PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05027 Zitting 17 januari 2020 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak [betrokkene] tegen Officier van Justitie Noord-Nederland Afdoening van een machtigingsverzoek Wet Bopz na cassatie en verwijzing. Is een tekortkoming in de ondertekening van de geneeskundige verklaring genoegzaam hersteld? 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. 1.2 Op 12 november 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd. Betrokkene verbleef toen op vrijwillige basis in de kliniek Vossenloo van VVN (Verslavingszorg Noord-Nederland), niet aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1 Wet Bopz. 1.3 Op 3 december 2018 heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 3 juni 2019. 1.4 Betrokkene heeft tegen die beschikking beroep in cassatie ingesteld. Het toenmalige cassatiemiddel beperkte zich tot de klacht dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldeed omdat deze niet was ondertekend door de psychiater die het onderzoek had verricht ( [betrokkene 1] ). De verklaring was ondertekend door de eerste geneeskundige van deze kliniek voor verslavingszorg ( [betrokkene 2] ). 1.5 Bij beschikking van 24 mei 2019 heeft de Hoge Raad het cassatiemiddel gegrond bevonden, de beschikking van de rechtbank van 3 december 2019 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling teruggewezen naar de rechtbank Noord-Nederland. 1.6 Na deze verwijzing heeft een andere rechter in dezelfde rechtbank opnieuw onderzoek gedaan naar de feiten en geconstateerd dat de bij het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie gevoegde geneeskundige verklaring, gedagtekend 5 november 2018, wél was voorzien van de handtekening van de psychiater [betrokkene 1] , naast de handtekening van de eerste geneeskundige [betrokkene 2] . 1.7 De rechtbank heeft de advocaat van betrokkene in kennis gesteld van deze constatering en aangegeven dat de rechtbank voornemens was de beschikking van 3 december 2018 nogmaals te nemen, althans over te gaan tot herstel daarvan. Nadat de advocaat daartegen had ingebracht dat de geneeskundige verklaring niet meer voldoende recent was, heeft de rechtbank bij beschikking van 2 augustus 2019 overwogen als volgt: “De rechtbank overweegt dat nu zij op 3 december 2018 heeft beslist mede op grondslag van een geneeskundige verklaring die voor wat betreft haar ondertekening voldeed aan de eisen die de wet daaraan stelt, de Hoge Raad bij zijn beslissing tot vernietiging van de bestreden beslissing, kennelijk van onjuiste feiten is uitgegaan. Voor de rechtbank is niet duidelijk (geworden) hoe het kan dat de advocaat van betrokkene in cassatie een geneeskundige verklaring zonder handtekening in het geding heeft gebracht. De rechtbank stelt wel vast dat de handtekening van psychiater [betrokkene 1] op de geneeskundige verklaring die zich in het zaaksdossier van de rechtbank bevindt enigszins ‘flets’ leesbaar is, maar dat deze overigens voldoende duidelijk en herkenbaar is. Mogelijk is de reproductie-apparatuur ten kantore van mr. Van Balen [de advocaat van betrokkene in eerste aanleg, noot P-G] niet in staat geweest om deze handtekening zichtbaar weer te geven. Wat hier verder van zij, vastgesteld moet worden dat de rechtbank mede op basis van een rechtsgeldige geneeskundige verklaring tot haar beslissing is gekomen waardoor deze ten onrechte is vernietigd. De rechtbank zal mitsdien beslissen dat de vernietigde beslissing weer (met terugwerkende kracht) wordt hersteld, zodat de rechtsgevolgen van deze beslissing over de periode waarop de beslissing zag herleven. Eén afschrift van de originele geneeskundige verklaring met leesbare handtekeningen wordt aan deze beschikking gehecht.” 1.8 Het dictum van de beschikking van 2 augustus 2019 luidt als volgt: “De rechtbank: herstelt de beschikking van 3 december 2018, strekkende tot het ten aanzien van betrokkene verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 Wet Bopz, welke machtiging de bevoegdheid gaf om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven tot en met 3 juni 2019.” 1.9 Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 2 augustus 2019. In cassatie is geen verweer gevoerd. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 De Wet Bopz is per 1 januari 2020 vervallen. Op grond van het overgangsrecht in art. 15:1, lid 1 onder a, Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stb. 2018, 37) blijft de Wet Bopz op deze zaak van toepassing. 2.2 Het tijdvak waarvoor de hier bestreden voorlopige machtiging is verleend was al verstreken toen de rechtbank op 2 augustus 2019 haar beschikking gaf. In het verleden zou dit voor de Hoge Raad aanleiding zijn geweest om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan belang. Indien een patiënt meende dat in strijd met de wet jegens hem was gehandeld, kon hij een verzoek om schadevergoeding indienen op grond van art. 35 Wet Bopz. Ook kon de patiënt een vordering tot schadevergoeding instellen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). 2.3 In 2011 besliste het EHRM in een jeugdbeschermingszaak dat het belang bij het verkrijgen van een rechterlijk oordeel (al dan niet: in beroep) over een beschikking tot vrijheidsbeneming waarvan de looptijd verstreken is, niet zonder meer wegvalt door de feitelijke beëindiging van die vrijheidsbeneming. Naar aanleiding van die beslissing van het EHRM is de Hoge Raad teruggekomen van zijn eerdere rechtspraak over het ontbreken van procesbelang nadat de geldigheidsduur van de aangevochten maatregel is verstreken. Daarmee was nog niet gegeven, hoe in zo’n geval het dictum moet luiden als de – ontvankelijk bevonden – klacht in cassatie gegrond is. 2.4 Op 5 oktober 2012 heeft de Hoge Raad in een art. 14e Wet Bopz-procedure de beoordeling ex nunc gehandhaafd, maar daarnaast ruimte gemaakt om een oordeel achteraf te geven over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in de reeds verstreken periode. Ik citeer uit rov. 3.4: “Bij de beoordeling van de klacht wordt vooropgesteld dat het middel − terecht − niet bestrijdt dat de rechter in een geval als het onderhavige ex nunc dient te oordelen (vgl. HR 17 februari 2006 (…), NJ 2008/367).” 2.5 De Hoge Raad gaf tevens aan wat de rechtbank wél had moeten doen: “De rechtbank diende dan ook te onderzoeken of de door haar op 6 februari 2012 gestelde voorwaarden waren overtreden en of dat de onvrijwillige opneming op 15 februari 2012 kon rechtvaardigen, alsmede of, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de rechterlijke beslissing, deze onvrijwillige opneming zou moeten voortduren (…).” 2.6 Deze maatstaf werd nader uitgewerkt in HR 17 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2996). De Hoge Raad overwoog onder meer: “3.3 Onderdeel I klaagt dat de rechtbank heeft nagelaten de rechtmatigheid te onderzoeken van de vrijheidsbeneming tussen 14 november 2013 en de datum van de invrijheidstelling. Uit art. 5, lid 1, aanhef en onder e, en lid 4 EVRM en HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5789, NJ 2012/568 volgt dat in een procedure als bedoeld in art. 14e Wet Bopz een beoordeling van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in de verstreken periode dient plaats te vinden. 3.4.1 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende voorop gesteld. De in art. 14e lid 1 en 3 Wet Bopz neergelegde regeling voor het geval de geneesheer-directeur op de voet van art. 14d lid 1 Wet Bopz heeft beslist tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, moet aldus worden begrepen dat degene ten aanzien van wie een dergelijke beslissing is genomen, door tussenkomst van de officier van justitie de rechter een beslissing met betrekking tot de opneming kan verzoeken. Wordt een verzoek als bedoeld in art. 14e lid 1 Wet Bopz aan de rechtbank gedaan, dan dient naar de ten tijde van de beslissing van de rechtbank geldende omstandigheden te worden beoordeeld of (een van) de in de eerste twee volzinnen van art. 14d lid 1 Wet Bopz genoemde gronden voor de vrijheidsbeneming, die een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis (meebrengt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.