PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01482 Zitting 18 februari 2020 (bij vervroeging) CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte. 1. De verdachte is bij arrest van 11 maart 2019 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 1. ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd’ en 2. ‘witwassen, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring van 0,00927454 bitcoin uitgesproken. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.035.546,46 en een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag opgelegd. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde onder feit 2, dat onder meer op het omzetten van verduisterde geldbedragen in bitcoins ziet, heeft gekwalificeerd als witwassen in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr. Meer in het bijzonder zou uit de door het hof gegeven motivering niet kunnen worden afgeleid dat sprake is van gedragingen van de verdachte die kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. 4. Voordat ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring, de opgave van bewijsmiddelen, ’s hofs bewijsoverweging en elementen uit literatuur en rechtspraak betreffende witwassen weer. Ook ga ik kort in op regelgeving, literatuur en rechtspraak betreffende (witwassen
(3)a store of value, but does not have legal tender status (…) in any jurisdiction’ (p. 4). Het rapport maakt onderscheid tussen convertible (or open) virtual currency en non-convertible (or closed) virtual currency. Convertible virtual currency ‘has an equivalent value in real currency and can be exchanged back-and-forth for real currency’. Bitcoin is daar een voorbeeld van. Bitcoin valt voorts onder de decentralised virtual currencies: ‘distributed, open-source, math-based peer-to-peer virtual currencies that have no central administrating authority, and no central monitoring or oversight’. De term cryptocurrency heeft betrekking op ‘a math-based, decentralised convertible virtual currency that is protected by cryptography’. Bitcoin was de eerste cryptocurrency. Als potentieel risico van convertible virtual currencies wordt genoemd dat zij om een aantal redenen potentially vulnerable to money laundering and terrorist financing abuse zijn: ‘First, they may allow greater anonymity than traditional non-cash payment methods. (…) For example, by design, Bitcoin addresses, which function as accounts, have no names or other customer identification attached, and the system has no central server or service provider. (…) Virtual currency’s global reach likewise increases its potential AML/CFT risks. (…) In addition, virtual currencies commonly rely on complex infrastructures that involve several entities, often spread across several countries, to transfer funds or execute payments. This segmentation of services means that responsibility for AML/CFT compliance and supervision/enforcement may be unclear. Moreover, customer and transaction records may be held by different entities, often in different jurisdictions, making it more difficult for law enforcement and regulators to access them’ (p. 9-10). In 2015 heeft de FATF als vervolg een rapport uitgebracht getiteld Guidance for a risk-based approach to virtual currencies. Daarin wordt onder meer een overzicht gegeven van maatregelen die landen hebben genomen om de aan virtual currencies verbonden risico’s te beperken. 22. Richtlijn (EU) 2015/849, de vierde anti-witwasrichtlijn, verstaat sinds een wijziging in 2018 onder virtuele valuta: ‘een digitale weergave van waarde die niet door een centrale bank of een overheid wordt uitgegeven of gegarandeerd, die niet noodzakelijk aan een wettelijk vastgestelde valuta is gekoppeld en die niet de juridische status van valuta of geld heeft, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als ruilmiddel wordt aanvaard en die elektronisch kan worden overgedragen, opgeslagen en verhandeld’ (art. 3 onder 18). De richtlijn verplicht de lidstaten te waarborgen ‘dat aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta en aanbieders van bewaarportemonnees worden geregistreerd’ (art. 47, eerste lid). De lidstaten verlangen ‘dat de bevoegde autoriteiten ervoor zorgen dat de personen die in de in lid 1 bedoelde entiteiten een leidinggevende functie hebben of de uiteindelijk begunstigden van die entiteiten zijn, betrouwbaar en geschikt zijn’ (art. 47, tweede lid). In de slotbepalingen is vastgelegd dat het eerste verslag over de toepassing van deze richtlijn, dat uiterlijk op 11 januari 2022 wordt gepubliceerd, ‘zo nodig vergezeld (gaat) van passende wetgevingsvoorstellen inzake, onder meer, waar passend, virtuele valuta, machtigingen voor het aanleggen en onderhouden van een voor FIE’s toegankelijke centrale database waarin de identiteit en de portemonneeadressen van gebruikers worden geregistreerd, alsook zelfverklaringsformulieren ten behoeve van de gebruikers van virtuele valuta’ (art. 65, eerste lid). 23. Volgens De Zeeuw en Bastiaan maken virtuele valuta ‘het mogelijk om op afstand, op ieder moment, vanuit iedere locatie met een internetverbinding, anoniem en buiten het zicht van overheden en financiële instellingen, zonder opgaaf van redenen en het afleggen van verantwoording, wereldwijd (criminele) transacties tussen partijen aan te gaan en financieel af te wikkelen, (criminele) vermogens over te dragen, aan te houden en te besteden. Hoewel transacties in virtuele valuta als de bitcoin voor eenieder zichtbaar zijn op de blockchain, staat anonimiteit en encryptie de koppeling met een identiteit, respectievelijk beslaglegging, in de weg. Transacties zijn zichtbaar, maar partijen en valutategoeden blijven in hoge mate ongrijpbaar.’ 24. De Jong had eerder al vastgesteld: ‘De techniek achter bitcoins maakt het mogelijk om anoniem deel te nemen aan het betalingsverkeer. Daarmee is ook het risico op witwassen toegenomen.’ Hij stelt dat het gebruik van bitcoinmixers zal worden aangemerkt als indicator van witwassen. De bitcoinmixer gooit ‘de bitcoins van zijn klanten in een soort grabbelton’ en verdeelt de bitcoins vervolgens in delen ‘over verschillende bitcoin wallets. Na enig tijdsverloop worden de ingelegde ‘besmette’ bitcoins omgewisseld voor delen van bitcoins van andere deelnemers. Hiermee is het digitale spoor van transacties in de openbare blockchain verbroken.’ De Jong tekent daarbij aan ‘dat met het gebruik van bitcoin en bijbehorende diensten als zodanig niets mis is. Zo staat de bitcoin op websites als thuisbezorgd.nl bij de betaalopties in het rijtje van keurige organisaties als iDEAL, MasterCard en Visa.’ 25. Visser is nader ingegaan op de figuur van de bitcoinhandelaar: ‘Door bitcoin is het mogelijk anoniem deel te nemen aan het betalingsverkeer, wat tot gevolg heeft dat aan het gebruik van bitcoin witwasrisico’s zijn verbonden. Anderzijds is bitcoin transparant omdat alle transacties met datum en omvang te vinden zijn in het openbare grootboek, de Blockchain. De anonimiteit eindigt op het moment dat bitcoins worden omgewisseld voor euro’s of andere valuta. De bitcoin exchange maakt de bitcoins over op een bankrekeningnummer dat op naam staat. Personen die hun anonimiteit essentieel achten, zoals criminelen, vinden dit gebrek aan anonimiteit bij de cash-out zeer onwenselijk. De bitcoinhandelaar voorziet in dit gebrek door voor anderen bitcoins aan te nemen in ruil voor contanten en deze bitcoins in te wisselen bij een bitcoin exchange. (…) De klanten van de bitcoinhandelaar zijn bereid voor anonimiteit bij verkoop van bitcoins (cash-out) deze hoge commissie te betalen. De handelaar kent zijn klanten veelal niet. (…) De handelaar verkoopt de bitcoins aan wisselkantoren en exchanges waarbij de tegenwaarde op zijn bankrekening wordt gestort.’ 26. De risico’s van bitcoins in verband met witwassen zijn ook verkend in eerdergenoemd WODC-onderzoek. In dit onderzoek wordt onder meer ingegaan op de vraag wat digitale betalingsmiddelen zijn, in het bijzonder virtuele valuta zoals bitcoin, en hoe deze digitale betalingsmiddelen werken. Het onderzoek is toegespitst op het witwassen van geld verkregen uit banking malware en ransomware. In dit onderzoek wordt ‘het verplaatsen van geld met als doel te verhullen’, bijvoorbeeld door het om te zetten naar een andere valuta, als ‘eenvoudige witwasconstructie’ aangemerkt (p. 34). De onderzoekers nemen aan ‘dat met virtuele valuta als Bitcoin kan worden witgewassen, omdat die tevens op geld waardeerbaar zijn en met reguliere valuta kunnen worden aangekocht’ (p. 39). Het rapport geeft een overzicht van virtuele valuta, en stelt onder verwijzing naar ander onderzoek dat ongeveer 90% van de totale marktwaarde van virtuele valuta wordt vertegenwoordigd door bitcoins (p. 56). Wat de anonimiteit van het gebruik van bitcoins betreft, merken de onderzoekers op dat ‘de identiteiten van Bitcoin-gebruikers feitelijk schuil (gaan) achter pseudoniemen’ (p. 63). Het rapport noemt een aantal landen waar bitcoins verboden zijn: Argentinië, Bangladesh, Bolivia, Indonesië, Kirgizië, Rusland, Thailand en Vietnam (p. 65). Uitgelegd wordt voorts dat (op het dark web aangeboden) mixing services transacties met bitcoins anoniemer kunnen maken (p. 109-110, 116) en dat bitcoins worden witgewassen door een fysieke handelaar in te schakelen (p. 110). 27. Door gerechtshoven zijn al een aantal zaken berecht waarin (het witwassen van) bitcoins een rol speelde(n). In Gerechtshof Amsterdam 4 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1152 was in de woning van de verdachte een USB-stick aangetroffen met een ‘bitcoin-wallet’ met ongeveer 0,18 bitcoin. Het hof sprak de verdachte in zoverre vrij van het tenlastegelegde witwassen, nu in de omstandigheden waaronder dit voorwerp was aangetroffen noch overigens een ‘concreet en overtuigend aanknopingspunt’ kon worden gevonden voor de conclusie dat het afkomstig was uit enig misdrijf. In Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3737 is afpersing bewezenverklaard waarbij afgifte van bitcoins was geëist. In Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:585 was onder 2 onder meer het witwassen van bitcoins ten laste gelegd. Het hof stelt vast dat de verdachte heeft gehandeld in verdovende middelen en dat betalingen voor drugs plaatsvonden ‘in contant geld of in bitcoins’. Eén van de (andere) inkomstenbronnen van de verdachte die het hof identificeert betreft ‘het omzetten van bitcoins in contant geld’. Ook in zoverre neemt het hof aan dat de inkomsten (gedeeltelijk) uit misdrijf afkomstig zijn. Voor zover de bewezenverklaring onder 2 het overdragen van bitcoins aan derden betreft acht het hof de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing. 28. Rechtbanken zijn al in veel meer zaken met de bitcoin geconfronteerd. In Rechtbank Rotterdam 8 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8992 is de verdachte veroordeeld wegens het (gewoonte-)witwassen van een grote hoeveelheid bitcoins en grote geldbedragen. Dat de verdachte wist van de illegale herkomst van de bitcoins leidde de rechtbank af uit het feit dat de verdachte ervoor had gekozen om de bitcoins te wisselen voor contanten bij een bitcoinhandelaar die zijn klanten anonimiteit garandeerde en hiervoor een veel hogere commissie vroeg dan de reguliere wisselkantoren. In Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5716 was eveneens het witwassen van bitcoins tenlastegelegd. De rechtbank stelde onder meer vast dat de bitcoins die de verdachte en de medeverdachte verkregen uit de door hen gedreven drugshandel zijn witgewassen ‘door de herkomst van de bitcoins te verhullen (middels Bitcoin Fog) en de vanuit de service van Bitcoin Fog terugontvangen bitcoins vervolgens om te zetten in chartaal (via localbitcoins.net) dan wel giraal geld (via Bitonic)’. Bitcoin Fog betreft volgens de rechtbank een bitcoin mixing service. Ook deze verdachte was daarnaast betrokken bij de bitcoinhandel. In Rechtbank Rotterdam 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7596 volgde vrijspraak van witwassen voor zover betrekking hebbend op (het voorhanden hebben etc. van) bitcoinminers. In Rechtbank Den Haag 22 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15274 volgde een veroordeling wegens het (in vereniging) ‘hacken’ van Scrypt.cc (een cloudminingdienst voor cryptovaluta) en vervolgens stelen van een grote hoeveelheid bitcoins. 29. In verband met de onderhavige zaak is in het bijzonder Rechtbank Rotterdam 17 december 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10879 het vermelden waard. Daarin had de verdachte 94 bitcoins aangekocht; dat was tenlastegelegd als witwassen. De rechtbank overwoog dat het omzetten van contant of giraal geld in bitcoins ‘op zichzelf een handeling van verhullende aard (
- is)nu als gevolg daarvan, in tegenstelling tot bij een bankrekening, de rechthebbende op dat vermogen niet eenvoudig meer kan worden achterhaald.’ In Rechtbank Rotterdam 20 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5814 ten slotte waren bedragen die succesvol waren overgeboekt naar de rekeningen van money mules veelal contant gemaakt door middel van betalingen of omgezet in bitcoins, al dan niet nadat zij eerst waren doorgeboekt naar rekeningen van tweedelijns money mules. De rechtbank veroordeelde wegens het witwassen, daarin bestaand dat geld – aldus – werd omgezet in bitcoins. Het eerste middel 30. Het middel klaagt, als gezegd, over de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde als witwassen in de zin van art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. Blijkens de toelichting is de steller van mening dat uit ’s hofs motivering niet kan worden afgeleid dat sprake is ‘van gedragingen van de verdachte die (kennelijk) ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen’. 31. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2017 meermalen geldbedragen met een totaalwaarde van € 1.035.546,46 heeft verworven, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van de voornoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit misdrijven. In de bewijsoverweging heeft het hof vastgesteld dat de verdachte nadat hij de geldbedragen had verduisterd, deze direct via het internet heeft overgemaakt naar de rekening van anderen en de betreffende bedragen heeft omgezet in bitcoins en andere cryptovaluta. Daarbij heeft hij de toegang tot deze bedragen versleuteld door een viervoudige versleuteling. In het bijzonder de laatstgenoemde gedraging is volgens het hof (kennelijk) gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen; hij heeft de geldbedragen daardoor ‘niet traceerbaar’ gemaakt. Aldus heeft het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd dat bij het onderhavige omzetten van geldbedragen in cryptovaluta sprake is van gedragingen die zijn gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. 32. Daar komt bij uit HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716 volgt dat in het geval ‘omzetten’ bewezen is verklaard, slechts een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft behoeft te worden vastgesteld als deze gedraging plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin de verdachte (kort gezegd) onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft. Een dergelijk geval doet zich hier naar het mij voorkomt niet voor; het omzetten van geldbedragen in cryptovaluta staat niet gelijk aan het enkel storten van contante geldbedragen op een op eigen naam staande en in Nederland aangehouden bankrekening. Niet alleen is het omzetten van geldbedragen in cryptovaluta een heel ander proces dan het storten van geld op een bankrekening en wordt de herleidbaarheid van het geld tot de rechthebbende erdoor bemoeilijkt; van belang is ook dat de waarde van cryptovaluta fluctueert ten opzichte van andere valuta. Voor zover het middel ziet op het omzetten van geldbedragen in bitcoins stuit het ook daarop af: een op daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen gerichte gedraging behoefde in zoverre niet te worden vastgesteld. 33. Ook bij het bewezenverklaarde ‘overdragen’ en ‘gebruik maken’ van geldbedragen behoeft slechts een gedraging te worden vastgesteld die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen als deze gedraging plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin de verdachte (kort gezegd) onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft. Daarvan is naar het mij voorkomt evenmin sprake. Uit ’s hofs bewijsoverweging kan worden opgemaakt dat de verdachte onmiddellijk uit misdrijf verkregen geldbedragen heeft overgemaakt naar de rekeningnummers van andere personen en dat hij daar reizen mee heeft betaald. Ook deze gedragingen staan niet gelijk aan het enkel storten van contante geldbedragen op een op eigen naam staande en in Nederland aangehouden bankrekening. 34. Voor zover wel een op verbergen of verhullen gerichte gedraging vastgesteld dient te worden (het hof heeft ook verwerven bewezen verklaard), attendeer ik er nog op dat uit ’s hofs vaststellingen expliciet volgt dat de verdachte ‘direct’ nadat hij de geldbedragen had verduisterd gedragingen verrichtte die gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen, in het bijzonder het overmaken van geld naar de rekening van anderen en het omzetten van geldbedragen in (versleutelde) bitcoins en andere cryptovaluta. 35. Het eerste middel faalt. Het tweede middel 36. Het tweede middel klaagt dat het hof zijn oordeel dat geen sprake is van voortgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sr niet begrijpelijk althans ontoereikend heeft gemotiveerd. 37. Het hof heeft onder het kopje ‘Voortgezette handeling’ het volgende overwogen: ‘De regeling van de bepalingen van samenloop, waaronder die betreffende de voortgezette handeling, geven uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer mag worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert. Het gaat daarbij met andere woorden om het voorkomen van - kort gezegd - onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten. Volgens inmiddels bestendige jurisprudentie geldt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van een voortgezette handeling indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068). Het Hof oordeelt dat het handelen van verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 echter niet moet worden beschouwd als een voortgezette handeling, maar dat bij de betreffende bewezen verklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop. Het gaat volgens het hof bij genoemde feiten weliswaar om gedragingen waarbij sprake is van opeenvolging in de tijd, maar bij beide bewezen verklaarde gedragingen is sprake van (in wezen) één verwijt, noch van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') welke zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Verdachte heeft er niet alleen voor gekozen om op verschillende momenten de geldbedragen uit de beschikkingsmacht van de rechthebbende te onttrekken door er als heer en meester over te gaan beschikken. Hij heeft er daarnaast voor gekozen om deze geldbedragen aan het zicht van de rechthebbende te onttrekken door deze geldbedragen om te zetten in bitcoins en andere cryptovaluta. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen dienen te worden aangemerkt als twee verschillende verwijten en dat in casu dus sprake is van meerdaadse samenloop.’ 38. De steller van het middel wijst erop dat volgens recente jurisprudentie van Uw Raad voor de vraag of sprake is van een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr bepalend is of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen, ook ten aanzien van het ‘wilsbesluit’, zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. Het witwassen zou feitelijk betrekking hebben op het op diverse manieren gebruik maken van het verduisterde geld, terwijl niet zou zijn gebleken van bijzondere witwasconstructies. Het zou gaan om gelijksoortige elkaar in de tijd opvolgende gedragingen. Bovendien, zo meent de steller van het middel, is het geld door de verdachte niet verduisterd ‘om er vervolgens niets mee te doen’. 39. In het door het gerechtshof aangehaalde HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111 m.nt. Mevis overwoog Uw Raad onder meer: ‘2.8. Uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen blijkt dat ook de wetgever zich ervan bewust is dat recente wetgeving aanleiding geeft tot zorg over dubbele bestraffing en dat tegen die zorg wordt ingebracht dat de samenloopregeling waarborgen en oplossingen biedt. Dat betekent dat de samenloopregeling - en dan meer in het bijzonder de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling - daarvoor ook daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden. Daarom moet worden benadrukt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling. In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking. Vervolgens komt het voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.’ 40. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de enkele volgtijdelijkheid van gedragingen, en een zeker oorzakelijk verband, niet meebrengen dat per definitie van een voortgezette handeling sprake is. Net als bij de eendaadse samenloop hecht Uw Raad er ook bij de voortgezette handeling belang aan in hoeverre de verdachte ‘(in wezen) één verwijt wordt gemaakt’. 41. Die benadering is, naar het mij voorkomt, in lijn met de benadering die kan worden afgeleid uit een passage in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van de strafbaarstelling van ‘eenvoudig witwassen’ heeft geleid: ‘Benadrukt dient te worden dat het bestaansrecht van de voorgestelde nieuwe strafbaarstellingen vooral ligt in het voorkomen van straffeloosheid op het moment dat veroordeling voor het grondmisdrijf niet mogelijk is of niet is aangewezen. Dit neemt niet weg dat de vervolging ter zake van de nieuwe misdrijven mogelijk blijft tezamen met vervolging ter zake van het grondmisdrijf. Het feit dat bij een dergelijke gezamenlijke tenlastelegging het strafrechtelijk verwijt ter zake van het witwasmisdrijf sterk in het verlengde ligt van het oorspronkelijke grondmisdrijf kan de rechter ertoe brengen in dat geval aan te nemen dat sprake is van een voortgezette handeling (artikel 56 Sr). (...) Mocht de rechter evenwel bij gezamenlijke tenlastelegging aannemen dat sprake is van meerdaadse samenloop, dan ligt het in de rede – wederom tegen de achtergrond van de nauwe verbondenheid tussen beide feiten – dat bij het bepalen van de straf de bewezenverklaring van de witwashandeling niet van invloed zal zijn op de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf. In lijn met deze uitgangspunten zal ook het strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerie worden vormgegeven en openbaar gemaakt.’ 42. Uit deze passage komt naar voren dat het bij (eenvoudig) witwassen van de omstandigheden van het geval afhangt of meerdaadse samenloop of voortgezette handeling wordt aangenomen. In gevallen waarin het witwasmisdrijf ‘sterk in het verlengde ligt’ van het oorspronkelijke grondmisdrijf kan het in de rede liggen voortgezette handeling aan te nemen. Het wat andere rechtskarakter van witwassen behoeft daar volgens de memorie van toelichting kennelijk niet aan in de weg te staan. Dat kan wellicht aldus worden begrepen dat de strafbaarstelling van witwassen, net als die van het in de voorgaande titel strafbaar gestelde heling, een eerder begaan misdrijf vereist en daar in die zin mee verbonden is. Het aannemen van meerdaadse samenloop ligt in die benadering meer in de rede naarmate het witwassen naast dat ‘grondmisdrijf’ een zelfstandiger plaats inneemt. 43. Het hof is, zo begrijp ik, van oordeel dat geen sprake is van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen die ook met betrekking tot het wilsbesluit zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Verdachte heeft er, aldus het hof, niet alleen voor gekozen om de geldbedragen (kort gezegd) te verduisteren, hij heeft er ‘daarnaast voor gekozen om deze geldbedragen aan het zicht van de rechthebbende te onttrekken door deze geldbedragen om te zetten in bitcoins en andere cryptovaluta’. ’s Hofs oordeel dat sprake is van twee verschillende verwijten en dus van meerdaadse samenloop geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 44. Daarbij merk ik nog op dat de klacht, naar de toelichting te oordelen, enkel betrekking heeft op ’s hofs oordeel in zoverre het hof het verduisteren van een geldbedrag en het vervolgens witwassen van dat geldbedrag als in meerdaadse samenloop begaan heeft aangemerkt. De aandacht verdient evenwel dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd’ en het onder 2 bewezenverklaarde als ‘witwassen, meermalen gepleegd’. Witwassen wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. In het geval sprake is van meerdaadse samenloop van witwassen, zoals in deze zaak, is het strafmaximum acht jaren gevangenisstraf (art. 57, tweede lid, Sr). Als het hof het verduisteren en vervolgens witwassen van elk afzonderlijk bedrag als in voortgezette handeling begaan had aangemerkt, zou dat op het toepasselijke strafmaximum kortom niet van invloed zijn geweest. 45. Beide middelen falen. In ieder geval het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. 46. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 47. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 15. F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen. Een onderzoek naar de reikwijdte en de toepassing van artikel 420bis Sr, Deventer: Kluwer 2016, p. 70-71. Vgl. ook HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en (mede in verband daarmee) HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2527, NJ 2016/479, waarin Uw Raad onder verwijzing naar HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer ook nog overwoog dat voor ‘omzetten’ meer vereist is ‘dan het enkele storten van contant geld op een op eigen naam staande en in Nederland aangehouden bankrekening’. J.J. Oerlemans, B.H.M. Custers, R.L.D. Pool en R. Cornelisse, Cybercrime en witwassen. Bitcoins, online dienstverleners en andere witwasmethoden bij banking malware en ransomware, https://www.wodc.nl/. Zie verder over bitcoins: https://bitcoin.org alsmede (op die website) Satoshi Nakamoto, ‘Bitcoin: A Peer-to-Peer Electronic Cash System’. T. de Graaf, ‘De kwalificatie van bitcoins’, NJB 2019/2. The Financial Action Task Force (FATF), ‘Virtual Currencies Key Definitions and Potential AML/CFT Risks’, juni 2014, http://www.fatf-gafi.org/. Zie onder meer daarover A.B. Schoonbeek, W.M. Shreki en M.T. van der Wulp, ‘Bitcoins, witwassen & integriteitsrisico’s’, TvCo, april 2017, p. 88-95. Vgl. in verband met deze richtlijn de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, Stb. 2018, 239. Deze omschrijving is in de richtlijn opgenomen als gevolg van Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, PbEU van 19 juni 2018, L 156, p. 43-74. Er zijn meer omschrijvingen gegeven; zo spreekt Baukema over virtuele alternatieve valuta, die hij omschrijft als ‘(
- i)een valuta of ruilmiddel, niet zijnde een wettig betaalmiddel van een land, regio of streek, die (
- ii)niet als algemeen geldig wordt beschouwd en die (iii) niet door overheden wordt gereguleerd, maar die (
- iv)wordt uitgegeven en gecontroleerd door haar ontwikkelaars en die (
- v)binnen een bepaald (digitaal) platform wordt gebruikt en geaccepteerd’ (J. Baukema, ‘Bitcoin: een (ongereguleerd) betaalmiddel van de toekomst?, FR december 2013, nr. 12, p. 411-418). Deze definitie is volgens Baukema deels ontleend aan de definitie die de Europese Centrale Bank in het rapport Virtual currency schemes uit 2012 (te vinden op https://www.ecb.europa.eu/) heeft gegeven van virtual currency: ‘a type of unregulated, digital money, which is used and usually controlled by its developers, and used and accepted among the members of a specific virtual community’. (p. 13)). L.M. de Zeeuw en R. Bastiaan, ‘Risico’s op witwassen via virtuele valuta in Nederland geregeld?’, TBS&H 2019/1, p. 17. R.J. de Jong, ‘Bitcoinminers, bitcoincashers, bitcoinmixers en het strafrecht’, TBS&H 2017/1, p. 15-16. S. Visser, ‘Nieuwe witwastypologieën in de strijd tegen witwassen met virtuele betaalmiddelen’, TBS&H 2017/4, p. 223. J.J. Oerlemans, B.H.M. Custers, R.L.D. Pool en R. Cornelisse, Cybercrime en witwassen. Bitcoins, online dienstverleners en andere witwasmethoden bij banking malware en ransomware, https://www.wodc.nl/. Vgl. ook Rechtbank Amsterdam 27 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1739 en Rechtbank Amsterdam 16 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3341. Vgl. ook Rechtbank Rotterdam 26 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6152 en 6153, Rechtbank Rotterdam 18 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9127, Rechtbank Oost-Brabant 17 april 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2186, Rechtbank Noord-Holland 21 januari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:402 en Rechtbank Noord-Nederland 2 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:1862, telkens een – poging tot – afpersing of afdreiging. Op dezelfde dag werden gewezen Rechtbank Rotterdam 8 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8988-8993 (onderzoek IJsberg). Met dat onderzoek houdt ook verband Rechtbank Rotterdam 30 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4267 en 4291. Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 14 november 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:5711-5716. Zie in verband met handel in (van misdrijf afkomstige) bitcoins ook Rechtbank Midden-Nederland 3 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1179-1181, 1183, 1184 en 1191 alsmede Rechtbank Overijssel 22 oktober 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:3787. In Rechtbank Rotterdam 19 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10225 was sprake van een persoon die bitcoineigenaren aanbood bitcoins om te zetten in contanten. Vgl. ook Rechtbank Midden-Nederland 22 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:209, waarin de verdachte aangaf inkomsten te hebben genoten uit het minen en verkopen van bitcoins. De rechtbank achtte dat niet aannemelijk. Vgl. ook Rechtbank Den Haag 22 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15272 en 15275. Uw Raad citeert die passage in genoemd arrest eveneens, zie rov. 2.6. Kamerstukken II 2015/16, 34 294, nr. 3, p. 7.