PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01911 Zitting 17 april 2020 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak [eiser] tegen Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) Een dag na de aanhouding van een verdachte, de doorzoeking van diens woning en de inbeslagneming van goederen heeft de politie een persbericht gepubliceerd. Na een aanvankelijke vervolging is de zaak later geseponeerd. In cassatie gaat het om de vraag of met de inhoud van het persbericht het beginsel van de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) is geschonden. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof in het bestreden arrest heeft vermeld onder 2.2 - 2.6. Deze houden het volgende in. (
(2003)13)) van 10 juli 2003. Daarvan beklemtoont ‘principle’ 2 het in acht nemen van de onschuldpresumptie: ‘Principle 2 - Presumption of innocence Respect for the principle of the presumption of innocence is an integral part of the right to a fair trial. Accordingly, opinions and information relating to on-going criminal proceedings should only be communicated or disseminated through the media where this does not prejudice the presumption of innocence of the suspect or accused.’ Het in acht nemen van de onschuldpresumptie bij het doen van mededelingen aan de media heeft nadere regeling gevonden in de volgende ‘gedragslijn’ in de destijds voor het openbaar ministerie geldende en als recht in de zin van art. 79 RO te beschouwen ‘Richtlijnen informatieverstrekking strafzaken aan media door politie en Openbaar Ministerie’ (vastgesteld door de vergadering van Procureurs-Generaal van 6 mei 1992, nr. 92-126, Stcrt. 1992, 86 - hierna: de Richtlijnen van 1992): ‘Bij informatieverstrekking en voorlichting aan de media door de politie en het openbaar ministerie dient de vereiste objectiviteit van de berichtgeving steeds te worden gehandhaafd, en dient deze gekenmerkt te worden door een zakelijke toonzetting.’ Dat hier mede de handhaving van de onschuldpresumptie wordt beoogd, wordt bevestigd doordat in de ‘Richtlijn voorlichting opsporing en vervolging’ van het College van Procureurs-Generaal van 26 november 1997 (Stcrt. 1998, 17, i.w.tr. 1 februari 1998), welke de genoemde Richtlijnen van 1992 verving, aan de desbetreffende ‘vuistregel’ is toegevoegd: ‘Zo moet steeds worden benadrukt dat met een aanhouding er slechts sprake is van verdenking en dat eerst de rechter een oordeel over de schuld van de verdachte(
- n)kan geven.’ Hetzelfde is terug te vinden in het desbetreffende ‘aandachtspunt’ in de ‘Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging’ van het College van Procureurs-Generaal van 2 juli 2002 (Stcrt. 25 juli 2002, 140) waarbij de Richtlijn van 1998 is vervangen: ‘Bij persvoorlichting door de politie en het OM dient de vereiste objectiviteit steeds te worden gehandhaafd en dient deze te worden gekenmerkt door een zakelijke toonzetting. Zo moet steeds worden benadrukt dat (bij bijvoorbeeld een aanhouding of een dagvaarding) er slechts sprake is van een verdenking.’” 2.9 De genoemde Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van het College van Procureurs-Generaal van 2 juli 2002 is later vervangen. Op 1 mei 2012 is de Aanwijzing in werking getreden die thans nog geldt (hierna: de Aanwijzing). Deze gold ook ten tijde van het uitbrengen van het persbericht in 2013 in de onderhavige zaak. In deze Aanwijzing, die is te beschouwen als recht in de zin van art. 79 RO, staat onder meer het volgende (voetnoten weggelaten in het citaat): “(…) Kader (…) De politie is primair verantwoordelijk voor de woordvoering over de feitelijke taakuitoefening door de politie en heeft hierin een eigen taak en verantwoordelijkheid. Het OM is de eindverantwoordelijke voor het voorlichtingsbeleid van zowel OM als politie. (…) Openheid De maatschappelijke opdracht van OM en politie brengt niet alleen de verantwoordelijkheid mee om in de invulling van hun taak een effectieve bijdrage te leveren aan een veilige en rechtvaardige samenleving. Deze taakstelling vereist ook dat interventies zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn voor slachtoffers, daders en hun omgeving, en dat OM en politie open zijn over hun afwegingen en fouten. De burger heeft het recht goed en tijdig te worden geïnformeerd over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken. Het communicatiebeleid is gericht op het verstrekken van informatie zowel over actuele onderzoeken en strafzaken als over de prioriteiten bij de aanpak van criminaliteit. Transparantie vergroot het vertrouwen in de rechtsstaat. Dit is in het belang van de opsporing. (…) Privacybescherming en onderzoeksbelang Bij de voorlichting over strafzaken is van groot belang dat de juiste balans gevonden wordt tussen openheid en transparantie enerzijds en de belangen van een eerlijke procesgang en de privacy van de betrokkenen anderzijds. Het OM heeft toe te zien op een eerlijke procesgang waarbij respect wordt getoond voor de positie van de rechter en de verdediging, waarbij recht wordt gedaan aan de verdachte en het slachtoffer en waarbij de privacy van verdachten, (nabestaanden van) slachtoffers en getuigen gewaarborgd is. In beginsel worden geen persoonsgegevens verstrekt wanneer deze verstrekking kan leiden tot identificatie van de persoon en schending van diens privacy. Verstrekking van persoonsgegevens aan de pers die kunnen leiden tot identificatie dient altijd afgestemd te worden met de onderzoeksleiding. Daarnaast moet ook de balans in het oog gehouden worden tussen enerzijds openheid en transparantie en anderzijds het belang van het onderzoek. Het uitgangspunt hierbij is: openheid waar het mogelijk is, terughoudendheid waar het nodig is. Bij de opsporing en vervolging is de waarheidsvinding het uiteindelijke doel van OM en politie. Het verstrekken van informatie aan de pers kan het onderzoek naar de ware toedracht van een zaak schaden. Daarom kan onderzoeksbelang een reden zijn bepaalde informatie niet te verstrekken. Informatieverstrekking 1. Beleid: actief en proactief Actieve communicatie door OM of politie begint veelal met het uitbrengen van een persbericht of een tweet. De politie meldt dagelijks in persberichten en tweets een veelheid aan incidenten en aanhoudingen. (…) Grote belangstelling voor een bepaalde zaak en onjuiste berichtgeving in de media kunnen reden zijn een persbericht uit te brengen. (…) Ook wanneer het OM of de politie de media achteraf gezien (deels) onjuist heeft geïnformeerd, met als gevolg onjuiste berichten in de media, wordt hiervan zo spoedig mogelijk melding gemaakt aan de media. (…) De maatschappelijke taak van het OM vraagt om een OM dat zichtbaar, merkbaar en herkenbaar gericht is op de dader en staat voor het slachtoffer. Het persbeleid sluit daarbij aan en draagt bij aan het verwezenlijken van deze ambities. Als strafrechtelijk handhaver van de rechtsorde wil het OM een bijdrage leveren aan de maatschappelijke veiligheid. (…) Persvoorlichting wordt actief ingezet om samenhang tussen praktijk en beleid te tonen. Concrete zaken worden zoveel mogelijk in de context geplaatst waarbij ook aandacht wordt geschonken aan de lokale of landelijke beleidsprioriteiten. (…) (…) Gezien de grote hoeveelheid zaken is het praktisch gezien niet mogelijk alle acties van OM en politie te melden. Er zal dus altijd een zekere selectie moeten worden gemaakt. Bij de selectie zal met name de maatschappelijke onrust die een zaak teweeg brengt of kan brengen leidend zijn. (…) 2Privacywetgeving Het juridisch kader voor de voorlichting over opsporing en vervolging wordt bepaald door de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). 2.1 Verdachten Gegevens die direct of indirect redelijkerwijs tot de identificatie van een persoon als verdachte of dader kunnen leiden zijn strafrechtelijke persoonsgegevens en als zodanig bijzondere persoonsgegeven in de zin van de Wbp. Ingevolge art. 10, eerste lid Wob j° art. 16 Wbp blijft het verstrekken van dergelijke gegevens achterwege tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer. In het kader van de voorlichting aan de pers betekent dit dat OM en politie strafrechtelijke persoonsgegevens niet mogen verstrekken wanneer deze verstrekking direct of in combinatie met informatie uit andere bronnen kan leiden tot de identificatie van de verdachte of dader. Bij gegevensverstrekking houden OM en politie in ieder geval rekening met openbare bronnen en met de informatie waarvan het OM of de politie in het concrete geval redelijkerwijs kan aannemen dat de journalist daarover beschikt. Ook gegevens met betrekking tot godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en lidmaatschap van een vakvereniging van de verdachte zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wbp en mogen uitsluitend openbaar gemaakt worden indien de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer. Wordt een verdachte niet langer als verdachte aangemerkt en heeft over de verdenking in een eerder stadium actieve voorlichting plaatsgevonden, dan dient dit - eventueel in overleg met de verdachte of diens raadsman - actief te worden gemeld. (…) 3Verstrekking van persoonsgegevens Informatie over personen kan worden verstrekt tenzij daardoor de identiteit van de verdachte bekend wordt. In beginsel wordt volstaan met het verstrekken van geslacht, leeftijd en woonplaats. Bij verstrekking van nadere persoonsgegevens zal steeds per geval worden afgewogen of het belang van de verstrekking in redelijke verhouding staat tot het belang van de betrokkene, in het bijzonder diens recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer. (…) 4Berichtgeving in onderzoeken en strafzaken 4.1.1 Verdeling in voorlichtingszaken Totdat sprake is van de voorgeleiding van een verdachte aan de rechter-commissaris is de berichtgeving in beginsel aan de politie, daarna is de woordvoering aan het OM. Het OM kan besluiten de woordvoering in een eerder stadium over te nemen in verband met het procesrisico of in verband met het ingeschatte afbreukrisico. De politie beperkt zich in alle gevallen tot het verstrekken van operationele informatie over/uit de dagelijkse politiepraktijk. (…) 4.2. Communicatiemomenten in het strafproces (…) 4.2.1. Berichtgeving over incidenten en aanhoudingen De politie informeert de pers over incidenten en aanhoudingen, zolang het operationele informatie betreft over/uit de dagelijkse politiepraktijk. Indien de berichtgeving risico’s voor het strafproces mee kan brengen, overlegt de politie met het OM. Ook als de verwachting is dat een bericht in de media veel aandacht zal krijgen, vindt er overleg plaats met het OM. Zaaksgerelateerde informatie wordt pas aan de pers verstrekt als de informatie is geaccordeerd door de zaaksofficier. (…)” Het cassatiemiddel 2.10 Onderdeel 1, onder het kopje “Belangenafweging”, houdt in dat het hof bij zijn oordeel in rov. 5.1 en 5.2 ten onrechte niet heeft betrokken of voorafgaand aan de beslissing om al dan niet tot perspublicatie over te gaan, een belangenafweging moet plaatsvinden. Volgens het middelonderdeel was deze vraag wel aan het hof voorgelegd. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat op grond van de Aanwijzing (onder het kopje “Privacybescherming en onderzoeksbelang”) en de jurisprudentie die belangenafweging op voorhand moet plaatsvinden. Volgens eiser blijkt niet dat een voorafgaande belangenafweging heeft plaatsgevonden, zodat het oordeel dat de Staat jegens eiser niet onrechtmatig heeft gehandeld blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is zonder een nadere motivering. 2.11 Anders dan het hierna te bespreken onderdeel 2, gaat de klacht onder 1 niet uitdrukkelijk in op de inhoud van het persbericht van 19 maart 2013 en het oordeel van het hof daaromtrent. De klacht verwijst naar een grief van de wederpartij in dit geding (de Staat). In grief 1 had de Staat gewezen op de vooropstelling in rov. 4.12 van het vonnis van de rechtbank dat de politie in het kader van haar voorlichtende taak de bevoegdheid heeft om in voorkomende gevallen via een persbericht publieke bekendheid te geven aan lopende onderzoeken en aan de aanhouding van een verdachte, hetgeen in lijn is met de door het EHRM ontwikkelde jurisprudentie. Volgens de Staat was de rechtbank ten onrechte van deze maatstaf afgeweken door vervolgens uit te gaan van een belangenafweging tussen enerzijds het belang van de politie en anderzijds het belang van de verdachte. In grief 1 had de Staat niet, zoals het middelonderdeel aanneemt, aan het hof de rechtsvraag voorgelegd of voorafgaand aan de uitgifte van het persbericht een belangenafweging moet plaatsvinden. Het middelonderdeel maakt bovendien niet duidelijk welke relevante belangen volgens eiser bij die belangenafweging een rol hadden (moeten) spelen, in welk verband zij hadden moeten worden beoordeeld en waarom de afweging tekort zou schieten. Evenmin verwijst het middel naar vindplaatsen van stellingen van eiser dienaangaande in de processtukken van de procedure in hoger beroep. In zoverre voldoet de klacht niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. 2.12 Op grond van de hierboven aangehaalde rechtspraak moet de vraag of een uitlating van de autoriteiten een schending van de onschuldpresumptie oplevert, worden beantwoord in de context van de specifieke/relevante omstandigheden waarin die uitlating werd gedaan. Dat is een andere norm dan de eisen van zorgvuldigheid en (voorafgaande) belangenafweging die de artikelen 3:2 – 3:4 Algemene wet bestuursrecht aan de totstandkoming en de inhoud van besluiten van bestuursorganen stellen. 2.13 De klacht faalt bovendien omdat uit de bestreden overwegingen genoegzaam blijkt dat het hof van oordeel is dat de politie bij de beslissing om een persbericht te publiceren, derhalve vóóraf, mede rekening heeft gehouden met de belangen van eiser. Het hof overweegt in rov. 5.2 dat, gelet op de onrust in [plaats] , voorlichting over de huiszoeking en de aanhouding voor de hand lag. Verder heeft het hof meegewogen dat transparantie over de aard van de − voor de directe omgeving kenbare − huiszoeking mede het belang van eiser diende: de politieactie, zo overweegt het hof, had kunnen leiden tot speculatie bij buurtgenoten dat sprake was van een ernstiger verdenking dan (schuld)heling. Die mogelijke speculatie is door de perspublicatie in de kiem gesmoord. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt. 2.14 Onderdeel 2, onder het kopje “Exacte woordkeuze”, is subsidiair voorgedragen en neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 5.2 en 5.3 achteraf toepassing heeft willen geven aan de in onderdeel 1 verlangde belangenafweging. Onder verwijzing naar een passage uit de ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM inzake Arrigo en Vella/Malta wordt geklaagd dat het hof in dat geval miskent dat op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM in geval van een perspublicatie de exacte woordkeuze van de betreffende de Staat vertegenwoordigende ambtenaar uiterst relevant is. Het onderdeel klaagt dat de volgende oordelen berusten op een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn: (
- i)het oordeel dat speculatie door buurtgenoten door de perspublicatie is voorkomen (rov. 5.2); en (
- ii)het oordeel dat de mededeling in de perspublicatie dat de politie verwacht met de aanhouding een einde te hebben gemaakt aan heling en/of diefstal van autoradio’s, voldoende terughoudend is van inhoud en toonzetting (rov. 5.3), gelet op (
- a)“het onnodige machtsvertoon” tijdens de aanhouding van eiser en de doorzoeking van zijn huis en (
- b)de inhoud van het persbericht met de bijgevoegde foto’s die genomen zijn in het huis van eiser. 2.15 Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak blijkt inderdaad dat het EHRM “has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence”. Het benadrukken hiervan heeft te maken met het in alinea 2.4 hiervoor gecursiveerde onderscheid tussen een verdenking en de vaststelling dat de verdachte een hem ten laste gelegd strafbaar feit heeft begaan. Dat onderscheid heeft het hof niet uit het oog verloren. Voor zover de klacht anders inhoudt, mist zij feitelijke grondslag. 2.16 In reactie op het standpunt van de Staat dat eiser in het persbericht niet met name is genoemd en dat de aanduiding “een 47-jarige [eiser] ” onvoldoende was om eiser te kunnen identificeren, had eiser aangevoerd dat zijn buurtgenoten de politieactie hebben kunnen waarnemen en zelf verband kunnen leggen met het persbericht. Daarop ziet de overweging van het hof in rov. 5.2 dat de politieactie had kunnen leiden tot speculatie bij buurtgenoten dat sprake was “van een ernstiger verdenking dan (schuld)heling”, en dat “deze mogelijke speculatie” door de perspublicatie in de kiem is gesmoord. Dat oordeel berust op een waardering van de feiten en is op zich niet onbegrijpelijk. Het onderdeel maakt niet duidelijk waarom dat oordeel van het hof in strijd met de aangehaalde rechtsnorm (over zorgvuldigheid bij de woordkeuze in een persbericht over een lopend strafrechtelijk onderzoek) zou zijn. Evenmin kan worden volgehouden dat het oordeel onbegrijpelijk is in licht van de in alinea 2.14 onder (
- ii)genoemde aspecten. De rechtbank had geoordeeld dat eisers stelling dat de doorzoeking ‘met groot machtsvertoon’ heeft plaatsgevonden, onvoldoende steun vindt in de feiten, en besliste dat de doorzoeking niet disproportioneel was (rov. 4.11 Rb). De stelling, genoemd in alinea 2.14 onder (ii-b), is onvoldoende gespecificeerd om te nopen tot een andere beslissing. 2.17 Het oordeel dat de mededeling in het persbericht (dat de politie met de aanhouding van een 47-jarige [eiser] verwachtte een einde te hebben gemaakt aan heling en/of diefstal van autoradio’
- s)voldoende terughoudend is naar inhoud en toonzetting, is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Van een stellige verklaring van de politie dat eiser schuldig is aan heling en/of diefstal is in het persbericht geen sprake. De in het persbericht tot uitdrukking gebrachte verwachting berustte op feiten en omstandigheden, namelijk dat het aantal aangiften van diefstal uit auto’s in de weken vóór de aanhouding fors is gestegen en dat verschillende slachtoffers op een verkoopsite op internet hun goederen meenden te herkennen. Daarnaast stond in dit geding vast dat eiser op de dag van de publicatie van het persbericht afstand heeft gedaan van aantal goederen die van diefstal afkomstig bleken te zijn (rov. 2.4). De slotsom is dat onderdeel 2 niet tot cassatie leidt. 2.18 Onderdeel 3, onder het kopje “Ontbreken rectificatie”, houdt in dat het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat de Staat heeft verzuimd zo spoedig mogelijk te publiceren dat eiser niet langer als verdachte werd aangemerkt. Het onderdeel verwijst in dat verband naar de Aanwijzing, hiervoor geciteerd in alinea 2.9. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat een zoekopdracht op 15 april 2019, na het sepot, nog steeds treffers opleverde van berichtgeving die dateerde van vóór het sepot, waaronder het persbericht in kwestie. Volgens het onderdeel volgt daaruit dat het effect van het onrechtmatig handelen van de Staat jegens eiser onverminderd voortduurt. 2.19 Voor zover ik kan nagaan, is dit argument een ontoelaatbaar nieuwe stelling (‘novum’) in cassatie; in elk geval verwijst het middelonderdeel niet naar plaatsen in de gedingstukken waar eiser dit zou hebben aangevoerd. Reeds daarom treft deze klacht geen doel. 2.20 Onderdeel 4 bouwt uitsluitend voort op de voorgaande onderdelen en bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft. Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. Bij tussenvonnis van 20 april 2016 had de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 24 juni 2016. Rov. 4.13 ontbreekt in het vonnis. ECLI:NL:GHDHA:2019:8. Bij tussenarrest van 14 februari 2017 had het hof een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Zie ook: Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PbEU L65), art. 3. P. De Hert, M. Colette en K.C.J. Vriend, SDU-Commentaar EVRM, art. 6, par. C.10. Zie: P. De Hert, M. Colette en K.C.J. Vriend, SDU-Commentaar EVRM, art. 6, par. C.10. Zie over de berichtgeving in strafzaken: D. Voorhoof, ‘Mediaberichtgeving in strafzaken: Raad van Europa wil soberder gerechtsjournalistiek’, Mediaforum 2003-11/12, blz. 358 - 362; L. Stevens, ‘Strafzaken in het nieuws. Over ontsporende media en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie’, NJB 2010/545; L. van Lent, Externe openbaarheid in het strafproces (diss. Universiteit Utrecht 2008), par. 5.3.2.4; L. van Lent, ‘Media en strafproces: eisen en grenzen ingevolge art. 6 EVRM, Strafblad 2013/35, blz. 350 – 359; A. Nieuwenhuis, ‘Tussen verdachtmaking en vergetelheid. Grondrechtelijke grenzen aan de berichtgeving over misdrijven’, Mediaforum 2013-3, blz. 70 - 79. Zie over het onderscheid tussen ‘trial’- en ‘pre-trial’-publiciteit: E.J. Dommering in zijn noot onder NJ 1997/523 en meer in algemene zin: J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, blz. 397 – 410. Zie: P. De Hert, M. Colette en K.C.J. Vriend, SDU-Commentaar EVRM, art. 6, par. C.10.4, onder verwijzing naar EHRM 10 februari 1995 (Allenet de Ribemont/Frankrijk, nr. 15175/89), NJ 1997/523 m.nt. E.J. Dommering en EHRM 23 oktober 2008 (Khuzhin/Rusland, nr. 13470/02), rov. 93. Vgl. art. 4 van de reeds aangehaalde EU-Richtlijn 2016/343. EHRM 10 februari 1995 (Allenet de Ribemont/Frankrijk, nr. 15175/89), NJ 1997/523 m.nt. E.J. Dommering. EHRM 24 januari 2017 (Paulikas/Litouwen, nr. 57435/09). HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3161, NJ 2007/505 m.nt. E.A. Alkema (rov. 3.5.3). Zie nadien: HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627, NJ 2016/31. Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van 27 april 2012, Stcrt. 2012, 8161. In rov. 3.5.3 van het Clickfonds-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de Richtlijnen van 1992 als recht in de zin van art. 79 RO zijn te beschouwen. Deze Richtlijnen zijn nadien vervangen door de Richtlijnen 1998. Aangezien laatstgenoemde Richtlijnen op hun beurt in 2002 zijn vervangen door de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging, en de huidige Aanwijzing uit 2012 een opvolger is van de Aanwijzing 2002, kan genoegzaam worden aangenomen dat ook de Aanwijzing 2012 kan worden beschouwd als recht in de zin van art. 79 RO. Het onderdeel verwijst naar de memorie van grieven, par. 4.1 en 4.2 (grief 1), en rov. 4.3 van het bestreden arrest. Het onderdeel verwijst naar het arrest van de Hoge Raad in de hiervóór genoemde Clickfonds-zaak, rov. 5.3. EHRM 10 mei 2005, (Arrigo en Vella/Malta, nr. 6569/04), par. 2. Het onderdeel verwijst voor de in dat verband ingenomen stellingen naar de inleidende dagvaarding, punten 25 - 31, en naar de memorie van antwoord van eiser, punten 10 - 17. Zie het proces-verbaal van comparitie en rov. 4.14 in het vonnis van de rechtbank.