← Nederland

ECLI:NL:PHR:2020:1194

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/04820 Zitting 11 december 2020 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak [de veroordeelde] tegen Staat der Nederlanden Dit kort geding betreft

Article 5of the European Convention on Human Rights, versie d.d.

31 augustus 2020 (te raadplegen via <echr.coe.int>), II.F, par. 39 e.v. Zie EHRM 29 januari 2008, nr. 13229/03 (Saadi/Verenigd Koninkrijk), rov. 67-69. Zie EHRM 31 mei 2011, nr. 5829/04 (Khodorkovsiy/Rusland), rov. 142. Zie ECHR,

Article 5, reeds aangehaald, III.A, nr.

51-

  1. Zie EHRM 27 juli 2010, nr. 28221/08 (Gatt/Malta), rov. 35 en 45; EHRM 17 maart 2016, nr. 6287/10, EHRC 2016/125 (Hammerton/Verenigd Koninkrijk), rov.
  2. Zie EHRM 29 januari 2008, nr. 13229/03 (Saadi/Verenigd Koninkrijk), rov. 71; EHRM 17 maart 2016, nr. 6287/10, EHRC 2016/125 (Hammerton/Verenigd Koninkrijk), rov.
  3. Zie EHRM (Grand Chamber) 24 januari 2017, nrs. 60367/08 en 961/11 (Khamtokhu en Aksenchik/Rusland), rov. 55; EHRM 27 maart 2018, nr. 14431/06, EHRC 2018/119 (Aleksandr Aleksandrov/Rusland), rov.
  4. Zie EHRM 27 maart 2018, nr. 14431/06, EHRC 2018/119 (Aleksandr Aleksandrov/Rusland), rov. 25 e.v. Zie EHRM 31 mei 2011, 21789/02 (Derman/Turkije), rov. 28 e.v., zoals weergegeven in rov. 55 van het voormelde arrest Khamtokhu en Aksenchik/Rusland. Zie EHRM 10 juni 1996, nr. 19380/92 (Benham/Verenigd Koninkrijk), rov. 42; EHRM 27 juli 2010, nr. 28221/08 (Gatt/Malta), rov. 40; EHRM 19 september 2013, nr. 16880/08 (Velinov/Macedonië), rov.
  5. Zie ECHR,

Article 5, reeds aangehaald, III.B, nr.

66-

  1. Zie EHRM 29 november 2011, nr. 30954/05 (Beiere/Letland), rov.
  2. Zie ECHR,

Article 5, reeds aangehaald, III.B, nr.

  1. Zie EHRM 27 juli 2010, nr. 28221/08 (Gatt/Malta), rov. 37 e.v. en rov.
  2. Zie EHRM 19 september 2013, nr. 16880/08 (Velinov/Macedonië), rov. 54 e.v. Zie ECHR,

Article 5, reeds aangehaald, III.B, nr.

77. Zie ECHR,

Article 5, reeds aangehaald, III.B nr.

71-

  1. Zie EHRM 17 maart 2016, nr. 6287/10, EHRC 2016/125 (Hammerton/Verenigd Koninkrijk), rov.
  2. Zie ECHR,

Article 5, reeds aangehaald, III.B, nr.

75-

  1. Zie EHRM 25 september 2003, nr. 52792/99 (Vasileva/Denemarken), rov. 38 e.v. Zie EHRM 27 juli 2010, nr. 28221/08 (Gatt/Malta), rov.
  2. Zie ECHR,

Article 7of the European Convention on Human Rights, versie d.d.

31 augustus 2020 (te raadplegen via <echr.coe.int.>, V, nr. 55 e.v. Zie ECHR,

Article 7, reeds aangehaald, II.D, nr.

11 e.v. Zie EHRM 8 juni 1995, nr. 15917/89 (Jamil/Frankrijk), rov. 30 e.v. Zie HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9449, NJ 2012/237 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 5.

  1. Zie par. 1.6 van de schriftelijke toelichting namens de Staat. Zie EHRM 7 juni 2011, nr. 277/05, NJ 2012/207 m.nt. T. Schalken (S.T.S./Nederland), rov.
  2. Zie HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.6 e.v. Enigszins haaks hierop staat HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, waarin de strafkamer voortbouwt op een uitspraak uit
  3. Zie ook par. 1 van de nota van repliek namens de veroordeelde. Zie par. 3.9 van de schriftelijke toelichting namens de Staat. Zie blz. 5 van de procesinleiding in cassatie (onder ‘Hypothetisch feitelijke grondslagen’). Vgl. voetnoot 21 van de procesinleiding in cassatie. Vgl. ook par. 4.1 e.v. van de schriftelijke toelichting namens de Staat, waar de Staat eveneens uitgaat van betalingsonmacht. Vgl. par. 2.3 en 4.8 van de schriftelijke toelichting van de Staat. Het onderdeel verwijst mede naar art. 13 EVRM. Daarover handelt rov. 7.5, waartegen in cassatie slechts een voortbouwende klacht is gericht (in onderdeel 6.1). Zie ook rov. 7.2 van het bestreden arrest, waartegen onderdeel 1.7 is gericht. Zie de bespreking van onderdeel 5.1 in alinea 3.35 e.v. hierna. Zie rov. 5.3 - 5.5 van het bestreden arrest, waartegen onderdeel 1.4 is gericht. Vgl. de conclusie van P-G Silvis voor HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, onder
  4. Vgl. par. 4.2.3 in hoofdstuk II van de Aanwijzing executie d.d. 1 september 2017 (Stcrt. 2017/45837). Vgl. punt (vi) in alinea 1.1 hiervoor. Zie alinea 2.35 hiervoor en par. 4.13 e.v. van de schriftelijke toelichting namens de Staat. Zie voetnoot 29 van de procesinleiding in cassatie. Zie EHRM 9 november 2010, nr. 4634/04 (Osypenko/Oekraïne), rov.
  5. Vgl. par. 3.9 van de schriftelijke toelichting namens de veroordeelde. Zie ook par. 4.25 van de schriftelijke toelichting namens de Staat. Vgl. punt (vi) in alinea 1.1 hiervoor. Vgl. Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 971, blz. 3 (antwoord vraag 6), waar de minister de door W.H. Jebbink, NJB 2019/1928, blz. 2291 e.v., beweerde strijdigheid met art. 5 EVRM afwijst. Zie ook par. 6.4 van de schriftelijke toelichting namens de Staat. Het inwerkingtredingsbesluit dateert van 24 december 2019 (Stb. 2019, 507). Vgl. rov. 8.2 van het bestreden arrest aan het slot (in cassatie niet bestreden).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.