PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 17/02047 A Zitting 14 januari 2020 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte. De verdachte is bij vonnis van 6 april 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof), wegens het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES, telkens in eendaadse samenloop met: medeplegen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumwet 1960 BES, opzettelijk gepleegd, voorbereiden en bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen, door zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit trachten te verschaffen of door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd” en het onder 3 bewezenverklaarde “Deelnemen aan eene organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Het vonnis van het hof vermeldt dat het bij verstek is gewezen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. I.N. Weski, beiden advocaat te Rotterdam, hebben bij schriftuur alsmede aanvullende schriftuur (in totaal) vier middelen van cassatie voorgesteld. Alvorens aan de bespreking van de middelen toe te komen, bespreek ik de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep. Bij de stukken die naar de Hoge Raad zijn gezonden bevindt zich een begeleidende brief van [betrokkene 1] , senior gerechtssecretaris bij het hof, van 2 maart 2018. Die brief houdt, voor zover relevant, het volgende in: “Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, kan een verdachte geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen. Gelet daarop, alsmede gezien de huidige werkbelasting van het hof, is volstaan met het opmaken van een verkort-proces-verbaal van de terechtzitting waarop de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. Mocht de Hoge Raad te zijner tijd bij de behandeling van het cassatieberoep van oordeel zijn dat een verkort proces-verbaal niet volstaat, dan verneem ik dat uiteraard graag van u.” 5. Het vonnis van het hof is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 maart 2015, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2017 in Curaçao. Ten aanzien van laatstgenoemd proces-verbaal is namens de verdachte aan de rolraadsheer tijdig om een uitgewerkte versie verzocht. Het opvragen van dat document door een griffiemedewerker van de Hoge Raad leverde toezending van een kopie (volgens de voorzitter die over de zaak geoordeeld heeft: conform het origineel) van het zich reeds bij de stukken bevindende verkorte proces-verbaal van de betreffende terechtzitting op. Voorts vraagt de griffier F. Kruiswijk in het begeleidend schrijven bij de toezending van dat stuk ook aandacht voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep – voor zover relevant – als volgt: “Op 16 maar[t] 2017 is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen. Blijkens mededeling van de raadsvrouw ter terechtzitting was hij wel op de hoogte van de zitting van heden, maar kon hij wegens verblijf in het buitenland niet verschijnen. Ter terechtzitting van 26 mei 2016 was reeds verstek tegen de verdachte gewezen en het onderzoek ter zitting is wegens een gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen. Het hof heeft vervolgens op 6 april 2017 vonnis gewezen waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld. Tegen dit verstekvonnis is door de verdachte (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Curaçao staat tegen dit bij verstek gewezen vonnis echter geen cassatieberoep open. Gezien het vorenstaande zal de verdachte, door uw Raad vermoedelijk in zijn beroep in cassatie niet ontvankelijk worden verklaard, reden waarom het hof heeft volstaan met inzending van voornoemd verkort proces-verbaal. Hopende u hiermee voldoende te hebben ingelicht. Aangezien de griffier die op de zitting heeft gezeten niet meer werkzaam is op het hof, is deze brief door mij ondertekend.” 6. Art. 10 lid 2 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba luidt: “De verdachte kan geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen.” 7. Art. 429 lid 1 Wetboek van Strafvordering BES luidt: “Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als einduitspraak gegeven, kan degene die daarbij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, verzet doen: a. indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen hem in persoon is betekend, gedurende veertien dagen na de uitspraak; b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis hem bekend is.” 8. Op grond van art. 10 lid 2 van de Rijkswet staat voor de verdachte, die in hoger beroep bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Ingevolge voormeld wetboek heeft voor de verdachte ook niet het rechtsmiddel van verzet opengestaan zodat het beroep in cassatie niet kan worden verstaan als verzet tegen het vonnis van het Hof (vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6128, NJ 2006/420). Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. 9. Waar in de schriftuur – onder het vierde middel – nog wordt betoogd dat de ontzegging van het recht op cassatie, zoals die voortvloeit uit de Rijkswet, is strijd is met de art. 6 en 13 EVRM en derhalve niet toelaatbaar is, merk ik – ten overvloede – op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.