PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02693 Datum 28 februari 2020 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak BPM 2017 Nrs. Gerechtshof BK-19/00029 en BK-19/00030 Nrs. Rechtbank SGR 18/2593 en 18/2595 CONCLUSIE P.J. Wattel in de zaak van [X] B.V. tegen de Staatssecretaris van Financiën 1Overzicht 1.1 De belanghebbende voert diverse klachten aan die ik slechts kort zal behandelen. Deze conclusie gaat vooral in op de klacht dat de Inspecteur in de bezwaarfase de hoorplicht ex art. 7:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. De conclusie gaat over de betekenis van (
- i)de verplichting van het bestuursorgaan om de bezwaarde te horen als die daarom vraagt en (
- ii)het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel in gevallen waarin de gemachtigde van de bezwaarde tijdens de - in het geval van deze gemachtigde zeer vele - hoorgesprekken over steeds dezelfde soort geschil (de waardebepaling van ingevoerde tweedehands auto’s voor de heffing van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM)) niet zozeer zijn zienswijze wil geven op de elementen van het voorgenomen besluit die het belang van zijn cliënt aanmerkelijk beïnvloeden, maar ofwel steeds hetzelfde ‘rechtskundige’ punt wil maken (Nederland schendt het EU-recht) en dat op onwelvoeglijke manier wenst te doen (uitschelden, beledigen), of het hoorgesprek anderszins voor doelen wil gebruiken waarvoor het niet bedoeld is, zoals met name de inspecteur instrueren hoe hij en zijn klanten uitgenodigd wensen te worden en om de inspecteur te instrueren hoe hij administratief om moet gaan met door zijn klant en hem gecreëerde onoverzichtelijkheid door uiteenlopende (mate van) (mondelinge) machtigingen. 1.2 Dergelijke gevallen produceren twee rechtsvragen: (
- i)kunnen de bezwaarden geacht worden voldoende gehoord te zijn in alle zaken als hun gemachtigde in één zaak het bezwaar heeft kunnen toelichten en dat bezwaar (de bezwaargronden) voor alle ingevoerde auto’s hetzelfde is, nl. de rechtskundige stelling dat de Nederlandse wijze van bepaling van de grondslag voor de heffing van BPM ter zake van ingevoerde tweedehandsauto’s het EU-recht schendt? (
- ii)In hoeverre moet de horende ambtenaar zich door de gemachtigde van de bezwaarden de les laten lezen c.q. laten uitschelden? In welke omstandigheden kan het bestuursorgaan het voor gehoord houden wegens kennelijk oneigenlijk gebruik van de hoorplicht? 1.3 Ik ga ook in op de vraag hoe de Hoge Raad leiding kan geven aan de wijze waarop omgegaan moet worden met schriftelijk gescheld en getier van een gemachtigde tegen ambtenaren en rechters persoonlijk en tegen de instituties waarbinnen zij werken. 1.4 De gemachtigde van de belanghebbende was uitgenodigd voor een hoorgesprek over een groot aantal bezwaren, i.e. over een groot aantal ingevoerde tweedehands auto’s van twee belanghebbenden, importeurs van dergelijke auto’s. Tijdens het hoorgesprek over de auto’s van de andere importeur is ‘onenigheid’ ontstaan over de wijze waarop de gemachtigde en die andere importeur waren uitgenodigd voor het hoorgesprek. Daarop hebben de gemachtigde en die andere importeur het hoorgesprek beëindigd, waarbij de gemachtigde te kennen gaf ook geen behoefte meer te hebben gehoord te worden in de ‘niet- [B] -dossiers’, i.e. de zaken van de belanghebbende. 1.5 De Rechtbank oordeelde dat op basis van een afspraak tussen de inspecteur en de gemachtigde 5% korting op de gehanteerde koerslijst moest worden toegepast. Zij achtte de hoorplicht niet geschonden: de belanghebbende is voor een hoorgesprek uitgenodigd en er heeft daadwerkelijk, op 19 februari 2018, een hoorgesprek plaatsgevonden. Dat als gevolg van onenigheid in andere vergelijkbare zaken dit individuele bezwaar uiteindelijk niet is besproken, neemt niet weg dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft zich met overneming van gronden aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank. 1.6 De belanghebbende betoogt in cassatie onder meer dat ’s Hofs uitspraak de artt. 7:2 Awb en 7:3 Awb en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel schendt. De Staatssecretaris van Financiën werpt tegen dat zijn gemachtigde zelf het hoorgesprek heeft afgebroken en dat daarom geen sprake kan zijn van schending van de hoorplicht. De overige zes klachten betreffen (
- i)vergoeding van griffierecht; (iii) beroep op ex rental waardering (
- iv)integrale proceskostenvergoeding; (
- v)Irimie-rente; (
- vi)gestelde renteschade en (vii) kosten bezwaarfase). Ik acht alle zes ongegrond. 1.7 Uit de zaak Mediocurso voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) (zie 5.5) blijkt dat het verdedigingsbeginsel de EU-lidstaten niet verplicht om een hoorgesprek te houden, maar slechts om de belanghebbende de gelegenheid te bieden om zijn standpunt kenbaar te maken. In HR BNB 2019/92 heeft u dan ook beslist dat het EU-recht niet voorschrijft in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende zijn zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken. 1.8 De rechtspraak van het HvJ over het verdedigingsbeginsel houdt niet alleen een opdracht aan het bestuursorgaan in - een belanghebbende gelegenheid bieden om zijn zienswijze te geven en daarmee rekening te houden in zaken binnen de werkingssfeer van het EU-recht - maar geeft ook aan waarop die zienswijze ziet: op ‘de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren’ die de belangen van de geadresseerde ‘aanmerkleijk beïnvloeden’. Het verdedigingsbeginsel kan dan ook niet ingeroepen worden om een openbaar debat te eisen (Gollnisch; zie 5.7), om een administratieve procedure nodeloos, laat staan eindeloos, te heropenen (Mukarubega; zie 5.9) of om gelegenheid tot het geven van zienswijzen te eisen als die niets zou toevoegen en dus niet tot een andere uitkomst zou kunnen leiden (C-301/87, Frankrijk v. Commissie; zie 5.11). Als een belanghebbende of zijn gemachtigde ervoor kiest de gelegenheid voor het geven van zijn zienswijze te gebruiken voor dergelijke andere doeleinden, bijvoorbeeld om het bestuursorgaan de les te lezen over de wijze waarop zij uitgenodigd wensen te worden of over hoe zij wensen dat het administratief omgaat met door hen gecreëerde, uiteenlopende (maten van) (mondelinge) machtigingen, of voor het beschimpen en beledigen van ambtenaren of rechters, dan kan het bestuursorgaan geen schending van het verdedigingsbeginsel worden verweten als de tijd ingeruimd voor zienswijzen verstreken is. De gemachtigde of belanghebbende die andere dingen wil dan zijn zienswijze geven op de elementen van het voorgenomen besluit, gebruikt het hoorrecht oneigenlijk. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ kan het EU-recht niet zo ruim uitgelegd worden dat het misbruik dekt. Wie zijn recht oneigenlijk gebruikt, verwerkt het. 1.9 Als een gemachtigde door eigen wangedrag in bepaalde, met wél besproken dossiers vergelijkbare dossiers niet nog eens separaat zijn standpunt heeft kunnen geven tijdens het daarvoor bestemde gesprek, kan dat alleen hem verweten worden. Het is dan immers niet het bestuursorgaan dat het hem onmogelijk of uiterst moeilijk maakte om een inhoudelijk standpunt over de elementen van het voorgenomen besluit toe te lichten, maar hijzelf. Er bestaat evenmin een Unierechtelijke verplichting om een gemachtigde of belanghebbende die expliciet heeft aangegeven niet meer gehoord te willen worden in zijn zaken, nogmaals in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt kenbaar te maken. 1.10 Het verdedigingsbeginsel is mijns inziens dus niet geschonden. 1.11 Zou dat anders zijn, dan zou daaraan volgens met name HvJ Kamino en Hellmann (zie 5.8) en Prequ’Italia (zie 5.10) alleen een gevolg voor het besluit verbonden worden als zonder het hoorgebrek de bezwaarprocedure een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De gemachtigde heeft volgens het gespreksverslag bij aanvang van het gesprek verklaard dat zijn cliënt geen inzage wenste en het niet inhoudelijk over de te bespreken dossiers wilde hebben, maar dat het gesprek zou gaan over de wijze van uitnodigen door de belastingdienst en over de wijze waarop de belastingdienst huns inziens administratief moest omgaan met door de gemachtigde en diens aanwezige cliënt gecreëerde onduidelijkheden over de (mate) van (mondelinge) machtiging. Verder wilde de gemachtigde kennelijk de integriteit van de horende ambtenaar in twijfel trekken en verklaarde hij ook in de ‘niet- [B] -dossiers’ (die van de belanghebbende) niet meer gehoord te willen worden. Dit zo zijnde, zou het gesprek hoe dan ook geen andere uitkomst gehad kunnen hebben, zodat aan enig hoorgebrek, als daarvan al sprake zou zijn, geen gevolgen verbonden zijn. Dat volgt ook uit art. 6:22 Awb. 1.12 Uit het bovenstaande volgt mijns inziens dat ook het internrechtelijke hoorrecht ex art. 7:2 Awb niet is geschonden. Ik merk daarbij op dat het bij een groot aantal min of meer identieke bezwaren met identieke bezwaargronden, ingediend door dezelfde gemachtigde, geen zin heeft om elk dossier afzonderlijk te bespreken, nu dat niets zou toevoegen. Aldus oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dan ook (zie 6.14), hoewel het wel een hoorgebrek constateerde, maar de bezwaarde om de genoemde reden niet benadeeld achtte; reden om het hoorgebrek op basis van art. 6:22 Awb te passeren: het houden van een hoorzitting heeft geen toegevoegde waarde bij bezwaargronden die identiek zijn aan die bij eerder ingediende bezwaren als niet aannemelijk is dat in de niet-gehoorde zaken bij een nieuwe hoorzitting andere argumenten of gezichtspunten naar voren zouden zijn gebracht dan in de eerdere bezwaren. 1.13 De gemachtigde is al vele malen gewaarschuwd dat hij bij volharding in zijn intimiderende en beledigende bejegening van ambtenaren en rechters geweigerd zou worden. Omdat dat geen effect had, is hij dan ook al door diverse feitenrechters als gemachtigde geweigerd. Overleggen, praten en begripvol zijn jegens hem blijkt geen enkel zinvol effect te hebben. 1.14 Het lijdt mijns inziens geen twijfel, gezien het overzicht van zijn uitlatingen in 3.3.-3.7 en 4 hieronder, dat zich ‘ernstige bezwaren’ tegen de gemachtigde voordoen in de zin van art. 8:25 Awb. Het is evident - en door de feitenrechters uitputtend vastgesteld - dat deze gemachtigde ‘herhaaldelijk de normale gang van zaken verstoort’, in zijn verkeer met de belastingdienst en met de rechtspraak en dat het overheids- en rechterlijke personeel door een goede werkgever beschermd moet worden tegen zijn structureel, jaar in, jaar uit, bedreigende en beledigende gedrag in honderden dossiers. Duidelijk is ook dat hij de belangen van zijn cliënten beschadigt door het voor redelijke mensen, met name administratief, ambtelijk en rechtskundig overheidspersoneel en rechters onmogelijk te maken kennis te nemen van de - geheel in zijn gescheld en getier ondergesneeuwde - eventuele feitelijke en rechtskundige onderdelen van zijn libel. Gezien de onderdelen 9.5 en 9.6 hieronder rijst bovendien de vraag naar de strafbaarheid van zijn uitlatingen jegens ambtenaren en rechters en de instituties die zij vertegenwoordigen. 1.15 Ik geef u daarom in overweging om de gemachtigde nog één waarschuwing te geven en als daarna zijn geschriften en optreden niet volledig vrij zijn van onzakelijke uitlatingen, hem in de eerstvolgende zaak bij tussenuitspraak te weigeren als gemachtigde in alle op dat moment bij u aanhangige zaken waarin hij optreedt, en om dan niet alleen hem te weigeren, maar ook alle (rechts)personen die onder zijn (feitelijke) leiding als gemachtigde in die zaken optreden. Als zijn eventuele Borgersbrief in reactie op deze conclusie niet volledig vrij is van onzakelijke uitlatingen, zou u ook kunnen overwegen hem meteen naar aanleiding dáárvan reeds in deze zaak te weigeren als gemachtigde. 1.16 Ik geef u in overweging om: (
- i)het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren en (
- ii)de gemachtigde één waarschuwing te geven en bij gebleken vruchteloosheid daarvan, hem als gemachtigde te weigeren. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten en het geschil 2.1 De belanghebbende heeft aangiften gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van twee - kennelijk gebruikte - auto’s. De aangegeven waarden zijn gebaseerd op de koerslijst van AutotelexPro. Op 22 november 2017 en 12 december 2017 is de volgens de aangiften verschuldigde BPM ad € 4.115 respectievelijk € 12.855 voldaan. Tegen haar voldoening op aangifte heeft de belanghebbende op 29 december 2017 bezwaar gemaakt, onder meer gericht tegen haar aangifte van de auto’s in de koerslijsten X-Ray als btw-voertuigen. 2.2 De Inspecteur meende bij uitspraak op bezwaar dat de belanghebbende er ten onrechte vanuit ging dat haar aangiften waren gebaseerd op de X-ray koerslijst voor BTW-voertuigen en constateerde dat in bezwaar ook geen dergelijke koerslijst was overgelegd. Hij achtte aannemelijk dat reeds bij de aangifte de meest voordelige koerslijst was gekozen. 2.3 Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft op 19 februari 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbendes gemachtigde en de inspecteur. Als gevolg van ‘onenigheid’ in tijdens hetzelfde hoorgesprek aan de orde gesteld vergelijkbare bezwaren in vergelijkbare zaken van een andere vergelijkbare - en wél aanwezige - belanghebbende, is belanghebbendes bezwaar niet afzonderlijk besproken. De gemachtigde en die andere belanghebbende zijn weggelopen en de gemachtigde heeft daarbij verklaard ook niet meer gehoord te willen worden in belanghebbendes zaken. In geschil is onder meer of daarmee de hoorplicht van de inspecteur jegens de belanghebbende is geschonden. Dat is volgens de belanghebbende het geval. De Staatssecretaris meent van niet omdat belanghebbendes gemachtigde zelf van horen heeft afgezien. Hierop ziet cassatiemiddel (ii). 2.4 Het tot de gedingstukken behorende verslag van 22 februari 2018 van het hoorgesprek van 19 februari 2018, opgesteld door de inspecteur, vermeldt: “Sinds enige tijd weet ik (de inspecteur; PJW) dat [A] (de andere belanghebbende; PJW) altijd aanwezig wil zijn bij hoorgesprekken betreffende dossiers van [B] B.V. maar ook als er dossiers besproken worden waarbij er sprake is van betrokkenheid van hem. Een betrokkenheid die voor ons niet altijd duidelijk is en vaak slechts blijkt uit het kenmerk ‘ [B] ’ in het bezwaarschrift. Ondanks eerdere melding van verhinderd verscheen [A] wel tijdens de hoorzitting. U (de gemachtigde; PJW) kondigde zijn aanwezigheid aan met de beperking dat hij geen inzage wenste en ook niet gehoord wilde worden. Maar dat er slechts sprake zou zijn van een gesprek over de gang van zaken rond de hoor gesprekken. Onderstaand een zakelijke weergave van wat wij bespraken. Aanwezig waren (naast ons beiden) [A] , [C] en mijn collega [D] . [A] gaf te kennen dat de aan u verstrekte volmacht door hem beperkt is en dat u zonder zijn aanwezigheid van hem geen hoor gesprekken mag bijwonen en dus ook in die hoor gesprekken feitelijk niet als gevolmachtigde mag handelen. Deze machtiging kan ook mondeling van beperkingen worden voorzien. Daarnaast is [A] van mening dat de manier waarop ik u uitnodig voor een hoorgesprek niet gepast en niet effectief is. Het is de bedoeling dat ik telefonisch of per e-mail met hem in contact treedt en dat er gezocht wordt naar een hem schikkende datum. Daarop heb ik te kennen gegeven dat ik ingeval van volmacht de gemachtigde uitnodig en dat er – indien een datum niet schikt – een nieuwe datum gezocht wordt. Deze uitnodiging komt per post. Reacties kunnen schriftelijk maar ook via een aan gemachtigde bekend gemaakt telefoonnummer. Daarbij is het voorstellen van een alternatieve datum een uitstekende manier om tot een afspraak te komen. Voorafgaand aan het formele horen is inzage van de dossiers mogelijk waarbij u en [A] op (nagenoeg) elk door u gewenst tijdstip welkom zijn. In reactie op het gesprek deel ik u nu het volgende mee. 1. De manier van uitnodigen zal niet gewijzigd worden. Indien er door u geen alternatieve datums worden aangedragen zullen wij u 2 a 3 keer uitnodigen per dossier om gebruik te maken van uw hoorrecht. Maakt u geen gebruik van de uitnodigingen worden de bezwaren definitief afgedaan. (…). U en uw klant leveren beroepsmatig bezwaren aan en willen gehoord worden. Het horen betekent een inspanning vanuit de Belastingdienst maar ook van uw beider organisaties: (…). Wanneer u en uw klant geen prioriteit geven aan de uitnodigingen om gehoord te worden heeft u beide daar beroepsmatig iets te doen. 2. Wanneer de gemachtigde in zijn volmacht beperkt is zou ik de uitnodigen dus in het vervolg aan [A] moeten sturen. Een situatie die naar mijn mening geen precedent kent. Ik vraag u dan ook een aangepaste machtiging te overleggen. 3. Betrokkenheid van [A] bij andere belanghebbenden blijkt vaak slechts uit uw kenmerk ‘ [B] ’ in het bezwaarschrift. Door die belanghebbenden is aan u een (onbeperkte) machtiging verstrekt. De vraag is of ook deze machtigingen beperkt worden doordat [A] voor zijn aan u verstrekte volmacht een beperking heeft aangebracht. Ik verzoek u dan ook mij schriftelijk te informeren om welke belanghebbenden het gaat en of én in hoeverre de verstrekte machtigingen beperkt worden. Daarbij vraag ik u ook in voorkomend geval aangepaste machtigingen te overleggen. (…). Afsluitend [A] , als klant, heeft afgelopen 2 maanden iedere uitnodiging tot horen naast zich neergelegd. Hij stelt kennelijk geen prioriteit om gehoord te worden, wil echter wel te praten over hoe hij uitgenodigd wil worden. De manier van uitnodigen is kennelijk belangrijker dan gebruik te maken van het hoorrrecht. Ons verzoek om – nu [A] toch aanwezig was – de klaarliggende dossiers in te zien en daarna het hoorgesprek te doen, werd door u én [A] direct afgewezen. Dat leidt hier tot de conclusie dat u kennelijk niet (meer) gehoord wenst te worden voor deze dossiers. U gaf vervolgens te kennen ook in de ‘niet- [B] -dossiers’ [die van de belanghebbende in onze zaak; PJW] niet meer gehoord wilde worden.” 2.5 In cassatie is daarnaast in geschil (
- i)of terecht griffierecht is geheven, (iii) hoe de auto’s moeten worden gewaardeerd (mag worden uitgegaan van ex rental waarden?), (
- iv)of recht bestaat op integrale proceskostenvergoeding, (
- v)of de wetgever voor vergoeding van Irimie-rente de Ontvanger heeft kunnen aanwijzen als bevoegd in plaats van de Inspecteur, (
- vi)of te vergoeden renteschade ontstaat door het voldoeningstijdstip bij ingevoerde gebruikte auto’s en welke rechter daarover gaat, en (vii) of het Hof ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Ik ga op die geschilpunten slechts kort in. De Rechtbank Den Haag 2.6 De Rechtbank achtte de hoorplicht in de bezwaarfase niet geschonden: “6. Eiseres is bij brief van 18 januari 2018 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 13 februari 2018. In genoemde brief is vermeld dat onderhavig bezwaarschrift tijdens het hoorgesprek zal worden behandeld. Op 8 februari 2018 heeft tussen eiseres en verweerder een telefoongesprek plaatsgevonden, waarbij de afspraak is gemaakt dat het hoorgesprek zal plaatsvinden op 19 februari 2018. Eiseres is daarop bij brief van 12 februari 2018 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 februari 2018. Ook in deze brief is vermeld dat onderhavig bezwaarschrift tijdens het hoorgesprek zal worden behandeld. Niet in geschil is dat op 19 februari 2018 daadwerkelijk een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de gemachtigde en verweerder. Aldus heeft verweerder voldaan aan zijn hoorplicht. Dat als gevolg van onenigheid over andere op deze datum te bespreken bezwaren onderhavig bezwaar uiteindelijk niet is besproken, maakt niet dat geen sprake is geweest van een hoorgesprek. Onder deze omstandigheden is geen sprake van schending van de hoorplicht.” Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat:(
- i)de belanghebbende, die geen ex rentals heeft ingevoerd, ten onrechte haar importen daarmee vergelijkt: een ex rental heeft een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap, aldus HvJ zaak C-437/12 (X) en HR BNB 2017/67, en staat daardoor niet in een relevante concurrentieverhouding tot niet-ex rentals. Voor de toepassing van art. 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) kan de waarde van niet-ex rentals daarom niet worden bepaald op basis van de waarde van binnenlandse ex rentals;
- ii)nu de belanghebbende en de fiscus hebben afgesproken dat bij aangiften op basis van de koerslijst AutotelexPro, daarop een waardevermindering van 5% kan worden toegepast, die korting ook in casu geldt, zodat in zoverre recht op teruggaaf bestaat; iii) de belanghebbende daardoor meer BPM heeft voldaan dan volgens het Unierecht verschuldigd is en uit HvJ 18 april 2013 (Irimie) volgt dat Nederland de voorwaarden vaststelt waaronder de extra rente wordt vergoed over een dergelijke teruggaaf. Uit de keuzes van de wetgever en uit jurisprudentie volgt dat dit in Nederland via de ontvanger loopt;
- iv)gegeven art. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), niet bij de belastingrechter kan worden geklaagd over gesteld rentenadeel doordat BPM moet worden voldaan vóór registratie van de auto. Die klacht gaat niet over verschuldigde belasting, maar over het wettelijke tijdstip van voldoening. Voor daaruit mogelijk voortvloeiend rentenadeel moet men bij de civiele rechter zijn;
- v)geen aanleiding bestaat voor vergoeding van bezwaarkosten en de proceskosten wettelijk forfaitair zijn bepaald. Niet gebleken is dat de belanghebbende op grond van regelgeving of aanwijzingen van de fiscus de AutotelexPro koerslijst heeft gebruikt. Dat een bedrag gerestitueerd moest worden op grond van de 5%-regeling is niet het gevolg van een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid. Het Gerechtshof Den Haag 2.7 Het Hof heeft ter zake van de in hoger beroep resterende geschilpunten het oordeel van de Rechtbank overgenomen en heeft belanghebbendes hogere beroep ongegrond verklaard. 3Het geding in cassatie 3.1 De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek. 3.2 De belanghebbende stelt zeven cassatiemiddelen voor, die ik als volgt samenvat: (
- i)de heffing van griffierecht schendt het EU-recht omdat uit onder meer HvJ Kantarev volgt dat heffing van griffierecht de toegang tot effectieve EU-rechtsbescherming onaanvaardbaar kan belemmeren als het meer dan 4% van het geschilbelang bedraagt; (
- ii)de Inspecteur heeft zijn hoorplicht geschonden, nu belanghebbendes geval tijdens de afspraak op 19 februari 2018 niet inhoudelijk is besproken. Daarmee staat vast dat hij niet vooraf is gehoord inzake een voor hem bezwarend besluit zodat in strijd met Unierecht belasting is geheven. Dat dit komt door onenigheid over andere dossiers, neemt niet weg dat de belanghebbende niet gehoord is. Gegeven HvJ Kamino en Datema Hellman en art. 7:2 en 7:3 Awb, die de implementatie zijn van de Unierechtelijke hoorplicht, moet de fiscus een belanghebbende altijd horen voorafgaand aan een bezwarend besluit. Op grond van § 9
(2)van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) had de Inspecteur, als de belanghebbende zou hebben afgezien van horen, dat hebben moeten vermelden in de uitspraak op bezwaar; (iii) voor de BPM op een ingevoerd gebruikt voertuig moet worden uitgegaan van de laagste waarde van een vergelijkbaar binnenlands voertuig, dus van een ex rental car. Het Hof heeft ten onrechte de feitelijke toestand van ex rentals en niet-ex rentals relevant geacht, die echter geen invloed heeft op de restant-BPM in de waarde van auto’s op de binnenlandse markt; daarvoor is alleen de duur van de kentekenregistratie relevant. De belanghebbende verwijst opnieuw naar HvJ C-437/12 (X); (
- iv)het Hof heeft ten onrechte integrale proceskostenvergoeding geweigerd. De ex art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vereiste toegang tot de rechter wordt ernstig belemmerd als de belastingplichtige een onbepaald deel van haar proceskosten zelf moet dragen; (
- v)bij de teruggaaf van belasting die in strijd met Unierecht is geheven, moet adequaat Irimie-rente worden vergoed en dat is niet het geval als de ontvanger binnen een termijn om vergopeding moet worden gevraagd in plaats van automatische vergoeding door de inspecteur. De lidstaten hebben hier volgens de belanghebbende geen procedurele autonomie, gegeven HvJ C- 365/15 (Wortmann); (
- vi)het wettelijke voldoeningstijdstip benadeelt import van gebruikte voertuigen omdat daarvoor de BPM eerder betaald moet worden dan in vergelijkbare binnenlandse gevallen, zulks in strijd met HvJ C-68/96 (Grundig Italiana), en voor die renteschade verwijst het Hof ten onrechte naar de civiele rechter; de inspecteur zou die schade ongedaan moeten maken; (vii) het Hof heeft ten onrechte geweigerd de bezwaarkosten te vergoeden op de grond dat de belanghebbende zelf heeft gekozen voor aangifte op basis van de AutotelexPro-koerslijst. Dat de voldoening op aangifte te hoog was, is een gevolg van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zodat op basis van HR BNB 2015/101 de integrale bezwaarkosten moeten worden vergoed. 3.3 Belanghebbendes gemachtigde licht middel (
- i)als volgt toe: “De Hoge Raad is aantoonbaar een zeer zware georganiseerde misdaadorganisatie die zich gedraagt als een hoerenkast waar in ruil voor geld en middelen alle wensen in vervulling kunnen gaan... Hij onttrekt zich kennelijk opzettelijk - structureel - aan zijn wettelijke plicht met misbruik van bevoegdheid en het opzettelijk vermijden van toezicht van het Hof van Justitie op de Juiste toepassing van het Unierecht In lidstaat Nederland!!!!!!!!! Wanneer gaat de Hoge Raad eens de belangen van burgers behartigen, anders dan de schatkist te vullen en gevuld te houden over de rug van de burger...” 3.4 Belanghebbendes gemachtigde verheldert de strekking van middel (
- iv)als volgt: “Het moge duidelijk zijn voor de Hoge Raad der Nederlanden. Kappen dus met het structureel weigeren van de wettelijke verplichting ex. artikel 4, lid 3 VEU en artikel 267 VWEU. De Hoge Raad is gehouden in alle gevallen prejudiciële vragen voor te leggen wanneer zij de geldigheid van het Unierecht verwerpen. Doet de Hoge Raad dat niet, is er weer volop grond natuurlijk om de Hoge Raad en zijn vrinden van de schatkist op juiste gronden te schofferen en te duiden als geteisem en crimineel gajes!!” 3.5 Middel (
- v)wordt door belanghebbendes gemachtigde als volgt onderbouwd: “Ergo, de uitlegging van het Hof [van Justitie in de zaak Wortmann; PJW] was zo duidelijk dat de Hoge Raad slechts uitsluitend kon beslissen dat de nationale regeling kennelijk in flagrante strijd met bepalingen van het Unierecht was. De Hoge Raad heeft - zoals doorgaans - weer eens blijk gegeven met misbruik van bevoegdheid. Het gaat elk jaar om 1-3 miljard rente volgens de heffende autoriteit. De Hoge Raad faciliteert al bijna 5 jaar de wetgever in deze kwestie, nog los van de vele andere kwesties waarin de Hoge Raad de wetgever en de heffende autoriteit faciliteert!! De leden van de Hoge Raad gaan gewoon de pastoors in de katholieke kerk achterna. Vroeger geloofde men nog in de oprechtheid, later bleek hoe het er echt aan toe ging. Dat later is voor ons al nu.... Het is door mij nadrukkelijk en ondubbelzinnig aangetoond wat een enorm vieze club de Hoge Raad wel niet is. Niks hoogstaand oordeel, anders dan hoogstaand voor de lidstaat waar ze deel van uitmaken, niks onafhankelijk, helemaal niks. Alleen kijken hoe ze zo vilein mogelijk arresten kunnen motiveren die niet afgedaan worden met een 80a RO of een 81RO, zodat het allemaal 'echt' lijkt. Immers, het gerechtshof veroordeeld verweerder tot het vergoeden van (belasting)rente, waarop belanghebbende naar nationale regeling - van rechtswege - recht heeft, maar die regeling verhoudt zich niet tot bepalingen van het Unierecht, namelijk dat de rente adequaat - dat wil zeggen over de hele periode van onbeschikbaarheld - vergoed moet worden. Uw Raad heeft er - willens en wetens natuurlijk - een grote rotzooi van gemaakt, naar ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meen te mogen stellen - dat Uw Raad het principe hanteert, wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Het is een regelrechte schande natuurlijk dat er in de Europese Unie lidstaten zijn, zoals Nederland, waar dergelijke praktijken schering en inslag zijn bij de (hoogste) nationale rechter. Het gerechtshof heeft - daarop voortbordurend - voor zover het nog niet voldoende duidelijk zou zijn (Uw Raad is dan geen stelletje boeven, maar heeft het 'zogezegd' niet begrepen') geoordeeld dat belanghebbende binnen 6 weken nadat zijn uitspraak onherroepelijk is geworden een beroep moet doen bij de Ontvanger teneinde rechten te kunnen ontlenen aan de rechtstreeks en met voorrang uit het Unierecht voortkomende bepalingen. Dat heeft zelfs geen wettelijke basis in de nationale regeling, dus getuigt maar weer eens van Pipo de Clown rechtspraak van het gerechtshof, teneinde waar mogelijk justitiabelen een oor aan te naaien. Zo werkt dat in Nederland. Symboolpolitiek, verweven In de rechtspraak, het moet integer lijken, maar het bovenal niet zijn.” 3.6 De Staatssecretaris merkt ad middel (
- ii)op dat het gespreksverslag van 22 februari 2018 vermeldt dat onenigheid is ontstaan tijdens het hoorgesprek op 19 februari 2018, dat het gesprek daarna is afgebroken en de gemachtigde daarbij ook namens de belanghebbende te kennen gaf niet meer gehoord te willen worden. De Staatssecretaris meent met het Hof dat de (gemachtigde van
- de)belanghebbende aldus voldoende in de gelegenheid is geweest zich te doen horen. De gemachtigde heeft om hem moverende redenen de hoorgelegenheid voor andere doelen gebruikt, namelijk om de integriteit van de Inspecteur ter discussie stellen. De Staatssecretaris verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (zie 4.2 hieronder) over zaken van de andere belanghebbende die tijdens hetzelfde hoorgesprek aan de orde waren, en naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (zie 4.3 hieronder) waarin dezelfde gemachtigde optrad. Ad middel (iii) betoogt de Staatssecretaris dat voor de vaststelling van de waardevermindering van een ingevoerde auto eerst moet worden vastgesteld met welke categorie auto’s (ex rentals of niet-ex rentals) die auto vergelijkbaar is. Uit HR BNB 2017/148 volgt dat de last om additionele waardevermindering in afwijking van de aangifte te bewijzen op de belastingplichtige rust. 3.7 De gemachtigde van de belanghebbende merkt bij repliek onder meer het volgende op: Ad middel (i): “Wat je vrinden van de overkant er allemaal van vinden deert mij nog het minst. Eenieder in dit land die niet werkzaam is binnen de overheid weet natuurlijk wat een geteisem er werkzaam is bij de Hoge Raad en de ministeries!!!” Ad middel (ii): “J., met het IQ van een zwakzinnige, denkt dat hij zomaar mag ingrijpen in bepalingen van de grondrechten van de Europese Unie. Belanghebbende uitnodigen ter zitting, hem dan schofferen en beledigen, waardoor het hoorgesprek wordt beëindigd en dan gaan janken dat belanghebbende wel op het hoorgesprek is verschenen, maar heeft afgezien van horen. Kan ertoe leiden als wij dit accepteren dat de volgende keer de Inspecteur een revolver onder de tafel vandaan tovert, belanghebbende tegen het hoofd zet en hem laat tekenen af te zien van een hoorgesprek. Zo intens crimineel is deze gajesoverheid dat ze er best toe in staat zouden zijn, ik acht het bepaald niet uitgesloten dat het zou kunnen gebeuren!! Te triest om over na te denken en nog triestiger dat er rechters zijn die dat accorderen. De rechten van verdediging zijn een groot goed, maar worden in Nederland gewoon bij het grofvuil gezet. Daarom ook is Nederland natuurlijk een intens kutland geworden, buiten elke twijfel verheven!! J. de verwijzing naar bajesklanten bij de rechtbank Noord-Holland kunnen niet baten. Bepalingen van het Unierecht en uitlegging van de Unierecht werkt rechtstreeks, met voorrang en derogerend.” Ad middel (v): “De wetgever had moeten zorgen voor vergoeding van rente van rechtswege, maar die viespeuken hebben 0,0 % fatsoen in hun lijf en ejaculeren reeds van de gedachte nette burgers te tillen waar mogelijk. De Hoge Raad, een georganiseerde misdaadorganisatie pur sang, maakt er wel een slap kutverhaal van en doet lekker mee. Lekker samen de burger geld afhandig maken, maakt niks uit, gewoon doen, alles voor het oog van het kerkvolk... Die hoerenkinderen zeggen zelfs dat het moeten doen van een verzoek niet in strijd is met bepalingen van het Unierecht, terwijl in casu wanneer strijd is met nationale bepalingen, belanghebbende van rechtswege rente krijgt ex. artikel 30, lid 2 AWR... Maar de Hoge Raad bakt het dan ook wel heel bruin In zijn nimmer aflatende drang burgers op te lichten waar mogelijk. Niks gaat ze te ver die hoerenkinderen!!” 3.8 Ik recapituleer: volgens de gemachtigde bent u (in willekeurige volgorde): - een zeer zware georganiseerde misdaadorganisatie; - een hoerenkast; - geteisem; - crimineel gajes; - op dezelfde weg als de pastoors in de katholieke kerk; - een enorm vieze club; - hoerenkinderen. Waarvan akte. Verder bent u volgens hem uiteraard partijdig. Zijn conclusie van repliek is lichter van toon gericht aan ‘de artiesten van uw circus’. 3.9 De vraag rijst waarom de gemachtigde een instituut frequenteert waarover hij aldus denkt. Ook rijst de vraag waarom hij denkt dat zijn onrechtskundige contempt of court verwezen zou moeten worden naar het HvJ. Voor zover het rechtskundig genoemd kan worden, bevat het niets nieuws, zodat het HvJ niets zou kunnen doen dan de zaak bij beschikking afdoen onder herhaling van interne-marktmantra’s en de Rewe-riedel, en voor de toepassing daarvan terugwijzen naar de nationale rechter die deze gemachtigde zo dierbaar is. 3.10 Hoewel ’s mans woordkeus bij eerste kennisneming een zekere amusementswaarde lijkt te hebben, rechtvaardigt zijn daaraan ten grondslag liggende kennelijk morbide predispositie geen besteding van gemeenschapsgeld, maar ik zie twee redenen om toch te concluderen: A. mij is gebleken dat de feitenrechtspraak – en wellicht ook de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën – uw opvatting op prijs zouden stellen over de vraag hoe om te gaan met een gemachtigde die zich niet toelegt op gerechtvaardigde belangen van zijn cliënten en een efficiënte en effectieve bezwaarprocedure en rechtspleging, maar op schelden, tieren, intimideren en beledigen van ambtelijk en rechterlijk personeel en op (andere) voortgangbelemmerende (proces)incidenten, wellicht met het oog op een – uit de machtigingen op te maken - no cure no pay verdienmodel van maximalisering van proceskostenvergoeding, griffierechtvergoeding, vergoeding wegens termijnoverschrijding, en renteberekening over dit alles. De gemachtigde is inmiddels op basis van art. 8:25 Awb door verschillende feitenrechters geweigerd als gemachtigde wegens intimidatie en belediging en (daardoor) beschadiging van het belang van zijn cliënten en van een behoorlijke procesorde (zie onderdeel 4 hieronder). Op grond van art. 2:2 Awb is door de belastingdienst voor een periode van drie maanden geweigerd een gemachtigde wiens gedrag en woordkeus wel zeer spekend op dat van deze gemachtigde lijkt (zie 9.3 hieronder); B. de gang van zaken bij en rond het litigieuze hoorgesprek doet de algemenere vragen rijzen (
- i)welke hoorverplichting het EU-rechtelijke administratieve verdedigingsbeginsel meebrengt voor het bestuursorgaan dat op een bezwaar tegen een eigen voldoening op aangifte binnen de werkingssfeer van het EU-recht moet beslissen; (
- ii)naar de maatstaf voor de beoordeling of een bezwaarde voldoende mogelijkheid heeft gehad om zijn standpunt kenbaar te maken in de zin van art. 7:2 Awb; (iii) of tijdens een hoorgesprek ter zake van een groot aantal vergelijkbare dossiers elk vergelijkbaar dossier separaat moet worden besproken; (
- iv)of de gehoorde zijn recht om (verder of later opnieuw) gehoord te worden verwerkt als hij de horende ambtenaren uitscheldt of het hoorgesprek anderszins gebruikt voor doelen waarvoor het niet bedoeld is; en (
- v)in hoeverre met toepassing van art. 6:22 Awb voorbijgegaan kan worden aan eventuele hoorgebreken. 4Waarschuwingen en weigeringen 4.1 Om meer zicht te krijgen op de gang van zaken tijdens het hoorgesprek en op de ruimere context van de zaak, citeer ik hieronder uit hetgeen andere feitelijke instanties over het hetzelfde hoorgesprek op 19 februari 2018 hebben vastgesteld en overigens ter zake van het optreden van deze gemachtigde in bezwaar en in (hoger) beroep in vergelijkbare zaken hebben vastgesteld. 4.2 De Rechtbank Gelderland op wier uitspraak van 9 augustus 2019 de Staatssecretaris wijst, heeft dezelfde klacht behandeld, nl. dat (de gemachtigde van) de belastingplichtige tijdens hetzelfde hoorgesprek van 19 februari 2018 niet voldoende zou zijn gehoord. Die Rechtbank oordeelde dat de (gemachtigde van
- de)belanghebbende tijdens het litigieuze hoorgesprek voldoende in de gelegenheid was geweest om zijn zienswijze over de zaken naar voren te brengen, maar ervoor had gekozen die gelegenheid voor andere doelen te gebruiken, nl. om medewerkers van de belastingdienst te beschimpen: “Hoorplicht 3. Na enige contacten over en weer is in deze zaken een hoorgesprek gepland op 19 februari 2018. Op die datum is de gemachtigde met de heer [E] (…), directeur van [D] B.V., bij verweerder verschenen. Zij gaven volgens de verklaring van verweerder te kennen dat zij niet gehoord wensten te worden. Volgens verklaring van de gemachtigde is er echter een woordenwisseling ontstaan tussen hem en de heer [F] van de Belastingdienst. Daarop heeft [F] de gemachtigde en [E] te verstaan te geven dat zij dienden te vertrekken, hoewel het hoorgesprek nog niet had plaatsgevonden. 4. Omdat verweerder ter zitting niet in staat was de stellingen van de gemachtigde rond het verloop van de gebeurtenissen van 19 februari 2018 te weerspreken, zal de rechtbank veronderstellenderwijs aannemen dat de weergave daarvan door de gemachtigde in hoofdlijnen juist is. Overigens heeft de rechtbank al eerder uitspraak gedaan in zaken waarin het hoorgesprek stond gepland op 19 februari 2018 en hebben de desbetreffende eisers of de gemachtigde toen niet aangegeven dat er een woordenwisseling zou zijn ontstaan, maar daar zal de rechtbank aan voorbijgaan. Uit de verklaring van de gemachtigde volgt dat hij op 19 februari 2018 de integriteit van [F] ter discussie heeft gesteld. Eiseres of de gemachtigde heeft niet, althans niet gefundeerd, gesteld dat daarvoor goede gronden waren. Het feit dat verweerder in andere zaken standpunten van belastingplichtigen heeft afgewezen is daarvoor onvoldoende. Ook het feit dat de rechtbank inmiddels heeft geoordeeld dat verweerder in andere zaken, waaronder het beroep van eiseres met zaaknummer 18/2254, de hoorplicht heeft geschonden, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat de rechtbank genoegzaam bekend is met de woordkeuze van de gemachtigde, zoals onder andere weergegeven in de uitspraak van deze rechtbank van 19 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1746. Als de gemachtigde ervoor kiest, wanneer hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek, de ingeruimde tijd te besteden aan het beschimpen van medewerkers van de Belastingdienst, kan niet de conclusie zijn dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder heeft voldoende in het werk gesteld om eiseres de gelegenheid te bieden te worden gehoord. Het is de keuze van de gemachtigde geweest die gelegenheid voor andere zaken te benutten.” 4.3 De Rechtbank Noord-Holland op wier uitspraak van 9 juli 2019 de Staatssecretaris wijst, betreft een kennelijk ander hoorgesprek maar met dezelfde gemachtigde over dezelfde stellingen (schending van EU-recht). Die Rechtbank zag om andere redenen geen schending van het hoorrecht. Zij stelde vast dat (
- i)een bepaalde cliënt van de gemachtigde die er steeds bij wenste te zijn ondanks diverse datumvoorstellen voor een hoorgesprek steeds verhinderd bleef, (
- ii)de gemachtigde in een groot aantal van de bezwaren waarover de procedure voor de Rechtbank ging wél was gehoord, (iii) de bezwaren in de zaak waarin niet kon worden gehoord omdat die belastingplichtige steeds verhinderd bleef dezelfde waren als die waarin de gemachtigde wel was gehoord en dat die bezwaren uitsluitend zuiver juridisch waren en (
- iv)niet gesteld of gebleken was dat de gemachtigde een andere toelichting bij diezelfde bezwaren had willen geven dan in de vergelijkbare zaken waarin hij wél was gehoord: “Horen 27. De gemachtigde stelt dat verweerder het in het Europees recht verankerde recht te worden gehoord heeft geschonden nu hij de gemachtigde de mogelijkheid heeft onthouden zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De gemachtigde stelt dat de rechtbank niet bevoegd is over deze strijd met het Unierecht te oordelen. Voorts verbindt de gemachtigde aan de gestelde schending van het Unierecht de conclusie dat verweerder een schadevergoeding dient te betalen. 28. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld dat hij de gemachtigde diverse keren voorstellen heeft gedaan een datum te kiezen waarop een hoorgesprek zou kunnen plaatsvinden, maar dat dit niet in alle gevallen ervan is gekomen omdat gemachtigde aanvoerde dat [D] bij het horen aanwezig moet zijn en dat [D] steeds op geen van de voorgestelde data kon komen. Verweerder stelt dat een rechtstreekse benadering van [D] evenmin tot enig resultaat heeft geleid. 29. Vaststaat dat de gemachtigde in een groot aantal van de bezwaren waarop de onderhavige beroepen betrekking hebben is gehoord. Voorts staat vast dat de grieven van de gemachtigde in de bezwaren waarin hij niet is gehoord dezelfde grieven zijn als die waarin hij wel is gehoord en dat het uitsluitend grieven van zuiver juridische aard zijn. Bovendien staat vast dat verweerder de gemachtigde meerdere malen voorstellen heeft gedaan om tot een afspraak te komen. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde in zijn bezwaren waarin hij niet is gehoord een andere toelichting had willen geven dan de toelichting die hij inzake dezelfde grieven heeft gegeven in de bezwaren waarin hij wel is gehoord. 30. Onder voormelde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder in een aantal van deze bezwaren het in het Europees recht verankerde recht te worden gehoord heeft geschonden door ook in de zaken waarin de gemachtigde niet is gehoord uitspraak op bezwaar te doen.” Ik wijs op een vergelijkbaar oordeel van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), hieronder geciteerd in 6.14, zij het met toepassing van art. 6:22 Awb. 4.4 In haar uitspraak van 27 augustus 2019 vermeldde de Rechtbank Noord-Holland dat de te beoordelen zaak, waarin onder meer geklaagd werd dat onvoldoende was gehoord, samenhing met de zaken waarin de Rechtbank op 9 juli 2019 al had beslist, waaruit volgt dat het over dezelfde gemachtigde ging. De Rechtbank zag in de ongepaste, onbeschofte, onfatsoenlijke en respectloze bejegening door de gemachtigde van zijn wederpartij en van de rechtspraak aanleiding om de gemachtigde de ‘dringende waarschuwing’ te geven dat hij geweigerd zou worden als gemachtigde in alle bij die Rechtbank aanhangige zaken, zoals andere rechtscolleges op dat moment al hadden gedaan, om dezelfde reden: “(
- a)Taalgebruik 15. In zijn beroepschrift in de zaak met nummer 18/4084 heeft gemachtigde onder meer geschreven: “(…) dat de gemachtigde even komt opdagen om ‘figuurlijk afgetuigd’ te worden door die Limburgse clown”. De gemachtigde heeft ter onderbouwing van zijn standpunten voorafgaande aan de zitting van 23 juli 2019 twee pleitnota’s overgelegd, op 9 juli en 22 juli 2019. In zijn pleitnota van 9 juli 2019 schrijft de gemachtigde onder meer: “Uw rechtbank heeft natuurlijk al veelvuldig en structureel blijk gegeven van ernstige schendingen van het Unierecht en fundamentele beginselen terzijde gesteld om verweerder waar mogelijk te kunnen faciliteren (…). Uw rechtbank heeft al heel vaak kennelijk blijk gegeven van fundamentele grondrechten door uitlegging van het Unierecht – met misbruik van bevoegdheid – zo ‘professioneel’ om zeep te helpen. Dat zijn eenvoudigweg praktijken elke bananenrepubliek onwaardig, maar dagelijkse praktijk in Nederland. Daarom is Nederland ook een gajesland die zijn gelijke niet kent in de wereld. Idi Amin zou zich omdraaien in zijn graf als hij de vindingrijkheid van de Nederlandse rechtspraak voorbij zou zien komen en afgunstig reageren. (…) Dat verweerder (…) het Unierecht opzettelijk schendend, gefaciliteerd door uw rechtbank (…) , maar ach dat zijn we gewend natuurlijk van de Belastingdienst en uw rechtbank (Nederlandse overheid) dat integriteit en onafhankelijkheid alleen beleid (naar de rechtbank begrijpt ‘beleden’) wordt met de mond maar niet in werkelijkheid. (…) Uw rechtbank acteert doorgaans anders en daarmee staat vast, zoals eerder al genoegzaam door mij vastgesteld, dat uw rechtbank een volstrekt integerloze club is die er geen moeite mee heeft burgers om de tuin te leiden en op te lichten. (…) Ook mag uw rechtbank apert geen aansluiting zoeken bij de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden (….). De Hoge Raad is een criminele organisatie die zijn gelijke niet kent in de wereld, aantoonbaar en aangetoond!!!!! (…) De Hoge Raad is een kennelijke schande voor elk beschaafd land. (…) Dit beroepschrift geeft maar weer eens ondubbelzinnig weer hoe een burger genaaid wordt in Nederland!!. ”. In zijn pleitnota van 22 juli 2019 schrijft de gemachtigde onder meer “Rechtbank Noord-Holland – afwerkplek- waar je genaaid wordt dat de stukken ervan af vliegen. Circus met clowns. (…) Vast staat ook dat de bevoegde rechters, in casu [I, J en K], er - naar ik veronderstel als onderdeel van het vieze systeem in Nederland - opzettelijk ter bewaking van de schatkist een criminele rotzooi van maken. Het is niet uitgesloten dat zij in ruil voor dergelijke criminele handelingen (extra) goederen en/of diensten verkrijgen van de overheid in Nederland. (…) ik vertrouw in Nederland – bewezen en genoegzaam aangetoond- geen enkele overheidsinstantie, de rechterlijk macht en de heffende autoriteit uiteraard sowieso niet - volkomen terecht en begrijpelijk -. Ze bidden Jezus Christus van het kruis en als hij op grond ligt schoppen ze hem dood. Het is te triestig voor woorden hoe mijn klant hier ‘professioneel’ genaaid wordt door de rechtbank Noord-Holland, na eerder genaaid te zijn door de heer [C] c.s, ook een vieze gekende bajesklant natuurlijk, en de Hoge Raad, een crimineel bolwerk die zijn gelijke niet kent in de wereld. (…) Je wordt gewoon structureel, ernstig genaaid in Nederland en het is niet eens lekker. De bevoegde ‘rechters’ geven uitlegging van het Unierecht, (..) doen niks, anders dan afwerken en giga bedragen aan onverschuldigd griffierecht innen. Ik kan de rechter niet schorsen, dat regelen ze zelf met de vrinden van de club. Ik word voor de minste flauwekul - in kennelijke strijd met het hoogste recht – buitengesmeten - (gansje [(...)] [F] van de rechtbank Gelderland deed het vorige week, die moeten ze direct voor eeuwig uit het publieke domein bannen, wat een domme, vilein gemene achterbakse geit, die de ene karaktermoord een de andere rijgt). ( .. ) Ik durf [F] gewoon een kutwijf te noemen. (…) En uw rechtbank kan ook niet wegkomen met de stelling ‘das haben wir nicht gewusst’ (…) [C] verneukt werkelijk iedereen die op zijn pad komt als hij kan (…). Hij zal er ook wel (extra) geld voor krijgen, want als normaal weldenkend mens kun je dit onmogelijk volhouden natuurlijk. (..). Het naaien van burgers is een enorme industrie geworden die vele miljarden euro’s budget in Nederland oplevert en geleid wordt door grote criminelen.” Voorts heeft de gemachtigde ter zitting verweerder bij diens naam een boef genoemd. De gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen enkel woord terug te nemen van hetgeen hij heeft geschreven en gezegd. 16. [(...)] [Y], directeur van eiseres, wordt door de gemachtigde vertegenwoordigd. Hetgeen de gemachtigde naar voren brengt doet de gemachtigde uit naam van de onderneming van [(...)] [Y] . [(...)] [Y] heeft desgevraagd verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de pleitnota’s en dat hij achter het taalgebruik van de pleitnota van 9 en 22 juli 2019 staat. Hij voegt daaraan wel toe dat de gebezigde taal wellicht iets te dik is aangezet, op welke punten dat aan de orde is lijkt hem evident. 17. De rechtbank merkt het taalgebruik van de gemachtigde aan als ongepast, onfatsoenlijk, onbeschoft en respectloos jegens zowel de Belastingdienst als jegens de rechtspraak in het algemeen, alsmede jegens de – met naam aangesproken - vertegenwoordiger van de Belastingdienst en de – met naam aangesproken - rechters in het bijzonder, waaronder ook begrepen de door de gemachtigde in zijn pleitnota van 22 juli 2019 genoemde rechter binnen de rechtbank Gelderland. Uit rechtspraak in gelijksoortige zaken is het de rechtbank gebleken dat de gemachtigde al meerdere keren is aangesproken op zijn taalgebruik en zijn respectloze bejegening van zijn wederpartij, de rechtbank en anderen. De rechtbank wijst onder meer op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:1746): “5. Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan stelt de rechtbank het taalgebruik van gemachtigde zoals opgenomen in de pleitnota aan de orde. Gemachtigde stelt onder meer dat “Nederland natuurlijk een enorm gajesland is” en “niks anders is dan een enorme narcostaat”. De rechtbank Gelderland heeft volgens gemachtigde “genoegzaam en structureel aangetoond het niet zo nauw te nemen met de gerechtvaardigde belangen van belastingplichtigen” en de focus van verweerder ligt “louter en alleen op beduvelen en oplichten”. Ook merkt de gemachtigde op “dat de rechtbank zaken gaat opwerpen als tardief verklaring of ‘wir haben es nicht gewusst’ of wat er allemaal nog meer in de trukendoos zit teneinde de burger van zijn uit het hoogste recht afkomstige rechten te ontdoen”. De Hoge Raad is volgens gemachtigde “verworden tot een allerhoogst bedenkelijke club die zijn weerga niet kent in de wereld”. 6. De rechtbank heeft ter zitting haar verbazing en verontwaardiging uitgesproken over deze uitspraken van de gemachtigde. De gemachtigde heeft hier onder meer op gereageerd door te stellen dat hij bij zijn uitspaken blijft en heeft daaraan toegevoegd dat hij “Nederland een enorm kutland” vindt. 7. Omdat de gemachtigde volhardt in de naar het oordeel van de rechtbank ongepaste, onfatsoenlijke en respectloze bejegening van zijn wederpartij, de rechtbank en anderen acht de rechtbank redenen aanwezig om de gemachtigde bij deze een waarschuwing te geven. In dit verband wijst de rechtbank erop dat ingevolge artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht de rechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan weigeren”. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat hij in juni 2019 door de rechtbank Gelderland is geweigerd om als gemachtigde van eiseres bijstand te verlenen. De rechtbank begrijpt daaruit dat de rechtbank Gelderland in die procedure tot het oordeel is gekomen dat de gemachtigde de in de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 2019 gegeven waarschuwing in de wind heeft geslagen. 18. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 15 maart 2018 (ECLI:NL: GHSHE 2018:1133) over het taalgebruik van gemachtigde onder meer overwogen: “4.1 Het Hof heeft de gemachtigde tijdens de zitting van 5 juli 2017 voorgehouden dat het zich ernstig heeft gestoord aan het taalgebruik van de gemachtigde in stukken van het geding. In dit verband verwijst het Hof naar p. 4 van de pleitnota, alwaar de gemachtigde in zijn kritiek op artikel 10a van de Wet BPM 1992 zich op grove wijze uitlaat over Nederland en ambtenaren van wetgeving en de uitvoeringspraktijk: “Nederland moet dan ook terecht gekwalificeerd worden als een apenland, een bananenrepubliek waar alleen de palmbomen nog ontbreken, waar de burger formeel (voor het oog van het kerkvolk) wel rechten krijgt, maar praktisch middels een batterij vileine overheidsdienders die werkzaam zijn in de wetgeving en binnen de heffende autoriteit in de praktijk apert onmogelijk gemaakt wordt.”. Het Hof heeft de gemachtigde tijdens deze zitting erop gewezen dat ook indien bepaalde ervaringen met de Inspecteur of een rechterlijke instantie in het verleden tot gevoelens van ongenoegen aan de zijde van de gemachtigde hebben geleid, dat onverlet laat dat het Hof van professionele procespartijen, dus ook van de gemachtigde, verwacht dat zij elkaar en de rechterlijke instanties met fatsoen en respect bejegenen, niet alleen in de zittingszaal, maar ook in de processtukken. 4.2. Het Hof stelt vast dat het aanspreken van de gemachtigde op diens taalgebruik en bejegening geen effect heeft gesorteerd. In na de zitting van 5 juli 2017 gewisselde stukken laat de gemachtigde zich opnieuw op ongepaste wijze uit. (….) Nu de gemachtigde volhardt in de naar het oordeel van het Hof ongepaste, onfatsoenlijke en respectloze bejegening van zijn wederpartij, de Inspecteur, die als grievend kan worden ervaren, acht het Hof redenen aanwezig om de gemachtigde een waarschuwing te geven. In dit verband wijst het Hof erop dat ingevolge artikel 8:25 van de Awb de rechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan weigeren” 19. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn beslissing van 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6596 gebruik gemaakt van zijn op de voet van artikel 8:25 Awb gegeven bevoegdheid de gemachtigde in persoon te weigeren, alsmede de vennootschap waaraan de gemachtigde verbonden is. 20. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde ondanks de twee hierboven aangehaalde waarschuwingen zijn taalgebruik en bejegening in de procedures waarin hij als gemachtigde optreedt niet aanpast. Nu de gemachtigde volhardt in deze bejegening en dit taalgebruik acht de rechtbank redenen aanwezig om de gemachtigde middels deze uitspraak een dringende waarschuwing te geven. In dit verband wijst de rechtbank erop dat ingevolge artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht de rechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan weigeren. De rechtbank wijst er op dat deze waarschuwing niet enkel geldt in onderhavige procedure, maar van toepassing is op alle zaken die de gemachtigde bij de rechtbank Noord-Holland aanhangig heeft gemaakt en geldt ongeacht in welke fase van de procedure deze zich bevinden. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. Bij herhaling heeft de gemachtigde aangegeven dat het hem niets kan schelen wat de rechtbank doet. Gemachtigde wijst daarbij op het in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie vastgelegde recht van eenieder om zich in een gerechtelijke procedure te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. De rechtbank wijst de gemachtigde erop dat het in artikel 47 van het Handvest vastgelegde recht op verdediging en vertegenwoordiging hem geen vrijbrief geeft om dit recht op een ongepaste, onfatsoenlijke, onbeschofte en respectloze wijze uit te oefenen. Uit de preambule van het Handvest komt naar voren dat de in het Handvest verankerde rechten voortkomen uit de wens van de volkeren van Europa om een steeds hechter verbond tot stand te brengen door een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste vreedzame toekomst te delen. Het genot van deze rechten behelst verantwoordelijkheden en plichten jegens de medemens, alsmede jegens de mensengemeenschap en de toekomstige generaties. De rechtbank is van mening dat het taalgebruik van en de bejegening door de gemachtigde in schril contrast staat met hetgeen het Handvest nastreeft en waartoe de preambule oproept. Met de aan de gemachtigde gegeven waarschuwing neemt de rechtbank de verantwoordelijkheid waartoe de preambule volgt.” De Rechtbank heeft vervolgens de klacht dat de belanghebbende in een aantal zaken niet voldoende zou zijn gehoord afgewezen met de constatering dat niet gespecificeerd was om welke zaken het zou gaan en voor het overige met verwijzing naar de r.o. 27 – 30 van haar boven (4.3) geciteerde uitspraak van 9 juli 2019: “48. De gemachtigde heeft zich er in het algemeen over beklaagd dat verweerder hem niet heeft gehoord, hetgeen - naar hij stelt - meebrengt dat de rechtbank de beroepen gegrond dient te verklaren en de zaken dient terug te wijzen naar verweerder. 49. In de stukken is onder meer opgenomen: - dat de gemachtigde in een aantal zaken is gehoord; - dat de gemachtigde in een aantal zaken van het horen heeft afgezien en - dat de gemachtigde van eiseres met ingang van 3 augustus 2018 door de Belastingdienst is geweigerd als gemachtigde van eiseres op te treden voor een bepaalde periode, dat eiseres hiervan bij brief met dezelfde datum op de hoogte is gesteld en dat het bezwaar in een aantal zaken is behandeld in de periode van schorsing. Nu partijen voormelde informatie niet hebben betwist, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. In dat geval ligt het op de weg van de gemachtigde te specificeren in welke zaken de door hem gestelde schending van het recht te worden gehoord heeft plaatsgevonden. De gemachtigde heeft deze specificatie niet gegeven. De rechtbank acht zijn grief derhalve ongegrond. Daarbij verwijst de rechtbank tevens naar de hierna opgenomen overwegingen in haar uitspraak van 9 juli 2019, welke overwegingen ook voor de onderhavige zaken van toepassing zijn: (…)” 4.5 De Rechtbank Gelderland heeft bij twee uitspraken van 27 september 2019 onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2019 (zie 4.4) de gemachtigde van de belanghebbende geweigerd wegens zijn beledigende, smadelijke en bedreigende taalgebruik, zulks na pogingen tot een verstandig gesprek met de gemachtigde over zijn kennelijke frustraties en zijn voor hemzelf onbeheersbare en voor zijn klanten en eigen bedrijf schadelijke obsessie met een even onwrikbaar als onwerkelijk eigen gelijk inzake interpretatie van EU-recht, dat in zijn geloof slechts één functie dient: zijn opvatting volledig bevestigen. De gemachtigde erkende dat zijn teksten grensoverschrijdend zijn en dat hij zijn teksten liever niet hardop ter zitting voorgelezen hoorde worden. Maar het hielp allemaal niet: “1. Een partij kan zich in een procedure bij de bestuursrechter laten vertegenwoordigen (artikel 8:24 van de Awb). Als tegen een persoon ernstige bezwaren bestaan, dan kan de bestuursrechter deze persoon als vertegenwoordiger weigeren (artikel 8:25 van de Awb). 2. Deze regel is ervoor bedoeld om partijen te beschermen tegen gemachtigden of raadslieden van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen (PG Awb II, p. 415). Wat onder ernstige bezwaren moet worden begrepen kan heel verschillend zijn. Het kan gaan om gevallen van ernstige en evidente ondeskundigheid van een vertegenwoordiger. Ook kan het gaan om gemachtigden die herhaaldelijk de normale gang van zaken verstoren, eventueel onder bedreiging van geweld. Ook kan het gaan om personen die zich herhaaldelijk uitlaten op een manier die in het algemeen als zeer grievend en beledigend wordt ervaren (ABRvS 29 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3244). 3. De gemachtigde heeft zich in deze zaak, net als in veel andere zaken bij deze rechtbank en andere gerechten, op een beledigende, smadelijke en bedreigende manier uitgelaten. Die uitlatingen gaan over ambtenaren van de Belastingdienst, (rechterlijk) ambtenaren van de rechtbank, de leden van de Hoge Raad en over – samengevat – de Nederlandse rechtsstaat en belastingrechtspraak. Voorbeelden daarvan zijn inmiddels bekend, zowel uit uitspraken van deze rechtbank (uitspraak van 19 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1746) als van de rechtbank Noord-Holland (uitspraak van 27 augustus 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7279). Dit heeft al eerder geleid tot beslissingen om de gemachtigde te weigeren, zowel van deze rechtbank (tussenbeslissing in het beroep met nummer AWB 19/272, niet gepubliceerd) als van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (beslissing van 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6623). Ook de Belastingdienst heeft de gemachtigde al eens geweigerd vanwege herhaaldelijk beledigend, intimiderend of bedreigend taalgebruik (vgl. de uitspraak van de voorzieningenrechter rechtbank Oost-Brabant van 20 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4599). Ook heeft de president van deze rechtbank enkele keren met de gemachtigde gesproken over zijn taalgebruik. Zowel in die gesprekken als in deze procedure is de gemachtigde erop gewezen dat hij vanwege dit taalgebruik kan worden geweigerd. 4. De gemachtigde heeft in deze zaak na het terugsturen van de pleitnota, die volstond met het inmiddels uit de gepubliceerde uitspraken en beslissing bekende taalgebruik, de geschoonde pleitnota ingediend. Weliswaar is die pleitnota bijna geheel in zakelijke bewoordingen gesteld, maar toch is daarin ook nog het volgende opgenomen: " (…) Uw rechtbank – past kennelijk maatregelen toe uit communistische regimes…Censuur van procedurele stukken…Niks fundamentele vrijheid, alleen voor het oog van het kerkvolk… (…) Vooropgesteld zij dat betaling van griffierecht, dwingend voorgeschreven, op straffe van verval van recht, vooraf wordt geheven, als dwangmiddel en als middel om de rechten van belanghebbende die hij o.m. kan ontlenen aan bepalingen van het Unierecht om zeep te helpen. Kutland!!! (…) " 5. Zeker gelet op de context waarin de gemachtigde dit schrijft, vormde dit aanleiding om de gemachtigde te horen over het voornemen om hem te weigeren als gemachtigde. In een pleitnota ten behoeve van die zitting is gemachtigde wederom teruggevallen op het beledigende en bedreigende taalgebruik, waaronder bijvoorbeeld: " (…) Ze zouden eens een paar rechters van de rechtbank die dergelijke uitspraken doen, (levenslang) moeten opsluiten zonder eerlijk proces, zou de rest misschien eens wat eerlijker en respectvoller hun wettelijke taak vervullen. Vieze smerige hoerentent is het in Arnhem in de Walburgstaat!!! Te gek om over te durven praten!!!! Lieve kusjes, doodles, xxx, (…) " 6. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat hij zich heeft gerealiseerd dat hij er door het indienen van deze pleitnota als het ware om vraagt om als gemachtigde te worden geweigerd. De gemachtigde heeft ook erkend dat zijn teksten grensoverschrijdend zijn en hij gaf aan dat hij zijn teksten liever niet hardop ter zitting voorgelezen hoorde worden. Desgevraagd heeft hij verder aangegeven dat hij zich niet kan beheersen als zijn frustratie over de beslissingen van de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad oploopt en dat hij die frustratie uit door middel van zijn beledigende, agressieve teksten. Zijn frustratie is erin gelegen dat in zijn waarneming de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad in strijd met het Unierecht handelen. Dit doen zij doordat zij in hun uitspraken "uitleg geven" aan het Unierecht, terwijl alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om dat te doen. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de gemachtigde de juistheid van zijn waarneming in deze niet (meer) in twijfel kan trekken. Ook lijkt de gemachtigde zich erbij neer te leggen dat hij zichzelf niet altijd kan beheersen en accepteert hij het geweigerd worden als gemachtigde kennelijk als een negatief en betreurenswaardig gevolg dat hij maar heeft te dragen. Daaraan doet niet af dat hij meent dat hij op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) niet kan worden geweigerd (daarover later meer). 7. De rechtbank heeft met de gemachtigde ter zitting dus vastgesteld dat hij zich niet (langer) onder controle heeft bij het uitoefenen van zijn functie en dat dat een zorgelijke ontwikkeling is. Niet alleen voor zijn cliënten en voor medewerkers van de rechtspraak, maar ook voor zijn onderneming. De gemachtigde heeft erkend dat hij hierbij hulp kan gebruiken en de rechtbank heeft hem voorgehouden dat het kennelijk niet voldoende werkt om die hulp te zoeken bij een collega, en dat als de gemachtigde werkelijk zijn gedrag onder controle wil krijgen een professional hier beter in kan adviseren. 8. Uit de hiervoor genoemde overtuiging van de gemachtigde dat de Nederlandse rechters het Unierecht schenden doordat zij het in hun uitspraken uitleggen, volgt dat het probleem van de gemachtigde met de belastingrechtspraak in Nederland voor hem alleen kan worden opgelost door de juridische geschilpunten die voortvloeien uit het Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat het vanwege de enorme hoeveelheid aan zaken zou helpen als die geschilpunten gebundeld zouden kunnen worden beslist in enkele proefprocedures. Volgens de gemachtigde heeft hij dit al eens verzocht aan de Belastingdienst, maar heeft die geen medewerking willen verlenen. Op de afwegingen van de Belastingdienst heeft de rechtbank op dit moment geen zicht. De rechtbank heeft de gemachtigde voorgehouden dat als zaken eenmaal in de beroepsfase zijn gekomen, hij de enige is die een overzicht heeft van zowel de geschilpunten die volgens hem beslist moeten worden als van alle (honderden, zo niet duizenden) zaken die aanhangig zijn bij de verschillende rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad waarin die punten een rol spelen. Dit betekent dat als de gemachtigde van mening is dat een deel van zijn problemen kan worden opgelost door het uitkiezen van enkele zaken en die uitprocederen, het op zijn weg ligt om daarin initiatief te nemen. Hij zou dat kunnen doen door een verzoek met een voorstel daartoe te richten aan de rechtbank of wellicht gezamenlijk aan de verschillende gerechten waar de procedures nu aanhangig zijn. 9. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat hij dit in overweging neemt omdat hij graag op een constructieve manier aan een oplossing wil werken. De rechtbank heeft de gemachtigde er vervolgens op gewezen dat de gerechten weliswaar ook belang zullen hebben bij een dergelijke stroomlijning van procedures maar dat zij eerst het vertrouwen moeten hebben dat met de gemachtigde afspraken kunnen worden gemaakt. Vanzelfsprekend zal dat vertrouwen in een goede samenwerking er niet zijn als de gemachtigde zich op beledigende en agressieve manier blijft uitlaten. 10. Samengevat is het aan de gemachtigde om een keuze te maken hoe hij – in het belang van zijn cliënten maar ook van zijn eigen onderneming – een vervolg wil geven aan de vele procedures die lopen bij de verschillende gerechten. Als hij kiest voor een stroomlijning van procedures, dan kan hij daartoe een initiatief nemen en zal hij actie moeten ondernemen om zichzelf en zijn frustratie onder controle te houden. Als hij daar niet voor kiest of daar niet toe in staat blijkt, dan zal de rechtbank verdergaande maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat in geen van de bij de rechtbank aanhangige zaken de gemachtigde met zijn taalgebruik nog schade kan toebrengen aan de belangen van zijn cliënten en ook niet aan de belangen van de leden en medewerkers van de rechtbank. 11. Wat de juridische kant betreft, heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat artikel 8:25 van de Awb niet mag worden toegepast, omdat het in strijd is met artikel 47 van het Handvest. Volgens de gemachtigde mogen eventuele beperkingen op het grondrecht dat een ieder de mogelijkheid heeft zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen alleen door de Unie worden gesteld op grond van artikel 52, eerste lid, van het Handvest en dus niet door nationale wetgevers. 12. De rechtbank heeft een andere interpretatie dan de gemachtigde. Het Handvest is namelijk gericht tot zowel de instellingen van de Unie als de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, eerste lid, van het Handvest). Dit betekent dat onder "wet" in artikel 52, eerste lid, van het Handvest ook de nationale wetten vallen waarmee het recht van de Unie wordt uitgevoerd. In het vijfde lid komt dit wat explicieter tot uitdrukking waar het gaat over het ten uitvoer leggen van beginselen. De toelichting op artikel 52, eerste lid, van het Handvest bevestigt deze interpretatie. Die wijst namelijk op de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie over de beperking van grondrechten. Uit het gegeven voorbeeld (uitspraak van 13 april 2000, zaak C-292/97, ECLI:EU:C:2000:202) blijkt dat de beperking die het Hof toetste werd gesteld in een nationale regeling. Het Hof heeft die beperking getoetst en het enkele feit dat het een nationale regel was die de beperking in het leven riep vormde op zichzelf geen probleem. 13. In dit geval voldoet artikel 8:25 van de Awb aan de voorwaarden om het grondrecht van vrije keuze voor een vertegenwoordiger in te perken. De beperking is bij wet gesteld, kenbaar en voorzienbaar en is noodzakelijk om de belangen van rechtzoekenden te beschermen. De belangen van eiseres worden door de gemachtigde geschaad enerzijds doordat zijn uitlatingen aan eiseres kunnen worden toegeschreven en anderzijds omdat processtukken worden geweigerd, waardoor de rechter geen kennis kan nemen van de juridische standpunten die de vordering van eiseres onderbouwen. De beperking gaat ook niet verder dan nodig, omdat eiseres een termijn van vier weken zal worden geboden om een andere gemachtigde te vinden; in Nederland zijn meerdere in BPM gespecialiseerde gemachtigden actief. Ook is de beperking nodig om de belangen van de leden en medewerkers van de rechtbank te beschermen. Zij hebben er recht op om gevrijwaard te blijven van de voortdurende beledigingen en bedreigingen van gemachtigde. In meer abstracte zin geldt dit ook voor het algemene belang om de organen van de Nederlandse democratische rechtsstaat te beschermen tegen de giftige woorden van de gemachtigde. 14. De conclusie voor deze zaak moet zijn dat de gemachtigde wordt geweigerd vanwege zijn voortdurende beledigende, smadelijke en agressieve taalgebruik, waardoor de normale gang van de beroepsprocedure ernstig wordt verstoord.” 4.6 Verwijzende naar eerdere waarschuwingen, waaronder die door de Rechtbank Noord-Holland geciteerd in 4.4 hierboven, en eerdere weigeringen als gemachtigde, waaronder die door de Rechtbank Gelderland geciteerd in 4.5 hierboven, heeft vorige maand ook de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de gemachtigde in een groot aantal zaken geweigerd. Zij is daarbij ook ingegaan op de gevolgen van die weigering: “1 Motivering In de in de bijlage genoemde zaken zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 5 februari 2020. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbenden in die zaken, [de gemachtigde] , pleitnota’s toegestuurd in een groot deel van die zaken. 1.2. Naar aanleiding van de inhoud van die pleitnota’s heeft de rechtbank besloten [de gemachtigde] (hierna: ook de gemachtigde) als, kort gezegd, gemachtigde te weigeren met toepassing van artikel 8:25 van de Awb in al die zaken. De rechtbank legt hierna uit waarom. Daarna zal de rechtbank uitleg geven over het vervolg van het proces. Waarom weigering? 1.3. De beslissing tot weigering in elk van de zaken moet worden begrepen tegen de volgende achtergrond.
- i)De gemachtigde procedeert al lange tijd voor (onder meer) deze rechtbank. De toonzetting in zijn brieven kon ‘scherp’ zijn. In voorkomende gevallen was het taalgebruik echter zodanig dat (delen van) ingediende processtukken buiten beschouwing zijn gelaten. Ook is de gemachtigde in verband met zijn taalgebruik eerder gewaarschuwd door Gerechtshof ’s-Hertogenbosch met verwijzing naar de mogelijkheid tot weigering op grond van artikel 8:25 van de Awb.
- ii)Sinds enige tijd wordt het taalgebruik op papier, meer dan incidenteel, steeds grover. Er is sprake van aantijgingen zowel richting de wetgever, Belastingdienst en, soms, bij met naam genoemde belastingambtenaren, als richting rechterlijke colleges en, soms, bij naam genoemde rechters. De gemachtigde schuwt daarbij het gebruik van scheldwoorden en andere beledigende teksten niet. De president van deze rechtbank heeft in september 2019 een gesprek met de gemachtigde gevoerd over zijn (schriftelijk) taalgebruik. Ook met de president van rechtbank Gelderland hebben (kennelijk) gesprekken plaatsgevonden. iii) Bij andere rechterlijke instanties heeft de gemachtigde zich (kennelijk) ook in toenemende mate op vergelijkbare wijze uitgelaten. Een en ander heeft geleid tot uitspraken met (laatste) waarschuwingen aan de gemachtigde en tot beslissingen tot weigering als gemachtigde.
- iv)In voorkomende gevallen is er soms na een waarschuwing of gesprek enige tijd een verbetering waar te nemen wat betreft toonzetting en taalgebruik in de schriftelijke stukken. Die verbetering is niet structureel gebleken. 1.4. De pleitnota’s voor de zittingsdag 5 februari 2020 bevatten wederom (zware) aantijgingen en beledigingen richting overheidsinstanties en individuele personen. Die aantijgingen richting de rechterlijke macht, in het bijzonder wat betreft de onpartijdigheid, en de aantijgingen richting (ambtenaren van) de Belastingdienst, in het bijzonder wat betreft de integriteit, raken bovendien de democratische rechtsstaat. In eerdere uitspraken van andere rechterlijke instanties is al volop geciteerd uit stukken van gemachtigde. Taalgebruik en toonzetting in de onderhavige pleitnota’s wijken daar niet wezenlijk van af. De rechtbank volstaat hier daarom met enige citaten uit de pleitnota’s in deze zaken ter illustratie: “De Hoge Raad is een ongegeneerde hoerenkast met raadsheren die zich als een stelletje ongelikte hoerenkinderen gedragen (…) Vast staat op basis van objectieve criteria (…) de Hoge Raad door mij kan worden gekwalificeerd als een enorme hoerenkast is die de rechten van burgers op grote schaal — willens en wetens — verneukt en vernacheld.” “Ik merk op dat uw rechtbank kennelijk onbevoegd is uitlegging te geven over bepalingen van het Unierecht (Pauwels doet dat structureel, heeft hij bij de hoerenkinderen van de Hoge Raad geleerd, (…), Pauwels is aantoonbaar op grond van objectieve criteria, (…), kennelijk partijdig, maar wraken heeft geen zin, zijn vrinden verklaren het toch wel ongegrond, boeventuig, gajesclub, hoerentent in Breda, leuk voor het oog van het kerkvolk, feitelijk zijn het allemaal criminelen die het motto hanteren, wiens brood men eet, wiens woord men spreekt, tuig van de richel).” “De Hoge Raad faciliteert al bijna 5 jaar de wetgever in deze kwestie, nog los van de vele andere kwesties waarin de Hoge Raad de wetgever en de heffende autoriteit faciliteert!! Hoezo kutland?? Superkutland is het! Narcostaat!!” “Pauwels kan op basis van objectieve criteria — kennelijk, niet voor enige mogelijke twijfel vatbaar – geduid worden als intens partijdig. Wraken heeft geen zin, zoals reeds door mij gesteld, mede omdat ook genoegzaam gebleken, andere rechters bij rechtbank Breda (W.P.A. van Roy, Stassen, de Werd, Dondorp-Loopstra) op gelijke wijze ‘het recht bedrijven’.” 1.5. De rechtbank is van oordeel dat het taalgebruik van de gemachtigde zodanig is dat het de goede procesorde ernstig verstoort, ook – maar niet alleen – gelet op de impact voor de wederpartij. Bovendien kan het gedrag van de gemachtigde ertoe leiden dat een belanghebbende die hij vertegenwoordigt, benadeeld wordt door zijn taalgebruik, zoals eerder uiteengezet door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 1.6. Gelet op een en ander, in onderlinge samenhang bezien, bestaan er ernstige bezwaren tegen [de gemachtigde] als bedoeld in artikel 8:25, eerste lid, van de Awb. Bij deze beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op (het belang van) de vrijheid van meningsuiting. Deze vrijheid is echter niet onbeperkt. In de context zoals hier (professionele gemachtigde; rechterlijke procedure) vindt die vrijheid (noodzakelijke en proportionele) begrenzingen waar – zoals hier – de uitlatingen zodanig zijn dat ze leiden tot ernstige bezwaren in de zin van artikel 8:25 van de Awb. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het recht op een eerlijk proces zoals onder meer is gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 EVRM. De onderhavige weigering is daarmee niet in strijd. De overwegingen van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dienaangaande gelden overeenkomstig voor dit geval. 1.7. De rechtbank zal dus in elk van de 1.1 vermelde zaken bijstand of vertegenwoordiging door [de gemachtigde] weigeren. Reikwijdte weigering 1.8. De weigering ziet niet alleen op [de gemachtigde] zelf maar ook op vennootschappen waarvan [de gemachtigde] (indirect) aandeelhouder is zoals [B BV] . 1.9. De weigering geldt voor alle zaken die in de bijlage zijn genoemd. De weigering geldt dus niet alleen voor de zaken waarin een pleitnota is ingediend maar ook voor de andere zaken. [de gemachtigde] is eerder afdoende gewaarschuwd dat zijn gedrag meer in het algemeen gevolgen kan hebben. Gevolgen en verder procesverloop 1.10. De rechtbank zal de griffier opdragen deze beslissing te sturen naar de in elke zaak betrokken partijen alsmede aan [de gemachtigde], teneinde hen in kennis te stellen van de weigeringsbeslissing. 1.11. Ieder van de belanghebbenden zal in de gelegenheid worden gesteld om, desgewenst, binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Voor elk van de zaken betekent dit dat de mondelinge behandeling op zitting van 5 februari 2020 geen doorgang zal vinden. 1.12. In de zaken waarin een pleitnota is ingediend, zal de desbetreffende pleitnota – gelet op het taalgebruik – bij de verdere inhoudelijke behandeling van de zaak volledig buiten beschouwing blijven. De pleitnota blijft wel tot het procesdossier behoren. 1.13. Verder zullen in elk van de dossiers ook geanonimiseerde versies van de pleitnota’s worden gevoegd die zijn ingediend door [de gemachtigde] in de andere zaken voor de zitting op 5 februari 2020. Aan de weigeringsbeslissing liggen immers (mede) al deze pleitnota’s ten grondslag. 2 Beslissing De rechtbank: - weigert bijstand of vertegenwoordiging door [de gemachtigde] en vennootschappen als bedoeld in 1.8 in de zaken die zijn vermeld in de bijlage; - stelt ieder van de belanghebbenden in de gelegenheid om, desgewenst, binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een andere gemachtigde aan te wijzen voor de verdere procedure. (…). Rechtsmiddel Tegen deze bij tussenuitspraak genomen beslissing staat geen rechtsmiddel open. Tegen deze beslissing kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het rechtsmiddel tegen de einduitspraak in deze zaak.” 4.7 De door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bedoelde uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 16 augustus 2019 luidt als volgt: “2.1. Voorop staat dat partijen in een gerechtelijke procedure zich kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door iemand van hun keuze. Waar het gaat om zaken die het Unierecht betreffen, is dat neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat recht is (voor strafrechtelijke vervolging en het fiscale boeterecht) neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige is dat vastgelegd in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 2.2. Een partij, haar bijstandsverlener(
- s)en haar gemachtigde(
- n)mogen het standpunt van die partij verwoorden op een wijze die hun goeddunkt, ook als dat standpunt verwijten behelst aan de wederpartij of anderen. Maar daarbij geldt dat zij zich niet onnodig grievend dienen uit te laten, dat zij hun verwijten en beschuldigingen feitelijk dienen te onderbouwen en dat zij duidelijk moeten maken wat de relevantie daarvan is voor het desbetreffende geschil. 2.3. Het Hof is van oordeel dat het taalgebruik van [B] structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. Hij uit verwijten en beschuldigingen aan burgerlijke en rechterlijke ambtenaren, aan rechterlijke colleges en aan de rechtsstaat en Nederland in het algemeen. Daarbij gaat het er niet om dat [B] kenbaar maakt het oneens te zijn met bepaalde rechterlijke oordelen. Laatstbedoelde uitingen passen bij rechterlijke procedures. Waar het wel om gaat is dat [B] onnodig beledigende opmerkingen maakt. Voorts verzuimt hij te motiveren wat de relevantie is van zijn verwijten en beschuldigingen voor de aanhangige procedure. Zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom deze verwijten en beschuldigingen een ondersteuning zijn voor zijn standpunt over de in geding zijnde belastingaanslagen en/of beschikkingen. Ook na daarvoor te zijn gewaarschuwd, heeft [B] daarin volhard. 2.4. Sommige door [B] ingediende stukken bevatten zoveel beledigende opmerkingen dat het Hof geen kennis van deze stukken neemt. [B] is daarop gewezen. Dat brengt mee dat de stellingen en standpunten van de desbetreffende partij en de onderbouwing daarvan het Hof niet bereiken voor zover zij in deze stukken zijn vervat. Deze benadeling van de door [B] vertegenwoordigde procespartijen, is een rechtstreeks gevolg van het ongepaste taalgebruik van [B]. 2.5. Het Hof is op grond daarvan van oordeel dat tegen [B] ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 8:25, eerste lid, van de Awb. Deze bezwaren gelden evenzeer voor [A], nu [A] de gemachtigde van belanghebbende is, [B] middellijk bestuurder van [A] is en [B] in rechterlijke procedures zowel schriftelijk als mondeling pleegt op te treden namens [A]. De stukken met de beledigende woorden zijn ook zonder uitzondering ondertekend door [B]. Het Hof heeft [B] daarover ingelicht bij brief van 5 augustus 2019 (…). [B] heeft daarop gereageerd bij faxberichten van 5 augustus 2019 (…) en van 6 augustus 2019 (…). 2.6. [ B] voert aan dat artikel 47 van het Handvest eraan in de weg staat bijstand of vertegenwoordiging door hem te weigeren, in het bijzonder nu het gaat om procedures waarin het gaat om toepassing van Unierecht. Het is, aldus [B], niet aan het Hof om die bepaling uit te leggen. Het Hof zou dienaangaande prejudiciële vragen moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zo begrijpt het Hof [B]. 2.7. Artikel 47 van het Handvest luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. 2.8. Naar het oordeel van het Hof komt de onderhavige weigering niet in strijd met artikel 47 van het Handvest. Aan de belanghebbende wordt immers niet het recht op toegang tot de rechter ontzegd of de mogelijkheid ontnomen zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Haar wordt slechts het recht ontzegd om door [B] te worden bijgestaan en/of vertegenwoordigd. Met de weigering wordt een legitiem doel nagestreefd, te weten het waken voor onnodige en ernstige verstoring van de gang van zaken bij rechterlijke procedures, zoals in dit geval bij dit Hof. Een normale gang van zaken wordt hersteld door degene die deze gang van zaken verstoort te weigeren als bijstandverlener en/of gemachtigde. Door deze weigering te beperken tot de onderhavige zaak en enkele andere zaken die stonden gepland voor de zittingen van 8 en 14 augustus, bestaat naar het oordeel van het Hof een redelijke verhouding tussen die beperking en het doel van de schorsing, de verzekering van een normale gang van zaken bij de onderhavige procedure. 2.9. Op grond van het vorenstaande zal het Hof [B] en [A] weigeren in de onderhavige procedure bijstand te verlenen of belanghebbende te vertegenwoordigen. Belanghebbende zal van deze beslissing in kennis worden gesteld en haar zal de gelegenheid worden geboden desgewenst een andere gemachtigde aan te wijzen.” 4.8 Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2019 heeft het Hof Arnhem bij tussenuitspraak van 12 november 2019 de gemachtigde opnieuw geweigerd (curs. PJW): “A] BV (hierna: [A]), vertegenwoordigd door [B] (hierna: [B]), treedt in deze procedure op als gemachtigde van belanghebbende. Uit door het Hof ambtshalve bij het Handelsregister ingewonnen inlichtingen blijkt dat [C] B.V. enig aandeelhouder en enig bestuurder van [A] is en dat [B] alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder is van [C] B.V. 1.2. [ A] is de gemachtigde van vele belanghebbenden in bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures inzake de heffing van belastingen, in het bijzonder de BPM. [B] pleegt in die zaken de proceshandelingen te verrichten en processtukken in te dienen. 1.3. Het Hof heeft zich in toenemende mate gestoord aan de wijze waarop [B] zich in deze stukken heeft uitgelaten over Nederland, over de rechtspraak, rechters en raadsheren en over ambtenaren. Het Hof heeft hem daarop verschillende malen aangesproken. Zo heeft het in zijn uitspraak van 9 oktober 2018, nummer 17/00400, ECLI:NL:GHARL:2018:8805, overwogen: “Het Hof heeft de gemachtigde tijdens de zitting van 5 juli 2018 voorgehouden dat het zich ernstig heeft gestoord aan het taalgebruik van de gemachtigde in de stukken van het geding, welke ieder fatsoen ontberen. In het bijzonder de bewoordingen gebezigd in de aanvullende motivering, de op 12 juni 2018 ingekomen pleitnota en de pleitaantekeningen ingekomen op 2 juli 2018, in welke stukken de gemachtigde zich op grove wijze uitlaat over Nederland, de Hoge Raad, de leden van het Hof en de ambtenaren van wetgeving en de uitvoeringspraktijk. Daarop heeft de gemachtigde verklaard dat hij dit in de toekomst achterwege zal laten, de stukken betreffende de pleitaantekeningen terug te nemen en zich in deze zaak te beperken tot het geven van een mondelinge toelichting ter zitting.” 1.4. Het Hof heeft – onder meer – in een tussenuitspraak van 16 augustus 2019, met nummer 18/00473, ECLI:NL:GHARL:2019:6596, met toepassing van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) [B] en [A] geweigerd om bijstand te verlenen aan de belanghebbende in de desbetreffende zaak dan wel haar te vertegenwoordigen in die procedure. In die procedure heeft het Hof aan [B] naar aanleiding van het in de door [B] ingediende stukken gebezigde taalgebruik een brief gestuurd, waarin is geschreven dat het Hof gelet op de zeer beledigende opmerkingen ten aanzien van personen werkzaam bij de Belastingdienst en de rechtspraak geen acht zal slaan op de inhoud van die stukken. Voorts is in de brief aan [B] c.q. [A] een laatste waarschuwing gegeven; als [B] desondanks blijft volharden in zijn opstelling en het gebruik van beledigende opmerkingen, zal het Hof hen met toepassing van artikel 8:25 van de Awb weigeren als gemachtigde. Nadat [B] in zijn daarop volgende reacties bleef volharden in zijn taalgebruik heeft het Hof hem en [A] in die procedure bij voormelde tussenuitspraak geweigerd als gemachtigde. 1.5. Bij faxbericht van 24 oktober 2019 heeft [B] aan het Hof in de onderhavige zaken een pleitnota gestuurd ten behoeve van de aangekondigde zitting van 5 november 2019. In deze pleitnota staat onder meer: “De rechtbank Noord-Nederland heeft het recht op alle punten kennelijk ernstig miskend. Dat kan ook niet anders natuurlijk als je het uitgangspunt hebt waar mogelijk burgers te belazeren en te bedotten als nationale rechter in plaats van daadwerkelijke rechtsbescherming of een eerlijk proces te bieden. Dat laatste schort het natuurlijk zeer ernstig aan in de bananenrepubliek Nederland, kennelijk, voldoende duidelijk door mij bewezen en aangetoond. (…) Dat de nationale rechters structureel weigeren bepalingen van het Unierecht in hun oordeel te betrekken, anders dan wanneer het toe niets leidt en belanghebbende toch niks heeft aan de overwegingen, is te zielig om over te praten natuurlijk. Dan word je – geheel terecht – geassocieerd met circusartiest of crimineel – volkomen terecht en volkomen begrijpelijk!! (…) De Hoge Raad is een hoerentent die zijn weerga niet kent in de wereld!!! Uw gerechtshof valt eenzelfde kwalificatie ten deel als het aansluiting zoekt bij dergelijke intens criminele arresten van de Hoge Raad, daarmee willens en wetens burgers de uit het hoogste recht zelf voortkomende rechten te ontnemen in het belang van de staatskas en mogelijk zelfstandige financiële belangen!!!!!!!! (…) De Hoge Raad toont niks aan (…) hoerenkinderen zijn het, niets anders dan dat – die hun hele hebben en houwen verneuken voor geld in de staatskas waaruit ze dan mogelijk weer graaien (…) De straf vanuit Luxemburg zal niet gering zijn. Het Hof zal de bevoegde rechtsprekende macht keihard straffen, volkomen terecht, het is te gek om over te praten, elke bananenrepubliek heeft nog een meer betrouwbare rechtspraak van Nederland!!!!! (…) De Hoge Raad (…) in de niet aflatende drang van de criminele nationale rechtspraak burgers van hun uit het hoogste recht voortkomende rechten te ontdoen!! (…) De Hoge Raad is voldoende duidelijk aangetoond een intens criminele gajesclub!! (…) Goed bezien wordt belanghebbende genaaid door de heffende autoriteit en als hij klaagt wordt hij in Nederland nog veel harder belazerd door de bevoegde rechtsprekende autoriteit, die apert weigert het hoogste recht juist toe te passen. (…) Dat is te weg voor woorden natuurlijk, de rechtspraak in Nederland is totaal de weg kwijt, tijd voor keihard ingrijpen vanuit Europa, het is te gek om over te praten natuurlijk wat een intens gajesland Nederland wel niet is geworden!! (…) Vast staat (…) dat de Hoge Raad een gekende vies smerige hoerentent is, volzet met hoerenkinderen, die zichzelf als raadsheer duiden, maar feitelijk gezien hun hele hebben en houwen in de strijd gooien om te Fêter(iss)en en te faciliteren en geld in de nationale staatskas te brengen, kennelijk onrechtmatig. Niks gaat de Hoge Raad daarbij te ver blijkbaar, alles, werkelijk alles is daarbij blijkbaar geoorloofd. Wat de Hoge Raad nog niet gedaan heeft, terwijl ik ze elke week als voorgaand aanspreek, of nog veel duidelijker, (circusartiesten, clowns, spreekstalmeesters, bajesklanten) terecht, volkomen terecht, overduidelijk, is mij weigeren als gemachtigde, of stukken weigeren. De Hoge Raad weet natuurlijk al lang, anders dan andere bedenkelijke nationale rechterlijk instanties dat dat wel zo duidelijk in strijd is met bepalingen van het recht – bijna gelijk te scharen aan het ten uitvoer brengen van de doodstraf – dat dat nooit goed gaat komen. (…) Nederland is verworden tot een vies smerig gajesland waar rechtspraak niets anders is dan een noodzakelijk symbool waar Unierechtelijk uitvoering moet worden gegeven…. Maar liever zouden de nationale ‘rechters’ natuurlijk alle burgers alles afnemen en zonder daadwerkelijk eerlijk proces of nog erger!! (…) Uw gerechtshof kan en mag mij niet weigeren als gemachtigde en uw gerechtshof kan en mag mijn stukken die ik inzend niet weigeren of terzijde stellen doordat ik de waarheid spreek en duidelijk en onmiskenbaar, aantoonbaar, niet voor enige mogelijke twijfel vatbaar, dat de nationale rechtsprekende macht een georganiseerde misdaadorganisatie is met maffiose trekken!!” 1.6. Het Hof heeft besloten de zitting van 5 november 2019 te verdagen. 2Overwegingen 2.1. Voorop staat dat partijen in een gerechtelijke procedure zich kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door iemand van hun keuze. Waar het gaat om zaken die het Unierecht betreffen, is dat neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat recht is (voor strafrechtelijke vervolging en het fiscale boeterecht) neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige is dat vastgelegd in artikel 8:24 van de Awb. 2.2. Een partij, haar bijstandsverlener(
- s)en haar gemachtigde(
- n)mogen het standpunt van die partij verwoorden op een wijze die hun goeddunkt, ook als dat standpunt verwijten behelst aan de wederpartij of anderen. Maar daarbij geldt dat zij zich niet onnodig grievend dienen uit te laten, dat zij hun verwijten en beschuldigingen feitelijk dienen te onderbouwen en dat zij duidelijk moeten maken wat de relevantie daarvan is voor het desbetreffende geschil. 2.3. Het Hof is van oordeel dat het taalgebruik van [B] structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. Hij uit verwijten en beschuldigingen aan burgerlijke en rechterlijke ambtenaren, aan rechterlijke colleges en aan de rechtsstaat en Nederland in het algemeen. Daarbij gaat het er niet om dat [B] kenbaar maakt het oneens te zijn met bepaalde rechterlijke oordelen. Laatstbedoelde uitingen passen bij rechterlijke procedures. Waar het wel om gaat is dat [B] onnodig beledigende opmerkingen maakt. Ook na daarvoor eerder te zijn gewaarschuwd, heeft [B] daarin volhard. 2.4. Sommige door [B] ingediende stukken bevatten zoveel beledigende opmerkingen dat het Hof bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep geen kennis van deze stukken zal nemen. [B] is daarop in eerdere procedures gewezen. Dat brengt mee dat de stellingen en standpunten van de desbetreffende partij en de onderbouwing daarvan het Hof niet bereiken voor zover zij in deze stukken zijn vervat. Deze benadeling van de door [B] vertegenwoordigde procespartijen, is een rechtstreeks gevolg van het ongepaste taalgebruik van [B] . 2.5. Het Hof is op grond daarvan van oordeel dat tegen [B] ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 8:25, eerste lid, van de Awb. Deze bezwaren gelden evenzeer voor [A], nu [A] de gemachtigde van belanghebbende is, [B] middellijk bestuurder van [A] is en [B] in rechterlijke procedures zowel schriftelijk als mondeling pleegt op te treden namens [A]. De stukken met de beledigende woorden zijn ook zonder uitzondering ondertekend door [B]. Het Hof heeft [B] daarover in deze procedure niet vooraf ingelicht en/of gehoord, nu hij in eerdere procedures is gewaarschuwd en de waarschuwingsbrief heeft ontvangen als genoemd onder 1.4., naar de inhoud daarvan heeft verwezen in de - in de pleitnota van 24 oktober 2019 vetgedrukte - passages en er blijk van heeft gegeven zich niets van de waarschuwingen aan te trekken. Kennelijk heeft [B] in de eerdere waarschuwingen geen aanleiding gezien zijn taalgebruik te wijzigen en zijn toon te matigen; hij gaat zelfs ertoe over een en ander aan te scherpen. 2.6. Artikel 47 van het Handvest luidt: [zie onderdeel 5.4 hieronder; PJW] 2.7. Naar het oordeel van het Hof staat artikel 47 van het Handvest niet in de weg aan de onderhavige weigering. Aan de belanghebbende wordt immers niet het recht op toegang tot de rechter ontzegd of de mogelijkheid ontnomen zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Hem wordt slechts de mogelijkheid ontnomen om door [B] te worden bijgestaan en/of vertegenwoordigd. Met de weigering wordt een legitiem doel nagestreefd, te weten het waken voor onnodige en ernstige verstoring van de gang van zaken bij rechterlijke procedures, zoals in dit geval bij dit Hof. Een normale gang van zaken wordt hersteld door degene die deze gang van zaken verstoort te weigeren als bijstandverlener en/of gemachtigde. Door de beperking van deze weigering tot de onderhavige zaak bestaat naar het oordeel van het Hof een redelijke verhouding tussen die beperking en het doel van de schorsing, de verzekering van een normale gang van zaken bij de onderhavige procedure. 2.8. Op grond van het vorenstaande zal het Hof [B] en [A] weigeren in de onderhavige procedure bijstand te verlenen of belanghebbende te vertegenwoordigen. Belanghebbende zal van deze beslissing in kennis worden gesteld en hem zal de gelegenheid worden geboden desgewenst een andere gemachtigde aan te wijzen. 3 Beslissing Het Hof: – weigert [B] en [A] BV om bijstand te verlenen aan belanghebbende dan wel hem te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure met de nummers 18/00781 tot en met 18/00797, en – stelt belanghebbende in de gelegenheid om, indien hij dat wenst, binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een andere gemachtigde aan te wijzen voor de verdere procedure.” 4.9 De woordkeus van de gemachtigde heeft ook de aandacht van de publiekspers getrokken. In de NRC van 8/9 februari 2020 vraagt columnist Folkert Jensma zich na lezing van enige bloemen uit ’s mans schuttingoeuvre af of hij wellicht de fysieke manifestatie in de rechtszaal is van de internet-trol. Hij verbaast zich over het geduld van de rechters die met zijn bizarre getier worden geconfronteerd en vraagt zich af waarom in Nederland geen contempt of court bestaat. In het juristenglossy Mr. van augustus 2019 signaleert columnist Jurjen Boorsma een ‘hagelschietende gemachtigde’ die zijn taal ‘overpent van de dichtstbijzijnde schutting’, zijn levensvervulling vindt in het voeren van ‘flutprocesjes over kommaatjes van BPM-tabelletjes’ en daarbij ‘al fluttend’ losgaat ‘zoals een kleuter die kleit met hondendrolletjes.’ Maar: ‘Helaas begrijpt Nederland hem niet.’ Hij ‘vindt Nederland trouwens een kutland’. 4.10 De vraag rijst waarom de gemachtigde, als hij zo over Nederland denkt, niet al lang geleden gebruik heeft gemaakt van zijn door hem zo gekoesterde EU-verkeersvrijheden om te pogen zijn kennelijk grotendeels op Nederlands gemeenschapsgeld drijvende verdienmodel te praktizeren in en op kosten van een lidstaat waar zijn wijze van bejegenen van overheidsdienaren en rechters meteen tot een beroepsverbod en/of strafvervolging leidt. 4.11 Ook staat het de gemachtigde vrij om namens zijn klanten een klacht bij de Commissie van de EU in te dienen met verzoek om een infractieprocedure te beginnen tegen ‘Superkutland’ en ‘narcostaat’ Nederland in verband met – door hem daarbij nauwkeurig uiteen te zetten – structurele schending van het vrije goederenverkeer bij de import van gebruikte auto’s. 5Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel Algemeen 5.1 Het administratieve verdedigingsbeginsel (het recht om door een bestuursorgaan gehoord te worden alvorens het een voor de belanghebbende mogelijk bezwarende beschikking neemt) is een algemeen beginsel van EU-recht en (dus) alleen van toepassing op gevallen die binnen de werkingssfeer van het EU-recht vallen. In andere gevallen is alleen intern recht van toepassing, dat mogelijk een vergelijkbaar beginsel of regel omvat, zoals art. 7:2 Awb. Belanghebbendes zaak betreft de heffing van BPM bij invoer van gebruikte auto’s uit andere EU-lidstaten. Die import wordt mede beheerst door de artt. 28 e.v. VwEU (vrij verkeer van goederen) en art. 110 VwEU (verbod op discriminerende of protectionistische productbelastingen), op welke bepalingen zij zich kennelijk beroept, zodat haar zaak zich mijns inziens binnen de werkingssfeer van het Unierecht bevindt. Anders dan u oordeelde in HR BNB 2020/26, meen ik dat ook als de rechter uiteindelijk geen marktbelemmering aanwezig oordeelt en hij dus uiteindelijk niet toekomt aan onderzoek naar mogelijke rechtvaardiging voor die niet-bevonden marktbelemmering, wel de werkingssfeer van het EU-recht wordt betreden als de belanghebbende er in een geval van intra-EU-goederenhandel beroep op doet. Mijns inziens volgt uit de rechtspraak van het HvJ dat het EU-recht en daarmee ook de algemene beginselen van EU-recht en het Handvest ook van toepassing zijn bij beantwoording van de vraag óf het vrije verkeer belemmerd wordt door een nationale maatregel zoals BPM-heffing bij invoer van auto’s uit een andere EU-lidstaat. Zou het anders zijn, dan zou alleen achteraf, wellicht pas na prejudiciële verwijzing naar het HvJ, vastgesteld kunnen worden of jaren geleden een voorafgaand hoorrecht bij de administratie bestond en zou de administratie het verdedigingsbeginsel kunnen uitschakelen door in importgevallen het standpunt in te nemen dat zich geen marktbelemmering voordoet. 5.2 Volledigheidshalve wijs ik op het onderscheid tussen het hoorrecht in primo en het hoorrecht in bezwaar. Het recht om gehoord te worden voorafgaande aan een bezwarend besluit in primo (Bip), zoals een belastingaanslag, is in casu niet aan de orde omdat de BPM door voldoening op aangifte (self assessment) wordt geheven, zodat geen sprake is van enige beschikking van de administratie, laat staan een bezwarende beschikking, voorafgaand waaraan de belanghebbende gehoord zou hebben kunnen worden. Het gaat in casu om het recht om gehoord te worden voorafgaand aan het besluit op bezwaar (het Bob), dus om gehoord te worden alvorens de administratie beslist op een bezwaar ingediend tegen een beschikking of tegen die eigen voldoening op aangifte. Ook het hoorrecht in bezwaar is een algemeen beginsel van EU-recht, nu immers ook een ongegrondverklaring van een bezwaarschrift een bezwarende individuele beschikking is. 5.3 Beide hoorrechten zijn inmiddels gecodificeerd in art. 41
(2)(
- a)Handvest, maar alleen voor zover het gaat om bezwarende beschikkingen van EU-instanties, zodat deze bepalingen niet gelden voor nationale beschikkingen: “1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. 2. Dit recht behelst met name:
- a)het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;
- b)het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim;
- c)de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden.” 5.4 Art. 47 Handvest luidt: “Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.” Rechtspraak 5.5 De zaak Mediocurso betrof twee beschikkingen van de Europese Commissie tot verlaging van de bijdrage uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) wegens onrechtmatigheden. De bevoegde Portugese instantie (DAFSE) had Mediocurso’s boeken laten onderzoeken door een accountant, die DAFSE twee rapporten had gestuurd die op onregelmatigheden wezen die verlaging van de bijdrage zouden rechtvaardigen. DAFSE heeft Mediocurso daarvan op de hoogte gesteld tijdens een vergadering, waarbij Mediocurso geen opmerkingen maakte. De volgende dag al kreeg Mediocurso van DAFSE met verzoek tot terugbetaling. Mediocurso heeft die terugvordering aangevochten. Het HvJ EG overwoog (in hoger beroep) als volgt over de vraag of Mediocurso naar behoren haar standpunt kenbaar had kunnen maken: “36. (…), dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure tegen iemand die tot een bezwarend besluit kan leiden, een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht vormt, dat zelfs bij ontbreken van elke regeling betreffende de procedure in acht moet worden genomen. Zoals uit punt 21 van het (…) arrest Commissie/Lisrestal e.a. volgt, vereist dat beginsel, dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken. 37. Onderzocht moet dus worden, of rekwirante in staat is gesteld om naar behoren haar standpunt kenbaar te maken over de rapporten van het accountantskantoor Audite die aan de conclusies van het DAFSE en de Commissie ten grondslag liggen, en over de brief van 11 september 1991 waarbij het DAFSE rekwirante in kennis stelde van zijn conclusies. 38. Met betrekking tot de rapporten (…) blijkt uit het dossier, dat deze op 10 september 1991 aan rekwirante zijn meegedeeld. Er is haar echter geen redelijke termijn gegund tussen het tijdstip waarop zij kennis van die rapporten kon nemen en het tijdstip waarop zij haar mening moest geven. Rekwirante werd immers nog op de dag zelf waarop de rapporten haar tijdens een vergadering ter kennis zijn gebracht, verzocht haar opmerkingen over die rapporten te maken. Vastgesteld moet worden, dat rekwirante in die omstandigheden niet de mogelijkheid heeft gehad om zich naar behoren over die documenten te uiten. 39. De vergadering van 10 september 1991 is gevolgd door de brief van het DAFSE van 11 september 1991. Volgens de Commissie had rekwirante na die brief niet moeten volstaan met het instellen van een beroep bij de nationale rechter, maar had zij formeel haar opmerkingen over die brief moeten indienen, zodat die door het DAFSE aan de Commissie konden worden meegedeeld. De Commissie is van mening, dat het Gerecht (…) terecht heeft geconcludeerd, dat rekwirante zich niet kan beroepen op het feit dat haar eventuele opmerkingen niet aan de Commissie zijn meegedeeld, nu zulks het gevolg is van haar eigen verzuim. 40. Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat rekwirante in de brief van het DAFSE van 11 september 1991 niet is verzocht om haar opmerkingen over een voorgenomen vermindering van de bijstand te maken. De brief bevatte integendeel een verzoek tot terugbetaling waarin niet om commentaar, maar enkel om terugbetaling werd verzocht. 41. In die omstandigheden mocht rekwirante ervan uitgaan, dat zij geen andere keuze had dan voor de rechter tegen dat verzoek opkomen. 42. (…) moet hieraan nog worden toegevoegd, dat rekwirante geen enkele andere gelegenheid is gegeven om haar standpunt naar behoren kenbaar te maken. In het bijzonder heeft de Commissie haar geen enkele ontwerpbeschikking doen toekomen, waarover zij dan eventueel opmerkingen had kunnen maken. Blijkens de stukken is rekwirante, nadat het DAFSE op 22 september 1995 de resultaten van het (…) financiële onderzoek aan de Commissie had gezonden, op eigen verzoek enkel in staat gesteld om het dossier van het ESF te raadplegen. Na lezing van dat dossier heeft zij zich gerealiseerd, dat het debetnota's bevatte waarbij de door haar terug te betalen bedragen waren vastgesteld - nota's die overigens door de Commissie zijn ingetrokken nadat rekwirante bij het Gerecht beroep had ingesteld. Daaruit volgt, dat die nota's geen geldig ontwerp van een beschikking vormden waarover rekwirante in het kader van de uitoefening van het recht om gehoord te worden haar mening had kunnen geven. 43. Nu rekwirante niet door of namens de Commissie is verzocht om binnen een redelijke termijn haar opmerkingen in te dienen over de documenten waaruit de haar verweten feiten blijken en over de grondslag waarop de Commissie de beschikkingen van 14 augustus 1996 heeft vastgesteld, moet ervan worden uitgegaan, dat rekwirante niet in staat is gesteld haar standpunt over de tegen haar in aanmerking genomen elementen naar behoren kenbaar te maken.” 5.6 De zaak Sopropé betrof eveneens een Portugese onderneming. Zij importeerde schoenen uit Azië. Controle wees op gebruik van valse oorsprongscertificaten en documenten. Sopropé kreeg acht dagen om te reageren op de bevindingen. Vrijwel meteen na haar reactie werd haar door de douane meegedeeld dat haar reactie geen aanleiding gaf tot wijziging van de naheffing en kreeg zij tien dagen om te betalen. Sopropé achtte zich door die korte termijnen, met name door het min of meer meteen verwerpen van haar reactie, in haar verdedigingsrecht geschaad. Het HvJ overwoog als volgt: “36 De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. 37 Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (zie (…) Commissie/Lisrestal e.a., punt 21, en Mediocurso/Commissie, punt 36). 38 Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke communautaire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit. Wat de tenuitvoerlegging van dit beginsel en meer bepaald de termijnen voor de uitoefening van de rechten van de verdediging betreft, dient te worden gepreciseerd dat deze, wanneer zij - zoals in het hoofdgeding - niet door het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, door het nationale recht worden bepaald, met dien verstande dat zij even lang moeten zijn als die waarover particulieren of ondernemingen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties beschikken en de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. (...). 49 De regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Hij beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. 50 De eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert bijgevolg dat de administratie met de nodige aandacht kennis neemt van de opmerkingen van de betrokken persoon of onderneming. Slechts dan kan de houder van deze rechten worden geacht de gelegenheid te hebben gekregen om zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken.” 5.7 De zaak Gollnisch voor het Gerecht van Eerste Aanleg betrof een strafrechtelijke procedure van de Franse autoriteiten tegen een lid van het Europees Parlement. Dat Parlement had op verzoek van de Franse autoriteiten de parlementaire immuniteit van de betrokkene opgeheven. Het parlementslid stelde hiertegen beroepen in, onder meer aanvoerende dat zijn verdedigingsrechten waren geschonden omdat hij gehoord had willen worden tijdens een openbaar debat. Het Gerecht las in het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geen recht op een openbaar debat, maar slechts dat de parlementariër vóór het opheffingsbesluit in staat moest zijn gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over de feiten en omstandigheden op basis waarvan dat besluit zou worden vastgesteld: “175 (…) dat, volgens vaste rechtspraak, de eerbiediging van de rechten van verdediging, en in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, in elke tegen een persoon gerichte procedure die tot een voor deze laatste bezwarende handeling kan leiden, een grondbeginsel van het recht van de Unie is, dat zelfs bij ontbreken van een regeling betreffende de betrokken procedure in acht moet worden genomen (arrest Hof (…), Commissie/De Bry, C‑344/05 P, Jurispr. blz. I‑10915, punt 37, en arrest Gerecht (…), Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, Jurispr. blz. II‑3967, punt 91). Dit beginsel is overigens opgenomen in artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest van de grondrechten. 176 Op grond van dit beginsel moet de belanghebbende vóór de vaststelling van het hem betreffende besluit in staat zijn gesteld om zinvol zijn standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de feiten en omstandigheden op basis waarvan dit besluit is vastgesteld (zie in die zin arresten Hof (…) Buchler/Commissie, 44/69, Jurispr. blz. 733, punt 9, en (…) Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, Jurispr. blz. I‑8147, punt 99). 177 Hieruit volgt dat overeenkomstig deze beginselen een besluit niet mag worden vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden waarover de betrokkene zijn standpunt niet nuttig kenbaar heeft kunnen maken vóór het besluit werd vastgesteld. 178 Het recht om te worden gehoord impliceert echter niet dat in elke tegen een persoon gerichte procedure die tot een voor deze laatste bezwarende handeling kan leiden, een openbaar debat moet worden gehouden.” 5.8 In de zaken Kamino en Datema Hellmann ging het om twee douane-expediteurs die voor een belanghebbende aangiften deden. Naar aanleiding van een Nederlandse douanecontrole werden hen uitnodigingen tot betaling (utb’
- s)uitgereikt. Zij klaagden dat zij vóór uitreiking van de utb’s niet in de gelegenheid waren gesteld hun standpunten aan de inspecteur kenbaar te maken. Nederland betoogde dat het voldoende was dat de expediteurs op hun verzoek in de bezwaarfase worden gehoord (art. 25
(1)AWR). Het HvJ achtte dat niet voldoende als indiening van bezwaar de (financiële) gevolgen van de utb niet schorst, maar overwoog ook dat schending van de vooraf-horen-plicht alleen tot nietigverklaring van het zonder horen opgelegde bezwarende besluit leidt als de procedure mét horen naar behoren een andere afloop zou kunnen hebben gehad: “
- (…) moet (…) worden geantwoord dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en in het bijzonder het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de adressaat van een in een procedure tot navordering van invoerrechten op grond van het douanewetboek vastgestelde uitnodiging tot betaling niet voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit is gehoord door de administratie, zijn rechten van de verdediging worden geschonden, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase, indien de nationale regeling de adressaten van die uitnodigingen niet toestaat, wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan te verkrijgen. Dat is in ieder geval zo indien de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van het douanewetboek die opschorting beperkt wanneer er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.(…).
- (…) moet (…) worden geantwoord dat de voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd, en de gevolgen van de schending van die rechten worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel). De nationale rechter, die verplicht is om de volle werking van het Unierecht te waarborgen, kan bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, rekening ermee houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.” 5.9 In de zaak Mukarubega overwoog het HvJ dat het verdedigingsbeginsel niet kan worden gebruikt om een administratieve procedure nodeloos te rekken of eindeloos te heropenen: “68 Mukarubega heeft (…) niet betwist dat zij (…) naar behoren en daadwerkelijk over haar asielverzoek was gehoord in zodanige omstandigheden dat zij alle gronden voor haar verzoek had kunnen uiteenzetten. Mukarubega verwijt de bevoegde nationale autoriteiten met name dat zij haar niet hebben gehoord over de wijzigingen die zich tussen de datum van indiening van haar asielverzoek en de datum van vaststelling van het eerste terugkeerbesluit — een periode van 33 maanden — in haar persoonlijke situatie hebben voorgedaan. 69 Dat argument faalt, want Mukarubega is een nog tweede keer over haar asielverzoek gehoord, namelijk op 17 juli 2012 door de CNDA, dat wil zeggen zes weken vóór de afwijzing van haar asielverzoek door die instantie en iets meer dan drie maanden vóór het eerste terugkeerbesluit. 70 Mukarubega heeft dus naar behoren en daadwerkelijk haar opmerkingen over de onrechtmatigheid van haar verblijf kunnen maken. De verplichting om voorafgaand aan de vaststelling van het terugkeerbesluit haar daarover specifiek te horen, zou dus de administratieve procedure nodeloos rekken zonder dat dit tot een verbetering van de rechtsbescherming van de betrokkene leidt. 71 In dat verband moet (…) worden opgemerkt dat het recht om voorafgaand aan de vaststelling van een terugkeerbesluit te worden gehoord, niet mag worden gebruikt om de administratieve procedure eindeloos te heropenen teneinde het evenwicht te bewaren tussen het fundamentele recht van de betrokkene om voorafgaand aan de vaststelling van een voor hem bezwarend besluit te worden gehoord, en de verplichting van de lidstaten om illegale immigratie te bestrijden.” 5.10 Prequ’Italia betrof een bedrijf waaraan zonder voorafgaand horen tien BTW-naheffingen waren opgelegd wegens invoer van douanegoederen. De Italiaanse verwijzend rechter wilde weten of het verdedigingsbeginsel voldoende wordt gerespecteerd als een aanslag wordt opgelegd zonder voorafgaand horen en de invordering ervan alleen op verzoek van de aangeslagene wordt opgeschort. Het HvJ eiste geen automatische schorsing van de aanslag door instellen van bezwaar of beroep ondanks niet vooraf horen van de belastingplichtige: “48 In het hoofdgeding legt de betrokken nationale regeling de administratieve overheid, die douanecontroles uitvoert, niet de verplichting op om de adressaat van een rectificatieaanslag te horen alvorens de vaststellingen te herzien en eventueel te corrigeren. Deze regeling bevat dus in beginsel een beperking van het recht van de adressaat van een rectificatieaanslag om te worden gehoord, ook al kan hij zijn standpunt doen gelden in het stadium van een later administratief bezwaar. 49 In dit verband herinnert het Hof eraan dat de regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, tot doel heeft, de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Deze regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, hen in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt ge