamenstel. Volgens de definitie zoals beschreven in onderdeel 5.14 maakt het mijns inziens geen verschil of een gemeubileerde woning wel of niet onderdeel uitmaakt van een recreatiesamenstel. Een gemeubileerde woning die deel uitmaakt van een belastingobject waarvan de waarde in het economisch verkeer is vastgesteld met toepassing van artikel 16, aanhef, en onderdeel e, van de Wet WOZ valt binnen dezelfde definitie van artikel 223 van de Gemeentewet. Hetzelfde heeft te gelden als deze woningen een veel lagere waarde hebben dan woningen die niet van een dergelijk terrein onderdeel uitmaken. Daarmee zijn het feitelijk en rechtens gelijke gevallen voor de toepassing van de forensenbelasting. 5.16 Voorts kan de Verordening rechtens worden getoetst aan artikel 1 van de Grondwet. De Verordening is een wet in materiële zin, vastgesteld door een lokaal overheidsorgaan. Bovendien vloeit het gemaakte onderscheid niet voort uit een wet in formele zin, met name artikel 223 van de Gemeentewet, maar is door de gemeente als lagere regelgever gecreëerd binnen de Verordening. 5.17 Artikel 16 van de Wet WOZ, een wet in formele zin, bevat regels voor objectafbakening die ertoe leiden dat afbakening als afzonderlijke objecten achterwege blijft wanneer het gaat om een geheel van onroerende zaken, zoals recreatiewoningen en stacaravans, dat bijeengenomen een terrein vormt dat bestemd is voor verblijfsrecreatie en als zodanig wordt geëxploiteerd. Artikel 223 van de Gemeentewet, dat de grondslag vormt voor een gemeentelijke forensenbelasting, dwingt echter niet tot toepassing van artikel 16 van de Wet WOZ in het kader van de heffing van forensenbelasting. 5.18 Bovendien is artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ ingevoerd uit doelmatigheidsredenen, die in beginsel niet leiden tot een onderscheid in waardebepaling of dwingen tot een ander tarief. De waardering van een recreatieterrein zal in beginsel plaatsvinden op de waarde die daaraan kan worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (waarde in het economisch verkeer; op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ). Objectieve en redelijke rechtvaardiging 5.19 Nu er aldus sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden, resteert de vraag of er in casu een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling van gelijk te achten gevallen. 5.20 Van de kant van het College is gesteld dat er wel degelijk een redelijke grond is om het onderscheid te maken. Ik begrijp vanwege efficiencyredenen en omdat gemeubileerde woningen die onderdeel uitmaken van een recreatiesamenstel veelal een geringe waarde hebben: Wij menen dat uit de overwegingen die wij hierboven hebben gegeven blijkt, dat er wel degelijke een redelijke grond is om dit verschil te maken. Dat verschil is met name te rechtvaardigen vanuit de in efficiency om deze objecten van een waarde te moeten voorzien, en het veronderstelde verschil in (juridische en feitelijke) situatie en individueel profijt op een recreatiepark vanwege hoge kosten. En ook bij de inleiding van de middelen: (...) Voor de uitvoer