PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/04152 Zitting 14 januari 2020 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1. De verdachte is bij arrest van 5 juli 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken”, 2. en 3. “het medeplegen van verduistering” en 4. “het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [A] toegewezen voor een bedrag van € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, met verwijzing in de door benadeelde partij gemaakte kosten begroot op € 894,-. Tevens is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor € 25.000,-, te vervangen door 68 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A. (verder Rabobank) is toegewezen voor een bedrag van € 109.668,80, inclusief de wettelijke rente met veroordeling van verdachte in de kosten begroot op € 1.421,- en daarvoor is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van € 109.668,80, te vervangen door 297 dagen hechtenis. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Mr. J.J.E. Stassen heeft namens de benadeelde partij een verweerschrift ingediend tegen de cassatieschriftuur. 1.3. In het eerste middel wordt geklaagd over de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte eigenaar was van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde inboedel zodat hij zich niet aan verduistering en vernieling schuldig kan hebben gemaakt. In het tweede middel wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij van de Rabobank en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel omdat de Rabobank geen rechtstreekse schade heeft geleden. 1.4. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte huurde een pand waarin hij een hotel exploiteerde. De eigenaar van het pand, [A] is failliet gegaan. Op het pand rustte een hypotheekrecht van de Rabobank. De verdachte had met de Rabobank afgesproken dat hij zijn huur rechtstreeks aan de bank zou overmaken omdat de hypotheekgever, [A] , de hypotheeklasten niet voldeed. De verdachte betaalde de huur niet en moest na een vonnis van de kantonrechter het pand ontruimen. Hem is ten laste gelegd dat hij toen schade heeft toegebracht aan het pand en dat hij goederen die zich in het pand bevonden, heeft vernield dan wel verduisterd. 2Het eerste middel 2.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte eigenaar is van de inboedel zodat hij van de feiten 2, 3 en 4 dient te worden vrijgesproken, terwijl de verwerping van dat verweer onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. 2.2. Ten laste van de verdachte is onder 2, 3 en 4 bewezenverklaard dat: “1. Hij in de periode van 20 juli 2015 tot en met 23 juli 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw gevestigd aan de [a-straat 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [A] , heeft onbruikbaar gemaakt door cement te storten in de waterafvoer en de inpandige hemelwaterafvoer en in muren gaten te slaan en ruiten in te slaan en sanitair kapot te slaan en (systeem)plafonds los te trekken en/of in te slaan; 2. hij in de periode van 20 juli 2015 tot en met 23 juli 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk de inboedel (onderdelen van) een keuken en radiatoren en een airco en een ketel en een of meer alarmsystemen van een pand gevestigd aan de [a-straat 1] toebehorende aan [A] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder van genoemde inboedel en genoemd pand, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 3. hij in de periode van 15 juli 2015 tot en met 17 juli 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een schilderij, toebehorende aan [betrokkene 1] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder van een pand gevestigd aan de [a-straat 1] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 4. hij in de periode van 20 juli 2015 tot en met 23 juli 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk sanitair van een pand gevestigd aan de [a-straat 1] , toebehorende aan [A] , heeft vernield. 2.3. Het hof heeft zich, behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [A] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de Rabobank, verenigd met de gronden en beslissingen van de rechtbank en heeft onder aanvulling van gronden het vonnis van de rechtbank bevestigd. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL1700- 2015294293-1, opgemaakt en op 17 augustus 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , voor zover inhoudende als de op 17 augustus 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 2] namens [A] , inclusief bijlagen: “Op 14 juli 2015 ben ik aangesteld als curator in het faillissement van [A] is eigenaar van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te Rotterdam en heeft het pand verhuurd aan [verdachte] .[...] Op 9 juli 2015 was de ontruiming op grond van een vonnis van de kantonrechter aangezegd aan [verdachte] . Daarop is afgesproken dat de sleuteloverdracht op 23 juli 2015 zou plaatsvinden. [verdachte] heeft mij toen gedreigd omvangrijke schade in het pand te zullen aanrichten. Ik ben op 23 juli 2015 benaderd door omwonenden van het genoemde pand die mij meldden dat personen als beesten tekeer zijn gegaan in het pand. Een deurwaarder heeft een proces-verbaal van constateringen opgemaakt. Gebleken is dat [verdachte] omvangrijke vernielingen in en aan het pand heeft aangericht of heeft laten aanrichten. Er is verder cement gestort in de waterafvoer en in de inpandige hemelwaterafvoer, met als gevolg dat de afvoer onbruikbaar is geworden en dient te worden vervangen. Later is ook gebleken dat dakpannen/dakbedekking is vernield. Gebleken is dat [verdachte] de inventaris uit het pand heeft weggenomen. Blijkens de huurovereenkomst is de inventaris eigendom van de [A] Als gevolg van het faillissement lag er bovendien het faillissementsbeslag op de inventaris, met als gevolg dat hij de inventaris ook heeft onttrokken aan het beslag. Gebleken is ten slotte ook dat [verdachte] tot het pand behorende installaties (keuken, radiatoren, airco, alarmsystemen) uit het pand heeft weggenomen.” 2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schriftelijk verslag van gerechtsdeurwaarder M. de Vos, d.d. 23 juli 2015, welk geschrift voor zover van belang inhoudt: “Ten verzoeke van [betrokkene 2] heb ik, [betrokkene 3] , als gerechtsdeurwaarder, mij bevonden te Rotterdam aan het adres [a-straat 1] . Vervolgens heb ik geconstateerd: dat de ruiten van de entree van het [B] beschadigd zijn dan wel vernield; dat de inboedel in de lobby op een fauteuil en stoel na volledig is weggehaald; dat de muren van de lobby beschadigd zijn dan wel vernield, er bevinden zich gaten in de muren; dat het systeemplafond van de lobby grotendeels is vernield; dat onder de trapopgang naar de eerste verdieping een groot gat in de wand zit; dat de toiletpotten op de begane grond beschadigd zijn dan wel vernield; dat de inboedel in de bijkeuken volledig is weggehaald; dat de muren van beide trapopgangen beschadigd zijn dan wel vernield; dat in alle hotelkamers de muren en systeemplafonds zijn beschadigd dan wel vernield; dat de inboedel in alle hotelkamers op de eerste verdieping grotendeels is weggehaald; dat in de badkamers wasbakken, toiletpotten, douchecabines zijn beschadigd dan wel vernield; de ramen op de eerste verdieping zijn beschadigd danwel vernield.” 3. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL 1700- 2015308356-1, opgemaakt en op 25 augustus 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de op 25 augustus 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 1] , bestuurder van [A] : “Op 1 december 2010 heb ik een huurovereenkomst gesloten met [verdachte] en [betrokkene 4] . [verdachte] en [betrokkene 4] zijn overeengekomen dat zij een pand huren en de inboedel pachten om te gebruiken naar eigen inzicht. Vanaf het moment dat ik heb aangegeven dat ik procedures over de in de loop van de tijd gegroeide huurachterstand ging starten heeft [verdachte] mij whatsapp-berichten gestuurd waarin [verdachte] aangeeft dat hij alles met de grond gelijk zou maken als hij eruit gezet zou worden. [verdachte] heeft in deze berichten ook aangegeven dat hij het pand helemaal leeg zou halen. Ik heb deze berichten geprint en zal ze bij mijn aangifte voegen. Het hotel was gebruiksklaar aan hem verhuurd en de inboedel was eigendom van [A] . Op 24 juli 2015 ben ik naar het pand gegaan en heb zelf gezien dat werkelijk alles in het pand opzettelijk is vernield. Ik heb ook gezien dat al mijn eigendommen waar onder ook persoonlijke eigendommen waren weggenomen. Dit zijn onder andere een schilderij van bloemen, maar ook de airconditioners zijn uit het plafond gehaald en weggenomen. Alle brandvertragende ramen waren kapotgeslagen. In de muren en wanden zijn gaten geslagen met vermoedelijk een moker. In de plafonds heeft men gaten gemaakt, op de deuren is graffiti gespoten, de toiletten zijn verwijderd en vernield, de vloer is totaal vernield.” 4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uitdraai van whatsapp-berichten. gevoegd als bijlage bij het onder 3 weergegeven proces-verbaal, welk geschrift voor zover van belang inhoudt: 09-06-15 15:08: [verdachte] : Wat wil hij zien want ik laat hem helemaal slopen 09-06-15 15:08: [verdachte] : Mijn neven wachten tot ik zeg dat het genoeg is 09-06-15 15:09: [verdachte] : Ik ben het ook zat aan het worden 09-06-15 15:10: [verdachte] : De bank kan de ziekte krijgen 09-06-15 15:10: [verdachte] : Ik wacht op jou deurwaarde 09-07-15 00:39: [verdachte] : [betrokkene 1] ik heb er over nagedacht dat de man die morgen komt niets heeft. Want ik gaat het pand toch slopen. Een ding is zeker dat ik heel veel schade gaat maken aan de bank. Ik wacht tot ik de deurwaarder over de vloer krijgt. En heb ik 2 weken de tyg om hem 09-07-15 00:40: [verdachte] : Dus het heeft geen nut dat de man morgen langs komt 09-07-15 08:43: [betrokkene 1] : Jammer. Je berokkend de bank geen schade maar mij 09-07-15 14:15: [betrokkene 1] : Het schilderij is van mij privé. U begrijpt ook dat ik nooit toestemming geef om welke eigendommen van wie dan ook ter vernietigen en of te beschadigen 5. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL1700- 2015338203-1, opgemaakt en op 22 september 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , voor zover inhoudende als de op 21 september 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 5] , namens Rabobank, inclusief bijlagen: “Rabobank is hypotheekhouder met betrekking tot een bedrijfspand welke is gelegen aan de [a-straat 1] te Rotterdam. [...] In die procedure trad Rabobank op als pandhouder met betrekking tot alle vorderingen van [A] op derden. [...] Op 23 juli 2015 heeft [verdachte] de onroerende zaak ontruimd achtergelaten. Het ernstige vermoeden bestaat dat de heer [verdachte] , voordat hij de sleutel had ingeleverd, het hotel volledig kort en klein heeft geslagen. Daarnaast is de inventaris volledig verdwenen. Voor zover de bank bekend hoorde deze inventaris bij het hotel en was ook door de heer [verdachte] gehuurd. De bank had namelijk een pandrecht op deze spullen. Rabobank is als hypotheekhouder als gevolg van de vernieling in ernstige mate benadeeld. Een schade-expert welke is ingeschakeld heeft de omvang van de schade voorlopig vastgesteld op ongeveer 174.318,80 euro exclusief btw.” 6. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL 1700- 2015294293-5, opgemaakt en op 16 november 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , voor zover inhoudende als de op 16 november 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 6]: “Op 21 juli 2015 werd ik gebeld door mijn buurman. Hij vertelde dat hij harde geluiden hoorde uit het voormalige [B] aan de [a-straat 1] te Rotterdam. Ik ben gaan kijken en zag bij het [B] vijf mannen die met spullen aan het sjouwen waren. Ik zag dat zij uit het hotel richting een bestelbusje liepen en dat zij spullen in een bestelbusje laadde. Ik zag dat zij ook de letters ‘restaurant’ die op de gevel hingen er af haalden.” 7. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL1700- 2015294293-6, opgemaakt en op 9 maart 2016 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , voor zover inhoudende als de op 9 maart 2016 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 7] : “V: Wat kunt u over de vernieling van het [B] aan de [a-straat] in Rotterdam verklaren? A: Ik was daar aanwezig. Ik denk dat er wel een stuk of 30 a 40 man aan het werk waren. Ik was daar om een diepvries mee te nemen. [...] Ik ben een dag daarvoor in het hotel geweest om te kijken naar de diepvries. Een man, ik denk de eigenaar (het hof begrijpt: [verdachte] ), zei dat hij de diepvries apart zou houden voor mij. Hij, die eigenaar heet geloof ik [verdachte] . Ik vond het niet gek dat ik de diepvries zo mee mocht nemen want de eigenaar zei dat hij het pand moest verlaten en dat alles opgeruimd moest worden. ” 8. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer PL 1700- 2015268528-2, opgemaakt en op 3 november 2015 ondertekend door de opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming, bevindingen en verrichtingen: “Op 22 juli 2015 onderzoek ingesteld in het voormalig [B] . Ter plaatse werd ik aangesproken door [verdachte] , huurder van het pand. [...] [verdachte] verklaarde heel de zaak leeg te halen. Ik zag dat in het pand veel muren en plafonds kapot waren.” 9. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 201.8 verklaard -zakelijk weergegeven-: “Ik huurde het pand van het [B] aan de [a-straat 1] te Rotterdam van [A] Ik huurde het pand vanaf 1 december 2010. Het klopt dat ik vanaf een bepaald moment geen huur meer betaalde. Ik heb een gesprek gehad met de Rabobank. In het gesprek gaf de bank aan dat [betrokkene 1] zijn hypotheek niet betaalde. Ik moest voortaan rechtstreeks de huur aan de Rabobank betalen. U houdt de aangifte van [betrokkene 1] aan mij voor. U zegt mij dat ik WhatsApp-berichten heb gestuurd aan [betrokkene 1] , waarin ik zou hebben aangegeven dat ik alles met de grond gelijk zou maken als ik uit het pand gezet zou worden. Ik zou voorts in deze berichten hebben aangegeven dat ik het pand helemaal leeg zou halen. U houdt mij voorts pagina 128 van het dossier voor. Ik zou in een WhatsApp-bericht hebben geschreven dat ik het pand toch ga slopen en dat het zeker is dat ik heel veel schade ga maken. Het zal wel dat ik deze WhatsApp-berichten aan [betrokkene 1] heb verzonden. Ik ga er inderdaad vanuit dat ik de door u voorgehouden berichten heb verstuurd. Ik heb die berichten uit boosheid verzonden.” 2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2018 heeft de raadsvrouw van de verdachte pleitnotities overgelegd waaruit volgt dat zij met betrekking tot de inboedel het volgende heeft aangevoerd: “Cliënt en getuige [betrokkene 8] , gehoord bij de RH-C, verklaren dat de inboedel van het hotel is overgegaan op cliënt. Uit de aangifte van de curator (p. 5 van het dossier) blijkt dat cliënt dit destijds ook al tegen de curator heeft gezegd.” 2.5. Het bestreden arrest bevat – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – de volgende bewijsoverwegingen: “Verweren De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een alternatief scenario bepleit, te weten dat een ander, mogelijk [betrokkene 1] , verantwoordelijk is voor de verduisteringen en vernielingen in het pand. Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte - overeenkomstig haar overgelegde in het procesdossier gevoegde pleitnotities - betoogd dat de verdachte voor het meenemen of weggeven van de inboedel dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte eigenaar was van de inboedel van het hotel. Tot slot heeft zij bepleit dat geen sprake is van medeplegen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. (…) Overweging eigendom inboedel Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij eigenaar was van de inboedel van het pand. Er is voor deze verklaring in het dossier geen enkel bewijs aanwezig. Ook blijkt uit het op 17 april 2015 uitgesproken vonnis van de kantonrechter dat de inventaris en diverse andere omschreven zaken door de verhuurder aan de huurder, zijnde verdachte, in bruikleen zijn gegeven. In deze procedure is niet door de verdachte de stelling betrokken dat de inboedel van het pand van eigenaar is veranderd. De lezing van de verdediging wordt derhalve als ongeloofwaardig terzijde geschoven.” 2.6. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat verzoeker kan worden aangemerkt als eigenaar van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde inboedel, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. 2.7. Het middel stuit af op de vrije selectie en waardering van het bewijs die de feitenrechter toekomt. Het hof heeft, in reactie op het verweer, onder meer overwogen dat voor het gevoerde standpunt in het dossier geen enkel bewijs aanwezig is. Uit de gebezigde bewijsmiddelen 1 en 3 volgt voorts dat [A] de eigenaar was van de inventaris/inboedel. Gelet op de enkele mededeling van de verdediging dat ‘de inboedel van het hotel is overgegaan op cliënt’, terwijl uit bewijsmiddel 3 volgt dat de verhuurder met verdachte was overeengekomen dat de inboedel werd gepacht om te gebruiken naar eigen inzicht, acht ik het verweer toereikend weerlegd. Uit die mededeling kan immers nog niet volgen dat verdachte eigenaar zou zijn geworden van de inboedel. 2.8. Het middel faalt. 3Het tweede middel 3.1. Het tweede middel bevat twee klachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof de benadeelde partij Rabobank heeft aangemerkt als voegingsgerechtigde in de zin van art. 51f lid 1 Sv en art. 361 lid 2 onder b Sv, althans dat het hof onvoldoende op het door de verdediging ingenomen standpunt dat de Rabobank niet als slachtoffer c.q. benadeelde partij kan worden aangemerkt heeft gerespondeerd. In de tweede plaats wordt gesteld dat het hof ten behoeve van de Rabobank ten onrechte een schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 109.668,80 heeft opgelegd althans dat deze beslissing onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. 3.2. Het hof heeft het vonnis van de politierechter onder meer vernietigd ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de Rabobank. Voor het overige heeft het hof zich verenigd met de gronden en beslissingen in het vonnis ten aanzien van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de toewijzing van de vordering van de Rabobank als benadeelde partij. Ik zal daarom eerst de voor de beoordeling van het middel relevante passages uit de stukken in eerste aanleg weergeven en daarna die van het hof. 3.3. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld. Het proces-verbaal terechtzitting van de politierechter van 15 februari 2017 houdt ten aanzien van de vordering van de Rabobank het volgende in: “De politierechter gaat over tot bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen en vraagt om een toelichting, met name over de vraag of voor elk van de benadeelde partijen geldt dat zij kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks in haar belang getroffen en hoe de deels voorwaardelijke vorderingen van de benadeelde partijen zich tot elkaar verhouden. De raadsman mr. Caris, namens Rabobank, deelt mede: Rabobank heeft een recht van hypotheek op het door de verdachte gehuurde pand, hetgeen verdachte bekend was. Dat is kenbaar gemaakt tijdens een bespreking. Vanwege de vernielingen is er rechtstreeks schade geleden door Rabobank door waardevermindering van haar onderpand. Als er geen schade was toegebracht, dan had Rabobank een hogere opbrengst gehaald op de goederen waarop zij een zekerheid had. Het pandrecht op de inventaris komt toe aan de curator, die ook de belangen van de fiscus moet behartigen. Wij hebben per brief van 9 februari 2017 meegedeeld - dat wij verzoeken om schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Rabobank heeft al een titel tegen verdachte op een andere grond, maar het lukt niet om die te executeren. Dat betreft een pandrecht op de huuropbrengst. De totale vordering beloopt 174.318,80 euro. Hiervan is een gedeelte van 109.668,- euro rechtstreeks geleden en vergoeding daarvan wordt onvoorwaardelijk gevorderd, en een gedeelte van 64.650,- euro voorwaardelijk. Als de curator in zijn vordering ten aanzien van die laatste post in het gelijk wordt gesteld, dan maakt de Rabobank in dit geding geen aanspraak op betaling van dat bedrag. (…) De officier van justitie merkt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Rabobank op: Primair verzoek ik u om de vordering aan Rabobank geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat hier op zitting de vordering niet is weersproken. Naar verdachte toe was het duidelijk dat de hypotheekverstrekker een verhaalsrecht heeft. Verdachte heeft zelf aangegeven dat hij daar maling aan had. (…) Mr. Caris, namens Rabobank, wordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Hij merkt op: Rabobank heeft een hypotheekrecht en zij lijdt rechtstreeks schade doordat aan het verhypothekeerde pand voor 109.668,80 euro aan schade is toegebracht. Zij is dus primair gerechtigd daarvan vergoeding te vorderen. Komt het niet aan ons toe, dan komt het aan de curator toe. Dan hebben we nog een schadepost van 64.650 euro aan inventaris. Daartoe is de curator primair gerechtigd. Komt dit niet aan de curator toe, dan vorderen wij dit ook. (…) Motivering beslissing op vordering benadeelde partij Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij Rabobank: De benadeelde partij heeft als vergoeding van materiële schade een bedrag gevorderd van 174.318,80 euro, vermeerderd met de wettelijke rente. Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht, waar de verdachte zich er immers van bewust was dat hij vooral de bank in haar belangen als hypotheekhouder zou treffen en ook die wijze van schadetoebrenging met zijn optreden mede op het oog had, en de vordering van de benadeelde partij ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond is voorgekomen zal deze worden toegewezen tot een bedrag van 109.668,80 euro. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 1.421 euro en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. (…) Beslissing op vordering benadeelde partij Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij Rabobank: De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van 109.668,80 euro (honderdnegenduizendzeshonderdachtenzestig euro en tachtig eurocent), bestaande uit materiële schade. De verdachte wordt veroordeeld dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A., kantoorhoudend te Rotterdam, te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. De verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 1.421 euro, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. (…) Motivering beslissing schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Wetboek van Strafrecht Het wordt wenselijk geacht, dat naast de voor de benadeelde partijen zelf bestaande mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte op te leggen verplichting tot betaling van schadevergoeding, ook het openbaar ministerie met die tenuitvoerlegging wordt belast. Aan de verdachte zal daarom tevens de schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis worden opgelegd. Oplegging schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Wetboek van Strafrecht Aan de verdachte wordt de maatregel tot schadevergoeding opgelegd, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van het slachtoffer Coöperatieve Rabobank U.A., kantoorhoudend te Rotterdam, te betalen 109.668,80 euro (honderdnegenduizendzeshonderdachtenzestig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van 109.668,80 euro zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van 365 dagen. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.” 3.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2018 heeft de raadsvrouw van de verdachte pleitnotities overgelegd waaruit volgt dat zij met betrekking tot de vordering van de Rabobank het volgende heeft aangevoerd: “Vorderingen benadeelde partij 29 Primair: afwijzen, althans niet-ontvankelijk verklaren ivm vrijspraak. 30 Meer subsidiair: een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure (NO verkl). Zo is het schaderapport 1 maand na de sloopwerkzaamheden opgesteld. Wat is er ondertussen nog gebeurd? Wie zijn er nog in het pand geweest? Hoe zit het met de verzekering? Verder is het nog zo dat er voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden al schade was, bijvoorbeeld als gevolg van de lekkages. Dit is geen schade die bij een eventuele veroordeling door cliënt zou zijn veroorzaakt. Dus dit kan ook niet bepalend zijn bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding. Wie is er binnen geweest? 31 Subsidiair m.b.t. de vordering van de Rabobank: De vordering van de Rabobank ziet op de vernieling van het pand. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de Rabobank n-o in haar verhaalsrecht nu zij blijkens de til niet het slachtoffer/de benadeelde partij is. 32 Uiterst subsidiair m.b.t. de vordering van [A] , met als wettelijk vertegenwoordiger de curator: de vordering van [A] ziet op de vernieling van de inboedel. Indien uw hof het verweer dat cliënt de eigenaar was van de inboedel passeert, is de vraag in deze wat de waarde van de inboedel nog was: matigen. 33 Uiterst-subsidiair verweer m.b.t. de vordering van de Rabobank: matigen. 34 Voor beide benadeelde partijen verzoek ik uw hof, indien u tot een toewijzing van de vordering komt, om, aangezien beide partijen geen natuurlijke personen zijn, geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 3.5. Daarnaast is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2018 door de raadsman van de Rabobank en de raadsvrouw van verdachte het volgende aangevoerd: “Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld licht mr. Caris de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toe: (…) Er is duidelijk schade geleden door de vernielingen die zijn gepleegd. De Rabobank is als hypotheekhouder opzettelijk benadeeld. De Whatsapp- gesprekken zijn duidelijk. Het pand is door de vernielingen voor een veel lager bedrag verkocht. Het was getaxeerd op € 985.000,-. Het is echter verkocht voor € 500.000,-. (…) De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Zij voegt daaraan toe: (…) Mijn cliënt heeft ook zelf zaken aangebracht. Er was al schade. Mr. Caris deelt mede dat de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd op het' schaderapport. Het gaat puur om de herstelkosten. De lekkages zitten er niet bij. (…) De advocaat-generaal repliceert als volgt: (…) Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen merk ik op dat de Rabobank inderdaad niet op de tenlastelegging staat. Echter, uit het dossier blijkt duidelijk dat de Rabobank schade heeft geleden. Dat hoeft niet aan een toewijzing van de vordering in de weg te staan. Dat de vordering te groot of te onduidelijk zou zijn, daar heeft mr. Caris al op gereageerd. (…) De raadsvrouw dupliceert: (…) Ten aanzien van de inboedel merk ik op dat het moet gaan om de vervangingswaarde, niet om de nieuwwaarde. Ik verzoek u tevens goed te kijken naar de onderbouwing van de vorderingen van de benadeelde partijen.” 3.6. Het hof heeft met betrekking tot de vordering van de Rabobank uitsluitend de beslissing van de rechtbank een schadevergoedingsmaatregel op te leggen vernietigd en deze bij arrest alsnog opgelegd. Het arrest houdt ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel het navolgende in: “Vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 109.668,80 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht aan de benadeelde partij de Rabobank. Op grond van artikel 60a jo. artikel 24c lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de Rabobank, met dien verstande dat rekening zal worden gehouden met de maximumduur van de vervangende hechtenis van één jaar gelet op de meerdaadse samenloop als bedoeld in artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht (HR 10 oktober 2006, ECLI:NLHR 2006:AY7397). BESLISSING Het hof: (…) Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij de Rabobank Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd de Rabobank, ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van 109.668,80 (honderdnegenduizend zeshonderdachtenzestig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 297 (tweehonderdzevenennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.” 3.7. In het tweede middel wordt, zoals hiervoor al is vermeld, in de eerste plaats aangevoerd dat de Rabobank als hypoheekhouder niet als voegingsgerechtigde in de zin van art. 51f lid 1 Sv (en art. 361 lid 2 onder b Sv) kan worden aangemerkt en door het hof ten onrechte ten behoeve van de Rabobank een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, kort gezegd omdat niet de Rabobank maar de eigenaar degene is die rechtstreeks schade heeft geleden door het strafbare feit. Daarnaast wordt in het middel aangevoerd dat de beslissing van het hof een schadevergoedingsmaatregel op te leggen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. 3.8. Het gaat in het middel over de ontvankelijkheidsvereisten van art. 51f Sv en art. 361 Sv en daarom zal ik, voordat ik op de concrete omstandigheden in onderhavige zaak in ga, eerst het juridisch kader schetsen, met name hoe de ontvankelijkheidseisen van art. 51f Sv en 361 Sv zich tot elkaar verhouden. 3.9. Juridisch kader 3.9.1. Art. 51f lid 1 Sv heeft primair betrekking op wie als voegingsgerechtigde in een strafzaak kan worden aangemerkt en art. 361 lid 2 onder b Sv op de schade die door de benadeelde partij kan worden gevorderd. Beide bepalingen bevatten het begrip “rechtstreekse schade” en hebben aanleiding gegeven tot nadere invulling in de jurisprudentie van de Hoge Raad. 3.9.2. De ontvankelijkheidseisen van art. 51f Sv en art. 361 Sv zijn ook van toepassing bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr, waarmee aan de verdachte een verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaande in de zin van art. 51f Sv kan worden opgelegd. Een schadevergoedingsmaatregel kan ingevolge art. 36f Sr alleen worden opgelegd ten behoeve van een (rechts)persoon die voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 51f en 361 Sv. Ontvankelijkheidseis I: de kring van voegingsgerechtigden 3.9.3. In art. 51f lid 1 Sv is bepaald dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. De maatstaf ‘rechtstreeks’ in art. 51f Sv heeft betrekking op de kring van (rechts)personen aan wie schadevergoeding kan worden toegewezen in het kader van het strafproces. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat van rechtstreekse schade sprake is als de betrokkene is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Hiermee lijkt aansluiting te zijn gezocht bij het relativiteitsvereiste in art. 6:163 BW, dat inhoudt dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat indien de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. De MvT bij het wetsvoorstel Terwee vermeldt daarover het volgende, waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat de huidige tekst van art. 51f Sv oorspronkelijk was opgenomen in art. 51a Sv: “2.4. Het wetsvoorstel geeft in artikel 51a aan wie zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. Volgens dit artikel kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering voegen in het strafproces. Deze omschrijving is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 1965, N.J. 1966, 292, waarin de Hoge Raad een verzekeraar die de schade aan de benadeelde had vergoed en daarmee ingevolge artikel 284 van het Wetboek van Koophandel in alle rechten van de benadeelde terzake van die schade was gesubrogeerd, niet-ontvankelijk verklaarde als beledigde partij, omdat de verzekeraar geen rechtstreekse schade had geleden door het strafbare feit. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Als voorbeeld kan worden gewezen op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht inzake doodslag dat bescherming beoogt te bieden aan degene die van het leven wordt beroofd, maar niet aan diens nabestaanden. De nabestaande van het slachtoffer beschikt, evenmin als degene die krachtens cessie of subrogatie in de rechten van het slachtoffer treedt, over de bevoegdheid zich te voegen in het strafproces. Het wetsvoorstel brengt in dit opzicht geen wijziging in de bestaande situatie. Een uitbreiding van de kring van voegingsgerechtigden tot de rechtsopvolgers van de benadeelde partij is moeilijk te verenigen met het bestaansrecht van de voegingsprocedure, zoals beschreven in paragraaf 2.1 van deze memorie van toelichting. De positie van de rechtsopvolger van de benadeelde partij is een geheel andere dan die van de benadeelde partij. In de eerste plaats is de rechtsopvolger van de benadeelde partij niet, zoals de benadeelde partij, rechtstreeks betrokken bij de strafzaak. Het argument dat aan de voegingsprocedure ten grondslag ligt, namelijk dat voorkomen moet worden dat dader en slachtoffer worden betrokken bij twee verschillende procedures ter vaststelling van de rechtsgevolgen van één voorval gaat voor hem dan ook niet op. In de tweede plaats is van belang dat het strafbare feit terzake waarvan een strafvervolging is ingesteld geen inbreuk heeft gemaakt op zijn belangen, maar op die van zijn voorganger. De overweging die aan de voegingsprocedure ten grondslag ligt, namelijk dat het strafbare feit in eerste instantie een inbreuk heeft gemaakt op de belangen van het slachtoffer, en er dus een goede reden is om hem - waar mogelijk - binnen het strafproces de gelegenheid te bieden zijn civiele vordering te innen, gaat dus niet voor de rechtsopvolger op. Tenslotte is een meer praktisch argument gelegen in de omstandigheid dat de overgrote meerderheid van de rechtsopvolgers van de benadeelde partij bestaat uit verzekeringsmaatschappijen die voldoende zijn toegerust tot en zelfs gespecialiseerd in het voeren van schadevergoedingsakties zodat het openstellen van deze faciliteit voor hen geen hoge urgentie heeft.” Hieruit kan worden geconcludeerd dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de kring van voegingsgerechtigden in beginsel te beperken tot de slachtoffers van het strafbare feit en niet uit te breiden tot diens rechtsopvolgers, of derde belanghebbenden die niet rechtstreeks zijn betrokken bij de strafzaak. 3.9.4. Op dit uitgangspunt worden in (thans) art. 51f lid 2 Sv uitzonderingen gemaakt voor bepaalde indirect belanghebbenden indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden. In dat geval kunnen diens erfgenamen als rechtsopvolgers van de overledene zich voegen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vorderingen (voornamelijk zaakschade) en kunnen ook diegenen die zijn genoemd in art. 6:108 lid 1-4 BW zich voegen. Daarbij gaat het kort gezegd om personen die onderhouden werden door het slachtoffer en door diens dood levensonderhoud derven. De wetgever heeft de onder 3.9.3. aangehaalde beperking van de reikwijdte van de kring van voegingsgerechtigden voor het overige ook bij de latere wijzigingen van de Wet Terwee uitdrukkelijk niet opgeheven. 3.9.5. Langemeijer noemt als voorbeelden van personen die niet rechtstreeks schade hebben geleden en dus niet-ontvankelijk zijn als voegingsgerechtigde in de zin van art. 51f Sv: “ - de rechtsopvolger onder bijzondere titel (bijv. de cessionaris, aan wie de vordering tot schadevergoeding is overgedragen); - degene die is geschaad in een zekerheidsrecht (bijv. de pandhouder die een pandrecht had op de gestolen auto); - de rechtsopvolgers onder algemene titel indien het slachtoffer door een andere oorzaak dan het misdrijf is overleden (bijv. de erfgenamen van het slachtoffer dat ten gevolge van een ziekte is overleden); zie HR 19 april 2005, NJ 2007, 510; - de bewindvoerder, tevens latere erfgenaam (HR 6 maart 2007, NJ 2007, 157); - de bank die krachtens overeenkomst of onverplicht de schade aan het slachtoffer heeft vergoed, ook al is hij in de rechten van het slachtoffer getreden (art. 6:150 BW; zie HR 23 maart 1999, NJ 1999, 403); - de verzekeraar, die de schade aan het slachtoffer heeft vergoed; - de aandeelhouder van de benadeelde vennootschap (vgl. HR 2 december 1994, NJ 1995, 288); - de werkgever die ingevolge art. 7:629 BW verplicht is het loon door te betalen aan zijn werknemer wanneer deze ten gevolge van het misdrijf tijdelijk arbeidsongeschikt is (HR 23 december 2008, NJ 2009, 33). Zie voor een geval van werkgeversschade buiten ziekte: Hof ’s-Hertogenbosch 27 februari 2006, LJN: AV2615. - de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.