← Nederland

ECLI:NL:PHR:2020:19

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/00926 Zitting 10 januari 2020 CONCLUSIE E.B. Rank-Berenschot In de zaak [eiser] eiser tot cassatie advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij tegen 1

§ 12en Mv

A § 4.7, niet anders verstaan dan dat [eiser] de stelling betrokken heeft dat hij [betrokkene 4] een gebruiksrecht verleende, althans gedoogde dat [betrokkene 4] en zijn vrouw de deur en de steeg gingen gebruiken of bleven gebruiken. Die stelling brengt volgens het subonderdeel derhalve mee dat [betrokkene 4] , in ieder geval vanaf medio jaren ’90, slechts houder (in de zin van detentor) was voor [eiser] , zodat [betrokkene 4] , indien hij voordien al bezitter geweest zou zijn van een erfdienstbaarheid van voetpad over de steeg, hij, [betrokkene 4] in beginsel houder voor [eiser] werd en nadien gebleven is (art. 3:111 BW). Een dergelijke interversie van (beweerdelijk) bezitter naar houder (in de zin van detentor) is mogelijk. Althans, laatstgenoemde stelling impliceert volgens het subonderdeel dat geen sprake is van ondubbelzinnig bezit. 2.93 Volgens subonderdeel 6.2 is een toereikende respons op die stelling niet het oordeel van het hof dat de “verklaring over de noodzaak van [e]en doorgang vanwege rolstoelafhankelijkheid van de echtgenote van [betrokkene 4]” geen steun zou vinden in andere verklaringen, welk oordeel onbegrijpelijk is. Die stelling van [eiser] vindt namelijk steun in zowel de verklaring van klusjesman [betrokkene 7], als die van [betrokkene 6], terwijl - gezien het oordeel van het hof in rov. 4.12 - hetgeen [betrokkene 4] verklaard heeft niet maakt dat het bedoelde oordeel wel een toereikende respons zou zijn, aldus het subonderdeel. 2.94 Deze subonderdelen falen. Het hof heeft de stellingen van [eiser] dat hij [betrokkene 4] een tijdelijk gebruiksrecht zou hebben verleend kennelijk reeds verworpen op grond van de innerlijke tegenstrijdigheid c.q. vaagheid van de verklaringen van [eiser] (en diens klusjesman [betrokkene 7] ), zoals omtrent de aard van de werkzaamheden van [betrokkene 7] (enkel het weghalen van overtollige begroeiing dan wel het creëren van een doorgang die er niet was) en het tijdstip waarop (door [eiser] zelf en/of [betrokkene 7] ) voor het eerst een doorgang zou zijn gemaakt (1990, 1995, 1996, 1997 althans 1999). Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Verder blijkt uit de in subonderdeel 6.2 genoemde getuigenverklaring van [betrokkene 6] niet dat de doorgang noodzakelijk was vanwege rolstoelafhankelijkheid van de echtgenote van [betrokkene 4] , terwijl in de (tijdens zijn verhoor als getuige bevestigde) schriftelijke verklaring van [betrokkene 7] waarnaar het subonderdeel verwijst, wordt gerept van het weghalen van begroeiing en aldus niet ondubbelzinnig blijkt van het voor het eerst creëren van een opening in de erfafscheiding. 2.95 Volgens subonderdeel 6.3 vitieert hetgeen waarover de subonderdelen 6.1 en 6.2 klagen tevens het oordeel van het hof in rov. 4.5 dat uit de verklaringen en stellingen van [eiser] volgt dat geen sprake is van gedogen of toestemming. 2.96 Deze voortbouwklacht stuit reeds af op het falen van de subonderdelen 6.1 en 6.

  1. Verder ziet zij eraan voorbij dat het oordeel van het hof in rov. 4.5 dat “uit de stellingen van [eiser] volgt (…) dat feitelijk geen sprake is geweest van gedogen of toestemming”, berust op de in rov. 4.6 - in cassatie als zodanig niet bestreden - vaststelling dat [eiser] zelf heeft verklaard dat hij de opvolgende eigenaren van [a-straat 1] steeds erop heeft gewezen dat er geen recht van overpad was (mogelijk met uitzondering van [betrokkene 5] ). Zie hiervoor onder 2.
  2. - Onderdeel 7: onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd oordeel dat [verweerder] en hun rechtsvoorgangers zich “met reden” als rechthebbenden hebben beschouwd 2.97 Onderdeel 7 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.13 dat de opvolgende eigenaren van [a-straat 1] zich “met reden” als rechthebbenden hebben beschouwd, onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is, indien en voor zover het hof met dit oordeel tot uiting gebracht zou hebben dat deze opvolgende eigenaren te goeder trouw zich als gerechtigden beschouwd zouden hebben. 2.98 Dit onderdeel faalt. Het hof heeft immers geoordeeld dat van goede trouw geen sprake is (rov. 4.3-4.4, waarover hiervoor onder 2.38-2.40) en het heeft zijn oordeel dat [verweerder] een erfdienstbaarheid van weg heeft verkregen door verjaring dienovereenkomstig gegrond op art. 3:105 jo. 3:306 BW (rov. 4.13). Zo het onderdeel dus al geen feitelijke grondslag ontbeert, faalt het in ieder geval bij gebrek aan belang. - Onderdeel 8: algemene voortbouwklacht 2.99 De algemene voortbouwklacht in onderdeel 8 faalt in het kielzog van de onderdelen 1 tot en met
  3. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Ontleend aan rov. 2.1-2.4 van het in cassatie bestreden arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van [a-straat 2] november 2018, zaaknummer 200.152.
  4. De percelen zijn afgebeeld op de kadastrale kaart, overgelegd als prod. 2 bij inleidende dagvaarding. Zie de foto’s gehecht aan het proces-verbaal van descente en comparitie van partijen ter plaatse van 13 april
  5. De rechtbank Oost-Nederland is op 1 april 2013 gesplitst in de rechtbank Gelderland en de rechtbank Overijssel. Deze zaak is per die datum door de rechtbank Gelderland behandeld. Ontleend aan rov. 3.1 van het in cassatie bestreden arrest. Rb. Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, 13 maart 2013, zaaknummer/rolnummer: C/05/235825/HA ZA 12-
  6. Rb. Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 12 februari 2014, zaaknummer/rolnummer: C/05/235825/HA ZA 12-
  7. Zie voor de verklaring van [betrokkene 3] : proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 25 juni 2013, p.
  8. Zie voor de verklaringen van [betrokkene 4] : inl. dagv. prod. 13 en proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 25 juni 2013, p. 7-
  9. Zie voor de verklaringen van [betrokkene 5] : inl. dagv. prod. 14 en proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 25 juni 2013, p.
  10. Zie voor de verklaringen van [betrokkene 2] : inl. dagv. prod. 12 en proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 25 juni 2013, p. 5 en akte overlegging producties van 19 september 2018, prod. 22 . Zie voor de verklaringen van [eiser] : proces-verbaal van descente en van comparitie, gehouden op 26 februari 2013, p. 3; proces-verbaal van tegenverhoor, gehouden op 4 december 2013, p. 2 en proces-verbaal van descente en comparitie van partijen ter plaatse van 13 april 2015, p.
  11. Zie voor de verklaringen van [betrokkene 6] : CvA, prod. 1 en proces-verbaal van tegenverhoor, gehouden op 4 december 2013, p.
  12. Zie voor de verklaring van [betrokkene 8] : proces-verbaal van tegenverhoor, gehouden op 4 december 2013, p.
  13. Zie voor de verklaring van [betrokkene 9] : MvA, prod.
  14. Zie voor de verklaringen van [betrokkene 7] : CvA, prod. 3 en proces-verbaal van tegenverhoor, gehouden op 4 december 2013, p.
  15. Zie voor de verklaring van [betrokkene 10] : prod. 2 bij brief van 17 september 2018 van [eiser] . Vgl. tussenvonnis van 13 maart 2013, rov. 4.
  16. Zie aldus inleidende dagvaarding nr.
  17. Vgl. tussenvonnis van 13 maart 2013, rov. 4.
  18. Inleidende dagvaarding nrs. 16-33 en
  19. Zie ook MvG nrs. 10-23 en 28-
  20. Onder verwijzing naar HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147, NJ 1997/496 m.nt. W.M. Kleijn. Onder verwijzing naar HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6588, NJ 2010/294 m.nt. F .M.J. Verstijlen. Inleidende dagvaarding nrs. 34-
  21. Zie ook MvG nrs. 24-
  22. Inleidende dagvaarding nrs. 37-
  23. Zie ook MvG nrs. 36-
  24. Inleidende dagvaarding nrs. 45-
  25. Zie ook MvG nrs. 60-
  26. Aldus, naast de hiervoor genoemde vindplaatsen, expliciet MvG nr. 6 jo. nr.
  27. Hetgeen hierna wordt uiteengezet onder 2.10-2.12 en 2.19-2.24 is (grotendeels) ontleend aan par. 2.2.1-2.2.8 van mijn conclusie voor HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders (Gemeente Heusden/verweerders). Hierbij geldt de optelregel van art. 3:102 BW. Aldus o.m. H.W. Heyman, S.E. Bartels en V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties: overdracht, 2019/626-627, met verwijzing naar o.m. HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6588, NJ 2010/294 m.nt. F .M.J. Verstijlen (erfdienstbaarheid niet in de ingeschreven akte vermeld) en HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1197, RvdW 2018/900 (akte niet ingeschreven). Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/
  28. TM, VV II en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 416-
  29. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p.
  30. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p.
  31. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p.
  32. HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2463, RvdW 2015/939, rov. 3.
  33. HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5324, NJ 2012/484, rov. 3.
  34. HR 25 maart 1983, ECLI:NL:PHR:1983:AG4559, NJ 1984/144 m.nt. W.M. Kleijn. Zie uitgebreid over het onderscheid zichtbaar-niet zichtbaar en voortdurend-niet-voortdurend: K. F .M. Berger, Burenrecht, mandeligheid, erfdienstbaarheden, 2001, p.
  35. Parl. Gesch. Boek 5, p. 260–
  36. Parl. Gesch. Boek 3, p.
  37. Zie uitgebreid Van Vliet, NTBR 2004/5, p. 212 en NTBR 2010/37, p. 310 onder verwijzing naar nr. 13 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0261, NJ 2004/38 ([.../...]). Aldus TM, Parl. Gesch. Boek 3, p.
  38. Asser-Mijnssen-De Haan-Van Dam, 2006, nr.
  39. HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826, NJ 1993/178 (Baayens-Frunt/Wijers), rov. 3.
  40. HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7496, NJ 1980/549 m.nt. W.M. Kleijn (Schellekens/Braam). Zie A-G Van Soest, conclusie voor het arrest Schellekens/Braam, en A-G De Vries Lentsch-Kostense, conclusie (onder 10) voor het arrest Baayens Frunt/Weijers. Vgl. plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie (onder 9) voor HR 30 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8086, RvdW 2011/
  41. Vgl. Verstijlen in zijn noot (onder 6) bij HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7601, NJ 2009/
  42. Vgl. A-G Van Soest in zijn conclusie voor, en W.M. Kleijn in zijn noot (nr. 2) onder HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7496, NJ 1980/549 (Schellekens/Braam). TM bij art. 3:99 BW, Parl. Gesch. Boek 3, p.
  43. P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, 2018, p.
  44. Zie over ondubbelzinnig bezit voorts Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/
  45. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141 m.nt. H.J. Snijders (Gemeente Heusden/verweerders). HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78 m.nt. F .M.J. Verstijlen, rov. 3.4.
  46. HR 3 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2060, NJ 1996/501 (Huizing/NSAW), rov. 5.1.2 en 6.2.
  47. Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/
  48. S.E. Bartels, AA 2010, p.
  49. L.P.W. van Vliet, NTBR 2004/5, p. 212-
  50. P. van Es, Verkrijging door verjaring, 2018, p. 26-
  51. HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147, NJ 1997/496 m.nt. W.M. Kleijn (Dilweg/Van den Besselaar). Zie over dit arrest ook K. F .M. Berger, Burenrecht, mandeligheid, erfdienstbaarheden, 2001, p. 147-
  52. Zie over het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bestemming: K. F .M. Berger, Burenrecht, mandeligheid, erfdienstbaarheden, 2001, p. 169-
  53. Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense vóór HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147, NJ 1997/496 (Dilweg/Van den Besselaar). HR 27 mei 1950, ECLI:NL:HR:1950:213, NJ 1951/197 m.nt. DJV en HR 25 maart 1983, ECLI:NL:PHR:1983:AG4559, NJ 1984/144 m.nt. W.M. Kleijn. Zie ook nog HR 30 juni 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6326, NJ 1979/117 m.nt. W.M. Kleijn, met betrekking tot een erfdienstbaarheid van in- en uitvaart resp. doorvaart, waarnaar A-G De Vries Lentsch-Kostense eveneens verwijst in haar conclusie. Noot W.M. Kleijn onder HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147, NJ 1997/496 (Dilweg/Van den Besselaar). HR 24 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2970, NJ 2000/ 18 m.nt. W.M. Kleijn ( [.../...]). Zie over dit arrest ook K. F .M. Berger, Burenrecht, mandeligheid, erfdienstbaarheden, 2001, p.
  54. Zie o.m. de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense (onder 12) voor HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0261, NJ 2004/38 ([.../...]) en J.A.J. Peter, GS Zakelijke rechten, art. 5:72, aant. 3.3.
  55. Zie o.a. A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, 2018, p. 417 en 630; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/195; J.G. Gräler, Mon. BW nr. B27 2014/42.3; K. F .M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden, 2001, p. 164-165; R.L. Albers-Dingemans, WPNR 1995/6191, p. 558 en WPNR 1995/6204, p. 822-823; A.C. Wibbens-de Jong, WPNR 1995/6204, p. 832-833 en WPNR 1996/6225, p.
  56. Zie anders: W. Glazenborg & J.H.M. van Swaaij, WPNR 1995/6196, p. 649-650 en WPNR 1995/6204, p. 823-
  57. Zie hiervoor onder 2.
  58. Zie hiervoor onder 2.
  59. Voor goede trouw is immers vereist dat een bezitter zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (art. 3:118 lid 1 BW). Zie ook inleidende dagvaarding, nr.
  60. Zie hiervoor, onder 2.46 (b), (c) en (d). Zie hiervoor, onder 2.46 (a). Er heeft – ook in hoger beroep – een descente plaatsgevonden waarbij de raadsheer-commissaris, griffier en partijen het pad en de tuinen van [a-straat 1] en [a-straat 4] hebben bezichtigd, en waarbij de griffier ter plaatste foto’s heeft gemaakt. Zie p. 1/2 van het proces-verbaal van descente en comparitie van partijen ter plaatse van 13 april
  61. Dat dit uit de feitelijke situatie blijkt is niet onbegrijpelijk. Uit de feitenvaststelling van het hof (zie hiervoor, onder 1.1 (iv)) blijkt immers dat (i) er vanaf het perceel van [betrokkene 1] - eigenares van de woning [a-straat 4] , welke woning achter de woningen [a-straat 2] / [a-straat 3] van [eiser] ligt - ook een deur is die toegang geeft tot de steeg en die deur ongeveer tegenover de tuinpoort van [verweerder] is gelegen, en (ii) [betrokkene 1] sinds de splitsing in 2009 een recht van erfdienstbaarheid van weg heeft. Getuige [betrokkene 3] was bewoner van [a-straat 1] van 1983-
  62. Hij zou hebben verklaard dat hij er altijd vanuit is gegaan dat de steeg, door hem openbare ruimte genoemd, openbaar was en bestraat was in lijn met het trottoir. Deze verklaring is voor de periode na 1989 niet relevant. Daaraan doet niet af dat getuige [betrokkene 4] zich volgens de optekening van het hof in rov. 4.5 (mede) zou hebben beroepen op een gewoonterecht. Deze behelst een wat ongelukkige samenvatting van de schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] (zie inl. dagv., prod 13). Daaruit blijkt dat [betrokkene 4] het woord ‘gewoonterecht’ slechts heeft gebruikt om op een andere manier te zeggen dat er in de periode dat hij eigenaar was van [a-straat 1] steeds een recht van overpad heeft bestaan op grond van een erfdienstbaarheid. Zie ook de getuigenverklaring van [betrokkene 4] (p-v van getuigenverhoor van 25 juni 2013): “U houdt mij voor dat ik heb verklaard (lees: in de verklaring die als tweede bladzijde van prod. 13 bij dagvaarding is overgelegd, toev. A-G): mijn vrouw en ik hebben dat pand gekocht met het recht van overpad en hebben dan ook ALTIJD het pad en de bijbehorende poort gebruikt voor de fietsen en om achterom te lopen. Ik blijf bij die verklaring. Ik voeg daar nu aan toe dat ik een halve dag niet van de doorgang gebruik heb kunnen maken omdat [eiser] die had versperd met een grote plank. Ik heb [eiser] toen opgebeld en hem verteld dat ik recht had om van die doorgang gebruik te maken vanwege een recht van erfdienstbaarheid (…)”. Het subonderdeel verwijst naar o.m. HR 24 februari 2017, NJ 2018/141, rov. 3.3.2, met verwijzing naar HR 15 januari 1993, NJ 1993/178, rov. 3.
  63. Verwezen wordt naar de appelpleitnota (p. 10) zijdens [eiser] en het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 juni 2013 (p. 7). Het subonderdeel verwijst naar TM., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 428: “Het artikel doet verder uitkomen, dat de interne wil om als eigenaar op te treden, een animus domini, voor het zijn van bezitter van geen betekenis is. Het zijn uiterlijke feiten, waaraan in het verkeer een erkenning van bezit geknoopt wordt, die voor het zijn van bezitter beslissend zijn, al zijn dit feiten die in de regel op het bestaan van een animus domini wijzen.” Verwezen wordt naar Rank-Berenschot, T&C BW, art. 3:109 BW, aant. 2, onder verwijzing naar Van Schaick, Rechtsgevolgen van bezit en houderschap (Mon. BW, nr. A14), 2014/76, en Hof Arnhem 28 september 2004, NJF 2005/177, in welk arrest (rov. 4.9) geoordeeld is „dat ook wat betreft de regel dat aan houderschap het vermoeden van bezit behoort te worden ontleend (art. 3:109 BW) een uitzondering moet worden gemaakt voor het geval dat vaststaat dat de wederpartij rechthebbende is geweest en de houder zich niet kan beroepen op een verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is. Steun voor deze uitleg ligt besloten in de bepaling van artikel 6:174 lid 5 BW, dat wat betreft de aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal bepaalt dat degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal is ingeschreven, wordt vermoed de bezitter van de opstal te zijn.” Verwezen wordt naar inleidende dagvaarding nrs. 14, 47 en 48, en MvG nrs. 2 en
  64. HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7601, NJ 2009/1 m.nt. F .M.J. Verstijlen. Vgl. F .J.P. Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:105 BW. Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/
  65. Vgl. Van Schaik, Rechtsgevolgen en functies van bezit en houderschap (Mon. BW nr. A14) 2014/
  66. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/63, waar - onder verwijzing naar het arrest [.../...] – wordt betoogd: “Evenzeer is denkbaar dat de eiser vordert dat de verweerder wordt veroordeeld om een erf te ontruimen, primair omdat de eiser door verkrijgende verjaring eigenaar van dat erf is geworden, subsidiair omdat de eiser door verkrijgende verjaring gerechtigde is geworden tot een recht van erfpacht op dat erf. In verband met het vereiste van ondubbelzinnig bezit gaan deze standpunten niet samen, maar in verband met de geobjectiveerde duiding van het bezit ex art. 3:108 BW kunnen ze wel na elkaar worden bepleit.” Zie ook Verstijlen in zijn noot (onder 10) bij HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2743, NJ 2016/78, waar hij over het arrest [.../...] opmerkt: “Ik zou evenwel menen dat een dergelijke alleszins gebruikelijke combinatie van vorderingen niet een ‘objectieve aanwijzing’ is die aan bezit in de weg staat.” Vgl. HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6496, NJ 2012/97: het bezit van een recht van buurweg wettigt het voor tegenbewijs vatbare vermoeden dat sprake is van een bestemming tot buurweg. Verwezen wordt naar CvA-§ 17, Proces-verbaal van comparitie van 26 februari 2013 (blz. 3), Proces-verbaal van tegengetuigenverhoor van 4 december 2013 (blz. 2), Antw.

§§ 10t/m 12, Proces-verbaal van descente en comparitie ter plaatste van 13 april 2015 (blz. 3), en Mv

A-§§ 4.7, 4.15 en 4.62 (incl. het specifieke bewijsaanbod). Verwezen wordt naar Antw.

§ 12

. In noot 22 van de procesinleiding wordt opgemerkt: “In deze Antw

§ 12

stelt [eiser] (onderstreping toegevoegd): „Getuige [betrokkene 7] verklaart helder en duidelijk, dat de opening niet vóór 2005 is aangebracht. Al zou je nog enige marge nemen, dan kan deze niet tot vóór 1992 worden opgerekt. En zelfs als dat wel het geval zou zijn geweest, is er geen sprake geweest van bezit aan de zijde van toen nog [betrokkene 4] , omdat [eiser] [betrokkene 4] toen een gebruiksrecht verleende.” [eiser] heeft in MvA-§ 4.7 gesteld (onderstreping toegevoegd): „Bovendien geldt dat [eiser] [betrokkene 4] (de rechtsvoorganger van [verweerder] ) er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat hij kon instemmen met de tijdelijke doorgang omdat de echtgenote van [betrokkene 4] slecht ter been was en tijdelijk in een rolstoel zat. [eiser] heeft daarmee geenszins een recht aan [verweerder] toegekend, doch zich slechts bereid getoond om de situatie gezien de omstandigheden die zich destijds voordeden tijdelijk te gedogen. Een en ander is in lijn met het feit dat [eiser] de opening in de scheidsmuur, toen [betrokkene 4] zijn huis te koop zette, direct weer heeft afgesloten. Dit laatste wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 7] . Zoals reeds in de conclusie van antwoord in eerste aanleg door [eiser] betoogd, is een gedoogde handeling onvoldoende om tot de conclusie van bezitsverkrijging te komen (Hoge Raad 3 mei 1996, NJ 1996, 501).” Tenzij, zo wordt gesteld in voetnoot 23 van de procesinleiding, [verweerder] stelt - en zo nodig bewijst - dat daarin verandering is gebracht. Verwezen wordt o.m. naar HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1763, NJ 2011/291 m.nt. [A] .M.J. Verstijlen, rov. 3.7. Het onderdeel verwijst naar het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor van 4 december 2013 (blz. 4). Het onderdeel verwijst naar het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor van 4 december 2013 (blz. 3). Prod. 3 bij CvA. De woorden ‘met reden’ lijken veeleer uit te drukken dat begrijpelijk is dat de onjuiste veronderstelling dat een erfdienstbaarheid van weg was gevestigd ertoe heeft geleid dat de rechtsvoorgangers van [verweerder] zich feitelijk als rechthebbenden hebben beschouwd op de erfdienstbaarheid van weg (hoewel dat geen goede trouw in juridische zin meebrengt). Zie rov. 4.4.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.