PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/00928 Zitting 14 februari 2020 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak [eiser] (hierna: ‘ [eiser] ’) tegen 1. BDO Accountants en Belastingadviseurs B.V. (hierna: ‘BDO’) 2. Maatschap [verweerster 2] (hierna: ‘ [verweerster 2] ’) Deze zaak betreft een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen twee fiscale adviseurs, waarbij BDO de aankoop van een vastgoedpakket in een BV door middel van een aandelentransactie heeft begeleid en waarbij [verweerster 2] als vaste accountant de transactie heeft gevolgd en nadien de jaarstukken van de verworven vastgoed BV ( [A] BV) heeft vastgesteld en aangiften heeft gedaan namens die BV. Buiten kijf staat dat [verweerster 2] een beroepsfout heeft gemaakt door tegen een besluit van de belastinginspecteur omtrent het niet (langer) accepteren van een herinvesteringsreserve niet (tijdig) gronden voor beroep bij de belastingrechter in te dienen, waardoor dit beroep niet ontvankelijk werd verklaard. Door de fout van [verweerster 2] heeft [eiser] niet kunnen opkomen tegen een opgelegde aanslag ter zake van vennootschapsbelasting vanwege de (niet door de fiscus geaccepteerde) herinvesteringsreserve en evenmin tegen de in dezelfde aanslag geheven belasting over een reservering voor groot onderhoud, die volgens [eiser] in de jaren na de reservering reeds jaarlijks in gedeelten bij het resultaat was gevoegd. Volgens [eiser] zou de belastingrechter, wanneer deze aan inhoudelijke beoordeling was toegekomen, op beide punten voor hem gunstig hebben beslist. BDO wordt door [eiser] verweten een onjuist advies te hebben gegeven omtrent het vormen van de herinvesteringsreserve. Het hof heeft de vorderingen tegen [verweerster 2] afgewezen, kort gezegd vanwege het ontbreken van causaal verband tussen haar fout en de gestelde schade (de belastingrechter zou de aanslag, de fout weggedacht, volgens het hof in stand hebben gelaten). Omdat [eiser] in het kader van de vorderingen tegen BDO naar het oordeel van het hof te weinig heeft gesteld, zijn ook deze afgewezen. Tegen deze oordelen komt [eiser] in cassatie op. 1Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 In 2007 was [A] BV eigenaar van een aantal onroerende zaken waaronder het toentertijd door Lidl gehuurde distributiecomplex met erf en ondergrond en verdere aanhorigheden te [plaats] (Breda) . Enig aandeelhouder van deze vennootschap was [B] BV. 1.3 Bij overeenkomst van 15 oktober 2007 heeft [B] BV aan [E] BV, dan wel nader te noemen meester, voormeld distributiecentrum voor een bedrag van € 3.100.000,-- verkocht. Bij het aangaan van de koopovereenkomst werd [B] BV vertegenwoordigd door [C] BV, terwijl laatstgenoemde BV werd vertegenwoordigd door mr. E. Fleskens. Voormelde overeenkomst kon worden ontbonden indien de aankoop van de vennootschap waarin het gekochte op dat moment was ondergebracht niet zou worden geëffectueerd. 1.4 Bij notariële akte van 19 december 2007 heeft [B] BV de aandelen in de vennootschap [A] BV voor een bedrag van € 1.389.878,-- verkocht en geleverd aan [C] BV. Bij notariële akte van dezelfde dag heeft [A] BV het distributiecentrum voor een bedrag van € 3.100.000,-- aan [F] BV geleverd. Als gevolg daarvan realiseerde [A] BV in 2007 een fiscale boekwinst van € 2.680.400,--. waarover zij in beginsel € 683.502,-- aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. 1.5 BDO heeft in opdracht van [C] BV in 2007 naar aanleiding van de hiervoor genoemde transacties positief geadviseerd over het vormen van een herinvesteringsreserve ter zake van de behaalde boekwinst en de voorwaarden waaronder dat mogelijk was. Daarmee zou moeten worden voorkomen dat voormelde heffing onmiddellijk diende te worden betaald. Na 2007 heeft BDO geen werkzaamheden meer voor [C] BV verricht of bemoeienis met deze kwestie gehad. 1.6 [verweerster 2] heeft als adviseur en accountant werkzaamheden voor [C] BV verricht. Zo heeft zij in de op 19 januari 2009 over het jaar 2007 namens [A] BV gedane aangifte vennootschapsbelasting de herinvesteringsreserve van € 2.680.400,-- opgenomen zoals indertijd door BDO was geadviseerd. 1.7 De inspecteur van de Belastingdienst (hierna: ‘de Inspecteur’) heeft bij het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 2007 de aangifte gecorrigeerd in die zin dat [A] BV over de voornoemde boekwinst alsnog vennootschapsbelasting verschuldigd is. 1.8 Op 28 december 2010 is aan [A] BV de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 opgelegd naar een bedrag van € 832.777,--, waarvan een bedrag van € 683.502,-- ziet op de boekwinst zoals hiervoor in randnummer 1.4 is omschreven. 1.9 Bij schrijven van 31 januari 2011 en 9 februari 2011 heeft [verweerster 2] namens [A] BV bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. De Inspecteur heeft bij brief van 1 juni 2011 het bezwaar niet gehonoreerd. 1.10 Tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur heeft [verweerster 2] bij schrijven van 5 juli 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank te Breda (sector bestuursrecht, team belastingrecht) zonder daarbij de gronden van het beroep te vermelden. Bij uitspraak van voormelde rechtbank van 7 oktober 2011 is het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het beroep. Nadat [verweerster 2] namens [A] BV tegen deze uitspraak bij schrijven van 22 november 2011 verzet had aangetekend, heeft de rechtbank bij beslissing van 10 februari 2012 het verzet ongegrond verklaard. Ten slotte is het door [A] BV daartegen ingestelde cassatieberoep bij arrest van 5 oktober 2012 van de Hoge Raad ongegrond verklaard. Als gevolg daarvan werd de op 28 december 2010 aan [A] BV opgelegde vennootschapsbelastingaanslag onherroepelijk. 1.11 Uit het schrijven van 12 november 2012 van [A] BV (op dat moment [A] BV geheten; hierna wordt steeds van [A] BV gesproken) aan [verweerster 2] valt af te leiden dat zij laatstgenoemde aansprakelijk acht voor de uit de desbetreffende aanslag voortvloeiende schade. [verweerster 2] heeft voormelde beroepsfout erkend, maar heeft daaraan toegevoegd dat zij niet schadeplichtig is nu – kort gezegd – geen herinvesteringsreserve gevormd had kunnen worden en er daarom geen causaal verband bestaat tussen de beweerdelijke normschending van [verweerster 2] en de mogelijk geleden schade aan de zijde van [A] BV en [C] BV. 1.12 Tot eind 2013 is over de gerezen problematiek gecorrespondeerd tussen [C] BV, [A] BV, [verweerster 2] en haar aansprakelijkheidsverzekeraar. Desgevraagd heeft BDO bij schrijven van 5 november 2013 haar visie gegeven over haar begeleiding bij de aankoop van de aandelen van [A] BV. 1.13 Bij e-mailbericht van 24 januari 2014 heeft mr. E. Fleskens, kennelijk namens [A] BV, BDO aansprakelijk gesteld voor het geven van een onjuist advies in 2007 met betrekking tot de vorming van een herinvesteringsreserve. BDO heeft iedere aansprakelijkheid voor haar in 2007 gegeven advisering van de hand gewezen. 1.14 De Inspecteur heeft bij schrijven van 27 januari 2014 aan [A] BV medegedeeld dat de correctie en de daarop gevolgde aanslag met betrekking tot de vrijval van de herinvesteringsreserve terecht niet is opgelegd op grond van art. 12a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: ‘Wet Vpb’), maar op andere gronden. 1.15 [C] BV en [A] BV hebben, zo blijkt uit een schrijven van 28 maart 2014, met de Ontvanger van de Belastingdienst een regeling getroffen als gevolg waarvan laatstgenoemde bereid is de invordering van de aanslagen op te schorten teneinde [A] BV de gelegenheid te bieden te entameren “procedures te voeren en af te ronden”. 1.16 Bij akte van cessie van 9 mei 2014 hebben Molenvast BV, [C] BV en [A] BV, allen vertegenwoordigd door mr. E. Fleskens, de in de akte nader omschreven vorderingen overgedragen aan [eiser] . 2Het procesverloop 2 2.1 Het procesverloop kan worden weergegeven als volgt. 2.2 [eiser] heeft in eerste aanleg gevorderd: - te verklaren voor recht dat BDO en [verweerster 2] hoofdelijk, dan wel BDO en/of [verweerster 2] aansprakelijk zijn/is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend krachtens de wet; - BDO en [verweerster 2] hoofdelijk, danwel BDO en/of [verweerster 2] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] te betalen de kosten van deze procedure (voor zover zij niet hoofdelijk aansprakelijk zijn, dient daaronder ook te worden verstaan de gevallen proceskosten aan de zijde van de gedaagde die niet aansprakelijk is), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot betaling wordt overgegaan; - BDO en [verweerster 2] hoofdelijk, dan wel BDO en/of [verweerster 2] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen, te wijzen vonnis aan [eiser] te betalen de nakosten van deze procedure, voor een totaalbedrag van € 131,00 zonder betekening, dan wel voor een bedrag van € 199,00 indien betekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot betaling wordt overgegaan. 2.3 Aan deze vorderingen heeft [eiser] , kort samengevat door het hof in rov. 3.2.2. van het bestreden arrest, ten grondslag gelegd dat BDO een onjuist advies heeft verstrekt inhoudende dat onder de gegeven omstandigheden een herwaarderingsreserve op de balans van [A] BV kon worden opgenomen en dat [verweerster 2] de belangen van deze BV in de fiscale procedure niet naar behoren heeft behartigd door een termijn tot aanvulling van beroepsgronden onbenut te laten verstrijken. 2.4 Bij vonnis in incident van 7 januari 2015 heeft de rechtbank Limburg de vordering van BDO tot oproeping in vrijwaring van [verweerster 2] afgewezen. 2.5 Bij vonnis in incident van 27 mei 2015 heeft de rechtbank de vordering van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening – [eiser] vorderde dat BDO en [verweerster 2] hoofdelijk zouden worden veroordeeld tot het betalen van een voorschot van € 275.000,00, subsidiair dat [verweerster 2] daartoe zou worden veroordeeld –, afgewezen. 2.6 Bij vonnis van 2 december 2015 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] jegens BDO en [verweerster 2] afgewezen. De rechtbank heeft daarbij, zakelijk weergeven, overwogen dat: - BDO met succes een beroep heeft gedaan op schending van klachtplicht als bedoeld in art. 6:89 BW. De klachttermijn is voor [eiser] gaan lopen op 28 december 2010, toen door de Inspecteur de litigieuze aanslag vennootschapsbelasting werd opgelegd. Vanaf die datum wist [eiser] , althans behoorde zij redelijkerwijs te weten, dat de advisering van BDO in 2007 mogelijk onjuist was geweest. Zij heeft voor het eerst op 24 januari 2014 bij BDO geklaagd over de mogelijk in 2007 verrichte gebrekkige prestatie. Zij heeft dus ruim drie jaren laten verstrijken alvorens bij BDO te klagen over het gestelde gebrek. Als gevolg daarvan is BDO in een nadeliger (bewijs)positie komen te verkeren (rov. 4.1. tot en met 4.2.4.); - [verweerster 2] een beroep heeft gedaan op haar algemene voorwaarden, meer concreet op artikel 8 onder c., waarin is bepaald dat vijf jaar na indiening van de belastingaangifte elke aansprakelijkheid van [verweerster 2] als opdrachtnemer vervalt. De omstandigheid echter dat de vorderingen van [eiser] jegens [verweerster 2] niet gegrond zijn op het doen van een (mogelijk onjuiste) aangifte vennootschapsbelasting maar enkel op het niet tijdig en deugdelijk instellen van beroep, brengt met zich dat het door [verweerster 2] gedane beroep op haar algemene voorwaarden faalt (rov. 4.1. en rov. 4.3. tot en met 4.3.3.); - tussen partijen niet ter discussie staat dat [verweerster 2] door het niet tijdig instellen van de gronden van het beroep niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht en dat [verweerster 2] in beginsel verplicht is de als gevolg daarvan ontstane schade te vergoeden (rov. 4.4.); - [verweerster 2] heeft aangevoerd dat haar aansprakelijkheid voor deze beroepsfout niet kan leiden tot schadeplichtigheid aan haar zijde onder meer vanwege het ontbreken van causaal verband tussen de beroepsfout en de mogelijke schade (rov. 4.4. en 2.9.); - [eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [A] BV op 31 december 2007 daadwerkelijk voornemens was het vervreemde bedrijfsmiddel te vervangen en evenmin wat door laatstgenoemde concreet is gedaan om aan dit voornemen gestalte te geven. Hoewel dit op haar weg lag, heeft [eiser] nagelaten dit standpunt nader toe te lichten en met bescheiden te onderbouwen (rov. 4.4.3.); - het er daarom voor moet worden gehouden dat de beroepsrechter bij een inhoudelijke behandeling het door [A] BV ingestelde beroep ongegrond zou hebben verklaard. Dat brengt met zich dat de situatie waarin [eiser] thans feitelijk verkeert dezelfde is als de hypothetische situatie waarin zij zou hebben verkeerd indien de fout niet zou zijn gemaakt en de beroepsprocedure wel inhoudelijk zou zijn gevoerd (rov. 4.4.4.); - de vordering van [eiser] jegens [verweerster 2] moet worden afgewezen (rov. 4.4. tot en met 4.4.4.). 2.7 [eiser] is in hoger beroep gekomen van het vonnis in incident van 27 mei 2015 en het vonnis van 2 december 2015. Zij heeft daarbij vijftien grieven naar voren gebracht. 2.8 Met grief 1 heeft [eiser] aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte niets heeft overwogen met betrekking tot de in de ambtshalve aanslag van 28 december 2010 genoemde vrijval voorziening, groot achterstallig onderhoud/bouwkundige gebreken ad € 600.000 (hierna ook: ‘voorziening achterstallig onderhoud’), leidende tot een Vpb-aanslag van € 149.275,--. Nu er, aldus [eiser] , nooit een inhoudelijke procedure bij de belastingkamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden, is het feitelijk onmogelijk geworden om dit onjuiste oordeel van de inspecteur te laten rechtzetten. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft deze grief in het bestreden arrest verworpen en daartoe als volgt overwogen: “3.4.2. [verweerster 2] voert als verweer aan dat de grief om verschillende redenen onbegrijpelijk is. Zo is niet duidelijk welk verwijt [verweerster 2] wordt gemaakt, welke schade er is geleden en waarom de beslissing van de inspecteur niet in stand zou zijn gebleven. Voorts beroept [verweerster 2] zich op het verval van rechten nu niet tijdig is geklaagd en op de vervaltermijn in de, van toepassing zijnde algemene voorwaarden. 3.4.3. Het hof stelt voorop dat deze grief ziet op de procedure van [eiser] tegen [verweerster 2] . Naar het oordeel van het hof is op zichzelf juist dat de rechtbank, zoals [eiser] stelt, over het vrijvallen van deze voorziening niets heeft overwogen. [eiser] gaat er echter ten onrechte aan voorbij dat zij ten aanzien van het vrijvallen van deze voorziening in eerste aanleg geen stellingen heeft ingenomen. Het is dan niet aan de rechtbank om daarover ambtshalve een beslissing, te nemen. In zoverre faalt deze grief. Eerst bij memorie van grieven betrekt [eiser] deze boekhoudkundige post in de aan [verweerster 2] gemaakte verwijten. Uit de toelichting bij de grief maakt het hof op dat het verwijt is gelegen in het niet tijdig aanvoeren van de beroepsgronden in de procedure bij de belastingkamer van de rechtbank. [verweerster 2] heeft erkend dat hier sprake is geweest van een beroepsfout, een toerekenbare tekortkoming. Daarnaast dient [eiser] te stellen dat deze fout heeft geleid tot schade. De enkele stelling dat als gevolg van deze fout het onmogelijk is geworden om het onjuiste oordeel van de Inspecteur, inhoudende het niet accepteren van deze post, te laten rechtzetten, is daartoe onvoldoende. Zo geeft [eiser] in het geheel niet aan waarom het oordeel van de inspecteur onjuist zou zijn, wat [A] BV in de beroepsprocedure zou hebben aangevoerd en waarom de belastingkamer van de rechtbank de aanslag in zoverre zou hebben verminderd. Dit betekent dat thans niet aannemelijk is geworden dat het oordeel van de Inspecteur onjuist is geweest en dat de belastingrechter het standpunt van [A] BV zou hebben gevolgd. Grief l wordt verworpen en, voor zover [eiser] haar eis aldus heeft vermeerderd, wordt deze afgewezen omdat het causale verband tussen de beroepsfout en de schade onvoldoende aannemelijk is geworden.” 2.9 Met grief 2 heeft [eiser] betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat BDO destijds als accountant van [C] BV zou hebben opgetreden. BDO heeft aangegeven dat dit niet het geval is geweest. Het hof heeft dit in de vaststelling van de feiten aangepast. Omdat dit niet leidt tot een ander dictum, heeft het hof deze grief verder onbesproken gelaten (rov. 3.5.). Volgens grief 3 heeft de rechtbank ten onrechte vastgesteld dat [verweerster 2] op basis van een overeenkomst van opdracht als accountant werkzaam was voor [C] BV. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat [verweerster 2] ook andere werkzaamheden in opdracht van voormelde BV heeft verricht. Het hof heeft deze grief verworpen, omdat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat [verweerster 2] uitsluitend als accountant heeft gewerkt en bovendien gesteld noch gebleken is dat deze grief leidt tot een andere beslissing (rov. 3.6.). 2.10 Met grief 4 heeft [eiser] erover geklaagd dat de rechtbank bij de weergave van de feiten ten onrechte heeft nagelaten de inhoud te vermelden van de door de rechtbank aangehaalde brieven en bovendien in rov. 4.4.2. een onjuiste uitleg aan deze brieven heeft gegeven. Het hof heeft vastgesteld dat het hier gaat om de brief van 24 augustus 2010 van de Inspecteur aan [A] BV en de brief van 7 oktober 2010 van [A] BV aan de Inspecteur. Het hof heeft grief 4 laten falen, nu uit de toelichting niet blijkt dat de uitleg die de rechtbank aan voormelde brieven heeft gegeven, onjuist zou zijn. [eiser] heeft, ook in hoger beroep, geen kopieën van deze brieven overgelegd. Het hof heeft voorts verwezen naar de hierna (randnummers 2.13 e.v.) nog te bespreken beoordeling van de grieven 8 tot en met 11 waarin met name de brief van 7 oktober 2010 is betrokken (rov. 3.7.). 2.11 Door middel van grief 5 heeft [eiser] betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verweerster 2] zou hebben gesteld dat er geen herinvesteringsreserve gevormd had kunnen worden en er daarom geen causaal verband bestaat tussen de beweerdelijke normschending van [verweerster 2] en de mogelijk geleden schade aan de zijde van [A] en/of [C] . Naar het oordeel van het hof faalt grief 5, nu [verweerster 2] dit verweer, zoals zij ook in hoger beroep heeft bevestigd, in eerste aanleg heeft gevoerd. Bij conclusie van dupliek heeft zij dit verweer onder het kopje “geen herinvesteringsvoornemen” nader uitgewerkt (rov. 3.8.). 2.12 Ten aanzien van grief 7 heeft het hof het volgende overwogen: “3.9. Door middel van grief 7 betoogt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij aan haar vordering jegens [verweerster 2] niet ten grondslag heeft gelegd dat [verweerster 2] jarenlang onjuiste jaarstukken heeft opgemaakt en onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan. Deze grief faalt nu [eiser] in haar conclusie van repliek onder punt 63 expliciet heeft aangegeven dat haar vordering niet is gebaseerd op de indiening van de belastingaangifte maar juist op de beroepsfout die is gemaakt door niet tijdig en deugdelijk beroep in te stellen. [eiser] stelt in de toelichting bij deze grief dat, indien het standpunt van [verweerster 2] inhoudende dat het opnemen van een herinvesteringsreserve in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 12a Wet Vpb, in het kader van deze procedure juist zou zijn, [verweerster 2] dan op grond van het opstellen van de onjuiste jaarstukken en het doen van onjuiste aangiften, aansprakelijk zou zijn. Het hof kwalificeert dit als een, in hoger beroep ingediende, voorwaardelijke wijziging van eis. Aan een inhoudelijke beoordeling komt het hof dan ook eerst toe als in deze procedure, de procedure van [eiser] tegen [verweerster 2] , wordt vastgesteld dat sprake is van strijd met artikel 12a Wet Vpb. In rechtsoverweging 3.16. van dit arrest komt het hof hierop terug.” 2.13 Vervolgens heeft het hof aangekondigd de grieven 8 tot en met 11, die zijn gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering jegens [verweerster 2] , gezamenlijk te zullen behandelen: “3.10.1 Het hof zal de grieven 8 tot en met 11 gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [eiser] dat de rechtbank de vordering jegens [verweerster 2] ten onrechte heeft afgewezen. Het verwijt dat [eiser] [verweerster 2] in eerste aanleg heeft gemaakt, is dat laatstgenoemde in de beroepsprocedure bij de rechtbank de beroepsgronden niet tijdig heeft aangegeven zodat de beslissing van de Inspecteur, inhoudende dat ter zake van de in r.o. 3.1, onder c. bedoelde boekwinst geen herinvesteringsreserve kon worden gevormd, waardoor die tot de belastbare winst van het jaar 2007 moest worden gerekend, onaantastbaar werd. [verweerster 2] heeft de beroepsfout erkend maar heeft betwist dat de belastingplichtige, [A] BV, als gevolg daarvan schade heeft geleden. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 4.4 van het vonnis van de rechtbank waartegen geen grieven zijn aangevoerd.” 2.14 In eerste instantie heeft het hof het in dit verband toe te passen regime weergegeven en overwogen wat dat in concreto van partijen verlangt: “3.10.2. De beoordeling van de vraag of er voldoende causaal verband is tussen de fout en de gestelde schade dient plaats te vinden op een wijze die de Hoge Raad in het arrest van 22 juni 2018, (ECLI:NL:HR:2018:981) als volgt heeft weergegeven: “In een geval waarin een advocaat wordt verweten dat hij niet tijdig een vordering of een rechtsmiddel heeft ingesteld moet, voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate, de cliënt als gevolg van die fout schade heeft geleden, in beginsel worden beoordeeld hoe op de vordering of het rechtsmiddel had behoren te worden beslist, althans moet het te dier zake toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt zou hebben gehad indien de vordering of het rechtsmiddel tijdig zou zijn ingesteld (vgl. HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:1905, NJ 1998/257 en HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0859, NJ 2010/3). De rechter dient bij de hiervoor bedoelde beoordelingen uit te gaan van de stand van de rechtsontwikkeling op het moment waarop – de beroepsfout weggedacht – over de vordering of het rechtsmiddel zou zijn geoordeeld.” 3.10.3. In de onderhavige zaak is het aan partijen om alle gegevens te verschaffen die, als de beroepsgronden tijdig zouden zijn ingediend, het hof in staat stellen zo nauwkeurig mogelijk in te schatten hoe de rechter in deze belastingprocedure zou hebben geoordeeld. De rechtbank heeft de juiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling of er voldoende causaal verband bestond tussen de beroepsfout en de schade. Dat de rechtbank deze maatstaf heeft gebruikt, kan of mag geen verrassingsbeslissing voor partijen zijn geweest; dat sprake zou zijn geweest van een verrassingsbeslissing, zoals door [eiser] gesteld, verwerpt het hof dan ook. Het hof verwerpt eveneens de stelling van [eiser] dat zij door de rechtbank alsnog in de gelegenheid had moeten worden gesteld om feiten, weren, excepties en bewijsmiddelen te produceren die [A] BV in de belastingzaak had kunnen inbrengen. Het is immers aan [eiser] om in haar processtukken te stellen, en bij betwisting, nader te onderbouwen, waarom de rechtbank haar vordering jegens [verweerster 2] had moeten toewijzen.” 2.15 Daarna heeft het hof vastgesteld hoe de gang van zaken rond het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting is geweest en op welke wijze en op welke gronden daartegen is geageerd. In dat verband is een tweetal beroepsgronden in beeld gekomen: “3.10.4. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens stelt het hof het volgende vast. Bij brief van 11 oktober 2010 bericht de Inspecteur aan [verweerster 2] dat hij de aangifte vennootschapsbelasting heeft ontvangen en dat hij van plan is van de aangifte af te wijken. Uit deze brief blijkt dat hij bij (niet overgelegde) brief van 24 augustus 2010 informatie heeft gevraagd over de herinvesteringsreserve en de voorzieningen. Hij verzoekt daarin o.a. om de verkoopovereenkomst van het vervreemde bedrijfsmiddel en de notariële akte van levering. Omdat geen informatie is verstrekt, bericht hij over het voornemen om een en ander te corrigeren. Als vóór 27 oktober 2010 alsnog een reactie komt, dan kan de Inspecteur daarmee rekening houden, zo geeft hij aan. Bij brief van 7 oktober 2010 bericht [A] BV de Inspecteur. Deze brief is niet overgelegd. In reactie op deze brief schrijft de Inspecteur op 22 november 2010 dat, hoewel in de ontvangen brief wordt vermeld dat de akte is ingesloten, deze niet was bijgevoegd. De overige bescheiden zijn niet ontvangen. De Inspecteur schrijft verder dat hij eerder heeft gevraagd naar de economische functie van het vervreemde bedrijfsmiddel en waaruit het concrete vervangingsvoornemen op 31 december 2007 bestaat en wat tot op heden is gedaan om aan dat voornemen gestalte te geven. Hij wilde het concrete voornemen tot herinvesteren middels de betreffende bescheiden gemotiveerd zien. De Inspecteur stelt vast dat hij geen gegevens of bescheiden heeft ontvangen. Verder schrijft de inspecteur: “Uit uw brief begrijp ik dat u om zakelijke redenen niet gaat herinvesteren.” De vraag naar de boekwaarde is niet beantwoord, de liquide middelen zijn niet liquide gehouden en tevens blijkt uit de brief geen concreet voornemen, aldus de Inspecteur. De Inspecteur gaat niet akkoord met het in de brief van 7 oktober 2010 gedane verzoek om een uitstel van de termijn van drie jaren met een termijn van maximaal twee jaren. Vervolgens legt de Inspecteur op 28 december 2010 de aanslag op. In de bezwaarfase wordt een beroep gedaan op het feit dat de aanslag te laat zou zijn opgelegd. Dit bezwaar wordt afgewezen. Vervolgens wordt tijdig in beroep gegaan bij de rechtbank. De rechtbank heeft de belastingplichtige in de gelegenheid gesteld om de gronden in te dienen, heeft geen reactie ontvangen en heeft op 7 oktober 2011 het beroep niet ontvankelijk verklaard. Als productie 18 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft [verweerster 2] de nadere motivering die zij, naar zij stelt, op 4 augustus 2011 aan de rechtbank heeft verzonden maar die nimmer bij de rechtbank is aangekomen, in het geding gebracht. Primair wordt daarin aangevoerd dat de belastingplichtige niet tijdig op de hoogte is gesteld van de definitieve aanslag. Subsidiair wordt aangevoerd dat de correcties niet juist zijn: er was reeds vóór de verkoop van het pand een voornemen tot herinvesteren en dit was er ultimo 2007 nog steeds. Er is uiteindelijk ook binnen de geldende driejaarstermijn geherinvesteerd. De voorziening heeft betrekking op gebreken van het verkochte pand en kan bij het aan het licht komen van deze gebreken bij de koper leiden tot het betalen van schadevergoeding. Deze voorziening valt in vijf opvolgende jaren vrij, aldus het beroepsschrift.” 2.16 Ten aanzien van de primaire beroepsgrond (de belastingplichtige is niet tijdig op de hoogte gesteld van de definitieve aanslag) heeft het hof als volgt geoordeeld: “3.10.5. Geen van partijen heeft aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de primaire beroepsgrond kans van slagen zou hebben gehad. De beroepsgrond is eerder in de bezwaarfase aangevoerd en door de Inspecteur afgewezen. [eiser] heeft niet betoogd dat en waarom deze beroepsgrond kans van slagen zou hebben. Tegen die achtergrond schat het hof in dat de aanslag op deze beroepsgrond niet zou worden verminderd.” 2.17 Vervolgens is aan de orde gekomen hoe in de belastingprocedure zou worden geoordeeld over het al dan niet kunnen vormen van een herinvesteringsreserve. [verweerster 2] heeft betwist dat het daarvoor vereiste voornemen tot herinvestering door de belastingrechter zou worden aangenomen. In dit verband heeft het hof eerst aldus overwogen: “3.10.6. (…) Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het niet gaat om vaststelling van het voornemen in de onderhavige procedure tussen deze beide partijen. Beoordeeld moet worden hoe de belastingrechter in de procedure van [A] BV tegen de Inspecteur zou hebben geoordeeld indien de subsidiair aangevoerde beroepsgrond tijdig zou zijn ingediend. Het hof overweegt voorts dat [eiser] ten onrechte heeft betoogd in haar toelichting op grief 9 dat de bewijslast met betrekking tot het bestaan van het vereiste herinvesteringsvoornemen bij de Inspecteur zou liggen. Uit de jurisprudentie (zie onder andere HR 23 oktober 2009, nr. 43 924, ECLI:NL:HR:2009:BK0894) blijkt dat het in beginsel aan de belastingplichtige is om het bewijs daarvan aan te dragen.” 2.18 Daarop is het hof ingegaan op de onderbouwing door [eiser] : “3.10.7. Onder de punten 63 en 137 van de memorie van grieven stelt [eiser] dat de Inspecteur zijn standpunt uitsluitend en alleen baseert op de brief van 7 oktober 2010 waarin gevraagd wordt om een uitstel van de termijn van investering. Andere omstandigheden zijn door de Inspecteur nooit genoemd, aldus [eiser] . Zij legt evenwel, in strijd met het bepaalde in artikel 85 Rv, geen kopie van deze brief over. Het overleggen van (een kopie van) deze brief had op haar weg gelegen nu de rechtbank in rechtsoverweging 4.4.2. vaststelt dat [eiser] heeft nagelaten deze brief te overleggen en de rechtbank overweegt dat de Inspecteur in deze brief aanknopingspunten vindt voor de aanname dat [A] BV om zakelijke redenen niet gaat herinvesteren. Omdat [eiser] wederom een kopie van deze brief niet in rechte heeft overgelegd, passeert het hof haar stelling dat in de brief enkel wordt verzocht om uitstel van de termijn, zoals [eiser] heeft betoogd. 3.10.8. [eiser] grieft tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot de inhoud van de brief van 7 oktober 2010. Zij stelt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat in de brief voormelde aanknopingspunten zouden zijn opgenomen; de rechtbank kent immers de inhoud van de brief niet, aldus [eiser] . Het hof verwerpt deze grief omdat uit de reactie van de Inspecteur van 22 november 2010 blijkt dat hij uit de inhoud van de brief heeft afgeleid dat er om zakelijke redenen geen investeringsvoornemen aanwezig was. Het hof oordeelt dat deze conclusie onvoldoende gemotiveerd is weersproken door [eiser] , nu zij geen kopie van deze brief heeft overgelegd.” 2.19 Dit heeft gevolgen: “3.10.9. Uitgaande van dit oordeel schat het hof in dat de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 in de hypothetische situatie dat [verweerster 2] de beroepsgronden tijdig bij de rechtbank zou hebben ingediend, niet zou zijn vernietigd. Aan de hand van de uitlatingen van [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 zou worden vastgesteld dat zij om zakelijke redenen niet wilde herinvesteren, zo schat het hof in. Weliswaar biedt [eiser] in de onderhavige procedure aan te bewijzen dat er continu een voornemen tot herinvesteren bestond, maar of dit voldoende zou komen vast te staan in de fictieve belastingprocedure kan niet worden beoordeeld zonder rekening te houden met de concrete uitlatingen die [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 aan de Inspecteur heeft gedaan. Een continu aanwezig voornemen kan nu eenmaal slechts worden vastgesteld aan de hand van concrete gedragingen en uitlatingen van de belastingplichtige, gedaan in de relevante periode van drie jaren. De concrete uitlating van [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 kan daarbij van cruciaal belang zijn. Het hof passeert om deze reden het door [eiser] gedane bewijsaanbod. 3.10.10. Het enkele feit dat [A] BV nog vóór het verstrijken van de termijn van drie jaren daadwerkelijk tot herinvestering is overgegaan, is onvoldoende om met succes te betogen dat de belastingrechter anders zou hebben geoordeeld. Het gaat erom of vanaf het moment van het vormen van deze herinvesteringsreserve het voornemen tot herinvestering continu aanwezig is geweest. Dat is met dit feit niet aangetoond. 3.10.11. Het hof oordeelt op grond van het bovenstaande dat de grieven 8 tot en met 11 niet slagen. Het causaal verband tussen de beroepsfout van [verweerster 2] en de schade is onvoldoende aannemelijk geworden. (…)” 2.20 Daarmee is ook het doek gevallen voor grief 12, blijkt uit het vervolg in dezelfde rechtsoverweging: “3.10.11. (…) Grief 12 waarin [eiser] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet meer toekomt aan de beoordeling of artikel 12a van de Wet Vpb het vormen van de reservering in de weg stond, slaagt dan ook niet. Zoals hiervoor reeds overwogen, zou de belastingrechter op grond van het niet kunnen aantonen van het vereiste voornemen de aanslag vennootschapsbelasting in stand laten.” 2.21 Grief 6 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiser] te laat bij BDO heeft geklaagd en dat het beroep van BDO op art. 6:89 BW in dit verband slaagt. Anders dan de rechtbank heeft het hof ervoor gekozen inhoudelijk in te gaan op de grondslag van de vordering jegens BDO: “3.11. Middels grief 6 betoogt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij te laat zou hebben geklaagd bij BDO en dat het beroep van BDO op artikel 6:89 BW doel treft. Deze grief ziet op de procedure jegens BDO. De rechtbank heeft de grondslag van de vordering niet inhoudelijk beoordeeld. Indien grief 6 zou slagen, is het aan het hof om de overige verweren die BDO heeft aangevoerd in eerste, aanleg te beoordelen (zie o.a. HR 2 februari 2001, NJ 2001, 233). Bij dagvaarding heeft [eiser] aangegeven dat, als artikel 12a Wet Vpb van toepassing zou zijn, BDO onjuist zou hebben geadviseerd. BDO heeft betwist dat zij in 2007 een onjuist advies heeft gegeven aan [C] , stellende dat zij is nagegaan of artikel 12a Wet Vpb in de weg zou staan aan het vormen van een herinvesteringsreserve binnen [A] BV en tot de conclusie kwam dat dit niet het geval was. Onder punt 91 van de memorie van grieven stelt [eiser] dat zij nu schade lijdt ten gevolge van een ten tijde van de aankoop onjuist gegeven advies van BDO, dan wel door een beroepsfout van [verweerster 2] en dat dit een zaak is tussen [verweerster 2] en BDO. Als juist is wat [verweerster 2] stelt (namelijk dat artikel 12a Vbp [lees: Vpb, A-G] in de weg zou hebben gestaan van het vormen van de herinvesteringsreserve), is BDO aansprakelijk en als BDO gelijk heeft, is [verweerster 2] aansprakelijk. Aldus verliest [eiser] uit het oog dat de procedure jegens BDO een zelfstandige procedure is en dat het aan haar is om te onderbouwen waarom BDO destijds toerekenbaar tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen tot het geven van advies. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te onderbouwen waarom een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in 2007 niet tot het geven van dit advies had kunnen overgaan. [eiser] heeft daartoe in de procedure jegens BDO niets althans te weinig gesteld, terwijl dat wel op haar weg had gelegen, temeer nu het door BDO ingenomen standpunt naar de stand van het positieve belastingrecht anno 2007 in ieder geval te verdedigen was. Het hof wijst de vorderingen jegens BDO om deze reden af. De grief behoeft geen bespreking.” 2.22 Volgens grief 13 heeft de rechtbank ten onrechte niet overwogen dat het niet relevant is voor de claim van [eiser] of de schade nu is veroorzaakt door een onjuist advies van BDO in 2007 dan wel ten gevolge van een beroepsfout van [verweerster 2] : “3.12. (…) Deze grief slaagt niet. Zoals hiervoor reeds overwogen voert [eiser] twee zelfstandige procedures, één tegen [verweerster 2] en één tegen BDO. In beide procedures is het aan [eiser] om te stellen en, bij verweer, te onderbouwen aan welke toerekenbare tekortkoming de betreffende geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt en welke schade dit tot gevolg heeft gehad. De grief slaagt dan ook niet.” 2.23 Omdat grief 14 is gericht tegen de proceskostenveroordeling en naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft, heeft het hof deze grief niet afzonderlijk besproken (rov. 3.13.). 2.24 Volgens grief 15 heeft de rechtbank ten onrechte de door [eiser] opgeworpen incidentele vordering (die betrekking had op een voorschot; hiervoor randnummer 2.5) afgewezen. Ook deze grief is vergeefs voorgesteld: “3.14. (…) In haar toelichting stelt zij [ [eiser] , A-G] dat zij niet het slachtoffer moet worden van een discussie tussen (de verzekeraars van) haar adviseurs, een discussie waar zij buiten staat. De grief faalt. Aan de hand van de juiste maatstaf heeft de rechtbank in het vonnis in incident overwogen dat de vordering tot betaling van een voorschotbedrag niet voldoende vaststaat en niet eenvoudig kan worden vastgesteld.” 2.25 Het hof heeft ten slotte nog het volgende overwogen: “3.15. [eiser] doet tot slot van de memorie van grieven een bewijsaanbod. Het hof komt niet aan bewijslevering toe nu [eiser] daarvoor onvoldoende concrete stellingen heeft ingenomen. Bovendien is het bewijsaanbod niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat. 3.16. Nu in de procedure tussen [eiser] en [verweerster 2] niet in rechte komt vast te staan dat de herinvesteringsreserve op grond van artikel 12a Wet Vbp [lees: Vpb, A-G] niet kon worden gevormd, komt het hof niet toe aan de gewijzigde eis. 3.17. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de beide procedures worden veroordeeld.” 2.26 Uit rov. 3.16., zojuist geciteerd, blijkt dat het hof niet is toegekomen aan de gewijzigde eis (wanneer zou blijken dat het vormen van de herinvesteringsreserve in strijd zou zijn met art. 12a Wet Vpb, zou [verweerster 2] ook worden aangesproken ter zake van het opmaken van onjuiste jaarstukken en het doen van onjuiste aangiften (hiervoor randnummer 2.12)). Dat het zover niet is gekomen, ligt aan de verwerping door het hof van grief 12 (waarmee werd betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet aan een beoordeling van (strijd met) art. 12a Wet Vpb is toegekomen) in rov. 3.10.11. (hiervoor randnummer 2.20). 2.27 Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de proceskosten veroordeeld. 2.28 [eiser] heeft bij procesinleiding van 20 februari 2019 – derhalve tijdig – beroep in cassatie ingesteld. [verweerster 2] en BDO hebben ieder, afzonderlijk van elkaar, een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben ieder, BDO en [verweerster 2] ook weer afzonderlijk van elkaar, hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiser] heeft gerepliceerd. 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit vijf onderdelen (2.1 tot en met 2.5), waarvan de eerste vier uiteenvallen in een aantal subonderdelen/klachten. 3.2 De vijf onderdelen worden in de procesinleiding voorafgegaan door een inleiding (onder het kopje ‘De kern van de zaak’). In randnummer 1.2 van de procesinleiding brengt [eiser] in beeld dat het in de onderhavige zaak gaat om een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen twee fiscale adviseurs, waarbij de één (BDO) de aankoop van een vastgoedpakket in een BV door middel van een aandelentransactie actief heeft begeleid en waarbij de ander ( [verweerster 2] ) als vaste accountant de transactie heeft gevolgd en nadien de jaarstukken van de verworven vastgoed BV ( [A] BV) heeft vastgesteld, aangiften heeft gedaan namens die BV en, naar vaststaat, een beroepsfout heeft gemaakt door tegen een besluit van de Inspecteur omtrent het niet (langer) accepteren van een herinvesteringsreserve (hierna ook: ‘HIR’) niet, althans in elk geval niet tijdig, gronden voor beroep bij de rechtbank in te dienen, waardoor dit beroep niet ontvankelijk werd verklaard. Uit randnummer 1.3 van de procesinleiding blijkt nog eens dat het [eiser] in deze zaak om twee verschillende schades gaat: “(…) Enerzijds is er een claim ter zake van vennootschapsbelasting (Vpb) betreffende de HIR ad € 683.502,00. Er vanuit gaande dat aanspraak gemaakt kon worden op de HIR is de koopprijs van het aangekochte vastgoedpakket met 50% verhoogd. Anderzijds is in dezelfde aanslag over 2007 Vpb geheven over een reservering voor groot onderhoud, die in de jaren na de reservering reeds jaarlijks in gedeelten bij het resultaat was gevoegd, zodat er met de aanslag sprake was van dubbele betaling ad € 120.000,=.” In deze zaak staan dus twee (mogelijk) aansprakelijke partijen centraal (BDO en [verweerster 2] ) en gaat het (waar het de claim jegens [verweerster 2] betreft) bovendien ook om een tweetal schades. 3.3 [eiser] stelt daarbij in cassatie verschillende thema’s aan de orde: - onderdeel 2.1 heeft betrekking op (vermeend) onrechtmatig handelen van [verweerster 2] met betrekking tot ‘het vrijvallen van de post groot achterstallig onderhoud van € 600.000’; - onderdeel 2.2 ziet op het oordeel van het hof omtrent de volgens [eiser] door [verweerster 2] gemaakte beroepsfout ter zake van de herinvesteringsreserve; - onderdeel 2.3 heeft betrekking op ‘de tweede aansprakelijkheidsgrond ten opzichte van [verweerster 2] ’ waarmee gedoeld wordt op het verwijt van [eiser] dat [verweerster 2] niet heeft gewaarschuwd tegen de mogelijke toepassing van art. 12a Wet Vpb; - onderdeel 2.4 heeft betrekking op de advisering door BDO en het oordeel van het hof dat [eiser] in dit verband te weinig heeft gesteld (rov. 3.11., hiervoor randnummer 2.21); - onderdeel 2.5 ten slotte betreft een zogenoemde veegklacht. Onderdeel 2.1. [verweerster 2] : dubbele betaling voorziening achterstallig onderhoud 3.4 Dit onderdeel, dat bestaat uit vijf subonderdelen, klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot grief 1 in rov. 3.4.3. De klacht houdt in dat dit oordeel rechtens onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. 3.5 Grief 1 van [eiser] luidde als volgt: “Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 2 december 2015 niets overwogen met betrekking tot de in de ambtshalve aanslag de dato 28 december 2010 genoemde vrijval voorziening, groot achterstallig onderhoud/bouwkundige gebreken ad € 600.000, leidende tot een VPB aanslag van € 149.275,--.” [eiser] heeft deze grief aldus toegelicht: “113. Hierboven is reeds uitvoerig aangegeven dat dit gedeelte van de aanslag van de inspecteur feitelijk losstaat van de vraag of er wel/niet terecht een HIR is gevormd. Kortom, ongeacht de vraag of art. 12 A VPB nu wel/niet van toepassing zou zijn en ongeacht de vraag of [A] nu wel/niet het voornemen tot herinvesteren zou hebben gehad, zou dit gedeelte van de aanslag in de belastingprocedure nimmer instand zijn gebleven. Verwezen wordt naar hetgeen appellante hieromtrent in Onderdeel B van deze memorie heeft gesteld. Voor de goede orde biedt [eiser] hiervan uitdrukkelijk bewijs aan door de medewerkers van [verweerster 2] als getuigen te horen. 114. Nu er door toedoen van [verweerster 2] nimmer een inhoudelijke procedure voor de belastingkamer van de rechtbank Breda (thans Zeeland-West-Brabant) heeft plaatsgevonden, is feitelijk onmogelijk geworden om dit onjuiste oordeel van de inspecteur door de belastingrechter te laten rechtzetten. [verweerster 2] is voor deze schade volledig aansprakelijk en alleen al om deze reden kan het vonnis van de rechtbank niet in stand blijven.” 3.6 [verweerster 2] heeft grief 1 gemotiveerd weersproken in haar memorie van antwoord. Zij heeft, zakelijk weergeven, opgemerkt dat de grief slechts summier is toegelicht door [eiser] , dat niet duidelijk is welk verwijt [verweerster 2] valt te maken, dat ook uit de verwijzing naar Deel B van de memorie van grieven niet duidelijk wordt wat [verweerster 2] verweten wordt en dat bovendien niet valt in te zien dat de aanslag, voor zover deze betrekking heeft op de voorziening achterstallig onderhoud nimmer in stand zou zijn gebleven. [verweerster 2] heeft verder de stelling betrokken dat zo’n voorziening op grond van standaardjurisprudentie alleen in stand kan worden gehouden indien een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen. Aangezien het Lidl-pand vanaf eind 2007 niet meer tot het vermogen van [A] ( [A] BV) behoorde, komen de onderhoudskosten vanaf dat moment ook niet meer ten laste van [A] ( [A] BV). [verweerster 2] heeft dan ook betwist dat de belastingrechter in een beroepsprocedure de heffing over de voorziening zou hebben verminderd. [verweerster 2] heeft voorts aangevoerd dat onduidelijk is waarom [eiser] nu pas met haar verwijt komt. Zij heeft in dit verband een beroep gedaan op art. 6:89 BW (schending van de klachtplicht) c.q. op de vervaltermijn in haar algemene voorwaarden (artikel 8 onder c.). 3.7 In rov. 3.4.3. (hiervoor randnummer 2.8) heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen dat [eiser] met grief 1 een boekhoudkundige post betrekt in de aan [verweerster 2] gemaakte verwijten en dat het verwijt is gelegen in het niet tijdig aanvoeren van de beroepsgronden in de procedure bij de belastingkamer van de rechtbank. Het hof heeft opgemerkt dat [verweerster 2] heeft erkend dat hier sprake is geweest van een beroepsfout, zodat daarover geen discussie is, maar vervolgens geoordeeld dat thans niet aannemelijk is geworden dat deze fout, met betrekking tot de onderhavige boekhoudkundige post, tot schade heeft geleid. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt, zo heeft het hof overwogen, dat het oordeel van de Inspecteur (over de betreffende boekhoudkundige post) onjuist is geweest en dat de belastingrechter (de beroepsfout weggedacht) het standpunt van [A] BV zou hebben gevolgd. Daarom heeft het hof grief 1 verworpen. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat, voor zover [eiser] bedoeld heeft hiermee haar eis te vermeerderen, deze wordt afgewezen, omdat het causale verband tussen de beroepsfout en de schade onvoldoende aannemelijk is geworden. 3.8 Subonderdeel 2.1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals [eiser] heeft gevorderd, slechts is vereist dat de mogelijkheid dat schade als gevolg van de fout is geleden, aannemelijk is geworden. Er mogen, aldus [eiser] , geen hoge eisen worden gesteld aan het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade; voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk wordt gemaakt. 3.9 Deze klacht faalt om twee redenen. In de eerste plaats mist de klacht feitelijke grondslag. Anders dan in subonderdeel 2.1.1 wordt aangevoerd, heeft het hof niet “hoge eisen gesteld aan het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade”. Het hof heeft daarentegen overwogen dat [eiser] te weinig gesteld heeft en dat hierdoor niet aannemelijk is geworden dat een causaal verband bestaat tussen de beroepsfout van [eiser] en de vermeende schade van [eiser] . [eiser] heeft dus naar het oordeel van het hof niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. Met ‘hoge eisen aan het vaststellen van het causaal verband’ heeft dit niets van doen. De klacht faalt bovendien ook, omdat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat (een grondslag voor) aansprakelijkheid is komen vast te staan. Ontbreekt causaal verband of is op dit punt te weinig gesteld door de gelaedeerde, zoals het hof in deze zaak heeft aangenomen, dan is aansprakelijkheid dus niet komen vast te staan. De steller van het middel heeft zijn geld eigenlijk gezet op de lage drempel die op het punt van schade geldt: voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat op dat punt dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Waar het ontbreken daarvan inderdaad niet snel aan verwijzing in de weg staat, is dat soms toch wel aan de orde in gevallen waarin het causaal verband ontbreekt. Een dergelijk geval is hier volgens het hof kennelijk aan de orde. Subonderdeel 2.1.1 faalt. 3.10 Subonderdeel 2.1.2 klaagt, wat mij betreft vergeefs, over het oordeel van het hof in de eerste alinea van rov. 3.4.3. (hiervoor randnummer 2.8). De klacht luidt dat het hof de herkansingsfunctie van het hoger beroep heeft miskend. Dat dit echter niet het geval is, blijkt duidelijk uit het feit dat het hof in de tweede en derde alinea van rov. 3.4.3. alsnog inhoudelijk ingaat op hetgeen [eiser] met haar eerste grief heeft aangevoerd, zoals [eiser] in randnummer 2.2 van haar schriftelijke toelichting overigens zelf ook lijkt te erkennen.Subonderdeel 2.1.2 mist dus doel. 3.11 Subonderdeel 2.1.3 gaat meer inhoudelijk in op (de beoordeling door het hof van) het aan [verweerster 2] gemaakt verwijt ter zake van de voorziening achterstallig onderhoud. Het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat grief 1 voor verdere onderbouwing naar Deel B van de memorie van grieven verwijst, dat [eiser] wel degelijk heeft gesteld dat de betreffende fout tot schade heeft geleid en dat zij wel degelijk heeft aangegeven dat en waarom het oordeel van de Inspecteur onjuist zou zijn en wat de belastingkamer van de rechtbank Breda zou hebben overwogen indien de gronden wel tijdig zouden zijn ingediend. Betoogd wordt dat dat het hof zich in zijn beoordeling niet mocht beperken tot de randnummers 113. en 114. van de memorie van grieven. 3.12 Ik beoordeel deze klacht als volgt. 3.13 Ter toelichting en verdere onderbouwing wordt in het kader van subonderdeel 2.1.3 verwezen naar verschillende randnummers in de memorie van grieven: 40., 44., 60., 61., 66. tot en met 71., 73. tot en met 76. en 86. Voor zover in cassatie van belang leid ik uit de tekst bij deze randnummers af dat: - [eiser] in Deel B van de memorie van grieven de vrijval van de voorziening achterstallig onderhoud aan de orde heeft gesteld (randnummer 40.); - zij heeft aangevoerd dat hierover een afspraak werd gemaakt met [verweerster 2] (randnummer 44.); - de Inspecteur hieromtrent een beslissing heeft genomen (randnummer 60.); - deze beslissing volgens [eiser] onjuist is (randnummer 61.); - [verweerster 2] bezwaar zou maken zowel wat betreft het schrappen van de HIR als het laten vrijvallen van de post achterstallig onderhoud (randnummer 67.); - door de beroepsfout van [verweerster 2] de beschikking van de Inspecteur onherroepelijk is geworden (randnummer 70.); - hierdoor schade is ontstaan (randnummer 86.). 3.14 Gelet hierop doet de overweging van het hof in rov. 3.4.3. dat [eiser] enkel gesteld heeft dat het als gevolg van de beroepsfout van [verweerster 2] onmogelijk is geworden om het onjuiste oordeel van de Inspecteur (het niet accepteren van de boekhoudkundige post) te laten rechtzetten, geen recht aan hetgeen [eiser] in haar memorie van grieven gesteld heeft. Hetzelfde geldt voor de overweging van het hof dat [eiser] “in het geheel niet” heeft aangegeven waarom het oordeel van de inspecteur onjuist zou zijn, wat [A] BV in de beroepsprocedure zou hebben aangevoerd en waarom de belastingkamer van de rechtbank de aanslag in zoverre zou hebben verminderd. Dit betekent dat subonderdeel 2.1.3 doel treft. 3.15 Ik merk in dit verband nog op dat het er inderdaad op lijkt dat het hof over het hoofd heeft gezien dat [eiser] , in haar toelichting op grief 1 in randnummer 113., heeft verwezen naar Deel B van de memorie van grieven. Het hof overweegt immers dat [eiser] enkel de stelling heeft ingenomen “dat als gevolg van deze fout het onmogelijk is geworden om het onjuiste oordeel van de Inspecteur, inhoudende het niet accepteren van deze post, te laten rechtzetten, is daartoe onvoldoende”. Deze stelling, die het hof dus wel heeft gezien, heeft [eiser] ingenomen in haar toelichting op grief 1 in randnummer 114. en niet in Deel B van de memorie van grieven. 3.16 Subonderdeel 2.1.4 houdt in dat indien en voor zover het hof van mening zou zijn geweest dat het uitsluitend zou moeten responderen op dat gedeelte van de memorie van grieven (Deel C), waar het kopje ‘Grieven’ boven staat, de rechtspraak van Uw Raad waaruit anders blijkt, heeft miskend. Mijns inziens kan een beoordeling van deze klacht achterwege blijven, nu subonderdeel 2.1.3 reeds slaagt. Subonderdeel 2.1.4 faalt derhalve bij gebrek aan belang. 3.17 Subonderdeel 2.1.5 luidt als volgt: “Het hof heeft dit alles in rov 3.4.3 hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Dit vitiëert ook rovv 3.12, 3.13, 3.17 en het dictum.” Waarom rov. 3.12. geraakt wordt door het slagen van één van de klachten van subonderdelen 2.1.1 tot en met 2.1.4, maakt het subonderdeel niet duidelijk. In zoverre faalt subonderdeel 2.1.5 derhalve. Voor het overige heeft het subonderdeel betrekking op de proceskostenveroordeling en het dictum. In zoverre slaagt subonderdeel 2.1.5, nu subonderdeel 2.1.3, zoals uit het voorgaande blijkt, doel treft. Onderdeel 2.2. Beroepsfout [verweerster 2] ter zake van de herinvesteringsreserve 3.18 Dit onderdeel, dat in zeven subonderdelen uiteenvalt, klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.6. tot en met 3.10.11. en rov. 3.15. 3.19 Subonderdeel 2.2.1 stelt voorop dat voor rov. 3.10.1. tot en met 3.10.11., en in het bijzonder voor rov. 3.10.2. en 3.10.11. waar het hof oordeelt dat het causaal verband tussen de beroepsfout van [verweerster 2] en de schade onvoldoende aannemelijk is geworden, hetzelfde geldt als voor onderdeel 2.1 en de door dat onderdeel bestreden rov. 3.4.3. Vervolgens klaagt het subonderdeel dat het hof ook hier miskent dat verwijzing naar de schadestaat is gevorderd, zodat het causaal verband nog niet ten gronde dient te worden beoordeeld en er ook geen hoge eisen mogen worden gesteld aan het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Volgens het subonderdeel is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk wordt gemaakt. 3.20 Hiermee wordt eigenlijk de klacht van subonderdeel 2.1.1 herhaald en hetzelfde geldt voor het argument dat geen hoge eisen mogen worden gesteld aan het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Ik verwijs daarom naar mijn beoordeling van subonderdeel 2.1.1 (hiervoor randnummers 3.8 en 3.9). Nu dat subonderdeel faalt, geldt hetzelfde voor subonderdeel 2.2.1. 3.21 Subonderdeel 2.2.2 klaagt onder I dat het hof in rov. 3.9. (ook hier) de herkansingsfunctie van het hoger beroep heeft miskend. Het subonderdeel voert aan dat het hof heeft miskend dat [eiser] in hoger beroep (“nu juist”) op diverse plaatsen in de memorie van grieven het standpunt inneemt dat [verweerster 2] van aanvang af overal bij was en de advisering van BDO vooraf ter toetsing werd voorgelegd aan [verweerster 2] , dat [verweerster 2] toegang had tot alle stukken en zonder enige vorm van commentaar uitvoering heeft gegeven aan het advies van BDO, terwijl het ook op [verweerster 2] weg had gelegen te waarschuwen voor de mogelijke toepassing van art. 12a Wet Vpb. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar diverse randnummers in de memorie van grieven. 3.22 Alvorens ik deze klacht beoordeel, geef ik een korte schets van art. 12a Wet Vpb en hetgeen [verweerster 2] dienaangaande heeft opgemerkt. Art. 12a lid 1, onder b, luidt als volgt: ‘1. Indien aannemelijk is dat op enig tijdstip het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, gelden in afwijking in zoverre van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de volgende regels: (…) b. na die wijziging kan een herinvesteringsreserve slechts worden gevormd ter zake van vervreemde bedrijfsmiddelen waarvan het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging; (…).’ Dit betekent dat, indien op enig tijdstip de aandelen van de belastingplichtige worden verkocht aan een derde (er is dan sprake van een belangrijke wijziging in het uiteindelijk belang in de belastingplichtige), daarna een herinvesteringsreserve slechts kan worden gevormd – door de eerdere aandeelhouder – voor bedrijfsmiddelen waarvan het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging. [verweerster 2] heeft in haar conclusie van antwoord opgemerkt dat [A] BV op grond van deze bepaling geen HIR kon vormen ter zake van de verkoop van het Lidl-pand aangezien het besluit tot vervreemding (van het Lidl-pand) al was genomen vóór de levering van de aandelen in [A] BV door [B] aan [C] . Sterker nog, zo stelt [verweerster 2] , de verkoopovereenkomst ter zake van het Lidl-pand was al op 15 oktober 2007 gesloten; op basis van die overeenkomst heeft de levering uiteindelijk ook plaatsgevonden (zie randnummer 4.1. van de conclusie van antwoord). In randnummer 4.4. van de conclusie van antwoord merkt [verweerster 2] op dat aangezien [A] BV op grond van art. 12a Wet Vpb geen HIR kon vormen ter zake van de boekwinst behaald bij de verkoop van het Lidl-pand, geen sprake is van schade. In elk geval ontbreekt volgens [verweerster 2] in het licht daarvan het causaal verband tussen de heffing over de boekwinst ter zake van het Lidl-pand en de aan [verweerster 2] verweten gedraging van het niet (aantoonbaar) tijdig motiveren van het bij de rechtbank ingestelde beroep. 3.23 In rov. 3.9., waartegen het onderhavige subonderdeel gericht is, heeft het hof overwogen dat grief 7 faalt, nu [eiser] in haar conclusie van repliek in randnummer 63. expliciet heeft aangegeven dat haar vordering niet is gebaseerd op de indiening van de belastingaangifte, maar juist op de beroepsfout die is gemaakt door het niet tijdig en deugdelijk beroep instellen. De rechtbank heeft dus, zo heeft het hof geoordeeld, terecht overwogen dat de vorderingen van [eiser] niet gegrond zijn op het doen van een (mogelijk onjuiste) aangifte vennootschapsbelasting, maar enkel op het niet tijdig en deugdelijk instellen van beroep bij de belastingrechter. 3.24 Daarna is het hof, nog steeds in rov. 3.9., alsnog ingegaan op de stellingen die [eiser] in haar toelichting op grief 7 heeft ingenomen. Het hof heeft overwogen dat deze stellingen een (in hoger beroep ingediende) voorwaardelijke wijziging van eis opleveren. Van een ‘in hoger beroep ingediende wijziging van eis’ is sprake, omdat [eiser] in hoger beroep toch aan haar vordering ten grondslag heeft willen leggen dat [verweerster 2] onjuiste jaarstukken heeft opgemaakt en onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan. Het gaat om een ‘voorwaardelijke’ (wijziging van) eis, omdat [eiser] heeft gesteld dat als het standpunt van [verweerster 2] , inhoudende dat het opnemen van een herinvesteringsreserve in strijd zou zijn met het bepaalde in art.12a Wet Vpb, juist zou zijn, [verweerster 2] dan op grond van het opstellen van de (dus) onjuiste jaarstukken en het doen van onjuiste aangiften, aansprakelijk zou zijn. 3.25 Aan het slot van rov. 3.9. heeft het hof overwogen dat het pas aan een inhoudelijke beoordeling van de gewijzigde eis toekomt, indien wordt vastgesteld dat sprake is van strijd met art. 12a Wet Vpb (het voorwaardelijke aspect van de in hoger beroep gewijzigde eis). In rov. 3.16. komt het hof hierop terug: “Nu in de procedure tussen [eiser] en [verweerster 2] niet in rechte komt vast te staan dat de herinvesteringsreserve op grond van artikel 12a Wet Vbp [lees: Vpb, A-G] niet kon worden gevormd, komt het hof niet toe aan de gewijzigde eis.” 3.26 Ik zie niet dat het hof, door te overwegen zoals het heeft gedaan in rov. 3.9., de herkansingsfunctie van het hoger beroep zou hebben miskend. De klacht van subonderdeel 2.2.2 onder I faalt derhalve. 3.27 Onder II klaagt subonderdeel 2.2.2 dat het hof heeft miskend dat [eiser] [verweerster 2] ook verweten heeft dat zij, nu zij impliciet en expliciet heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met het advies van BDO, zelf daarmee ook onjuist heeft geadviseerd. Het betreft hier dus, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet uitsluitend de onjuiste aangiften en jaarstukken die [eiser] [verweerster 2] verwijt, maar ook het niet onderkennen van de onjuistheid van het advies van BDO, waarin ligt besloten het nalaten te waarschuwen dat art. 12a Wet Vpb hier een risico zou kunnen vormen. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. 3.28 Wat mij betreft faalt ook deze klacht. Het hof heeft in rov. 3.9. overwogen dat grief 7 een voorwaardelijke wijziging van eis behelst en heeft in rov. 3.16. geoordeeld dat aan de in dit verband gestelde voorwaarde niet is voldaan. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of het hof de reikwijdte van de eiswijziging, die los staat van de voorwaarde, juist heeft opgevat. 3.29 Subonderdeel 2.2.3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10.3. tot en met 3.10.11. Het subonderdeel bestaat uit een inleiding (randnummer 2.2.3 van de procesinleiding) en twee klachten (subonderdeel 2.2.3 onder I en subonderdeel 2.2.3 onder II). 3.30 Onder I klaagt subonderdeel 2.2.3 dat het hof heeft miskend dat het in casu als quasi belastingrechter had moeten oordelen aan de hand van alles wat [A] BV had kunnen aanvoeren tegen het besluit van de Inspecteur, waarbij – naar mag worden aangenomen – zij in staat zou zijn gesteld om bewijs te leveren van haar voortdurende herinvesteringsvoornemen met alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen. Volgens het subonderdeel getuigt het aldus van een onjuiste rechtsopvatting om vergaande consequenties te verbinden aan het niet overleggen van de brief van 7 oktober 2010 en niet – zoals in de belastingprocedure wel aan de orde zou zijn geweest – de voorgestelde getuigen te horen omtrent het feit dat er bij voortduring is gezocht naar geschikte beleggingsobjecten. Aldus, zo gaat de klacht van subonderdeel 2.2.3 onder I verder, getuigt het ook van een onjuiste rechtsopvatting dat voor de bewijslevering verder niet van belang zou zijn dat er daadwerkelijk binnen de periode (van drie jaar) tot herinvestering is overgegaan. 3.31 De klacht faalt nu het hof in rov. 3.10.2. de juiste maatstaf heeft aangelegd omtrent de vraag of er causaal verband is tussen de beroepsfout van [verweerster 2] en de gestelde schade en, in overeenstemming daarmee, in rov. 3.10.3. heeft overwogen dat het in de onderhavige zaak aan partijen is om alle gegevens te verschaffen die het hof in staat te stellen zo nauwkeurig mogelijk in te schatten hoe de rechter in de belastingprocedure zou hebben geoordeeld als de beroepsgronden tijdig waren ingediend. Uit de maatstaf die het hof, op goede gronden dus, heeft aangelegd – het hof heeft aansluiting gezocht bij hetgeen Uw Raad heeft overwogen in rov. 4.2.2 van HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:981 – volgt niet dat het hof gehouden was om, met voorbijgaan aan het procesrecht en hetgeen [eiser] gesteld heeft, zoals het subonderdeel voorstaat, [eiser] zonder meer toe te staan getuigen te horen. 3.32 Met betrekking tot ‘de brief van 7 oktober 2010’ merk ik het volgende op. In rov. 4.4.2. van het vonnis van 2 december 2015 heeft de rechtbank overwogen dat uit de brief van de Inspecteur aan [A] BV van 22 november 2010 blijkt dat de Inspecteur in de brieven van [A] BV van 24 augustus en 7 oktober 2010 aanknopingspunten heeft gevonden voor de aanname dat [A] BV om zakelijke redenen niet gaat herinvesteren. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat (kopieën van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.