PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01170 Zitting 7 februari 2020 CONCLUSIE E.M. Wesseling-van Gent In de zaak Semtex B.V. tegen 1. [verweerster 1] 2. [verweerster 2] Het onderhavige geschil betreft de hoofdzaak die binnen de daarvoor gestelde termijn aanhangig is gemaakt na een op de voet van art. 730 Rv en art. 1019b Rv gelegd conservatoir bewijsbeslag. Eiseres tot cassatie (hierna: Semtex) heeft daarbij op de voet van art. 843a Rv en art. 1019a Rv een inzagevordering ingesteld tegen twee ex-werknemers op de grond dat deze ex-werknemers haar op onrechtmatige wijze beconcurreren, het in hun arbeidsovereenkomst met Semtex opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding hebben geschonden en inbreuk hebben gemaakt op de IE-rechten van Semtex. De rechtbank heeft de vorderingen van Semtex afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Bij de beoordeling van alle grondslagen heeft het hof in rov. 6.5.5 voorop gesteld dat de gestelde rechtsbetrekking – het hof noemt in rov. 6.5.5 alleen de gestelde onrechtmatigheid/inbreuk – voldoende aannemelijk dient te worden gemaakt. Aldus heeft het hof getoetst aan het zogeheten in IE-zaken gehanteerde AIB/Novisem-criterium. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat het hof daarmee ten onrechte deze maatstaf in dit geding aanlegt voor zover de gestelde rechtsbetrekking (in de zin van art. 843a Rv) een onrechtmatige daad is, en voor zover Semtex zich beroept op de schending van bedingen in de arbeidsovereenkomst. 1Feiten en procesverloop Feiten 1.1 Semtex ontwerpt en verkoopt kinderkleding onder de naam Retour Denim Deluxe dan wel Retour Jeans. De kleding van Retour wordt geproduceerd in Azië. 1.2 Verweerster in cassatie onder 1 (hierna: [verweerster 1] ) is van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2013 in dienst geweest bij Semtex, laatstelijk in de functie van senior productmanager/hoofdinkoopster. 1.3 Verweerster in cassatie onder 2 (hierna: [verweerster 2] ) is van 12 mei 2009 tot 1 december 2013 in dienst geweest bij Semtex. [verweerster 2] hield zich bezig met de ontwerpen voor de meisjescollectie. 1.4 De arbeidsovereenkomsten van [verweerster 1] en [verweerster 2] bevatten een geheimhoudingsbeding en een verbod op nevenwerkzaamheden. Een concurrentie- of relatiebeding is daarin niet opgenomen. 1.5 Op 11 augustus 2013 heeft [verweerster 1] haar arbeidsovereenkomst met Semtex opgezegd tegen 1 oktober 2013. Rekening houdend met nog resterende vakantiedagen zou haar laatste werkdag 18 september 2013 zijn. 1.6 Op 17 september 2013 heeft [verweerster 1] via WeTransfer vanuit haar mailbox bij Semtex vier bestanden naar haar privé-e-mailadres verzonden, genaamd: 1) modellenbestand.xls; 2) planning mailings 2013.xls; 3) pr contactpersonen.xls; 4) retour denim deluxe ss 13 revised.doc. 1.7 Op 22 september 2013 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), de partner van [verweerster 1] , het woord-/beeldmerk [C] geregistreerd bij het Benelux Bureau voor Intellectuele Eigendom voor de klassen 3, 14, 16, 18, 25 en 35 (kort gezegd: was- en cosmetische middelen, edelmetalen/juwelen, papier/drukwerk, leer, kleding, reclame). 1.8 [verweerster 2] heeft haar arbeidsovereenkomst met Semtex bij brief van 27 oktober 2013 opgezegd tegen 1 december 2013. 1.9 Eind november 2013 is een aantal vennootschappen opgericht: [A] B.V., [E] B.V. (hierna: [E]) en [D] B.V. (hierna: [D]). Via [B] B.V. is [betrokkene 1] bestuurder van [A] B.V. [A] B.V. is bestuurder van [D]. 1.10 Op 1 januari 2014 is [verweerster 2] bij [D] in dienst getreden. 1.11 [verweerster 1] en [verweerster 2] ontwerpen en verhandelen kinderkleding binnen [D] en onder het merk [C] . 1.12 Op 14 augustus 2014 heeft Semtex, na daartoe verkregen verlof, ten laste van [verweerster 1] , [verweerster 2] , [A] B.V., [B] B.V., [E] en [D] (hierna: [verweerster 1] c.s. en de B.V.’
(2017)wordt onder meer voorgesteld het begrip ‘rechtmatig belang’ in art. 843a Rv te vervangen door ‘voldoende belang’. Dit brengt volgens de expertgroep mee dat de zwaardere eis van het arrest AIB/Novisem vooralsnog niet in het commune recht behoeft te worden overgenomen. De desbetreffende passages uit het advies luiden als volgt: “124. Voor het stellen van de eis van aannemelijkheid van het bestaan van de rechtsbetrekking kan steun worden gevonden in de Europese Handhavingsrichtlijn en de daarop gevormde rechtspraak (zie nr. 74). Wij menen echter dat de door ons voorgestelde eis van voldoende belang de rechter een maatstaf biedt om aan de hand van de stellingen van de verzoekende partij te beoordelen of dit belang aanwezig is. Een aparte eis van voldoende aannemelijkheid van de door art. 843a Rv geëiste rechtsbetrekking (in het IE-recht: van de inbreuk) voegt daaraan niets toe. Dit is in zaken betreffende intellectuele eigendom in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad overweegt in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), samengevat in r.o. 3.3.4, namelijk ‘dat de rechter bij zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in intellectuele-eigendomszaken in de toetsing van het “rechtmatig belang” de belangen van de verweerder dient te betrekken, waaronder diens belang dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar in het bijzonder ook om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is, ingeval de beweerde inbreuk niet voldoende aannemelijk is, of indien de exhibitie verlangende partij ook andere effectieve, maar voor de verweerder minder belastende middelen tot bewijsgaring ten dienste staan (zoals een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht)’. (…) 144. De vraag rijst nog of aansluiting moet worden gezocht bij de hogere eisen die in het genoemde arrest AIB/Novisem in IE-zaken worden gesteld voor de stelplicht ten aanzien van de rechtsbetrekking in het kader waarvan het bewijsbeslag wordt verzocht. Die eisen sluiten aan bij de Europese rechtspraak in IE-zaken en vooralsnog zien wij geen noodzaak daarbij in het commune recht aan te sluiten, nu die eisen ook niet gelden voor de vordering tot inzage op grond van art. 843a Rv. Verwezen wordt naar wat wij hebben opgemerkt in par. 3.5.8.” 2.28 Ekelmans, die – zoals hiervoor onder 2.21 is weergegeven – van mening is dat de maatstaf van het arrest AIB/Novisem zich voor toepassing buiten het IE-recht leent, becommentarieert het advies van de expertgroep op dit punt als volgt: “De Expertgroep, die elders in het advies aangeeft aan te willen sluiten bij de ontwikkeling in andere Europese landen en de ontwikkeling van het Europees recht, ziet juist op het gebied waar de invloed van het Europees recht zich het meest laat voelen (vooralsnog) geen noodzaak om daar iets mee te doen door de aannemelijkheid van de vordering onderdeel te laten zijn van de afweging. Volgens de Expertgroep moet reeds aan de hand van de stellingen van de eiser worden beoordeeld of sprake is van voldoende belang en voegt de aannemelijkheid van de vordering niets toe aan de door de Expertgroep voorgestelde maatstaven. Nu de Expertgroep de eisen aan de stelplicht niet expliciteert, blijft die opmerking wat mij betreft nog te veel in de lucht hangen, zeker nu de aannemelijkheid hoe dan ook slechts ternauwernood tot het advies is doorgedrongen. In het advies wordt slechts opgemerkt, dat voldoende belang kan(!) ontbreken, wanneer er in het geheel geen vordering meer is én doemt de aannemelijkheid van de vordering pas op wanneer bij misbruik van recht wordt aangegeven, dat de aannemelijkheid van de vordering een van de gezichtspunten is, die een rol kan spelen bij de beoordeling of sprake is van misbruik van recht.” 2.29 In navolging van het advies van de expertgroep, heeft de wetgever in het voorgestelde concept wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in art. 149b de voorwaarde van ‘rechtmatig belang’ gewijzigd in ‘voldoende belang’ en hierbij opgemerkt dat laatstgenoemd criterium meer aansluit bij de criteria voor toewijzing van de overige (voorlopige) bewijsverrichtingen en bovendien een vertrouwd begrip is in de rechtspraktijk vanwege de bepaling van art. 3:303 BW. Als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij een voldoende belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, moet die inzage ook worden verstrekt; de bescherming van de belangen van degene van wie informatie wordt opgevraagd, wordt geregeld in het voorgestelde tweede lid van art. 149b (verschoningsrecht en gewichtige redenen), aldus de concept-toelichting. 2.30 Met betrekking tot de voorwaarde ‘het bestaan van een rechtsbetrekking’ wordt in de concept-toelichting op het voorgestelde art. 149b opgemerkt dat het bestaan van een rechtsbetrekking nog niet in rechte behoeft vast te staan omdat de inzet van een procedure juist kan bestaan in de vraag of tussen partijen al dan niet een rechtsbetrekking bestaat en bepaalde feiten die van belang zijn voor het bestaan, de inhoud of de omvang van een rechtsbetrekking vaak nog niet helder zijn. Gelet op het doel om opheldering van de feiten te verkrijgen en geschillen zo effectief mogelijk op te lossen, moet het begrip “partij bij een rechtsbetrekking” ruim worden opgevat. Partij bij een rechtsbetrekking kan een ieder zijn die bij een rechtsbetrekking is of wordt betrokken. Dus ook degene die zich op het standpunt stelt dat er helemaal geen rechtsbetrekking bestaat waarbij hij partij is, kan aanspraak maken op bepaalde gegevens om dat aan te tonen. 2.31 Nog niet toegelicht is de vraag of de wetgever, die dus het advies van de expertgroep om het begrip ‘rechtmatig belang’ in art. 843a Rv te vervangen door ‘voldoende belang’ in het concept wetsvoorstel, heeft overgenomen, zich ook aansluit bij de hiervoor onder 2.27 weergegeven opvatting van de expertgroep (onder 144 van het advies) dat de “de hogere eisen die in het genoemde arrest AIB/Novisem in IE-zaken worden gesteld voor de stelplicht ten aanzien van de rechtsbetrekking in het kader waarvan het bewijsbeslag wordt verzocht” vooralsnog niet in het commune recht behoeft te worden overgenomen, “nu die eisen ook niet gelden voor de vordering tot inzage op grond van art. 843a Rv.” 2.32 De adviesaanvraag van het door de ministerraad goedgekeurde ‘Wetsvoorstel aanpassing Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met modernisering bewijsrecht’ is op 21 oktober 2019 aanhangig gemaakt bij de Raad van State. De tekst daarvan is op het moment van het nemen van deze conclusie dus nog niet bekend voor de buitenwereld. Behandeling onderdelen 2.33 Onderdeel I is in de kern toegespitst op de vraag of het AIB/Novisem-criterium ook buiten het IE-recht geldt. Het onderdeel richt zich tegen de rov. 6.5.11 tot en met 6.5.17, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (ik citeer tevens rov. 6.5.5): “6.5.5. Het hof stelt het volgende voorop. Degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, dient zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen, dat de gestelde onrechtmatigheid/inbreuk voldoende aannemelijk is. De vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art. 843a Rv respectievelijk artikel 1019a Rv als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) onrechtmatig handelen c.q. een (dreigende) inbreuk gebaseerde (verbods)vordering (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491; HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775). (…) 6.5.11. Naar het oordeel van het hof heeft Semtex in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerster 1] en [verweerster 2] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, en is het reeds voorhanden bewijsmateriaal van onvoldoende onderbouwend gewicht, om te concluderen dat voldoende aannemelijk is dat [verweerster 1] en [verweerster 2] hun in hun arbeidsovereenkomst met Semtex opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding hebben geschonden. 6.5.12. [verweerster 1] heeft erkend dat zij twee dagen voordat zij feitelijk bij Semtex weg ging vier bestanden naar haar privé e-mailadres heeft gestuurd. [verweerster 2] heeft erkend dat zij tijdens een verblijf voor Semtex in China op eigen kosten drie truien voor zichzelf heeft gekocht. Indien dit al als schending van het geheimhoudingsbeding respectievelijk het nevenwerkzaamhedenbeding zou moeten worden gekwalificeerd rechtvaardigt dat nog niet toewijzing van de gevorderde inzage/verstrekking afschriften. Het is Semtex bekend welke bestanden [verweerster 1] naar haar privé adres heeft gemaild. Anders dan zij aanvankelijk aanvoerde betrof het vierde bestand niet de door Semtex gebruikte maatvoering. Semtex heeft niet betwist dat dat vierde bestand reclame met betrekking tot de zomer collectie van 2013 betrof. Evenmin heeft zij betwist dat de bestanden contactgegevens bevatten. Het moge zo zijn dat Semtex de verklaring van [verweerster 1] voor verzending van de bestanden niet gelooft, maar dat op zichzelf levert nog geen exhibitieplicht van [verweerster 1] op. Datzelfde geldt voor de privé aankoop door [verweerster 2] van drie truien. [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben onbetwist aangevoerd dat zij regelmatig langere tijd voor Semtex in China verbleven en lange werkdagen maakten. Een privé aankoop van betrekkelijk geringe omvang onder die omstandigheden is onvoldoende om een exhibitieplicht aan te nemen. 6.5.13. [verweerster 2] heeft een plausibele verklaring gegeven voor haar verzoek per mail aan een fabrikant om een pakket op haar verblijfsadres in China af te leveren. [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben verklaringen overgelegd van fabrikanten in China waarin deze fabrikanten verklaren dat [verweerster 1] en [verweerster 2] tijdens hun bezoeken aan China voor Semtex niet met hen hebben gesproken over een door hen zelf op te zetten kledinglijn. Ook verklaren deze fabrikanten dat zij pas van [C] op de hoogte raakten door een (in dit geding overgelegde) brief van [betrokkene 3] , directeur van Semtex. Semtex heeft geen andersluidende verklaringen overgelegd. (…) 6.5.15. Voor wat betreft het door een aantal studenten, waaronder de zus van [verweerster 2] en (de als getuige gehoorde) [betrokkene 2] in mei 2013 bij Semtex uitgevoerde onderzoek staat vast dat [betrokkene 3] toestemming voor dat onderzoek heeft gegeven. Semtex heeft betoogd dat die toestemming zich niet uitstrekte tot een bedrijfsanalyse en kennisneming van bedrijfsinformatie, maar Semtex heeft niet gesteld dat en op grond waarvan [verweerster 2] , via wie kennelijk het verzoek van de studenten werd gedaan, dat heeft moeten begrijpen. Semtex heeft niet betwist dat [betrokkene 3] had laten weten dat hij verder niet met dit onderzoek lastig gevallen wilde worden. Er is geen enkele aanwijzing dat sprake was van een heimelijk uitgevoerde bedrijfsanalyse. Dat in het kader van dat onderzoek informatie over Semtex aan de studenten is verschaft ligt voor de hand. Dat op zichzelf is geen aanwijzing dat [verweerster 2] haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden, nog afgezien van de hiervoor besproken toestemming van [betrokkene 3] . Evenmin heeft Semtex concrete aanwijzingen genoemd die wijzen op een verband tussen dit onderzoek en de latere activiteiten van [verweerster 1] en [verweerster 2] met [C] . Daarvoor is in ieder geval onvoldoende dat [betrokkene 2] , die eind 2013 door [verweerster 2] was benaderd voor het ontwikkelen van de website en huisstijl van [C] , heeft verklaard dat hij met de kennis opgedaan bij de bedrijfsanalyse voor Semtex ‘wel wat kon waar het het projectplan voor [C] betrof’. [betrokkene 2] motiveert dit door aan te geven dat het om een vergelijkbaar merk, een vergelijkbare propositie en een vergelijkbaar marktsegment ging. Dat moge zo zijn en is ook logisch, maar geen aanwijzing dat het eerder bij Semtex uitgevoerde onderzoek juist met het oog op een door [verweerster 1] en [verweerster 2] op te zetten kledinglijn is uitgevoerd. Enige betrokkenheid van [verweerster 1] bij dat onderzoek heeft Semtex niet gesteld en is evenmin gebleken. Semtex heeft niet betwist dat [verweerster 1] en [verweerster 2] niet in het bezit zijn van het rapport en Semtex wel. Semtex heeft dat rapport niet in het geding gebracht, zodat evenmin daaruit een onderbouwing van de juistheid van de stellingen van Semtex is te putten. Ten slotte leidt het feit dat de reden voor het niet doorgaan van de opdracht door [verweerster 2] aan [betrokkene 2] (voor het ontwikkelen van de huisstijl van [C] ) er in zou zijn gelegen dat [betrokkene 2] zijn plan per abuis naar een mailadres van Semtex had gestuurd, niet tot een ander oordeel. Indien dat bij [verweerster 1] en [verweerster 2] tot de nodige consternatie heeft geleid is dat voorstelbaar. Zij waren immers een met het bedrijf van hun vorige werkgever concurrerend bedrijf begonnen. Anders dan Semtex betoogt volgt uit die consternatie geen voldoende aanwijzing dat [verweerster 1] en [verweerster 2] , kort gezegd, onrechtmatig jegens Semtex hadden gehandeld, noch leidt het tot een exhibitieplicht aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerster 2] . 6.5.16. [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben betwist dat de monsterkosten in 2013 significant hoger waren en er terecht op gewezen dat dat geenszins blijkt uit de (aanvankelijk) door Semtex genoemde bedragen. Verder hebben zij betwist dat zij in 2013 op kosten van Semtex monsters kochten ten behoeve van een door hen zelf op te zetten kledinglijn. Zij hebben aangevoerd dat Semtex in haar eigen administratie en credit card afschrijvingen dit kan nagaan. Semtex heeft verschillende bedragen aan monsterkosten genoemd. Bij pleidooi heeft zij weer andere bedragen genoemd die zouden duiden op een veel hogere post monsterkosten voor 2013. Semtex stelt dat die bedragen zijn ‘ontleend aan de boekhouding’, maar de onderliggende stukken heeft zij niet in het geding gebracht. Dat had echter wel op haar weg gelegen, gelet op de betwisting door [verweerster 1] en [verweerster 2] en het feit dat Semtex niet eenduidig is geweest is het noemen van die bedragen. Weliswaar hoeft Semtex in het kader van deze procedure niet te bewijzen dat de monsterkosten in 2013 aanzienlijk hoger waren dan de jaren ervoor en erna, maar in het kader van deze exhibitievordering is het wel aan Semtex om haar stellingen te onderbouwen met bewijsmateriaal dat reeds voorhanden is. 6.5.17. Er zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het feit dat de mailbox en het bureaublad van de computers van [verweerster 1] en [verweerster 2] bij Semtex na vertrek bij Semtex leeg zouden zijn, verband houdt met hun (latere) werkzaamheden voor [C] . Hetzelfde geldt voor het merkdepot door de partner van [verweerster 1] . Deze omstandigheden leveren niet zodanige feiten en omstandigheden op dat daarmee de voor de toewijsbaarheid van de exhibitievordering vereiste mate van aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatige gedragingen is bereikt, ook niet in samenhang met de hiervoor besproken feiten en omstandigheden. Datzelfde geldt voor het feit dat vanuit [C] in oktober 2014 aan een fabrikant in China instructies zijn gegeven waarbij ook is verwezen naar een kledingstuk van Semtex. [verweerster 1] heeft uitgelegd dat dat een gebruikelijke gang van zaken is die geen inbreuk op IE-rechten oplevert of anderszins onrechtmatig is en Semtex heeft dat niet betwist. Concluderend oordeelt het hof dat de grieven 3 tot en met 7 niet slagen.” 2.34 Subonderdeel Ia stelt voorop dat het hof in rov. 6.5.5 het zogeheten AIB/Novisem-criterium (van voldoende aannemelijkheid van de inbreuk op een IE-recht) heeft aangelegd. Het subonderdeel klaagt vervolgens, zakelijk en verkort weergegeven, dat het hof dit criterium in de rov. 6.5.11 tot en met 6.5.17 ten onrechte ook buiten IE-zaken aanlegt, althans te zware eisen stelt voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv, voor zover de gestelde rechtsbetrekking (in de zin van art. 843a Rv) een onrechtmatige daad is, en voor zover Semtex zich beroept op de schendingen van de in de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbedingen.Subonderdeel Ib voegt daaraan toe dat, indien het hof dit niet heeft miskend, het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom van Semtex mocht worden verlangd, de gestelde, althans vermoede, onrechtmatige daad en de aangevoerde schending van de genoemde arbeidsrechtelijke bepalingen, voldoende aannemelijk te maken. 2.35 De subonderdelen Ia en Ib lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 2.36 Zoals in het juridisch kader is opgemerkt, houdt de AIB/Novisem-maatstaf in dat de eiser die zich voor zijn exhibitievordering op de voet van art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv op een rechtsbetrekking beroept die mede de grondslag voor het inzagerecht vormt, bij gemotiveerde betwisting, voldoende aannemelijk moet maken dat die rechtsbetrekking bestaat. Deze maatstaf leent zich, aldus het arrest Organik/Dow, voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn. 2.37 De Hoge Raad heeft nog niet verduidelijkt of de AIB/Novisem-maatstaf buiten het IE-recht kan worden toegepast op alle onrechtmatige daad-rechtsbetrekkingen. Het standpunt van de wetgever dienaangaande is evenmin bekend. In de literatuur (van na het Organik/Dow-arrest) wordt er verschillend over gedacht. Samengevat zijn er voorstanders van toepassing van deze maatstaf in alle gevallen waarin moet worden vastgesteld of sprake is van een rechtsbetrekking in die zin van art. 843a Rv (zie Ekelmans en Sijmonsma). Daarnaast wordt verdedigd dat uit het Organik/Dow-arrest kan worden afgeleid dat de AIB/Novisem-maatstaf ook buiten het IE-recht geldt, maar alleen in gevallen die voldoende gelijkenis vertonen met gevallen waarop de regeling van art. 1019 e.v. Rv van toepassing is (zie Maas). 2.38 Een derde opvatting zou kunnen zijn dat het Organik/Dow-arrest het einde markeert aan de uitbreiding van de AIB/Novisem-maatstaf buiten het IE-recht, zodat toepassing van die maatstaf buiten het IE-recht alleen aan de orde is indien een rechtsbetrekking voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen. 2.39 In mijn conclusie vóór HR 12 april 2019 (art. 81 RO), heb ik mijn aarzeling verwoord om aan te nemen dat de Hoge Raad de in IE-zaken ontwikkelde maatstaf voor alle onrechtmatige daad-rechtsbetrekkingen heeft aanvaard. Die aarzeling bestaat hierin dat de hiervoor onder 2.19 geciteerde rov. 5.1.3 van het Organik/Dow-arrest uitdrukkelijk is toegespitst op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, en dat rov. 6.2.4 in een andere context dient te worden gelezen. Sijmonsma denkt hier anders over. Volgens hem doet de Hoge Raad niet veel meer dan de zaak feitelijk omschrijven, daarbij steun vindend in de regeling van art. 1019 e.v. Rv. 2.40 Noch in de aangehaalde rechtspraak, noch in de weergegeven literatuur wordt bij de vraag of de AIB/Novisem-maatstaf zich buiten het IE-recht voor toepassing leent, met zoveel woorden een onderscheid gemaakt tussen een rechtsbetrekking die voortvloeit uit onrechtmatige daad of uit overeenkomst. Sijmonsma en Ekelmans lijken – als ik hen goed heb begrepen – ervan uit te gaan dat het onderscheid daartussen geen enkele rol speelt bij de vraag of de AIB/Novisem-maatstaf ook buiten het IE-recht kan worden toegepast. 2.41 M.i. zou de rechtspraktijk ermee zijn gediend als deze vraag zou kunnen worden beantwoord, alsmede de vraag of voldoende gelijkenis dient te bestaan met gevallen waarop de regeling van art. 1019 e.v. Rv ziet. 2.42 Bij het beantwoorden van laatstgenoemde vraag is het oogmerk van de inzageregeling m.i. een ander aandachtspunt. Inzage op de voet van art. 843a Rv kan immers worden gevorderd “(…) met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure.” 2.43 Ik ben niet overtuigd door de argumenten van Sijmonsma om de zwaardere AIB/Novisem-maatstaf voor alle rechtsbetrekkingen te laten gelden. Dat deze maatstaf in IE-zaken geldt, is terug te voeren op de Handhavingsrichtlijn (en het TRIPS-verdrag). De uitbreiding die de Hoge Raad in het arrest Organik/Dow heeft gegeven, betreft een aparte categorie zaken, die volgens sommigen in de visie van de Hoge Raad verwant is aan de regeling van 1019 e.v. Rv. Maar dat brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat voor alle overige rechtsbetrekkingen ook de zwaardere maatstaf zou moeten gelden. Ik meen daarnaast dat, in het geval het AIB/Novisem-criterium bij de beoordeling van elke 843a-vordering zou moeten worden aangelegd, een te zware maatstaf geldt in het geval de inzagevordering is ingesteld teneinde de proceskansen in te schatten. Het is m.i. een voor de eiser te zware maatstaf om een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk te maken indien de inzagevordering ertoe strekt te achterhalen of er een rechtsbetrekking is. 2.44 Ten aanzien van de AIB/Novisem-maatstaf kan men zich – nog los van de vraag in welke gevallen deze buiten het IE-recht kan worden toegepast – bovendien nog afvragen wat voldoende aannemelijk moet worden gemaakt. Ziet deze maatstaf op het voldoende aannemelijk maken van het bestaan van de rechtsbetrekking? Of heeft de maatstaf ook invloed op andere vereisten voor toewijzing van de inzagevordering zoals het rechtmatig belang? De rechtspraak en de hiervoor weergegeven literatuur leveren een diffuus beeld op. 2.45 Het gaat in het hoger beroep van deze zaak om de beoordeling van een vordering uit hoofde van de art. 843a Rv en 1019a Rv als vervolg op een op grond van de art. 730 Rv en 1019b Rv gelegd conservatoir bewijsbeslag. In de schriftelijke toelichting van Semtex wordt opgemerkt dat beide bepalingen een zelfstandige grond voor toewijzing van de ingestelde vorderingen vormen. 2.46 Het hof heeft in rov. 6.5.3 onder meer geoordeeld dat uit de stellingen van Semtex voldoende volgt dat zij betoogt dat [verweerster 1] en [verweerster 2] (
- i)haar op onrechtmatige wijze beconcurreren, (
- ii)het in hun arbeidsovereenkomst met Semtex opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding hebben geschonden en (iii) inbreuk hebben gemaakt op de IE-rechten van Semtex. 2.47 Voor zover de inzagevordering is gebaseerd op de inbreuk op IE-rechten op de voet van art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv, is in ieder geval de AIB/Novisem-maatstaf van toepassing. Klaarblijkelijk heeft het hof de AIB/Novisem-maatstaf ook toegepast op de gestelde schendingen van de in de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbedingen. Op grond van het hierboven vermelde (met name 2.37-2.44) meen ik dat de voor IE-zaken ontwikkelde AIB/Novisem-maatstaf zich niet leent voor andere buiten het IE-recht gelegen rechtsbetrekkingen dan de rechtsbetrekkingen die voortvloeien uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen. De grens is m.i. derhalve getrokken in het arrest Organik/Dow. Subonderdeel Ia slaagt mitsdien in zoverre. 2.48 In ieder geval had het hof, nu (nog) niet duidelijk is of de AIB/Novisem-maatstaf zich leent voor (
- a)toepassing op alle onrechtmatige daadsbetrekkingen buiten het IE-recht of (
- b)dat voldoende gelijkenis met gevallen geregeld in art. 1019 e.v. Rv is vereist dan wel (
- c)genoemde maatstaf buiten het IE-recht bij alle mogelijke rechtsbetrekkingen geldt, (voldoende) inzicht dienen te geven in de gedachtegang op grond waarvan het toch van oordeel was dat deze maatstaf ook ten aanzien van de schendingen van de in de arbeidsovereenkomsten met [verweerster 1] en [verweerster 2] opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbedingen van toepassing is. 2.49 De reden waarom deze keuze inzichtelijk had moeten worden gemaakt is het gegeven dat de aan te leggen zwaardere maatstaf van voldoende aannemelijkheid van groot belang is voor de beoordeling van de inzagevorderingen. Dit blijkt m.i. ook uit hetgeen het hof in rov. 6.6.1 als slotsom overweegt: “In deze procedure is duidelijk dat Semtex niet gelukkig is met het vertrek van [verweerster 1] en [verweerster 2] en met het feit dat zij een concurrerend bedrijf hebben opgezet. Semtex vermoedt dat [verweerster 1] en [verweerster 2] al tijdens hun dienstverband met Semtex bezig zijn geweest met het opzetten van een concurrerend bedrijf in kinderkleding. Dat vermoeden is, afgaande op de feiten en omstandigheden die Semtex heeft geschetst op het eerste gezicht, misschien voorstelbaar. (…)” Uit deze rechtsoverweging zou kunnen worden afgeleid dat indien er een minder zware maatstaf zou zijn toegepast (‘voorstelbaar’) de vorderingen van Semtex wellicht wel hadden kunnen worden toegewezen. Subonderdeel Ib slaagt mitsdien eveneens in zoverre. 2.50 Indien Uw Raad oordeelt dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd en het geding, na vernietiging van het bestreden arrest, verwijst naar een ander hof, zullen de door Semtex aangevoerde feiten en omstandigheden moeten worden getoetst aan de hand van de ‘gewone’ maatstaf van aannemelijkheid. De overige klachten van het cassatieberoep, die over de beoordeling van de feiten en omstandigheden gaan, behoeven in dat geval geen behandeling. 2.51 Voor het geval dat Uw Raad oordeelt dat de subonderdelen Ia en Ib falen, ga ik ook in op de overige (sub)onderdelen. 2.52 Subonderdeel Ic klaagt – in de kern – dat het hof miskent dat bij de exhibitievordering feiten en omstandigheden (niet ieder afzonderlijk, maar ook) in hun onderlinge verband en samenhang moeten worden gewogen. Het hof gaat volgens het subonderdeel dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting door voor de door Semtex aangedragen feiten en omstandigheden telkens afzonderlijk te toetsen of die (ieder voor zich) de exhibitievordering kunnen dragen en het hof in rov. 6.5.9 niet de daarin door het hof opgesomde feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang beoordeelt. Subonderdeel Id klaagt dat voor zover het hof zulks niet miskent, zonder nadere motivering, die ontbreekt, in de rechtsoverweging 6.5.11 t/m 6.5.17 niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, waarom, aldus het hof, de door Semtex aangedragen feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang gewogen niet tot toewijzing kunnen leiden van de exhibitievordering ex art. 843a Rv. Het hof brengt dit volgens het subonderdeel nergens tot uitdrukking. Ook deze subonderdelen Ic en Id lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 2.53 Het hof is in rov. 6.5.9 tot en met 6.5.17 ingegaan op de grieven 3 tot en met 7 die betrekking hebben op de gestelde overtreding van het verbod van nevenwerkzaamheden en de gestelde schending van de geheimhoudingsplicht. Nadat het hof in rov. 6.5.9 en 6.5.10 samengevat en zakelijk heeft weergegeven wat Semtex heeft aangevoerd en hoe [verweerster 1] en [verweerster 2] zich hebben verweerd, overweegt het hof in rov. 6.5.11 dat Semtex naar het oordeel van het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerster 1] en [verweerster 2] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, en het reeds voorhanden bewijsmateriaal van onvoldoende onderbouwend gewicht is, om te concluderen dat voldoende aannemelijk is dat [verweerster 1] en [verweerster 2] hun in hun arbeidsovereenkomst met Semtex opgenomen nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding hebben geschonden. Daartoe gaat het hof in de daaropvolgende rechtsoverwegingen in op de verzending door [verweerster 1] van vier bestanden naar haar privé-e-mailadres (rov. 6.5.12 en 6.5.14), op de privé-aankoop door [verweerster 2] van drie truien tijdens een verblijf voor Semtex in China (rov. 6.5.12), op het verzoek per mail van [verweerster 2] aan een fabrikant om een pakket op haar verblijfsadres in China af te leveren en de contacten van [verweerster 1] en [verweerster 2] tijdens hun bezoeken aan China met de fabrikanten (rov. 6.5.13), op het door een aantal studenten, waaronder de zus van [verweerster 2] en [betrokkene 2] , in mei 2013 bij Semtex uitgevoerde onderzoek en een verband tussen dit onderzoek en de latere activiteiten van [verweerster 1] en [verweerster 2] (rov. 6.5.15) en op de monsterkosten in 2013 (rov. 6.5.16). Tot slot gaat het hof in rov. 6.5.17 eerst in op het lege bureaublad en de lege mailbox van de computers van [verweerster 1] en [verweerster 2] na vertrek bij Semtex en hun latere werkzaamheden voor [C] en het merkdepot door de partner van [verweerster 1] . Het hof overweegt vervolgens in deze rov. 6.5.17: “Deze omstandigheden leveren niet zodanige feiten en omstandigheden op dat daarmee de voor de toewijsbaarheid van de exhibitievordering vereiste mate van aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatige gedragingen is bereikt, ook niet in samenhang met de hiervoor besproken feiten en omstandigheden. Datzelfde geldt voor het feit dat vanuit [C] in oktober 2014 aan een fabrikant in China instructies zijn gegeven waarbij ook is verwezen naar een kledingstuk van Semtex. [verweerster 1] heeft uitgelegd dat dat een gebruikelijke gang van zaken is die geen inbreuk op IE-rechten oplevert of anderszins onrechtmatig is en Semtex heeft dat niet betwist. Concluderend oordeelt het hof dat de grieven 3 tot en met 7 niet slagen.” 2.54 Hoewel in rov. 6.5.12 tot en met 6.5.16 door het hof afzonderlijk wordt ingegaan op de verschillende feiten en omstandigheden, blijkt m.i. uit rov. 6.5.17 voldoende dat het hof een eventuele samenhang tussen de verschillende feiten en omstandigheden in zijn overwegingen heeft betrokken. Het hof overweegt in rov. 6.5.17 dat de verwijderde bestanden op de computers van [verweerster 1] en [verweerster 2] na vertrek bij Semtex, het merkdepot door de partner van [verweerster 1] en het geven vanuit [C] van instructies aan een fabrikant in China waarbij ook is verwezen naar een kledingstuk van Semtex, ook niet in samenhang met de hiervoor (in rov. 6.5.12 tot en met 6.5.16) besproken feiten en omstandigheden, zodanige feiten en omstandigheden opleveren dat daarmee de voor de toewijsbaarheid van de exhibitievordering vereiste mate van aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatige gedragingen is bereikt. Subonderdeel Ic faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag. 2.55 Anders dan subonderdeel Id lijkt te betogen, is het niet noodzakelijk dat het hof bij de beoordeling van een feit of omstandigheid, steeds alle overige feiten en omstandigheden expliciet in zijn motivering betrekt. Subonderdeel Id kan derhalve evenmin niet tot cassatie leiden. 2.56 Subonderdeel Ie richt zich meer in het bijzonder tegen rov. 6.5.18, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld: “Oneerlijke concurrentie. Grief 8. Geen goed werknemerschap Deze grondslagen heeft Semtex geheel dan wel hoofdzakelijk onderbouwd met de hiervoor reeds besproken stellingen. Uit die stellingen, inclusief hetgeen Semtex daarnaast nog heeft aangevoerd in dit verband, volgt naar het oordeel van het hof dat Semtex onvoldoende concreet heeft gesteld dat en waarom [verweerster 1] en [verweerster 2] , gebruikmakend van de bij Semtex opgedane kennis en gegevens, het duurzame bedrijfsdebiet van Semtex stelselmatig en in substantiële mate afbreken en/of in strijd met hun uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen hebben gehandeld. Deze grondslagen kunnen daarom evenmin tot toewijsbaarheid van de exhibitievordering leiden. Ten overvloede overweegt het hof dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het [verweerster 1] en [verweerster 2] in beginsel is toegestaan om jegens Semtex concurrerende werkzaamheden te verrichten en zaken te doen met relaties van Semtex en daarbij gebruik te maken van de kennis, ervaring en persoonlijke goodwill die zij bij Semtex hebben opgedaan, nu hun arbeidsovereenkomst met Semtex een concurrentiebeding noch relatiebeding bevat. Grief 8 slaagt niet.” Het subonderdeel klaagt dat het hof daarbij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel strekt de exhibitieprocedure ertoe Semtex in staat te stellen te beoordelen of het zin heeft om tegen [verweerster 1] en [verweerster 2] een procedure aan te vangen, mede vanwege oneerlijke concurrentie en slecht werknemerschap. In de exhibitieprocedure op de voet van art. 843a Rv ligt niet voor of de vordering (die Semtex afhankelijk van de uitkomst van de exhibitieprocedure mogelijk wil instellen) al dan niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het subonderdeel klaagt dat het hof dit heeft miskend althans te vergaande eisen heeft gesteld aan de stelplicht van Semtex. 2.57 Het hof heeft in de bestreden rechtsoverweging feitelijk geoordeeld dat Semtex onvoldoende concreet heeft gesteld dat en waarom [verweerster 1] en [verweerster 2] , gebruikmakend van de bij Semtex opgedane kennis en gegevens, het duurzame bedrijfsdebiet van Semtex stelselmatig en in substantiële mate afbreken en/of in strijd met hun uit art. 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen hebben gehandeld. Het hof betrekt daarbij, ten overvloede, dat de arbeidsovereenkomst van [verweerster 1] en [verweerster 2] met Semtex geen concurrentiebeding of relatiebeding bevat. Nu volgens het hof niet aan de stelplicht is voldaan, komt men niet meer toe aan beoordeling van de vraag of het voldoende aannemelijk is dat er oneerlijke concurrentie of geen goed werknemerschap heeft plaatsgevonden. Subonderdeel Ie faalt mitsdien. 2.58 Subonderdeel If is gericht tegen rov. 6.5.14, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld; “Bij pleidooi heeft Semtex aangevoerd dat het volgens haar IT-manager onzin is dat het nodig was om bestanden naar het privé e-mailadres te sturen om er in te kunnen werken. Gelet op de andersluidende verklaringen van [verweerster 1] en [verweerster 2] tijdens het door Semtex verzochte voorlopig getuigenverhoor heeft het hof tijdens het pleidooi gevraagd waarom deze IT-specialist destijds niet als getuige is gehoord. Semtex had daar geen verklaring voor. Het hof gaat daarom uit van de door [verweerster 1] en [verweerster 2] gegeven verklaring voor sturen van de bestanden naar het privé e-mailadres.” Het subonderdeel klaagt, zakelijk weergegeven, dat het hof aldus heeft miskend dat hetgeen Semtex ter onderbouwing van haar exhibitievordering heeft aangevoerd voldoende was om de exhibitie te gelasten, althans mee te wegen bij de beoordeling of aan [verweerster 1] een exhibitieplicht moet worden opgelegd (in het licht van de overige omstandigheden). In het subonderdeel wordt er daarbij op gewezen dat de IT-specialist de werkcomputer van [verweerster 1] na haar vertrek geheel leeggehaald aantrof nadat hij kort voor haar laatste werkdag in antwoord op haar vraag wat er met haar data zou gebeuren, had geantwoord die te zullen archiveren. Zichtbaar was, zo betoogt het subonderdeel, dat [verweerster 1] vanaf haar werk-pc per WeTransfer – een verzendfaciliteit met als kenmerk dat de bestanden na korte tijd vanzelf worden gewist – nog op de laatste werkdag de nodige bestanden naar haar privé-e-mailadres had gestuurd. 2.59 In rov. 6.5.14 ligt (evenals in rov. 6.5.18) besloten dat het hof feitelijk heeft geoordeeld dat Semtex niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Verder ziet het subonderdeel eraan voorbij dat de waardering van feiten en omstandigheden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Subonderdeel If faalt derhalve. 2.60 Volgens onderdeel II somt het hof in de bestreden rov. 6.5.9 de volgende door Semtex genoemde feiten en omstandigheden op, waarbij in het onderdeel de volgende aanduiding met letters wordt gehanteerd: a. Het is opvallend dat reeds enkele dagen nadat [verweerster 1] bij Semtex is vertrokken, haar partner [betrokkene 1] het merk [C] deponeert; b. Zijn verklaring dat hij van plan was zelf een casual kledinglijn voor volwassenen op de markt te brengen is ongeloofwaardig; c. Het logo van [C] moet wel door [verweerster 1] zijn ontworpen, nog tijdens het dienstverband van Semtex; d. In 2013 was bij Semtex sprake van een stijging van de monsterkosten en dat moet wel het gevolg zijn van het feit dat [verweerster 1] en [verweerster 2] voor zichzelf monsters lieten maken om een vliegende start met [C] te kunnen maken; e. Ook […] een e-mail van [verweerster 2] aan een fabrikant enkele dagen na het vertrek van [verweerster 1] waarin [verweerster 2] vraagt een pakket naar haar adres in China te sturen ziet op voorbereidingshandelingen van [verweerster 2] en [verweerster 1] ; f. Datzelfde geldt voor [de] in mei 2013 door een aantal studenten, waaronder de zus van [verweerster 2] , uitgevoerde bedrijfsanalyse; g. Semtex wijst verder op de e-mail van [verweerster 1] van 17 september 2013 waarbij zij via WeTransfer vier bestanden naar haar privé-adres stuurt; h. Die gegevens had [verweerster 1] niet nodig om, zoals zij verklaarde, ouders van modellen te kunnen bedanken. De vraag is wat zij dan met die gegevens moest; i. Volgens de externe IT-specialist van Semtex is het onzin dat, zoals [verweerster 1] en [verweerster 2] verklaarden, het nodig was om data van Semtex naar hun privé-adressen te sturen; j. Ook heeft deze IT-specialist aan Semtex laten weten dat de e-mailbox en het bureaublad van [verweerster 1] en [verweerster 2] leeg waren toen zij waren vertrokken; k. Verder staat vast dat [verweerster 2] tijdens een reis voor Semtex naar China voor zichzelf en de webshop van haar zus drie truien heeft gekocht; l. [verweerster 1] wilde meer tijd aan haar gezin besteden en [verweerster 2] wilde studeren, maar toch startten [verweerster 1] en [verweerster 2] binnen enkele maanden met een concurrerend kledingmerk en kwamen zij zo'n half jaar later met een volledige collectie. Dat dient goed voorbereid te zijn en daarmee moeten zij al bezig zijn geweest tijdens hun dienstverband bij Semtex; m. De collectie [C] is volgens een afnemer van Semtex een 'copy-paste' van de collectie van Semtex; n. Dit sluit aan bij het feit dat [C] in oktober 2014 aan een fabrikant in China een kledingstuk van Semtex stuurt met de vraag om de stijl hetzelfde te laten zijn; o. [betrokkene 2] heeft verklaard dat voor zover hij [weet,] het logo van [C] is ontworpen door ' [verweerster 2] en haar collega'; p. Ook verklaart hij dat sprake was van grote paniek bij [verweerster 1] en [verweerster 2] toen hij begin 2014 zijn projectplan voor [C] per abuis naar het e-mailadres bij Semtex verstuurde. Semtex vraagt zich af waarom van paniek sprake was als er niets aan de hand is. 2.61 Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof geen (kenbare) aandacht besteedt aan de onder b, c, h, I, m en o genoemde stellingen en daarmee hetzij miskent dat bij de beoordeling of de exhibitievordering (art. 843a Rv) voor toewijzing in aanmerking komt alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking moeten worden genomen, hetzij zijn oordeel niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het onderdeel voert daartoe aan dat de nader aangeduide stellingen ieder voor zich een aanwijzing vormen voor de gestelde onrechtmatige daad met het oog waarop Semtex de vordering als bedoeld in art. 843 a Rv heeft ingesteld. Over de reeds binnen een half jaar na vertrek bij Semtex door [D] gepresenteerde collectie (van een omvang waarvoor de voor beslaglegging geïnstrueerde deurwaarder circa 700 foto’s heeft moeten maken) wees Semtex bijvoorbeeld op de onmogelijkheid op zo korte termijn een dergelijke collectie te creëren. Daarvoor is volgens het onderdeel een jaar nodig. Ter (nadere) onderbouwing van de door Semtex aangevoerde ongeloofwaardigheid van de verklaring van de partner van [verweerster 1] , [betrokkene 1] , wees zij erop dat hij, [betrokkene 1] , werkzaam is in een geheel ander segment van de markt, geen achtergrond heeft op het terrein van kinderkleding, en nooit betrokken is geweest bij of enige ervaring heeft opgedaan met het opzetten van een kledingmerk. Het hof laat volgens het onderdeel bovendien enkele door Semtex ter onderbouwing van haar vordering aangedragen stellingen onbesproken, zoals de gestelde incongruentie tussen de mededeling van [verweerster 1] te willen stoppen met werken om zich aan haar gezin te kunnen wijden en de verzending op de laatste daadwerkelijke werkdag van de PR planning met een zeer gedetailleerde jaarplanning voor de collectie, de ‘fotoshoots’ en onder meer de 'look books’ aan haar privé-e-mailadres. 2.62 Vaste rechtspraak is dat de rechter niet steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering hoeft te betrekken, tenzij sprake is van een essentiële stelling. Criterium daarbij is of de stelling relevant is voor de aangevallen overweging en tevens verder van zodanig gewicht is dat het tot een andere beslissing kan leiden.In het middel zal moeten worden uiteengezet dat en waarom een stelling een essentiële stelling is. 2.63 Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling van de inzagevordering alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking moet nemen, gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest. Ik verwijs ook naar hetgeen in het kader van de behandeling van subonderdelen Ic en Id is opgemerkt. De klacht dat het hof geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan de hierboven (onder 2.60) onder b, c, h, I, m en o genoemde stellingen, kan evenmin tot cassatie leiden, nu de rechter niet steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering hoeft te betrekken en in het middel niet duidelijk wordt gemaakt waarom de desbetreffende stellingen zouden kunnen leiden tot een ander oordeel van het hof. Het onderdeel betoogt slechts dat deze stellingen ieder voor zich een aanwijzing vormen voor de gestelde onrechtmatige daad met het oog waarop Semtex de vordering als bedoeld in art. 843 a Rv heeft ingesteld. 2.64 Onderdeel II kan derhalve niet tot cassatie leiden. 2.65 Onderdeel III, dat een voortbouwklacht bevat, slaagt in het voetspoor van het slagen van de subonderdelen Ia en Ib. 2.66 Onderdeel IV bevat geen klacht. 3Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 december 2018 en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5074, NJF 2019/101 (hierna: het bestreden arrest), rov. 6.1.2 t/m 6.1.20. In de s.t. van [verweerster 1] en [verweerster 2] wordt op p. 2 in voetnoot 1 het volgende hierbij opgemerkt: “Het eindarrest vermeldt onder rov. 6.1.18 dat "de gedaagde partijen" in reconventie opheffing van de beslagen tot afgifte hebben gevorderd. Dat berust op een abuis. Zie rov. 3.5 van het kortgedingvonnis (memorie van antwoord, productie 5), waar staat dat United Brands en Schweigman Jeugdmode opheffing van de beslagen hebben gevorderd. Zie ook het dictum van het kortgedingvonnis: "6.5 heft op de op 10 maart 2015 door Semtex ten laste van United Brands en Schweigman Jeugdmode gelegde conservatoire beslagen tot afgifte."” Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het tussenvonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 december 2014, en het eindvonnis van die rechtbank van 26 augustus 2015, beide rov. 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het tussenarrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 september 2017, rov. 2, en het bestreden arrest van het hof van 4 december 2018, rov. 5. Zie rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 26 augustus 2015 en rov. 6.2.1 van het bestreden arrest. Zie rov. 6.2.2 van het bestreden arrest. Zie hierover rov. 6.3.1 van het bestreden arrest, waarin het hof in dit verband het volgende overweegt: “(…) Semtex heeft immers bij haar memorie van grieven (randnummer 3.2) uitdrukkelijk vermeld dat haar hoger beroep enkel tegen [verweerster 1] en [verweerster 2] is ingesteld. Weliswaar komt Semtex daarop terug in haar ‘memorie van antwoord in reconventie’, maar tijdens het pleidooi bij het hof heeft de advocaat van Semtex desgevraagd bevestigd dat het hoger beroep zich enkel richt tegen [verweerster 1] en [verweerster 2] . [verweerster 1] en [verweerster 2] hebben dat blijkens hun memorie van antwoord ook zo begrepen. Het hof beschouwt het hoger beroep dan ook als niet gericht tegen [D]. Dat [D] geen partij is in dit hoger beroep, heeft het hof reeds in de aanhef van dit arrest tot uitdrukking gebracht.” Zie rov. 6.4.1 van het bestreden arrest. De procesinleiding in cassatie is op 4 maart 2019 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. De procesdossiers in deze zaak stemmen niet geheel overeen. In het B-dossier zijn de stukken van het voorlopig getuigenverhoor apart opgenomen (zie stuknummers 10-13 in het B-dossier). De beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2014 in dat verband (zie stuknummer 10 in het B-dossier) is in het A-dossier terug te vinden als productie 31 bij de memorie van antwoord tevens houdende eis in reconventie (stuknummer 13 in het A-dossier). De processen-verbaal van de voorlopig getuigenverhoren zijn in het A-dossier terug te vinden als productie 24a-24d bij de memorie van grieven (stuknummer 12 in het A-dossier). Verder zijn in het B-dossier de beslagstukken van het bewijsbeslag apart opgenomen (zie stuknummers 14-17 in het B-dossier). In het A-dossier zijn apart het H12-formulier van mr. Schets van 29 oktober 2018 met productie 40 opgenomen en het H2-formulier van mr. Oomes betreffende onttrekking (zie stuknummer 19 in het A-dossier) en zijn de cassatiestukken apart opgenomen (zie stuknummers 23-27 van het A-dossier). Zie rov. 6.5.4 van het bestreden arrest. Zie rov. 6.2.2 van het bestreden arrest. In IE-zaken geldt dat de eiser die op de voet van art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal vordert, bij gemotiveerde betwisting van de daaraan ten grondslag gelegde rechtsbetrekking, het bestaan daarvan voldoende aannemelijk moet maken. Zie HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491 (AIB/Novisem), rov. 4.1.5 en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1-3.2.2. Zie ook HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50 m.nt. M.J. Borgers en W.D.H. Asser (Schietincident Alphen a/d Rijn), rov. 3.6.3. J. Ekelmans, De exhibitieplicht, diss. 2010, p. 64. Zie ook R.R. Verkerk, Sdu Commentaar op Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a), aant. C.6.3. Zie Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 554. Zie ook HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50 m.nt. M.J. Borgers en W.D.H. Asser (Schietincident Alphen a/d Rijn), rov. 3.6.4. Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Ekelmans, art. 843a Rv, aant. 3.3; L.A. Bosch, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 5. Vgl. ook p. 26 van de memorie van toelichting van het concept wetsvoorstel modernisering bewijsrecht zoals dat tot 29 juli 2018 ter internetconsultatie voorlag. Zie https://www.internetconsultatie.nl/bewijsrecht. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, Advies van de expertgroep Modernisering Burgerlijk Bewijsrecht, uitgebracht aan de minister van Veiligheid en Justitie op 10 april 2017, Boom Juridisch 2017, nr. 84. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50 m.nt. M.J. Borgers en W.D.H. Asser (Schietincident Alphen a/d Rijn), rov. 3.6.5. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50 m.nt. M.J. Borgers en W.D.H. Asser (Schietincident Alphen a/d Rijn), rov. 3.6.6. Zie ook A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 84. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510, NJ 2013/286 m.nt. H.B. Krans (Abu Dhabi Islamic Bank/ABN AMRO), rov. 3.5. Vgl. mijn conclusie onder 3.21-3.30 vóór het hierna te bespreken arrest HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo, JIN 2018/207 m.nt. A. Rosielle, JOR 2018/323 m.nt. P.J. van der Korst (Organik/Dow) en mijn conclusie onder 2.7-2.22 vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:570, RvdW 2019/496 (art. 81 RO). Zie ook HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491 m.nt. Ch. Gielen, IER 2016/10 m.nt. H.J. Koenraad (AIB/Novisem), rov. 4.1.3. In art. 6 van de Handhavingsrichtlijn is het volgende bepaald: “1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te onderbouwen, en voor staving van haar vorderingen bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, overlegging van dit bewijsmateriaal door de wederpartij kunnen gelasten, behoudens bescherming van vertrouwelijke informatie. 2. De lidstaten treffen de noodzakelijke maatregelen teneinde de bevoegde rechterlijke instanties onder dezelfde omstandigheden in staat te stellen, in geval van inbreuk op commerciële schaal, op verzoek van een partij in voorkomend geval overlegging kunnen gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich onder de macht van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.” In het hierna te bespreken arrest HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22 (Synthon/Astellas) heeft de Hoge Raad overwogen dat hier sprake is van een open norm, hetgeen betekent dat de richtlijngever de nationale wetgever en rechtspraak de nodige ruimte heeft willen geven de in art. 6 neergelegde eisen nader te formuleren en dat blijkens art. 2 lid 1 van de Handhavingsrichtlijn voorts sprake is van minimumharmonisatie (rov. 3.1.3). Zie Kamerstukken II 2005/06, 30392 nr. 3, p. 18. Kamerstukken II 2005/06, 30392 nr. 3, p. 11. Kamerstukken II 2005/06, 30392 nr. 3, p. 18-19. HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491 m.nt. Ch. Gielen, IER 2016/10 m.nt. H.J. Koenraad (AIB/Novisem), rov. 4.1.4. Zie ook E.J. Numann, S.J. Schaafsma en M. Bronneman, XII Rechtshandhaving & IPR, in: Van de brug af gezien, Kroniek van wetgeving, jurisprudentie en literatuur 2015, IER 2016/16. HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22 (Synthon/Astellas). Zie HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22 (Synthon/Astellas), rov. 2. HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1 waarin vervolgens door de Hoge Raad de eerder aan bod gekomen rov. 4.1.5 en 4.1.6 uit het AIB/Novisem-arrest zijn opgenomen. Zie mijn conclusie onder 3.27 vóór HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo, JIN 2018/207 m.nt. A. Rosielle, JOR 2018/323 m.nt. P.J. van der Korst (Organik/Dow) en zie J.L.R.A. Huydecoper, Inzien in verwondering, BIE 2016/11, nr. 14. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo, JIN 2018/207 m.nt. A. Rosielle, JOR 2018/323 m.nt. P.J. van der Korst (Organik/Dow), rov. 5.1.2. J. Ekelmans, ‘De drie keuzes over het inzagerecht van de Expertgroep modernisering burgerlijk bewijsrecht’, TvPP 2017-5, p. 178-179. Zie ook J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (Anti-Infringement bureau/Novisem)’, NTBR 2016/7, par. 3.4 en vgl. J. Ekelmans, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a, aant. 4.2. J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (Anti-Infringement bureau/Novisem)’, NTBR 2016/7, par. 3.4. Ekelmans verwijst naar rov 4.1.4 van het AIB/Novisem-arrest. Vindplaats arrest hiervoor. Hij verwijst naar zijn boek J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017, p. 169. J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien’, TvPP 2019/4, p. 108 en 109. Sijmonsma merkt hierbij in een voetnoot op dat in HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant) de Hoge Raad het toetscriterium ‘voldoende aannemelijk’ gebruikt ter beantwoording van de vraag of het bewijs is geleverd. De maatstaf is dus volgens Sijmonsma zodanig abstract dat deze zich leent voor toepassing in verschillende gevallen. R.H. de Bock, ‘Kronieken. Bewijsrecht’, TCR 2016/2, p. 55. Voor de volledigheid wijs ik erop dat het Organik/Dow-arrest nog niet was gewezen. Zie de noot van W.J.G. Maas bij het Organik/Dow-arrest, BIE 2018/34, p. 268-269. Zie Kamerstukken II 2017/18, 33 079, nr. 7. Kamerstukken II 2011/12, 33 079, nr. 3, p. 9. Maas, t.a.p., p. 268. Maas, t.a.p., p. 269. Th.C.J.A. van Engelen, ‘Annotatie. Organik v Dow Chemical: het achterhalen van geheim bewijs van een geheime inbreuk op een bedrijfsgeheim’, AA 2019, p. 692 (voetnoot 14). Zie https://www.internetconsultatie.nl/bewijsrecht voor het concept wetsvoorstel en de concept-MvT. Zie voor het doel van het concept wetsvoorstel p. 1 van de concept-MvT. Zie over dit concept wetsvoorstel ook mijn conclusie vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:570, RvdW 2019/496 (art. 81 RO), onder 2.15 tot en met 2.21. Zie p. 1 van de concept-MvT. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, Advies van de expertgroep Modernisering Burgerlijk Bewijsrecht, uitgebracht aan de minister van Veiligheid en Justitie op 10 april 2017, Boom Juridisch 2017. Zie onder meer par. 3.5.4 van het rapport. Vgl. J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (Anti-Infringement bureau/Novisem)’, NTBR 2016/7, waar hij eenheid van criterium voor Europese en niet-Europese gevallen bepleit. J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (Anti-Infringement bureau/Novisem)’, NTBR 2016/7, par. 3.4. J. Ekelmans, ‘De drie keuzes over het inzagerecht van de Expertgroep modernisering burgerlijk bewijsrecht’, TvPP 2017-5, p. 179. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 6. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 99. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 144. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 124. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 110. A. Hammerstein, R.H. de Bock en W.D.H. Asser, a.w., nr. 122. Art. 149b in de tekst van het voor internetconsultatie gepubliceerde concept wetsvoorstel luidt als volgt:“1. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. De partij die recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens, draagt de kosten die voor de verstrekking van deze gegevens moeten worden gemaakt. 2. Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht aan de partij, bedoeld in het eerste lid, daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij: a. hem een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165, tweede lid, toekomt of b. gewichtige redenen zich daartegen verzetten. 3. Is degene die over de gegevens beschikt, een bestuursorgaan of een instelling, dienst of bedrijf werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur en geen partij bij de rechtsbetrekking, bedoeld in het eerste lid, dan is hij niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van de gevraagde gegevens voor zover die gegevens op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ook niet hoeven te worden verstrekt.” Zie p. 28-30 van de concept-MvT. Gaat het om een verzoek om inzage voorafgaand aan een procedure, dan gelden naast de twee materiële afwijzingsgronden van het voorgestelde art. 149b lid 2 ook de vijf processuele gronden van het voorgestelde art. 196 lid 2 (zie ook het voorgestelde art. 204), waarvan er twee (de bepaaldheidseis en voldoende belang) overeenkomen met de voorwaarden waaronder een recht op inzage bestaat, zie p. 29 van de concept-MvT, met verwijzing naar de toelichting op art. 196, tweede lid (nieuw), p. 43 e.v. Zie p. 26-27 van de concept-MvT. Zie ook mijn conclusie vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:570, RvdW 2019/496 (art. 81 RO), onder 2.19. In deze conclusie onder 2.20 heb ik in dit verband ook gewezen op de brief van 22 augustus 2018 (op p. 7, onder 19) waarin de Hoge Raad een reactie heeft gegeven op het concept wetsvoorstel en de concept-toelichting (te raadplegen via www.rechtspraak.nl). In deze brief heeft de Hoge Raad onder meer opgemerkt dat in de nieuwe regeling het recht een exhibitieverzoek te doen alleen toekomt aan een ‘partij bij een rechtsbetrekking’ (art. 149b lid 1 Rv) en dat de Hoge Raad over het voor IE-zaken geldende art. 1019a Rv heeft beslist dat het bestaan van die rechtsbetrekking op basis van het voorhanden bewijsmateriaal voldoende aannemelijk moet zijn. In de brief is opgemerkt dat dit de vraag oproept of het concept wetsvoorstel deze drempel afwijst voor niet-IE-zaken, of dat deze zelfde maatstaf ligt besloten in de nieuwe eis van ‘voldoende belang’. De Hoge Raad adviseert in de toelichting bij het wetsvoorstel aandacht aan dit aspect te besteden. Zie https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK008513. De rov. 6.5.14 en 6.5.18 worden hierna (onder 2.58 en 2.56) in het kader van de behandeling van resp. subonderdeel If en Ie geciteerd. Zie de procesinleiding onder 3.20. Zie ook mijn conclusie onder 3.27 vóór HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo, JIN 2018/207 m.nt. A. Rosielle, JOR 2018/323 m.nt. P.J. van der Korst (Organik/Dow) en zie J.L.R.A. Huydecoper, Inzien in verwondering, BIE 2016/11, nr. 14. Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo, JIN 2018/207 m.nt. A. Rosielle, JOR 2018/323 m.nt. P.J. van der Korst (Organik/Dow), rov. 5.1.3. Vgl. mijn conclusie onder 2.11 en 2.13 vóór HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:570, RvdW 2019/496 (art. 81 RO). J. Ekelmans, ‘De drie keuzes over het inzagerecht van de Expertgroep modernisering burgerlijk bewijsrecht’, TvPP 2017-5, p. 178-179. Zie ook J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (Anti-Infringement bureau/Novisem)’, NTBR 2016/7, par. 3.4 en vgl. J. Ekelmans, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a, aant. 4.2. J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien’, TvPP 2019/4, p. 108-109. Zie de noot van W.J.G. Maas bij het Organik/Dow-arrest, BIE 2018/34, p. 268. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo, JIN 2018/207 m.nt. A. Rosielle, JOR 2018/323 m.nt. P.J. van der Korst (Organik/Dow), rov. 6.2.4: “In zijn hiervoor in 6.1.2 genoemde prejudiciële uitspraak van 13 september 2013 (Molenbeek) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet voldoende grondslag biedt voor het leggen van een bewijsbeslag ook in niet-IE-zaken. De gedetailleerde beschrijving is volgens de hiervoor in 6.2.3 genoemde parlementaire toelichting een variant van het bewijsbeslag en een alternatief daarvoor. Zij kan tot bewijs dienen van stellingen die met andere middelen niet altijd bewezen kunnen worden. Voorts wordt in het onlangs gepubliceerde voorontwerp van wet tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht, de gedetailleerde beschrijving opengesteld voor alle soorten zaken (zie de toelichting op het voorontwerp, p. 56). Het vorenstaande is grond om de gedetailleerde beschrijving reeds nu toelaatbaar te achten in gevallen die voldoende gelijkenis vertonen met gevallen waarop de regeling van art. 1019 e.v. Rv van toepassing is, zoals bij de schending van bedrijfsgeheimen.” J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien’, TvPP 2019/4, p. 109. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263, NJ 2013/287 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.7. Verg. ook de hierboven onder 2.31 geciteerde concept-toelichting op het voorgestelde art. 149b. In mijn conclusie vóór Hoge Raad 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, NJ 2018/431 (Syngenta), constateerde ik dat, hoewel het bestaan van een rechtsbetrekking een ander vereiste van art. 843a Rv is dan het vereiste van rechtmatig belang, de Hoge Raad in het arrest Synthon/Astellas een verband heeft gelegd tussen de toetsing van het rechtmatig belang en de eis van voldoende aannemelijkheid van de rechtsbetrekking. Zie rov. 6.5.4 van het bestreden arrest. Zie de s.t. van Semtex, p. 2, waar ter vergelijking wordt verwezen naar randnummer 3 van de pleitaantekeningen in hoger beroep van Semtex. Zie over de door Semtex gestelde schending van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst als toets voor de ingevolge art. 843a Rv vereiste rechtsbetrekking, o.a. de memorie van grieven, p. 6-7 en de memorie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, p. 15-16. Ter vergelijking wordt verwezen naar bijv. randnummers 4.6-4.9 van de inleidende dagvaarding en randnummers 4.32-4.38 van de memorie van grieven en randnummer 15 van de pleitaantekeningen van Semtex van 8 november 2018. Ter vergelijking wordt verwezen naar randnummer 15 van de pleitaantekeningen van Semtex van 8 november 2018. Ter vergelijking wordt wederom verwezen naar randnummer 15 van de pleitaantekeningen van Semtex van 8 november 2018. Ter vergelijking wordt wederom verwezen naar randnummer 15 van de pleitaantekeningen van Semtex van 8 november 2018. Zie A.E.H. van der Voort Maarschalk & A. Knigge, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/43 onder verwijzing naar o.a. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1200, NJ 2015/234 (Stokke e.a./Hauck), rov. 3.1. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, onder meer HR 9 april 1954, NJ 1954/268; HR 18 oktober 1961, NJ 1963/78; HR 13 december 1968, NJ 1969/114; HR 29 maart 1974, NJ 1975/117; HR 25 november 1977, NJ 1978/331 en HR 22 oktober 1982, NJ 1983/34. Zie W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, p. 43. Asser verwijst naar de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6254, RvdW 2010/1334 (art. 81 RO), onder 2.6, waar hij het een regel noemt dat slechts essentiële stellingen behandeling behoeven, dat wil zeggen: stellingen die, indien juist, tot een andere beslissing omtrent toe- of afwijzing van de vordering kunnen leiden. Zie ook B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/116. Van der Wiel haalt instemmend Feteris aan die concludeert dat blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad voor cassatie op grond van een motiveringsgebrek nodig maar ook voldoende is dat een reële kans bestaat op een andere uitkomst in de verwijzingsprocedure (M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, 2014, p. 137-138). B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/116 onder verwijzing naar o.a. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188.