PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02245 Zitting 8 mei 2020 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak [eiser] tegen [verweerder] Deze zaak betreft een uitkoopvordering op de voet van art. 2:201a BW, ingesteld door de 95%-meerderheidsaandeelhouder van een B.V. tegen haar 5%-minderheidsaandeelhouder. De meerderheidsaandeelhouder vordert aanvankelijk primair de prijs van de over te dragen aandelen vast te stellen op € 21,15 per aandeel. De ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) heeft overwogen dat het gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, erop neerkomend dat de meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder van de B.V. handelingen heeft verricht waarmee hij zichzelf heeft bevoordeeld en waarmee hij de vennootschap en de minderheidsaandeelhouder heeft benadeeld, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, indien de minderheidsaandeelhouder zou worden veroordeeld tot levering van de aandelen tegen een prijs die uitgaat van een waardering die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van de meerderheidsaandeelhouder. De OK heeft een deskundige benoemd die de waarde van de over te dragen aandelen dient te berekenen met inachtneming van deze bijzondere omstandigheden. De deskundige waardeert de aandelen in zijn deskundigenbericht op € 157,94 per aandeel. De OK stelt de prijs uiteindelijk vast op € 142,10 per aandeel. M.i. kunnen de bestreden tussen- en eindarresten in stand blijven. In een geval als het onderhavige, waarin sprake is van op onzakelijke condities (niet at arm’s length) aangegane transacties van de vennootschap waarmee de meerderheidsaandeelhouder(/bestuurder) direct of indirect (via met hem verbonden vennootschappen) waarde aan de vennootschap heeft onttrokken ten nadele van de vennootschap en de andere aandeelhouder (zogeheten ‘tunneltjes graven’) laten de wet, wetsgeschiedenis en rechtspraak met betrekking tot de wettelijke uitkoopregeling de OK in het kader van de waardering bij het vaststellen van de prijs van de over te dragen aandelen op de voet van art. 2:201a lid 5 BW ruimte voor, kort gezegd, een op de redelijkheid gestoeld correctiemechanisme over de band van “normalisering” van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden. Dat is de benadering die de OK in deze zaak in essentie en als zelfstandig dragend heeft gevolgd binnen de kaders van de uitkoopregeling, zonder daarbij blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of een ontoereikende motivering. Toepassing al dan niet naar analogie van (elementen uit) de wettelijke geschillenregeling, waarvan de billijke verhoging-faciliteit in art. 2:343 lid 4 BW deel uitmaakt, is daarbij niet aan de orde. 1De feiten In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan rov. 2.1-2.11 van het tussenarrest van de OK van 5 juli 2016 (hierna ook: het tussenarrest). 1.1 Het maatschappelijke kapitaal van [A] B.V. (hierna: [A]) bedraagt € 5.013.600,-- en is verdeeld in 240.000 gewone aandelen op naam met een nominale waarde van € 20,89 per aandeel. Per de datum van de dagvaarding (zie ook onder 2.1) bedraagt het geplaatste aandelenkapitaal van [A] € 1.002.720,--. In totaal zijn 48.000 aandelen in het kapitaal van [A] geplaatst. [eiser] (hierna: [eiser]) en [verweerder] (hierna: [verweerder]) houden respectievelijk 95% (te weten 45.600) en 5% (te weten 2.400) van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] . 1.2 [A] is een holdingmaatschappij. Zij drijft via haar deelnemingen een onderneming die zich bezig houdt met het verlenen van verkoop- en marketingdiensten aan fabrikanten van cosmeticaproducten. 1.3 [eiser] is sinds 30 december 1998 bestuurder van [A] . Sinds 27 juni 2006 heeft hij een volledige volmacht. Sinds 4 november 2008 is hij enig bestuurder van [A] (zie ook onder 1.10). [verweerder] is nimmer bestuurder van [A] geweest. 1.4 Op 13 november 2004 heeft [A] alle door haar gehouden aandelen in drie dochtervennootschappen verkocht en overgedragen aan de Letse vennootschap [B] . De naam van deze vennootschap luidt thans [C] . [eiser] houdt alle aandelen in [C] . In de jaarrekening 2003 van [A] staat onder meer vermeld: “The Company suffered losses on this deal amounting to EUR 521,921. The price of the subsidiaries was set equal to net amount payable by [A] (...) to the respective subsidiary on the date of the transaction (…).” In de jaarrekening staat verder onder het kopje “Interest Expenses” onder meer het volgende: “In 2003, certain subsidiaries of the Holding charged [A] (...) (the Parent) an interest of in total EUR 930,926 for cash advances paid to the Parent during the years 2000-2003. (...) The Parent recognized the whole interest charge of EUR 930,926 as an interest expense of 2003.” In 2003 bedroeg de gezamenlijke winst van de drie dochtervennootschappen € 436.182,--. 1.5 In de jaarrekeningen van [A] over 2005 t/m 2013 is een “short-term loan to a third party” opgenomen van € 2.195.228,--. Over deze lening aan Meriton LLC is de facto geen rente betaald. Het afgesproken rentepercentage bedroeg 0,25%. Op 13 juni 2007 heeft Marketing Services LLC N.V. de schuld van Meriton LLC overgenomen. De jaarrekening 2005 vermeldt op dit punt: “Bad debt reserve has been set up for the unpaid interest.” In de jaarrekening 2007 staat onder het kopje “Other accounts receivable” het nominale bedrag van de lening van € 2.195.228,-- openomen. Op 31 december 2013 stond er blijkens de jaarrekening 2013 nog een bedrag open van € 2.078.282.--. De helft van dit bedrag (€ 1.039.141,--) is als “bad debt” afgeboekt. 1.6 In de jaarrekeningen 2003 t/m 2007 van [A] staat een lening opgenomen die [A] aan [eiser] heeft verstrekt voor een bedrag van € 740.000,--. Voor de aflossing van deze lening is geen zekerheid geëist. In de jaarrekening 2007 staat vermeld dat eind 2006 deze lening verminderd met aflossing en vermeerderd met onbetaalde rente € 799.710,-- bedraagt. 1.7 Op 28 augustus 2007 heeft [A] de nominale waarde van de aandelen bijgesteld van € 45,38 per aandeel naar € 20,89 per aandeel. 1.8 Bij brief van 8 oktober 2007 heeft [eiser] aan [verweerder] medegedeeld, zakelijk weergegeven, dat als gevolg van de bijstelling van de nominale waarde van de aandelen [verweerder] recht heeft op een bedrag van € 58.772,25, maar dat er op dat moment in de onderneming onvoldoende cashflow is om tot uitbetaling van dit bedrag over te gaan. 1.9 In de jaarrekening 2007 staat, zakelijk weergegeven, dat de in 1.6 genoemde lening aan [eiser] inclusief niet betaalde rente is verrekend met het bedrag dat aan [eiser] toekwam ten gevolge van de bijstelling van de nominale waarde van de aandelen. 1.10 Op 4 november 2008 heeft een algemene vergadering van [A] plaatsgevonden. Op de agenda stond de goedkeuring van de jaarstukken 2004, 2005 en 2006. De jaarstukken zijn goedgekeurd, waarbij [verweerder] steeds tegen heeft gestemd. De medebestuurders van [eiser] zijn afgetreden. [eiser] is sindsdien enig bestuurder van [A] . 1.11 Tussen [verweerder] en [eiser] is sinds 17 april 2013 bij een civiele kamer van het Latvijas Republikas Augustaka Tiese (de rechter in hoger beroep in Letland) onder zaaknummer C04238708 een procedure aanhangig met betrekking tot onder meer de totstandkoming en de nakoming van een overeenkomst (letter of intent) op 29 november 2003 betreffende de verkoop van de door [verweerder] in [A] gehouden aandelen aan [eiser] voor een bedrag van € 320.000,--. Een daartoe strekkende vordering van [verweerder] heeft de Rigas apgabaltiesas Civilietu tiesu kolegija (de rechtbank van Riga) in eerste aanleg op 15 maart 2013 afgewezen. Van deze uitspraak heeft [verweerder] genoemd hoger beroep ingesteld, dat thans (dat wil zeggen: op de datum van het tussenarrest) loopt. 2Procesverloop In feitelijke instantie 2.1 [eiser] heeft bij exploot van 14 april 2014 [verweerder] gedagvaard en gevorderd dat de OK bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: 1) [verweerder] veroordeelt het onbezwaarde recht op de door hem gehouden aandelen in [A] over te dragen aan [eiser] ; 2) primair de prijs van de over te dragen aandelen per de datum van het toewijzende arrest vaststelt op € 21,15 per aandeel, dan wel subsidiair op een zodanig bedrag en per zodanige datum als door de OK in goede justitie te bepalen; 3) bepaalt dat, zolang en voor zover de prijs niet is betaald, deze wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van het toewijzende arrest of subsidiair vanaf de datum als door de OK in goede justitie is bepaald, tot de datum van de overdracht of de dag van de consignatie overeenkomstig art. 2:201a lid 8 BW; 4) bepaalt dat uitkeringen op de over te dragen aandelen die in de hiervoor onder 3) bedoelde periode betaalbaar worden gesteld, op de dag van betaalbaarstelling strekken tot gedeeltelijke betaling van de prijs; 5) [eiser] veroordeelt de vastgestelde prijs met rente te betalen aan [verweerder] , tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen; 6) [verweerder] , voor zover hij in rechte verschijnt en verweer voert tegen de vordering, veroordeelt in de kosten van dit geding. 2.2 [verweerder] heeft bij incidentele memorie houdende exceptie van onbevoegdheid gevorderd dat de OK zich onbevoegd verklaart en de zaak aanhoudt totdat de bevoegdheid van de rechter in Letland met betrekking tot de onder 1.11 omschreven procedure vaststaat. Bij arrest van 23 december 2014 in het incident heeft de OK de incidentele vorderingen tot onbevoegdverklaring en tot aanhouding van de procedure afgewezen. 2.3 Bij conclusie van antwoord heeft [verweerder] bewijs aangeboden en geconcludeerd dat de OK zich alsnog onbevoegd verklaart om over de zaak te oordelen, dan wel dat de OK de zaak alsnog aanhoudt totdat de onder 1.11 beschreven procedure is afgerond, dan wel, dat de OK bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair [eiser] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans die vorderingen afwijst; - subsidiair, voor het geval dat [verweerder] wordt veroordeeld tot overdracht van de aandelen, de prijs voor die aandelen vaststelt op het in de onder 1.11 genoemde overeenkomst vastgestelde bedrag van € 320.000,--, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf het moment dat [eiser] in verzuim is geraakt met betrekking tot het nakomen van zijn betalingsverplichtingen uit die overeenkomst; - meer subsidiair, voor het geval dat [verweerder] wordt veroordeeld tot overdracht van de aandelen, bij de vaststelling van de prijs voor de aandelen uitgaat van de situatie dat [eiser] de financiële positie niet zou hebben uitgehold, althans dat rekening wordt gehouden met het feit dat [eiser] [A] en [verweerder] ernstig heeft benadeeld; - steeds met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. 2.4 Bij conclusie van repliek heeft [eiser] bewijs aangeboden en zijn vorderingen gehandhaafd. Bij conclusie van dupliek heeft [verweerder] zijn bewijsaanbod en zijn verweer gehandhaafd. 2.5 Bij arrest van 5 juli 2016 (het tussenarrest) neemt de OK tot uitgangspunt dat de door [eiser] ingestelde vordering tot overdracht van de aandelen die [verweerder] houdt in het geplaatste kapitaal van [A] is gebaseerd op art. 2:201a BW. Gelet op het feit dat [eiser] voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft en ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering van [A] kan uitoefenen, voldoet hij aan de vereisten van lid 1 van die bepaling. Nu door [verweerder] niet is gesteld dat één van de feiten of omstandigheden die zijn genoemd in lid 4 van die bepaling zich voordoen, is de vordering van [eiser] in zoverre toewijsbaar. (rov. 3.1) Onder verwijzing naar het arrest van 23 december 2014 verwerpt de OK het verweer van [verweerder] dat de OK zich onbevoegd dient te verklaren of de zaak in afwachting van de afronding van de procedure in Letland dient aan te houden (rov. 3.2). Vervolgens overweegt de OK dat [verweerder] in zijn verweer voorts primair heeft gesteld dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, omdat [eiser] misbruik maakt van de bevoegdheid om een vordering tot uitkoop in te stellen, dan wel omdat de toepassing van art. 2:201a BW in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Over dit verweer oordeelt de OK als volgt (rov. 3.3): “b. [eiser] heeft - zo begrijpt de Ondernemingskamer het standpunt van [verweerder] - onrechtmatig jegens [verweerder] gehandeld door in zijn hoedanigheid van (mede)bestuurder van [A] opzettelijk handelingen te verrichten die hebben geleid tot een uitholling van de onderneming van [A] , tot een bevoordeling van [eiser] en aan hem verbonden entiteiten en tot een daling van de waarde van de aandelen van [verweerder] . De door [eiser] ingestelde vordering in de onderhavige procedure vormt een sluitstuk van dit handelen met de bedoeling dat hij voor een gering bedrag de aandelen van [verweerder] kan verkrijgen. Bij de beoordeling van dit verweer stelt de Ondernemingskamer voorop dat de uitkoopprocedure slechts zeer beperkte ruimte laat om eventuele onrechtmatige handelingen van de uitkopende aandeelhouder ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vordering mee te laten wegen. De vordering tot uitkoop is mits aan de eisen van artikel 2:201a lid 1 BW is voldaan en artikel 2:201a lid 4 BW niet van toepassing is, in beginsel toewijsbaar. Dat uitgangspunt is in dit geval onverkort van toepassing. De Ondernemingskamer overweegt in dit verband dat de door [verweerder] gestelde feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden [bedoeld zal zijn: bevoegdheid, A-G] of tot het niet toepassen van artikel 2:201a BW op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid. Voor dit oordeel is mede bepalend dat die feiten en omstandigheden hierna zullen worden betrokken bij de vaststelling van de uitkoopprijs. Die feiten en omstandigheden staan derhalve niet in de weg aan de toewijsbaarheid van de vordering.” Nadat de OK het primaire verweer van [verweerder] heeft verworpen (rov. 3.4), overweegt de OK dat het geschil zich toespitst op de vraag welke prijs [eiser] voor de aandelen die [verweerder] houdt in [A] dient te betalen (rov. 3.5). Volgens [eiser] moet die prijs worden vastgesteld op € 21,15 per aandeel, hetgeen in de dagvaarding is onderbouwd met verwijzing naar een rapport van Adtractum van 14 januari 2014 en naar de jaarrekeningen van [A] van 2010 en 2012 (rov. 3.5). Het subsidiaire verweer van [verweerder] dat de prijs van de aandelen moet worden vastgesteld op het bedrag van € 320.000,-- dat in de letter of intent staat genoemd, wordt door de OK afgewezen (rov. 3.6). Vervolgens overweegt de OK (rov. 3.7-3.14): “3.7 Meer subsidiair heeft [verweerder] de Ondernemingskamer gevraagd bij de vaststelling van de prijs voor de aandelen rekening te houden met de reeds eerder gereleveerde onrechtmatige handelingen van [eiser] , die hebben geleid tot een uitholling van [A] , tot een bevoordeling van [eiser] en aan hem verbonden entiteiten en tot een daling van de waarde van de aandelen van [verweerder] . [verweerder] heeft in dat verband gewezen op: - de verkoop op 13 november 2004 van de door [A] gehouden aandelen in drie winstgevende dochtervennootschappen tegen een niet marktconforme prijs aan [B] , thans [C] , waarvan [eiser] alle aandelen houdt. [A] heeft hierdoor verlies geleden; - het verstrekken door [A] van een lening van € 2.195.228 tegen een onaanvaardbaar laag rentepercentage aan een aan [eiser] gelieerde partij. Van deze lening, die reeds meer dan 10 jaar openstaat, is bovendien, in 2013, de helft kwijtgescholden dan wel afgeboekt als “bad debt”;- het verstrekken door [A] van een persoonlijke lening aan [eiser] van € 740.000 waarvoor geen zekerheid is gevraagd en waarover geen rente is betaald; - de bijstelling van de nominale waarde van de aandelen van € 45,38 naar € 20,89 per aandeel ten gevolge van bovenstaande handelingen; - verrekening van de persoonlijke lening aan [eiser] met het bedrag dat [eiser] als aandeelhouder toekomt in verband met de bijstelling van de nominale waarde van de aandelen, terwijl aan [verweerder] het aan hem als gevolg van die bijstelling toekomend bedrag niet wordt uitbetaald, omdat er onvoldoende cash flow zou zijn. 3.8 De Ondernemingskamer overweegt het volgende. 3.9 [eiser] heeft weliswaar gesteld dat de overeengekomen prijs voor de aandelen in de dochtervennootschappen marktconform was, maar hij heeft dat verweer niet van een nadere toelichting voorzien en hij is ook niet voldoende ingegaan op hetgeen over die verkoop in de jaarrekening 2003 staat vermeld (zie hierboven onder 2.4 [corresponderend met 1.4 hiervoor, A-G]). Dat de koopprijs in aandeelhoudersvergaderingen zou zijn besproken en goedgekeurd, zoals [eiser] heeft gesteld, vindt geen steun in de overgelegde stukken. Zijn stelling dat de werkelijke waarde van de dochtervennootschappen nihil was en dat de koopprijs was gebaseerd op een vastgestelde marktwaarde van afgerond in totaal € 4,5 miljoen, welke koopprijs “deels [is] verrekend met de geconsolideerde balansverhoudingen zoals in de jaarrekening van [A] verantwoord” biedt een onvoldoende reactie op het standpunt van [verweerder] . Dit klemt te meer nu [eiser] niet heeft betwist dat de dochtervennootschappen aan een aan hem gelieerde vennootschap zijn verkocht en hij tevens naar voren heeft gebracht dat onder zijn leiding die dochtervennootschappen na de verkoop zijn uitgegroeid tot een bedrijf met een omzet van € 80 miljoen. Gelet op de gemotiveerde stelling van [verweerder] in het licht van de hierboven onder 2.4 [corresponderend met 1.4 hiervoor, A-G] vastgestelde feiten stelt de Ondernemingskamer vast dat de dochtervennootschappen voor een niet marktconforme prijs zijn verkocht, dat die verkoop ten goede is gekomen aan een aan [eiser] gelieerde entiteit en dat de verkoop [A] heeft benadeeld. 3.10 Ten aanzien van het door [verweerder] opgeworpen punt van de lening van € 2.195.228 overweegt de Ondernemingskamer het volgende. [eiser] heeft weliswaar ontkend dat hij op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de vennootschap aan wie dit bedrag is geleend, maar hij heeft geen enkele verklaring gegeven voor het destijds niet marktconforme rentepercentage van 0,25, het feit dat er ten aanzien van de aflossing van de lening geen afspraken zijn gemaakt en dat er ten behoeve van die aflossing geen zekerheid is verstrekt. Hij heeft gewezen op hetgeen over die lening is opgemerkt in het rapport van Adtractum. Dit helpt hem echter niet in zijn reactie op het verweer van [verweerder] . In het rapport (p. 5) staat het volgende. “On January 13, 2004 a loan of Euro 2.197.000 is supplied to Meriton LLC. USA without any determined term nor pay back installments. On June 13, 2007 this loan has been assigned to Marketing Services LLC N.V. (...). In article 3 of this Agreement is enacted that Marketing Services LLC. N.V. as per date of the Agreement will pay the full amount of Euro 2.193.227,70 to [A] . At that date the loan has not been paid back to [A] , but remained unpaid. Since then only three installments are paid (...). In June 2013 Marketing Services LLC has sent a message, that no installment will be paid during 2013. We do wonder when new installments of the loan will be paid in the near future. Based upon past experience we have great doubts if the loan will be paid off at all. Therefore we consider a provision necessary for at least 30% (...) of the still pending installments of Euro 2.078.282. This will result in a forecast loss for 2013 of Euro 1.037.000.” Ook de verwijzing naar antwoorden op vragen tijdens de jaarvergadering in 2008 (productie 14 bij dagvaarding) kan [eiser] niet baten. Daarin wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over de mogelijke betrokkenheid van [eiser] bij genoemde vennootschappen en wordt evenmin een toelichting gegeven over de voorwaarden waaronder de lening is aangegaan. Dat bij het niet aflossen van de lening door [A] stappen zullen worden ondernomen jegens de schuldenaar, zoals [eiser] aan [verweerder] heeft medegedeeld, is niet gebleken. Al met al kan de conclusie geen andere zijn dan dat de lening op onzakelijke voorwaarden is verstrekt en dat deze lening [A] heeft benadeeld. 3.11 [eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen de gemotiveerde stelling dat op onzakelijke voorwaarden een lening van € 740.000 aan [eiser] in privé is verstrekt, zodat de Ondernemingskamer daarvan uitgaat. 3.12 [eiser] heeft geen plausibele toelichting gegeven op de achtergrond en de noodzaak van de verlaging van de nominale waarde van de aandelen van € 45,38 in 2006 naar € 20,89 per aandeel in 2007. Dat “alle aandeelhouders" zouden hebben ingestemd met de bijstelling, zoals [eiser] heeft gesteld, blijkt niet uit de overgelegde stukken. De Ondernemingskamer gaat er derhalve van uit dat de stelling van [verweerder] dat de bijstelling samenhangt met de hierboven weergegeven handelingen van [eiser] , juist is. Voorts heeft [eiser] geen althans onvoldoende verweer gevoerd tegen het verwijt van [verweerder] dat hij zichzelf heeft bevoordeeld door het bedrag van de lening van € 740.000 te verrekenen met het bedrag dat hem uit hoofde van de bijstelling van de waarde van de aandelen toekwam. 3.13 [eiser] heeft zich nog beroepen op een lastercampagne die [verweerder] tegen [A] en [eiser] zou hebben gehouden en dat dit tot een benadeling van [A] heeft geleid. Wat daarvan ook zij: dit verweer doet geen afbreuk aan hetgeen [verweerder] naar voren heeft gebracht, terwijl overigens de relatie tussen deze lastercampagne en de door [eiser] gevorderde prijs van € 21,15 niet van een voldoende toelichting is voorzien. Het bewijsaanbod dat [eiser] heeft gedaan zal worden verworpen omdat het niet is gebaseerd op voldoende geconcretiseerde stellingen. 3.14 De conclusie luidt dat de door [verweerder] gemotiveerd gestelde feiten en omstandigheden, hierboven weergegeven onder 3.7, door [eiser] onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. De bovenstaande overwegingen tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd leiden tot het oordeel dat [eiser] de onderneming bewust heeft uitgehold en zichzelf of aan hem verbonden entiteiten heeft bevoordeeld. Dit handelen heeft niet alleen tot schade aan de vennootschap geleid, maar heeft tevens tot gevolg gehad dat de waarde van de door [verweerder] gehouden aandelen is gedaald. Nog daargelaten dat het handelen van [eiser] als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd jegens de vennootschap, is dit handelen op zichzelf beschouwd onrechtmatig jegens [verweerder] als enige andere aandeelhouder. Aan het oordeel dat [eiser] onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld draagt bij dat het instellen van de vordering tot uitkoop als niets anders kan worden gezien dan als een sluitstuk van het handelen van [eiser] om de aandelen goedkoop te verkrijgen.” De OK beveelt in het tussenarrest een onderzoek door een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon naar de waarde van de over te dragen aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] per de datum van het arrest (5 juli 2016). Naar het oordeel van de OK kan met de benoeming van één deskundige worden volstaan. De deskundige dient de waarde van de aandelen te bepalen met inachtneming van alle feiten en omstandigheden die deze waarde bepalen. (rov. 3.15) De OK vervolgt (rov. 3.16-3.17): “3.16 In dat verband overweegt de Ondernemingskamer dat het gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, te weten dat de uitkopende aandeelhouder als (mede)bestuurder van de vennootschap handelingen heeft verricht waarmee hij zichzelf heeft bevoordeeld en waarmee hij de vennootschap en de andere aandeelhouder heeft geschaad, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, indien [verweerder] zou worden veroordeeld tot levering van zijn aandelen tegen een prijs die uitgaat van een waardering die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van [eiser] . Deze overweging leidt tot het volgende: - de deskundige dient in ieder geval de hierboven onder 2.4 tot en met 2.9 [corresponderend met 1.4 tot en met 1.9 hiervoor, A-G] vastgestelde feiten en omstandigheden bij zijn waardering te betrekken; - de deskundige dient de waardering vast te stellen op de waarde zoals die zou zijn vastgesteld als die feiten en omstandigheden niet hadden plaatsgevonden; - de deskundige dient te abstraheren van de verwachting dat de vennootschap ( [eiser] ) er niet toe zal overgaan om een vordering uit onrechtmatige daad jegens [eiser] in te stellen. 3.17 Indien de deskundige op grond van door hem vast te stellen gegevens en met inachtneming van hetgeen is overwogen in 3.16 hiervoor desalniettemin - zonder een volledig onderzoek - constateert dat de waarde van de aandelen in elk geval niet hoger is dan de gevorderde prijs van € 21,15, kan hij met de constatering en motivering daarvan volstaan.” 2.6 Bij arrest van 26 juli 2016 heeft de OK drs. G. Rooijackers RC RV (hierna ook: de deskundige) aangewezen als deskundige als bedoeld in het tussenarrest. 2.7 Het deskundigenbericht is op 3 oktober 2017 ingediend. 2.8 Op 14 november 2017 hebben [eiser] en [verweerder] elk een memorie na deskundigenbericht genomen. [eiser] heeft daarbij zijn eis gewijzigd, aldus dat hij vordert, uitdrukkelijk niet langer uitvoerbaar bij voorraad: a. primair: [verweerder] te veroordelen tot overdracht van de door hem gehouden aandelen tegen betaling door [eiser] van € 20,83 per aandeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016; b. subsidiair: [verweerder] te veroordelen tot overdracht van de door hem gehouden aandelen tegen betaling door [eiser] van € 21,15 per aandeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016; c. meer subsidiair: te bepalen dat er sprake is van een situatie als bedoeld in art. 2:201a lid 4 BW; d. nog meer subsidiair: [verweerder] te veroordelen tot overdracht van de door hem gehouden aandelen tegen betaling door [eiser] van een uitkoopprijs vast te stellen zonder enige correctie op grond van (
- a)de verkoop door [A] van drie dochtervennootschappen, (
- b)de door [A] aan Meriton LLC verstrekte geldlening en (
- c)de verlaging van de nominale waarde van de aandelen, althans zonder toepassing van een of meer van deze correcties, de aldus vast te stellen uitkoopprijs te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016; e. meest subsidiair: [verweerder] te veroordelen tot overdracht van de door hem gehouden aandelen tegen betaling door [eiser] van € 157,94 per aandeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2016; met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding. 2.9 Bij antwoordakte van 9 januari 2018 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de onder 2.8 hiervoor weergegeven eiswijziging en de OK verzocht geen acht te slaan op de memorie na deskundigenbericht van [eiser] voor zover dat stuk geen betrekking heeft op het deskundigenbericht. 2.10 Ter terechtzitting van 19 april 2018 hebben partijen hun standpunten bepleit, beiden onder overlegging van pleitnotities. [eiser] heeft bij die gelegenheid bij akte zijn eis opnieuw gewijzigd, aldus dat hij de onder 2.8 sub e weergeven vordering strekkende tot uitkoop tegen een prijs van € 157,94 per aandeel heeft ingetrokken. [verweerder] heeft ter gelegenheid van het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. 2.11 Op 5 februari 2019 heeft de OK eindarrest gewezen (hierna ook: het eindarrest). Over de waardering door de deskundige overweegt de OK als volgt (rov. 2.3): “2.3 De deskundige heeft de aandelen in [A] per de peildatum van 5 juli 2016 gewaardeerd op € 157,94 per aandeel. In het rapport staat onder meer het volgende. “3.2 Valuation methodology (…) In the past years the subsidiaries of [A] have been sold. As per valuation date [A] can be considered to be an inactive holding company. As per 31 December 2015 assets consist of receivables and (a limited amount of cash). Liabilities consist of short-time liabilities. Total shareholders’ equity and reserves amount to € 1,006,216. In the absence of expected future activities, we consider a valuation based on discounted cashflows not meaningful or feasible. We will therefore, value the shares of [A] based upon the intrinsic value of its assets and liabilities based on fair market value. 3.3 Corrections in equity [A] as per valuation date 3.3.1 Sale of the three subsidiaries in 2004 (...) we estimate the market value of the three subsidiaries at € 5,790,000 (rounded off) as per 13 November 2004. The difference of € 1.637.156 compared to the selling price (€ 5,790,000 - € 4,152,844) will be added to the intrinsic value of [A] as per 5 July 2016. An interest rate will be taken into account. We refer to the overview (summary) included in section 3.4. 3.3.2 Loan to Meriton LLC (…) [A] provided a short-term loan to Meriton LLC of € 2,195,228 on 2 January 2004. The nominal annual interest was 0.25% but no interest was paid. Marketing Services LLC N.V. took over the debt from Meriton LLC on 13 June 2007. Marketing Services has since completed loan repayments of € 116.945 (…) The outstanding balance of the loan as per valuation date (5 July 2016) equals € 2,078,282 (excluding unpaid interest). As per 31 December 2015 the bad debt provision on this loan was € 1,039,141 (50% of the outstanding loan balance). The book value of the loan was € 1,039,141 as per 31 December 2015. The book value of the loan will be eliminated from equity as per valuation date. We will assume that [A] would benefit from liquidity of € 2,195,228 on 2 January 2004. An interest rate will be taken into account for the period between 2 January 2004 and 5 July 2016 on the assumed liquidity (less the actual debt repayments that [A] received). We refer to the overview (summary) included in section 3.4. 3.3.3 Loan to [eiser] and adjustment of nominal value of the shares (…) As of December 31, 2006 the paid share capital of [A] was € 2,178,145 and consisted of 48.000 shares. As a result of the share capital denomination on 28 August 2007, the value was reduced from € 45.38 to € 20.89 per share, resulting in a total reduction of 1,175,425. After the denomination the paid share capital amounted to €1,002,720. The reduction in share capital resulted in payables to the shareholders: - [eiser] € 999,136 - [verweerder] € 58,771 - Dreker € 117,518 On June 30, 2007 the payable and receivable balances with [eiser] were settled. The payable to [eiser] in the amount of € 999,136 was netted to the outstanding loans to [eiser] and a small loan from [eiser] to [A] : (...) After the above set off [eiser] had a net receivable from [A] for the amount of € 752. The book value of equity as per 5 July 2016 will be adjusted for the reversal of the share capital denomination (€ 1,175,425). We furthermore assume that [A] would have benefited from interest on liquidity of € 998,384 as per 28 August 2007 (the date of the share capital denomination). This equals the balance of the loans from and to [eiser] including unpaid interest as per that date. An interest rate will be taken into account for the period between 28 August 2007 and 5 July 2016 on the assumed liquidity. We refer io the overview (summary) included in section 3.4. 3.4 Conclusion A summary of the aforementioned corrections in the equity value of [A] is provided in the following table. Each of the aforementioned corrections has been determined per a specific (historic) reference date. In order to calculate the value of [A] as per valuation date (5 July 2016), an interest rate of 5% has been taken into account. In the calculation we also took into account expected corporate income tax on the interest income. (...) We consider an interest of 5% as a deemed fair return on financial assets (loans etc.). In our analysis we reviewed the loans provided by [A] to both Meriton and [eiser] . The Meriton loan carried an interest of 0.25% which, in our view, cannot be considered as ‘normal’. The loan provided to [eiser] (loan agreement dated 1 October 2004), carried an interest of 5% which, in general, seems to be not unreasonable as an expected return on financial assets. The book value of equity of [A] as per 31 December 2015 is € 1,006K. The net profit (loss) for the period from 1 January 2016 to 5 July 2016 is estimated at € 6K negative (the loss in 2015 was € 11K). The aforementioned corrections are added to the book value of equity. This provides an estimated market value of € 7,581,000 as per 5 July 2016. An overview is provided in the following table. ” In rov. 2.4-2.9 oordeelt de OK over (de bezwaren tegen) de eiswijzigingen. De slotsom is dat de OK de verandering van eis bij pleidooi buiten beschouwing laat wegens strijd met de goede procesorde en dat zij beslist op de vorderingen als geformuleerd bij memorie na deskundigenbericht van [eiser] (rov. 2.9). In rov. 2.10-2.13 worden door de OK de standpunten van partijen weergegeven, waarna de OK overgaat tot de verdere beoordeling (rov. 2.14-2.20): “2.14 Anders dan [verweerder] heeft aangevoerd (zie 1.7 [corresponderend met 2.9 hiervoor, A-G]) is het niet ontoelaatbaar dat [eiser] zich in zijn memorie na deskundigenbericht op het standpunt heeft gesteld dat de Ondernemingskamer terug zou moeten komen van haar beoordeling in het tussenarrest. [verweerder] heeft op dat betoog ook voldoende kunnen reageren, zowel in zijn daaropvolgende antwoordakte, als bij pleidooi. 2.15 Het oordeel in het tussenarrest dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [verweerder] te veroordelen tot levering van zijn aandelen aan [eiser] tegen een prijs die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van [eiser] , is een bindende eindbeslissing. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding daarvan terug te komen; het oordeel berust niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR: 2008:BC2800). De Ondernemingskamer overweegt daartoe als volgt. 2.16 De Ondernemingskamer stelt voorop dat, toegesneden op het onderhavige geval, bij de vaststelling van de uitkoopprijs als uitgangspunt geldt dat [verweerder] recht heeft op een reële en redelijke vergoeding voor zijn aandelen, die op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM 'reasonably related to its value’ moet zijn en in de woorden van artikel 2:359c BW ‘billijk’, waarmee geen andere maatstaf wordt beoogd dan die van artikel 2:201a BW. Deze maatstaf vergt in het onderhavige geval, zoals in het tussenarrest is geoordeeld, dat wordt voorkomen dat [verweerder] wordt gedwongen zijn aandelen aan [eiser] te leveren tegen een prijs die in overwegende mate bepaald wordt door de benadelende handelingen van [eiser] als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [A] . [eiser] miskent dat de formulering ‘reasonably related to its value’ daaraan niet (…) in de weg staat en dat die formulering strekt tot bescherming van het eigendomsrecht van de uit te kopen minderheidsaandeelhouder en er niet toe strekt te voorkomen dat de uitkoper “te veel” zou moeten betalen. 2.17 In het tussenarrest ligt besloten dat de benadelende handelingen bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure. Mede gelet op het feit dat [A] thans slechts twee aandeelhouders heeft en ten tijde van de benadelende handelingen een beperkte kring van aandeelhouders, terwijl [eiser] steeds meerderheidsaandeelhouder en bestuurder was, ligt het voor de hand een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW. In geval van een vordering tot uittreding in het kader van de geschillenregelingsprocedure kan een billijke verhoging worden toegekend in verband met gedragingen van de andere aandeelhouders of van anderen indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven. 2.18 In het onderhavige geval acht de Ondernemingskamer het passend om bij het bepalen van de uitkoopprijs te voorkomen dat de prijs waartegen [verweerder] gehouden is zijn aandelen over te dragen in overwegende mate wordt bepaald door de genoemde handelingen van [eiser] die hemzelf hebben bevoordeeld en [verweerder] als minderheidsaandeelhouder hebben benadeeld. Daaruit volgt dat de stelling van [eiser] dat een vordering tot schadevergoeding van [A] of [verweerder] op [eiser] inmiddels is verjaard, niet ter zake dienend is, nog daargelaten dat de Ondernemingskamer in het tussenarrest reeds overwoog dat de deskundige dient te abstraheren van de omstandigheid dat [A] geen vorderingen tegen [eiser] heeft ingesteld of zal instellen. 2.19 De wijze waarop de Ondernemingskamer bij de vaststelling van de billijke uitkoopprijs rekening houdt met de benadelende handelingen, strekt niet tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen. De Ondernemingskamer beoogt slechts bij de vaststelling van de uitkoopprijs die benadelende handelingen in zodanige mate te betrekken dat de uitkoopprijs redelijk is. 2.20 Tegen deze achtergrond zal de Ondernemingskamer hieronder de door de deskundige in aanmerking genomen correcties op de intrinsieke waarde en de daartegen door partijen geuite bezwaren bespreken. Uitgangspunt is dat, zoals de deskundige onbestreden in zijn rapport heeft vermeld, [A] op de peildatum (5 juli 2016) nog slechts een inactieve holding maatschappij was nu haar dochtervennootschappen waarin de onderneming werd gedreven reeds voordien waren verkocht. De Ondernemingskamer deelt de opvatting van de deskundige dat daarmee strookt dat de aandelen worden gewaardeerd op basis van hun intrinsieke waarde.” In de daaropvolgende overwegingen gaat de OK onder meer in op de correctie vanwege de verkoop van de dochtermaatschappijen (rov. 2.21-2.24), de correctie vanwege de lening van bijna € 2,2 miljoen aan Meriton LLC (rov. 2.25-2.30), de correctie vanwege de lening aan [eiser] en de verlaging van de nominale waarde van de aandelen (rov. 2.31-2.33), en het door de deskundige veronderstelde rendement (rov. 2.34-2.38). De OK volgt de deskundige in zijn correctie met betrekking tot de verkoop van dochtermaatschappijen, voor zover deze inhoudt dat de prijs waartegen deze heeft plaatsgevonden € 1.637.156,-- lager is dan de marktwaarde ten tijde van de transactie. (rov. 2.24) De OK volgt de deskundige eveneens in zijn correctie met betrekking tot de aan Meriton LLC verstrekte lening van bijna € 2,2 miljoen, voor zover deze correctie inhoudt dat bij de waardering van de aandelen in [A] deze lening zal worden weggedacht. (rov. 2.30) De OK constateert verder dat de nominale waarde van de aandelen is verlaagd zonder dat [A] beschikte over de financiële middelen om de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting aan alle aandeelhouders te voldoen en de betalingsverplichting aan [eiser] (vrijwel volledig) is voldaan (door verrekening), terwijl [verweerder] onbetaald is gebleven. De OK oordeelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is deze bevoordeling van [eiser] en benadeling van [verweerder] bij de vaststelling van de billijke uitkoopprijs buiten beschouwing te laten. (rov. 2.33) Mede in het licht van de beperkte toelichting van de deskundige op het door hem gehanteerde rendementspercentage van 5% oordeelt de OK, conform het standpunt van [eiser] , dat dit percentage te hoog is. De OK zal in plaats van die 5% een verondersteld rendement hanteren gelijk aan de wettelijke rente. (rov. 2.36) Herberekening van de drie genoemde correcties op basis van de wettelijke rente leidt tot een uitkoopprijs van € 142,10 per aandeel. (rov. 2.37) De OK acht een uitkoopprijs van € 142,10 per 5 juli 2016 juist (rov. 2.38) en wijst de uitkoopvordering voor die prijs toe. (rov. 2.40 en het dictum). Het beroep van [eiser] op art. 2:201a lid 4 BW wordt afgewezen, omdat aan [eiser] als uitkoper geen beroep op deze bepaling toekomt. (rov. 2.39) Het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard onder de voorwaarde dat [verweerder] zekerheid stelt voor een bedrag van € 360.000,-- (het aantal door [verweerder] gehouden aandelen van 2.400, vermenigvuldigd met de uitkoopprijs van € 142,10, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juli 2016), gelet op het restitutierisico dat [eiser] loopt indien het eindarrest in cassatie wordt vernietigd. (rov. 2.45 en het dictum) 2.12 Bij arrest van 19 februari 2019 heeft de OK het eindarrest verbeterd op de voet van art. 31 Rv. De OK heeft ambtshalve geconstateerd dat de kostenveroordeling in het bevoegdheidsincident een verschrijving bevat in het dictum van het eindarrest. Waar in het dictum staat “veroordeelt [verweerder] in de kosten van het bevoegdheidsincident, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 537”, had moeten staan “veroordeelt [verweerder] in de kosten van het bevoegdheidsincident, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 537”. Deze kennelijke fout leent zich voor eenvoudig herstel door het dictum van het eindarrest aldus te verbeteren. In cassatie 2.13 [eiser] heeft bij op 5 mei 2019 – derhalve tijdig – bij de Hoge Raad ingekomen procesinleiding cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest (van 5 juli 2016), het tussenarrest van 26 juli 2016 en het eindarrest (van 5 februari 2019) zoals verbeterd bij het arrest van 19 februari 2019. Het cassatieberoep is dus niet gericht tegen het tussenarrest in het bevoegdheidsincident van 23 december 2014. [verweerder] heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Zowel [eiser] als [verweerder] heeft schriftelijke toelichting gegeven. [eiser] heeft gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd. 3De bespreking van het cassatiemiddel ‘Tunneltjes graven’ 3.1 De OK neemt in deze zaak tot uitgangspunt dat “ [eiser] de onderneming bewust heeft uitgehold en zichzelf of aan hem verbonden entiteiten heeft bevoordeeld”, wat “niet alleen tot schade aan de vennootschap [heeft] geleid, maar tevens tot gevolg [heeft] gehad dat de waarde van de door [verweerder] gehouden aandelen is gedaald” (rov. 3.14 tussenarrest). Dergelijk handelen van een controlerende aandeelhouder(/bestuurder) wordt wel aangeduid als ‘tunneling’, in Nederlandse ondernemingsrechtelijke literatuur vertaald als ‘tunneltjes graven’. De tunneltjes die [eiser] heeft gegraven worden door de OK opgesomd in rov. 3.7 tussenarrest (gevolgd door rov. 3.8-3.13 tussenarrest) en corresponderen met de feiten onder 1.4-1.9. Het Nederlandse vennootschapsrecht wordt in toenemende mate geconfronteerd met transacties tussen de vennootschap en haar controlerende aandeelhouder(/bestuurder) en mogelijke benadeling van de vennootschap en minderheidsaandeelhouder(
- s)dientengevolge. De onderhavige zaak illustreert dat ‘tunneling’ niet alleen bij beursvennootschappen (open verhoudingen) kan spelen, maar ook bij niet-beursvennootschappen (besloten verhoudingen). De kernvraag die in de onderhavige zaak voorligt 3.2 De kernvraag die m.i. in de onderhavige zaak voorligt, is of, en zo ja in hoeverre en op welke wijze, met door de uitkoper (in hoedanigheid van controlerende aandeelhouder/bestuurder) direct of indirect (via met de uitkoper verbonden entiteiten) aan de vennootschap en de andere (minderheids)aandeelhouder toegebrachte benadeling door het ‘graven van tunneltjes’ naar aanleiding van een daartoe strekkend gemotiveerd verweer van die andere aandeelhouder rekening kan en mag worden gehouden bij het vaststellen van de uitkoopprijs in een uitkoopprocedure op de voet van art. 2:201a BW (geëntameerd door de uitkoper als sluitstuk om de aandelen van die andere aandeelhouder goedkoop te verkrijgen). Kenmerkend aan dit ‘tunneltjes graven’ is, zo ook hier, dat de tunnel, direct of indirect, loopt van de vennootschap naar de uitkoper; de uitkoper bevindt zich, anders gezegd, uiteindelijk aan het andere eind van de tunnel en wordt daarmee bevoordeeld, ten nadele van de vennootschap en de andere aandeelhouder. Met deze nadruk op ‘tunneltjes graven’ leg ik een iets ander accent op de onderhavige zaak dan in sommige commentaren in de literatuur. In de onderhavige zaak wordt art. 2:201a BW toegepast. Deze bepaling is opgenomen in Titel 5 van Boek 2 BW, welke titel van toepassing is op de B.V. Art. 2:92a BW bevat een pendant voor de N.V. De beide bepalingen zijn in werking getreden op 1 mei 1988. Tussen art. 2:92a BW en art. 2:201a BW bestaan kleine verschillen. Zo geldt op grond van art. 2:92a BW niet het vereiste dat ook ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan worden uitgeoefend, omdat het N.V.-recht, anders dan het B.V.-recht, geen stemrechtloze aandelen kent. Art. 2:92a BW laat ik verder rusten, omdat het onderhavige geval over een B.V. gaat. Daarnaast kent de wet in art. 2:359c BW een specifieke uitkoopfaciliteit voor hij die een openbaar bod heeft uitgebracht. Deze bepaling is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod. Deze bepaling laat ik hier verder eveneens buiten beschouwing, omdat deze specifieke uitkoopfaciliteit na een openbaar bod niet aan de orde is in de onderhavige zaak (vgl. over art. 2:359c BW wel rov. 2.16 eindarrest). Rechtspraak over uitkoopprocedures op de voet van art. 2:92a BW of art. 2:359c BW komt in het vervolg wel aan de orde. Ik kom hierna meer in detail terug op de uitkoopregeling van art. 2:201a BW (zie onder 3.18-3.26), gecontrasteerd ook met de geschillenregeling (zie onder 3.27-3.35). Eerst bezie ik andere rechtspraak van de OK waarmee de onderhavige zaak wel in verband is gebracht (zie onder 3.3-3.4), de ontvangst van deze rechtspraak in de literatuur (zie onder 3.5-3.6), en te onderscheiden mogelijke benaderingen van de kernvraag die in de onderhavige zaak voorligt (zie onder 3.7-3.17). Rechtspraak 3.3 De onderhavige zaak is in de literatuur wel in verband gebracht met de uitkoopprocedure op de voet van art. 2:92a BW inzake Xeikon N.V. In het Xeikon-uitkooparrest van 18 december 2018 overweegt de OK (rov. 2.19-2.22): “2.19 Bij de verdere beoordeling stelt de Ondernemingskamer voorop dat bij de vaststelling van de uitkoopprijs als uitgangspunt geldt dat de minderheidsaandeelhouders recht hebben op een reële en redelijke vergoeding voor hun aandelen, die op grond van artikel 1 Eerste Protocol ‘reasonably related to its value’ moet zijn en in de woorden van artikel 2:359c BW ‘billijk’, waarmee geen andere maatstaf wordt beoogd. In deze maatstaf en de hierboven geciteerde overweging ligt besloten dat bij de vaststelling van de uitkoopprijs, in het bijzonder de redelijkheid daarvan, rekening kan worden gehouden met het door de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure vastgestelde wanbeleid voor zover dit van belang is voor de waarde van de aandelen op de peildatum. Dat laatste is in het bijzonder het geval indien aangenomen kan worden dat Xeikon als gevolg van het wanbeleid schade heeft geleden en derden (onder wie in dit verband tevens (voormalige) bestuurders en commissarissen moeten worden begrepen) op de peildatum jegens Xeikon gehouden waren tot vergoeding van die schade. 2.20 De uitkoopprocedure is naar zijn aard evenwel niet gericht op vaststelling van vorderingen van de doelvennootschap op derden. Die derden zijn in het algemeen geen partij in het geding (ook de doelvennootschap is dat niet altijd) en de vaststelling van aansprakelijkheid van derden voor schade geleden door de doelvennootschap vergt beantwoording van soms complexe vragen met betrekking tot aansprakelijkheid, causaliteit en schade, terwijl bij de waardering van een vordering van de doelvennootschap op derden ook de verhaalbaarheid een rol speelt. 2.21 Bovenstaande overwegingen scheppen een dilemma: enerzijds zou het negeren van de aan Xeikon als gevolg van het wanbeleid toegebrachte schade ten aanzien waarvan aannemelijk is dat derden hiervoor jegens de vennootschap aansprakelijk zijn, leiden tot de vaststelling van een uitkoopprijs die niet kan worden aangemerkt als een reële en redelijke vergoeding, anderzijds gaat de nauwkeurige vaststelling van de aansprakelijkheid van degenen die de schade hebben toegebracht en van de omvang van de schade het bestek van de uitkoopprocedure te buiten. 2.22 De Ondernemingskamer oordeelt dat dit dilemma in deze zaak aldus dient te worden opgelost dat vorderingen van Xeikon op derden tot vergoeding van de door deze derden toegebrachte schade bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure. De Ondernemingskamer trekt daarbij een parallel met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW. In geval van een vordering tot uittreding in het kader van de geschillenregelingsprocedure kan een billijke verhoging worden toegekend in verband met gedragingen van de andere aandeelhouders of van anderen indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven. Voor zover de billijke verhoging berust op gedragingen van anderen dan de (overblijvende) aandeelhouders acht de wetgever toekenning van een verhoging billijk omdat de overblijvende aandeelhouders de mogelijkheid behouden om de vennootschap te bewegen ter zake van die gedragingen te trachten vergoeding te verkrijgen van degene wiens gedragingen het betreft. De vennootschap blijft ook nadat de schade van de uittredende aandeelhouder is vergoed, beschikken over haar vorderingen tegen degenen die de waarde van de aandelen negatief hebben beïnvloed. Zie Kamerstukken II 2006/7, 31 058 nr. 3 (MvT) p. 110-111.” In de Xeikon-zaak was sprake van samenloop met een enquêteprocedure. Op grond van overwegingen uit de wanbeleidbeschikking in de enquêteprocedure, die overigens in cassatie op procesrechtelijke gronden gedeeltelijk is vernietigd, staat volgens de OK in de uitkoopprocedure in voldoende mate vast dat Xeikon als gevolg van het geconstateerde wanbeleid schade heeft geleden. Het wanbeleid bij Xeikon hield ook verband met ‘tunneltjes graven’. In de Xeikon-zaak was uitkoper XBC B.V. (een toen door ‘Bencis’ gecontroleerde vennootschap) echter niet verantwoordelijk voor het door de OK geconstateerde wanbeleid. De uitkoper bevond zich in die zaak dus, anders dan in de onderhavige zaak, niet aan het andere eind van de tunnel (zie onder 3.2). De OK houdt in de Xeikon-uitkoopprocedure wel rekening met de omstandigheid dat sprake was van ‘tunneltjes graven’, maar een op een andere manier dan in de onderhavige zaak, namelijk door vorderingen op diegenen die daarvoor verantwoordelijk worden gehouden ((voormalige) bestuurders en commissarissen) als een actief van de vennootschap bij de waardering te betrekken. De OK baseert zich in de Xeikon-uitkoopprocedure voor de waarde van de vorderingen mede op het wanbeleidoordeel en aanwijzing van degenen die voor dat wanbeleid verantwoordelijk zijn in de enquêteprocedure. Hoewel de OK in rov. 2.24 van dat uitkooparrest overweegt dat met de vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn de civielrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkenen weliswaar niet vast staat, prejudicieert de OK hiermee wel op een eventueel aansprakelijkheidsoordeel. Ik laat dat punt hier verder rusten, omdat in de onderhavige zaak geen sprake is van samenloop van de uitkoopprocedure met een enquêteprocedure. In de onderhavige uitkoopprocedure heeft de OK het handelen van [eiser] als onrechtmatig jegens de vennootschap en jegens [verweerder] gekwalificeerd (rov. 3.14 tussenarrest). Dat oordeel betekent m.i. niet dat de civiele rechter in een afzonderlijke procedure van [verweerder] op de voet van art. 6:162 BW per se aan die kwalificatie (in termen van art. 236 Rv) gebonden zou zijn (vgl. ook rov. 2.19 eindarrest). Dat de OK de term “onrechtmatig” gebruikt in het kader van de benadelende handelingen van de meerderheidsaandeelhouder staat haar evenzeer vrij als het de onderzoeker in de enquêteprocedure vrijstaat om te spreken van ‘wanbeleid’. Een oordeel over civielrechtelijke aansprakelijkheid is aan de civiele rechter (niet aan de OK), evenzeer als in een enquêteprocedure het oordeel over wanbeleid aan de OK is (niet aan de onderzoeker). In de Xeikon-uitkoopprocedure is volgens de OK voldoende aannemelijk dat op de peildatum (voor de waardering van uit te kopen aandelen, zie ook onder 3.24) tot het vermogen van Xeikon vorderingen behoorden op derden, onder wie (voormalige) bestuurders, tot vergoeding van die schade. (rov. 2.24) Het zou volgens de OK naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn die vorderingen niet bij de waardering te betrekken om de enkele reden dat Xeikon (vooralsnog) heeft nagelaten de desbetreffende vorderingen daadwerkelijk in te stellen tegen haar (voormalige) bestuurders of anderen. (rov. 2.25) De OK houdt er rekening mee dat de waarde van die vorderingen van Xeikon op derden in de uitkoopprocedure niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en dat het niet juist zou zijn de te benoemen waarderingsdeskundige daarmee te belasten. De OK maakt daarom zelf een behoudende schatting. (rov. 2.26) De OK houdt bij die schatting rekening met de vastgestelde feiten in de wanbeleidbeschikking, de kosten die gemoeid zouden zijn met het verhaal van de schade door Xeikon, het procesrisico en onzekerheden met betrekking tot de verhaalbaarheid van schade nadat aansprakelijkheid daarvoor in rechte zou zijn vastgesteld. (rov. 2.27) Alles afwegende, schat de OK op de peildatum de waarde van de vordering van Xeikon op derden tot vergoeding van door Xeikon geleden schade op (ten minste) € 30 miljoen en wordt de deskundige opgedragen daarmee rekening te houden bij de waardering van de uit te kopen aandelen. (rov. 2.28) Deze uitspraak in de Xeikon-uitkoopprocedure dateert van vóór het eindarrest in de onderhavige zaak. Met de parallel die in de onderhavige zaak in rov. 2.17 eindarrest wordt getrokken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW lijkt de OK (ten dele) voort te bouwen op rov. 2.22 van het hiervoor weergegeven Xeikon-uitkooparrest. In de Xeikon-uitkoopzaak is overigens ook reeds op 28 juni 2016 (dus vóór het tussenarrest in de onderhavige zaak op 5 juli 2016) een tussenarrest gewezen waarin de OK onder meer heeft overwogen: “Bij de waardering van de over te dragen aandelen dient (…) te worden uitgegaan van alle feiten en omstandigheden die de waarde bepalen, waaronder ook (mogelijke) vorderingen van de vennootschap op bestuurders, commissarissen en/of aandeelhouders. Daarbij verdient reeds opmerking dat er situaties denkbaar zijn waarin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat een vordering van een vennootschap uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad op bestuurders, commissarissen en/of aandeelhouders niet bij de waardering van de aandelen wordt betrokken om de enkele reden dat de vennootschap – zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat – niet bereid zal zijn een dergelijke vordering in te stellen.” De samenloop van de uitkoopprocedure met de enquêteprocedure heeft in de Xeikon-zaak tot vertraging in de uitkoopprocedure geleid. De inleidende dagvaarding in de zaak dateert van 6 juni 2014, waarna de OK in verschillende tussenarresten de uitkoopprocedure heeft aangehouden in afwachting van de voortgang in de enquêteprocedure. Voor zover bekend, is nog geen eindarrest gewezen in de Xeikon-uitkoopprocedure. De voorzitter van de OK heeft de onderzoeker in de enquêteprocedure laatstelijk gemachtigd om de deskundige bepaalde stukken te verstrekken in het kader van diens deskundigenonderzoek in de uitkoopprocedure. 3.4 De OK zag zich in de Xeikon-uitkoopprocedure niet voor het eerst geconfronteerd met de vraag in hoeverre vorderingen van de vennootschap op derden bij de waardering van uit te kopen aandelen kunnen worden betrokken. In 2014 speelde die vraag in twee uitkoopprocedures op de voet van art. 2:92a BW inzake Koninklijke Wegener N.V. en DIM Vastgoed N.V. In eerstgenoemde zaak overwoog de OK dat in de uitkoopprocedure “niet van belang is of de aandelen een hogere waarde zouden hebben gehad indien Wegener en/of Mecom een ander beleid zouden hebben gevoerd” (rov. 3.15). In laatstgenoemde zaak achtte de OK het “terecht” dat de deskundigen “de mogelijke vordering van DIM op haar bestuurders en commissarissen en op Equity One (…) in hun waardering [hebben betrokken]” en werd overwogen dat “[d]e aard van die mogelijke vordering mee[brengt] dat de invloed daarvan op de waarde van de aandelen afhankelijk is van de waardering van onzekere factoren, zoals de kans dat de vordering zal worden ingesteld (in of buiten rechte) en, zo ja, of de vordering daadwerkelijk kan worden verhaald” (rov. 2.21). De beschouwingen van de deskundigen over de waardering mondden uit in de conclusie dat de waarde van de aandelen “ook met inachtneming van de mogelijke vordering” (behalve in een scenario dat de deskundigen “minder realistisch” achtten), beneden de gevorderde uitkoopprijs lag. De OK kon zich met deze beschouwingen verenigen en de stellingen waren voor het overige “onvoldoende concreet, althans onvoldoende toegelicht, om in onderhavige procedure in een waardebepaling van de aandelen te kunnen worden meegewogen” (rov. 2.21). De OK achtte het in 2014 dus onder omstandigheden mogelijk dat een vordering van de vennootschap op derden uit hoofde van bijvoorbeeld onrechtmatige daad en de mogelijke invloed daarvan op de prijs van de uit te kopen aandelen wordt betrokken in het eventuele deskundigenbericht en de uiteindelijke bepaling van de prijs van de betrokken aandelen door de OK per de peildatum. De “boekhoudkundige waarheid” (dat uit de jaarrekening van de vennootschap niet blijkt van dergelijke vorderingen van de vennootschap op haar functionarissen) staat er volgens de OK in de DIM Vastgoed-uitkoopprocedure niet aan in de weg dat die vorderingen worden betrokken bij het bepalen van de uitkoopprijs (rov. 2.18 en 2.21). Literatuur 3.5 In de literatuur bestaat enerzijds waardering voor de benadering van de OK in de uitkoopprocedures inzake [A] (de onderhavige zaak) en Xeikon. Duynstee karakteriseert de uitkoopprocedures in zijn annotatie bij het eindarrest in de onderhavige zaak (welke annotatie tevens betrekking heeft op de Xeikon-uitkoopprocedure) als “tamelijk spectaculair”, noemt de toepassing van het leerstuk van de billijke verhoging in de uitkoopprocedures “nieuw en creatief”, en kenschetst de oplossing van de OK als “praktisch”. Naar aanleiding van het tussenarrest in de onderhavige zaak had Salemink zich ook reeds op het standpunt gesteld dat “[h]et oordeel van de OK om bij de prijsbepaling onder omstandigheden rekening te houden met afgeleide schade, pragmatisch en uit proceseconomisch oogpunt verdedigbaar [is]”. Josephus Jitta is eveneens de mening toegedaan dat de benadering van de OK “praktisch [is] en getuigt van moed.” Schreurs schrijft over het tussenarrest in de onderhavige zaak: “Een uittreedvordering met toewijzing van een connexe vordering [hij doelt op art. 2:343 lid 4 BW, A-G] zou zuiverder geweest zijn, maar ik juich de welwillendheid van de Ondernemingskamer toe.” Ook Storm kan zich in de benadering van de OK vinden: “Mijn mening is dat het hier gaat om een vrij uitzonderlijke situatie waarop ons recht voorshands geen ander antwoord heeft dan toepassing van art. 8
(2). Om aan deze situatie recht te doen moest de OK haar uitspraak inzake [A] wel in harde termen formuleren. Ik zou ook niet weten wat de uitkoper, gegeven de door de verweerder gestelde feiten en de naar het oordeel van de OK (en voor de buitenstaander bij lezing van het arrest) onvoldoende gemotiveerde betwisting, daarop nog kan afdingen. (…) De kwalificatie “onrechtmatig” komt mij in de context van deze twee uitkoopzaken ook niet misplaatst voor. Zo te zien droop de onrechtmatigheid eraf. Ik neem aan dat de advocaat van [verweerder] de OK van voldoende bewijs heeft voorzien om deze kwalificatie te rechtvaardigen. Bedenk eens welk een oproer zou zijn ontstaan als de OK zich strikt aan de hier gestelde bevoegdheidsregels had gehouden.” 3.6 Anderzijds is er in de literatuur ook kritiek op de benadering van de OK inzake [A] en Xeikon. Zo merkt Duynstee op: “All in all ben ik toch kritisch over de parallelle toepassing van de billijke verhoging in een uitkoopprocedure omdat de wet hier geen aanknopingspunt voor biedt. De schade wordt of door de OK (Xeikon) of door een deskundige ( [A] ) geschat terwijl het maar zeer de vraag is of die aansprakelijkheid en schade daadwerkelijk vastgesteld zou kunnen worden in een civiele procedure (denk aan significante hobbels als verjaring, causaliteit en afgeleide schade). Dit in samenhang met de nadelen voor de uitkoper, zou ik het ook billijk vinden om de uitkoopprocedure te doorlopen zonder het meenemen van vorderingen op derden, zodat de uitkoopprocedure sneller doorlopen kan worden, de uitkoper spoediger 100% van de aandelen heeft en “door” kan met de vennootschap. De minderheidsaandeelhouder kan dan separaat procederen over de mogelijk geleden schade en dan kan dat in twee feitelijke instanties met alle waarborgen civielrechtelijk worden uitgeprocedeerd.” [curs. in origineel, A-G] En schrijft Salemink in dit verband: “[D]e benadering in DIM Vastgoed en Xeikon [heeft] mijn voorkeur: in de [A] -benadering stelt de OK de prijs namelijk vast op basis van een situatie die zich in werkelijkheid niet voordoet en de prijs dus (waarschijnlijk) ook niet “reasonably related” is tot de waarde van de aandelen. Bovendien vond het merendeel van de benadelende gedragingen meer dan tien jaar geleden plaats, waardoor het mijns inziens niet eenvoudig zal zijn om te bepalen hoe de situatie zou zijn geweest indien de gedragingen niet hadden plaatsgevonden. (…). Een belangrijk verschil is (…) dat de uitkoopregeling – anders dan de geschillenregeling – naar mijn mening minder geschikt (en ook niet bedoeld) is voor een inhoudelijke beoordeling door de OK of sprake is van onrechtmatig handelen of afgeleide schade: de procedure kent slechts één feitelijke instantie en veelal een beperkt partijdebat zonder een mondelinge behandeling.” Ik wijs ook op Josephus Jitta: “Toch vraag ik mij af of de Ondernemingskamer zich niet te zeer door haar gebruikelijke habitus – de wens om met gebruik van open normen praktische oplossingen te bieden en andere procedures wanneer mogelijk te vermijden – heeft laten leiden. Ik zie een aantal hobbels: (
- i)de billijke verhoging van artikel 2:343 lid 4 BW is een bijzondere regel die niet onomstreden is, (
- ii)die verhoging behoeft niet de gehele door de betrokken aandeelhouder geleden schade te dekken, (iii) de betrokken aandeelhouder behoudt het recht om voor zover zijn schade hoger is dan de billijke vergoeding, vergoeding van die schade te vorderen (in welk geval verdere procedures niet worden voorkomen) en (
- iv)ook anderen die aandeelhouder waren kunnen als gevolg van dezelfde feiten schade hebben geleden terwijl zij op deze wijze geen vergoeding ontvangen. Daarbij is artikel 2:343 lid 4 BW veel later tot stand gekomen dan de verschillende vormen van de uitkoopprocedure en brengt het feit dat de correctie van artikel 2:343 lid 4 BW in het kader van de geschillenregeling mogelijk is gemaakt, niet mee dat die daarom ook bij de uitkoopprocedure kan worden toegepast. Mijn belangrijkste bezwaar tegen de door de Ondernemingskamer gemaakte keuze is dat de uitkoopprocedure en, wat dat betreft, de tweede fase van de enquêteprocedure waarop de Ondernemingskamer in het tussenarrest in Xeikon haar beslissing baseert, naar hun aard niet geschikt zijn om tot een oordeel omtrent mogelijke onrechtmatigheid, aansprakelijkheid en schadeplichtigheid van derden jegens de vennootschap en het (nog) bestaan van vorderingen van de vennootschap op die derden te komen. De Ondernemingskamer zet hiermee in Xeikon in feite een stap die een belangrijke overeenkomst vertoont met het verbod op grond van vaststellingen in de tweede fase van de enquêteprocedure door daaraan zonder meer in een nadere procedure de conclusie van aansprakelijkheid te verbinden. Daarbij komt dat uit het tussenarrest in Xeikon wel blijkt dat tussen partijen is gedebatteerd over de vraag of bij de waardebepaling van de uit te kopen aandelen rekening gehouden zou mogen worden met de schade die de vennootschap als gevolg van het wanbeleid had geleden, maar niet dat ook over de omvang van die schade en de vraag in hoeverre die op bestuurders, commissarissen of aandeelhouders verhaalbaar zou kunnen zijn, debat heeft plaatsgevonden. Temeer omdat de uitkoopprocedure, anders dan de geschillenregeling, maar één feitelijke instantie kent, vind ik dat een groot bezwaar. (…)Dat neemt niet weg dat ik het makkelijker vind de uitspraak in [A] te accepteren dan die in Xeikon. Bij [A] ging het tenslotte maar om de uitkoop van één aandeelhouder waarvan duidelijk was dat die al aandeelhouder was toen de benadelende handelingen plaatsvonden. Mijn bezwaar tegen het in de uitkoopprocedure als onrechtmatig kwalificeren van de betrokken handelingen blijft echter bestaan.” [curs. in origineel, A-G] Mogelijke benaderingen 3.7 In de literatuur zijn verschillende mogelijke benaderingen naar voren gebracht voor de wijze waarop in en buiten een uitkoopprocedure kan worden omgegaan met (onder meer) de vraag die, naar de kern genomen, in de onderhavige zaak voorligt (zie onder 3.2). 3.8 In de eerste plaats is in de literatuur gewezen op de mogelijkheid van een minderheidsaandeelhouder om een afzonderlijke procedure tot schadevergoeding in te stellen tegen de meerderheidsaandeelhouder (uitkoper) op grond van ongerechtvaardigde verrijking (naar Nederlands recht: art. 6:212 BW). De redenering is dat de uitkoper is verrijkt, omdat hij de aandelen in de uitkoopprocedure verkrijgt tegen een te laag bedrag als bij de bepaling van de uitkoopprijs geen rekening is gehouden met door hem aan de vennootschap toegebrachte schade. Voorts kan in dit verband ook de mogelijkheid van een vordering uit onrechtmatige daad (naar Nederlands recht: art. 6:162 BW) tegen de uitkoper worden genoemd, indien het handelen van de uitkoper niet alleen tegenover de vennootschap, maar ook tegenover de minderheidsaandeelhouder onrechtmatig is. In rov. 3.14 tussenarrest heeft de OK geoordeeld dat het handelen van [eiser] onrechtmatig was jegens zowel de vennootschap als [verweerder] . Deze benadering sluit aan bij hetgeen door Kroeze in zijn proefschrift is verdedigd: “Ook bij de uitkoopregeling kan zich de situatie voordoen dat een aandeelhouder gedwongen wordt zijn aandelen over te dragen en dat de prijs die hij daarvoor ontvangt te laag is omdat de overnemende aandeelhouder, of eventueel anderen, schade hebben toegebracht aan de vennootschap en de deskundigen de vorderingen daarvoor niet bij hun waardeadvies hebben betrokken. In een dergelijk geval acht ik voor de uitgekochte aandeelhouder een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking mogelijk overeenkomstig het hiervoor voor de geschillenregeling betoogde. Voor succes is vanzelfsprekend wel vereist dat de vennootschap een reële vordering heeft, die zij zou moeten instellen en die verhaalbaar is. Voor een vordering uit onrechtmatige daad zal bij de uitkoopregeling in de regel minder aanleiding zijn.” Een voordeel van deze benadering (voor de uitkoper) is dat bij het vaststellen van de uitkoopprijs geen rekening hoeft te worden gehouden met de nadelige gevolgen van ‘tunneltjes graven’ voor de vennootschap en de andere aandeelhouder(s), waardoor de uitkoopprocedure sneller en eenvoudiger kan worden doorlopen. De oplossing wordt buiten de uitkoopregeling gezocht. Een nadeel van deze benadering (voor de minderheidsaandeelhouder) is dat deze zijn positie als aandeelhouder van de vennootschap verliest zonder dat (
- al)duidelijk is dat in een aparte procedure een vordering op de voet van art. 6:212 BW (althans ongerechtvaardigde verrijking) of art. 6:162 BW (althans onrechtmatige daad) kan worden toegewezen. Dit nadeel speelt in de onderhavige zaak, met een in Duitsland woonachtige meerderheidsaandeelhouder ( [eiser] ) en een in Estland woonachtige minderheidsaandeelhouder ( [verweerder] ), in versterkte mate. De OK heeft weliswaar recent, onder verwijzing naar een arrest van 7 maart 2018 van het Hof van Justitie EU, geoordeeld dat zij exclusief bevoegd is op grond van art. 24 lid 2 Verordening Brussel I-bis met betrekking tot vorderingen tot uitkoop op de voet van art. 2:92a/201a BW en art. 2:359c BW. Daarmee is (uiteraard) niet gezegd dat ook voor een afzonderlijke vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (al dan niet op basis van art. 6:212 BW) of onrechtmatige daad (al dan niet op basis van art. 6:162 BW) van een minderheidsaandeelhouder, buiten de vennootschap om, een uitzondering kan worden gemaakt op de hoofregel van art. 4 Verordening Brussel I-bis. Vergelijk ook het bevoegdheidsincident in de onderhavige zaak naar aanleiding van de procedure bij de Letse rechter (zie onder 2.2 en 1.11). 3.9 Op de mogelijkheid van een afzonderlijke actie voor een minderheidsaandeelhouder op grond van art. 6:212 BW of art. 6:162 BW is door Kroeze gewezen voor het geval bij het vaststellen van de uitkoopprijs geen rekening is gehouden met vorderingen van de vennootschap op derden. Hij sluit niet uit dat bij het vaststellen van de uitkoopprijs rekening wordt gehouden met vorderingen van de vennootschap op derden, zoals in de rechtspraak nadien ook mogelijk werd geacht in de DIM Vastgoed-uitkoopprocedure en is gebeurd in de Xeikon-uitkoopprocedure (zie onder 3.3-3.4). Met betrekking tot de (oude) wettelijke geschillenregeling heeft Kroeze verdedigd dat: “[n]iets er (…) aan in de weg [staat] vorderingen van de vennootschap jegens de overnemende aandeelhouder en eventuele derden mee te nemen bij de waardebepaling van aandelen. De rechter zou de deskundigen desgewenst aanwijzingen kunnen geven omtrent de in acht te nemen vorderingen en de hoogte daarvan. (…) Voordeel van die benadering is dat vorderingen van de vennootschap op anderen, zoals bestuurders en commissarissen, ook meegenomen kunnen worden. Van den Ingh merkt bovendien terecht op dat men aldus ook buiten de problematiek van het Poot/ABP-arrest blijft.” Het bij het waarderen van de uit te kopen aandelen rekening houden met vorderingen van de vennootschap op derden is dus een tweede mogelijke benadering. Deze benadering kan in beginsel een afzonderlijke actie van de minderheidsaandeelhouder uit hoofde van art. 6:212 BW of art. 6:162 BW voorkomen. De oplossing wordt hier dus, in tegenstelling tot de eerstgenoemde mogelijkheid, binnen het verband van de uitkoopregeling gevonden. Dat lijkt voor de OK in de onderhavige zaak een belangrijk argument, al laat de OK in rov. 2.19 eindarrest de mogelijkheid van een afzonderlijke actie van [verweerder] open (de uitkoopprijs “strekt niet tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen”). Deze benadering lijkt echter niet in alle gevallen soelaas te kunnen bieden. Er moet immers in de woorden van Kroeze sprake zijn van “een reële vordering [van de vennootschap, A-G], die zij zou moeten instellen en die verhaalbaar is.” In de DIM Vastgoed-uitkoopprocedure heeft de OK oog voor die “onzekere factoren” (rov. 2.21). Naar aanleiding van die overweging in de DIM Vastgoed-uitkoopprocedure, in het bijzonder dat “de kans dat de vordering zal worden ingesteld” dient te worden meegewogen bij de invloed van de vordering op de waardering van de uit te kopen aandelen, is in de literatuur het volgende verdedigd: “Dit oordeel lijkt te wringen met de situatie waarin de uitkopende aandeelhouder (of een aan hem gelieerde partij) (
- a)de schadetoebrengende handeling heeft verricht en (
- b)binnen de vennootschap overwegende zeggenschap heeft. De kans dat de vennootschap in een dergelijk geval een vordering instelt is immers zeer beperkt, zo niet nihil. Mogelijk heeft de Ondernemingskamer gedoeld op de (juridische) haalbaarheid van de vordering. Wij menen dat bij besloten verhoudingen enkel de kans dat de vordering namens de vennootschap zal worden ingesteld in ieder geval geen (doorslaggevende) factor mag zijn bij de waardering van de vordering. Een andere uitkomst zou bijzonder onbillijk zijn en een ongewenste rechtseconomische prikkel geven. Feitelijk kan de bestuurder/aandeelhouder profiteren van zijn laakbare gedragingen door zo de waarde van de aandelen te sturen. (…).” [curs. in origineel, A-G] In de Xeikon-uitkoopprocedure, waarin de OK ervoor heeft gekozen om bij het bepalen van die uitkoopprijs rekening te houden met vorderingen van de vennootschap op voormalige bestuurders en anderen, heeft de OK in overeenstemming met dit betoog overwogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn die vorderingen niet bij de waardering te betrekken om de enkele reden dat de vennootschap (vooralsnog) heeft nagelaten de vorderingen daadwerkelijk in te stellen (rov. 2.25 van het tussenarrest van 18 december 2018, in lijn met rov. 2.7 van het tussenarrest van 28 juni 2016, weergegeven onder 3.3). In het tussenarrest in de onderhavige zaak (rov. 3.16, laatste gedachtestreepje) heeft de OK ook overwogen dat “de deskundige dient te abstraheren van de verwachting dat de vennootschap ( [eiser] ) er niet toe zal overgaan om een vordering uit onrechtmatige daad jegens [eiser] in te stellen.” 3.10 In de literatuur is verder naar voren gebracht dat hetzelfde resultaat als in de onderhavige zaak ook kan worden bereikt, en dat is een derde mogelijke benadering, door de peildatum vóór het waarderen van de aandelen op een eerder moment te leggen. Josephus Jitta schrijft: “Indien de [OK] van de door haar als onrechtmatig aangemerkte handelingen had willen abstraheren, had zij, denk ik, de peildatum op een tijdstip vóór die handelingen moeten leggen. Dat zou het nadeel hebben gehad dat de mogelijke waardeontwikkeling van [A] uit anderen hoofde niet mee in aanmerking genomen zou kunnen worden. Of het verdedigbaar zou zijn de peildatum tien jaar voor de inleidende dagvaarding te leggen, is een andere vraag.” Deze door Josephus Jitta geopperde mogelijkheid van, kort gezegd, een flexibele peildatum sluit eveneens aan bij eerdere pleidooien in de literatuur met betrekking tot de (oude) geschillenregeling. De (toenmalige) raadsheer in de OK Den Boer heeft in dit verband opgemerkt dat “[p]raktisch bezien, een aantal van de hier bedoelde problemen verholpen althans verzacht kunnen worden door bij de aandelenwaardering uit te gaan van een zo vroeg mogelijke peildatum.” Den Boer heeft ervoor gepleit “de rechter (…) de mogelijkheid te geven om op grond van de omstandigheden van het geval gemotiveerd een eerdere peildatum vast te stellen.” Ook Timmerman heeft zich op dat standpunt gesteld: “Ik zou willen verdedigen dat art. 2:343 BW zo wordt gewijzigd dat de rechter meer vrijheid krijgt om een billijke prijs voor de over te dragen aandelen te bepalen waarbij hij met alle relevante omstandigheden mag rekening houden.” Hij trekt een parallel met het Engelse vennootschapsrecht, waar “de rechter vrij [is] in het kiezen van het peilmoment voor het bepalen van de waarde van de over te dragen aandelen.” Ik noem ook Leijten, die er met betrekking tot de (oude) geschillenregeling eveneens op heeft gewezen dat “de mogelijkheid voor de rechter een ‘fair price’ te bepalen, eventueel op basis van een in het verleden gelegen peildatum, veel, zo niet alle, van de gesignaleerde problemen [zou] oplossen.” Kroeze heeft vervolgens met betrekking tot de (oude) geschillenregeling in zijn proefschrift verdedigd, dat “de rechter zich deze bevoegdheid [kan] toe-eigenen. De tekst van de wet bevat immers geen aanwijzing voor het waarderingsmoment en de memorie van toelichting noopt in mijn uitleg niet tot instelling van een afzonderlijke schadevergoedingsvordering als vorderingen bij de waardebepaling niet zijn meegenomen.” Tot slot wijs ik hier op Bulten, die met betrekking tot de (oude) geschillenregeling ook voor een ‘flexibele peildatum’ heeft gepleit en heeft voorgesteld dat “[i]n de wettekst van de geschillenregeling moet worden opgenomen dat de rechter ‘een redelijke prijs’ vaststelt. Hiermee is de prijsbepaling bij de geschillenregeling analoog aan die van de uitkoopprocedure.” In de uitkoopprocedure is de OK vrij om in redelijkheid het tijdstip te bepalen waarop de prijs van de uit te kopen aandelen wordt vastgesteld (zie ook onder 3.26). Het proceseconomische voordeel (ten opzichte van de eerstgenoemde mogelijkheid) van het stellen van de peildatum op het moment voordat de benadelende handelingen van de meerderheidsaandeelhouder plaatsvonden, is dat een afzonderlijke procedure uit art. 6:212 BW of art. 6:162 BW kan worden voorkomen. De oplossing wordt in deze benadering dus ook binnen het verband van de uitkoopregeling gevonden. Een ander voordeel (ten opzichte van de tweede mogelijke benadering) van een ‘vroege’ peildatum, voordat de benadelende handelingen plaatsvonden, is dat vragen die verband houden met de vordering van de vennootschap (zoals verjaring, causaliteit, verhaalbaarheid, etc.) niet spelen, omdat er op die vroege peildatum nog geen schade (en een daarmee verband houdende vordering van de vennootschap) is. Een potentieel nadeel van de flexibele peildatum ontstaat als in deze benadering geen rekening wordt gehouden met omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de waardering van de uit te kopen aandelen, maar die zich hebben voorgedaan in de periode tussen de peildatum en het moment van de overdracht van de aandelen. Voor de gevolgen van de benadelende handelingen is dat in deze benadering juist de bedoeling, maar voor overige (positieve en negatieve) waardeontwikkelingen hoeft dat uiteraard niet altijd het geval te zijn. Naarmate de periode tussen de (vroege) peildatum en het moment van de overdracht van de aandelen langer is, zal normaliter de kans toenemen dat dergelijke relevante overige waardeontwikkelingen zich hebben voorgedaan. In de geschillenregeling wordt voor dat probleem een mogelijke oplossing geboden door de Hoge Raad: “Een redelijke toepassing van het in art. 2:343 BW bepaalde verzet er zich immers niet tegen dat de rechter bij de vaststelling van de waarde van aandelen die na het wijzen van het vonnis dienen te worden overgedragen, rekening houdt met omstandigheden die van invloed zijn op die waarde, welke zich kunnen voordoen tussen het tijdstip dat de deskundigen als peildatum voor de beoordeling van die waarde hebben gehanteerd, en het tijdstip waarop die overdracht naar valt aan te nemen in feite zal plaatsvinden.” De Hoge Raad heeft hier het oog op waardeverhogende omstandigheden. Ik wijs ook op A-G Mok in zijn conclusie voor dat arrest: “In het midden kan blijven wat zou moeten gebeuren indien na de peildatum een waardedaling van de aandelen heeft plaatsgevonden, bijv. doordat verliezen zijn geleden. Dat geval doet zich hier niet voor. De beide spiegelbeeldige situaties zijn trouwens niet geheel vergelijkbaar. Indien een vennootschap winst maakt, ook al is dat de verdienste van het zittende management, hebben de aandeelhouders recht op een aandeel hierin. Indien tijdens een uittredingsprocedure verliezen worden geleden, is niet bij voorbaat uit te sluiten dat hierbij sprake is van boos opzet van het zittende management indien dat de uittredende aandeelhouder slecht gezind is.” In de uitkoopprocedure bieden de wettekst van art. 2:201a lid 5 BW (“De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben”) en de wetsgeschiedenis ruimte voor het hanteren van een flexibele peildatum (zie ook onder 3.24). 3.11 De wetgever heeft bij de herziening van de geschillenregeling niet gekozen voor een (expliciete) flexibele peildatum, maar voor de billijke verhoging-faciliteit als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW. Op deze faciliteit ga ik nader in onder 3.27-3.33. Ik volsta hier met de opmerking dat toepassing van de uittredingsvordering in combinatie met de billijke verhoging-faciliteit als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW een vierde mogelijke benadering is voor een geval als het onderhavige, waarop in de literatuur ook is gewezen. Hiermee wordt de oplossing dus buiten de uitkoopregeling gevonden. Rechtstreekse toepassing van de geschillenregeling, en daarmee mogelijk ook van art. 2:343 lid 4 BW, was m.i. in de verhouding tussen [eiser] en [verweerder] als aandeelhouders van [A] niet op voorhand onmogelijk geweest. In de wetsgeschiedenis van de uitkoopprocedure is gewezen op de mogelijkheid van de minderheidsaandeelhouder “indien onderdrukt”, althans indien de minderheidsaandeelhouder “door zijn medeaandeelhouders(
- s)in zijn belangen wordt geschaad”, de uittredingsvordering in de zin van art. 2:343 BW (toen overigens nog zonder de mogelijkheid van een billijke verhoging) in te stellen. De wetgever heeft er, mede vanwege het bestaan van de uittredingsvordering in de geschillenregeling, van afgezien voor de minderheidsaandeelhouder een met art. 2:201a BW corresponderend recht om “op afroep” (dus zonder de voorwaarden en omstandigheden in de zin van art. 2:343 BW) te worden uitgekocht, in te voeren. [A] valt als B.V. onder het formele toepassingsbereik van de geschillenregeling als bedoeld in art. 2:335 lid 1 BW. Het criterium om de uittredingsvordering succesvol te kunnen instellen, is dat een aandeelhouder “door één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd”. Het ‘graven van tunneltjes’ door een controlerende aandeelhouder(/bestuurder) (zie onder 3.1) wordt in de rechtspraak en de literatuur beschouwd als belangrijke categorie van gedragingen die een minderheidsaandeelhouder aanleiding kan geven tot uittreding in de zin van art. 2:343 lid 1 BW. [verweerder] stelt in zijn conclusie van antwoord in de kern: dat hij met [eiser] al op 29 november 2003 overeenstemming heeft bereikt over de verkoop van zijn aandelen in [A] aan [eiser] voor een bedrag van € 320.000,-- (onder 3-4); dat [eiser] sindsdien de financiële positie van [A] ernstig heeft uitgehold ten gunste van zichzelf en van door [eiser] beheerde vennootschappen, en dat de waarde van de aandelen in [A] door de genoemde feiten en omstandigheden aanzienlijk is verminderd, terwijl [eiser] hierdoor is bevoordeeld en [verweerder] als aandeelhouder ernstig is benadeeld (onder 6); dat [verweerder] herhaaldelijk zijn bedenkingen heeft geuit over de nadelige transacties voor [A] (onder 7); dat [eiser] heeft geweigerd de in de overeenkomst van 29 november 2003 vastgelegde afspraken na te komen (onder 8); en dat [verweerder] sinds 2008 in Letland nakoming van de overeenkomst vordert (zie ook onder 1.11). Deze stellingen komen er m.i. op neer dat [verweerder] door gedragingen van zijn mede-aandeelhouder – de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ – zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd (art. 2:343 lid 1 BW). Materieel gezien lijkt het geschil dus ook onder het uittredingscriterium te vallen. [verweerder] heeft, naar ik begrijp, echter geen uittredingsvordering in de zin van art. 2:343 BW ingesteld. In het midden kan dus ook blijven wat zou hebben gegolden bij samenloop van, in dit geval, enerzijds een door [eiser] ingestelde vordering tot gedwongen overdracht van de aandelen van [verweerder] in [A] op de voet van art. 2:201a BW en anderzijds een vordering van [verweerder] tot het overnemen door [eiser] van zijn aandelen in [A] op de voet van art. 2:343 BW. Ik wijs er wel op dat, op grond van art. 2:336 lid 3 jo. 2:343 lid 2 BW, de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap (hier: de rechtbank Amsterdam) in eerste aanleg bevoegd is kennis te nemen van een uittredingsvordering, en dat de OK (pas) in hoger beroep bevoegd zou zijn van de vordering kennis te nemen. [verweerder] en [eiser] hadden wel overeen kunnen komen de vordering tot één feitelijke instantie te beperken, door deze dadelijk ter kennis te brengen van de OK als bedoeld in art. 2:337 lid 2 jo. 2:343 lid 2 BW. 3.12 Een met de vorige benadering verband houdende benadering die in de literatuur naar voren is gebracht, en dat is de vijfde mogelijke benadering, is toepassing naar analogie van art. 2:343 lid 4 BW in de uitkoopprocedure. Het verschil met de vorige benadering is dat het antwoord op de onder 3.2 geformuleerde vraag hier binnen het verband van de uitkoopregeling wordt gevonden. In de literatuur is wel gepleit voor “(analoge) toepassing van de compensatiemogelijkheid uit de geschillenregeling” [bedoeld is: art. 2:343 lid 4 BW, A-G]: “Onzes inziens zou ook buiten de geschillenregeling ruimte moeten zijn voor een dergelijke uitzondering op het leerstuk van afgeleide schade. De uitzondering kan wat ons betreft beperkt blijven tot uitkoop- en uittredingssituaties waarbij (
- a)de uitkopende aandeelhouder heeft gehandeld in strijd met de geldende governance, (
- b)dit heeft geleid tot schade bij de vennootschap en (
- c)de overnemende aandeelhouder de vennootschap ervan kan weerhouden en/of weerhoudt om een schadevergoedingsactie jegens hemzelf in te stellen. Het risico dat de uitkopende aandeelhouder twee keer schade zal moeten betalen, is in een dergelijke situatie zeer gering. Bovendien geldt dat als dit risico zich verwezenlijkt, de aandeelhouder er kennelijk voor heeft gekozen dat risico te lopen. Hij heeft immers ten nadele van de vennootschap (en daarmee) de uittredende aandeelhouder ten faveure van zichzelf het instellen van een achteraf gebleken deugdelijke vordering tegengehouden.” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G] In de bovengenoemde passage wordt voortgebouwd op Timmerman, die in 2013 heeft geschreven “het aardige” van art. 2:343 lid 4 BW te vinden dat het blijk geeft van een meer open manier van denken over het probleem van afgeleide schade en vervolgt: “Dat kan juist bij kleine vennootschappen met een gering aantal aandeelhouders waaronder een machteloze minderheidsaandeelhouder uitkomst bieden ingeval de minderheidsaandeelhouder die met een lange periode van waardevermindering van zijn aandelen te maken heeft gekregen wil uittreden. Daarbij zie ik bij dit type kleine vennootschappen ook meer ruimte voor de vergoeding van afgeleide schade buiten art. 343 lid 4 om. Ook in die gevallen ben ik voorstander van een open visie op het probleem van de toewijzing van afgeleide schade en wil ik minder star denken over de toewijzing van een afgeleide schadeclaim. De benadering van art. 343 lid 4 BW is dus voor mij voor een meer uitgebreide toepassing vatbaar.” In rov. 2.17 eindarrest betrekt de OK, bij het trekken van een parallel met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW, voor het onderhavige geval ook mede “het feit dat [A] thans slechts twee aandeelhouders heeft en ten tijde van de benadelende handelingen een beperkte kring van aandeelhouders, terwijl [eiser] steeds meerderheidsaandeelhouder was”. Zie daarover onder 3.17 en 3.35. 3.13 Een zesde en laatste mogelijke benadering die ik hier onderscheid, in navolging van de literatuur, is dat bij het bepalen van de uitkoopprijs rekening wordt gehouden met het mogelijke effect van nadelige, want onzakelijke transacties van de vennootschap met aan de uitkoper verbonden entiteiten (en/of derden). Deze benadering blijft ook binnen het verband van de uitkoopregeling. In de memorie van toelichting bij de uitkoopregeling wordt ervan uitgegaan dat de uitkoopprocedure vooral in concernverhoudingen nuttig zal zijn, omdat “het voortdurende aandeelhouderschap van kleine minderheden – hoe klein die ook samen zijn – voor de moedervennootschap grote kosten en bezwaren met zich brengt die zonder een gedwongen uitkoop niet kunnen worden verholpen”. Als voorbeeld van een dergelijk bezwaar wordt genoemd dat de belangen van de minderheidsaandeelhouders moeten worden ontzien, waarbij “de dochtermaatschappij op de voet van buitenstaander [moet] worden behandeld bij het sluiten van overeenkomsten.” Daarmee wordt bedoeld dat de 95%-moedermaatschappij transacties met verbonden entiteiten op, kort gezegd, zakelijke condities – at arm’s length – moet aangaan. In een uitspraak van de OK in een uitkoopprocedure van begin jaren ’90 van de vorige eeuw wordt de eiser in de gelegenheid gesteld “een beredeneerde berekening van de huidige waarde van de aandelen van een externe accountant [over te leggen], waarbij de accountant tevens inzicht geeft of de vennootschap al of niet betrokken is geweest bij voor haar schadelijke transacties van enige betekenis tegen condities, die niet op “at arm’s length” basis waren.” Indien blijkt dat, kort gezegd, sprake is van voor de vennootschap schadelijke transacties met verbonden entiteiten die niet op zakelijke condities – at arm’s length – zijn aangegaan, kan daarmee bij de waardebepaling rekening worden gehouden. Uit de rechtspraak van de OK inzake uitkoopprocedures zijn ook verschillende voorbeelden bekend van, wat in de literatuur wordt genoemd, “normalisering van de op de onderneming van toepassing zijnde omstandigheden” in diverse gevallen. In de literatuur is naar aanleiding van het onderhavige tussenarrest opgemerkt dat “[d]eze uitspraak duidelijk [maakt] dat de opdracht aan de deskundige niet is het toepassen van een wiskundige formule. Een valkuil voor de deskundige is dat deze de juridische vragen gaat beantwoorden die zijn voorbehouden aan de rechter.” In rov. 3.9 tussenarrest heeft de OK in het licht van de in rov. 2.4 (zie onder 1.4) genoemde feiten vastgesteld “dat de dochtervennootschappen voor een niet marktconforme prijs zijn verkocht, dat die verkoop ten goede is gekomen aan een aan [eiser] gelieerde entiteit en dat de verkoop [A] heeft benadeeld.” In rov. 3.16 tussenarrest heeft de OK de deskundige onder meer de opdracht gegeven met deze feiten en omstandigheden rekening te houden en de waardering vast te stellen op de waarde zoals die zou zijn vastgesteld als die feiten en omstandigheden niet hadden plaatsgevonden. De deskundige heeft deze opdracht blijkens zijn brief van 13 september 2016 aan (de advocaten van) [eiser] en [verweerder] als volgt geïnterpreteerd: “Uit de context van het arrest interpreteren wij de aan ons verstrekte opdracht ten aanzien van dit aspect aldus dat in de onderhavige waardering geabstraheerd dient te worden van een niet-marktconforme prijs bij voornoemde transactie, en dat uitgegaan dient te worden van een transactie tegen zakelijke condities. Met andere woorden: wij zullen wel uitgaan van een verkooptransactie in 2004, maar ons een eigen oordeel vormen over een marktconforme transactieprijs (beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en verwachtingen per datum van de transactie) en vervolgens de betekenis daarvan voor de waardering van [A] per datum arrest.” Volgens [verweerder] had de waarde moeten worden vastgesteld alsof de dochtervennootschappen in het geheel niet verkocht zouden zijn (zie ook rov. 2.12 onder a eindarrest). In rov. 2.21 eindarrest heeft de OK de deskundige gevolgd in zijn interpretatie van het tussenarrest. Deze interpretatie sluit ook aan bij eerdere rechtspraak van de OK, waaruit volgt dat moet worden uitgegaan van de werkelijke feiten: “Het hof is van oordeel dat de door eiseres voorgestane methodiek van prijsbepaling niet kan worden aanvaard, omdat daarin wordt uitgegaan van een toestand die zich in werkelijkheid niet voordoet. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan een prijsvaststelling uitgaande van de werkelijke feiten, waarbij acht moet worden geslagen op alle omstandigheden die de waarde bepalen, zoals de balans, tussentijdse cijfers, winstvooruitzichten, de aard van de onderneming e.d.” In de literatuur wordt, op basis van deze aan de wetsgeschiedenis ontleende opvatting in de rechtspraak, geconcludeerd dat “[d]e normalisering van de op de onderneming van toepassing zijnde omstandigheden (…) niet zover [kan] gaan, dat bij de bepaling van de waarde van de uit te kopen aandelen niet meer zou worden uitgegaan van de werkelijke feiten.” In het licht van deze rechtspraak lijkt het op het eerste gezicht wellicht opmerkelijk dat de OK in rov. 2.30 eindarrest, in antwoord op het betoog van [verweerder] weergegeven in rov. 2.12 onder c eindarrest, overweegt dat de lening aan Meriton LLC van bijna € 2,2 miljoen voor de waardering van de aandelen in [A] “zal worden weggedacht” en dat de deskundige volgens de OK blijkens rov. 2.28 eindarrest geen oordeel heeft gegeven “over de vraag wat een zakelijke rente zou zijn bij het verstrekken van een (ongescureerde) geldlening van deze omvang aan een partij als Meriton LLC”. De deskundige heeft hierover in zijn bericht opgemerkt dat “[t]he book value of the loan will be eliminated from equity as per valuation date. We will assume that [A] would benefit from liquidity of € 2,195,228 on 2 January 2004” (nr. 3.3.2 deskundigenbericht, weergegeven in rov. 2.3 eindarrest). M.i. sluit ook deze wijze van normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden nog aan bij de werkelijke feiten. De lening is immers nagenoeg oninbaar gebleken, zoals ook volgt uit het door [eiser] ingebrachte rapport van Adtractum waarin onder meer wordt opgemerkt “Based upon past experience we have great doubts if the loan will be paid off at all” (rov. 3.10 tussenarrest), en in 2013 voor de helft als bad debt afgeboekt (zie ook onder 1.5). Het voordeel van deze zesde mogelijke benadering, ten opzichte van de als eerste en als vierde genoemde mogelijke benaderingen, is dat deze binnen het verband van de uitkoopregeling blijft. Afzonderlijke vorderingen van de minderheidsaandeelhouder op de voet van art. 6:212 BW of art. 6:162 BW dan wel op de voet van art. 2:343 BW kunnen achterwege blijven. In deze benadering lost het vraagstuk genoemd onder 3.2 zich bovendien op in de waardering van de uit te kopen aandelen, zonder dat daarvoor gewerkt hoeft te worden met waardering van een schadevergoedingsvordering van de vennootschap op de meerderheidsaandeelhouder per de peildatum (de tweede mogelijke benadering), geschoven hoeft te worden met de peildatum naar voren in de tijd (de derde mogelijke benadering), of toevlucht hoeft te worden gezocht in een toepassing naar analogie van de billijke verhoging-faciliteit uit de geschillenregeling (de vijfde mogelijke benadering). Het in het geding gevoerde debat tussen partijen in het kader van waardering van de uit te kopen aandelen over de vraag in hoeverre bij het bepalen van de uitkoopprijs moet worden gecorrigeerd voor, kort gezegd, transacties met verbonden partijen die niet at arm’s length hebben plaatsgevonden (‘gegraven tunneltjes’), sluit m.i. ook goed aan bij de aard en strekking van de uitkoopregeling (vgl. rov. 2.17 eindarrest), waarbij ook zij opgemerkt dat de uitkoper per definitie verschenen is in de uitkoopprocedure en ter zake het debat kan aangaan. De wet, de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad laten de OK ook ruimte om in een geval als het onderhavige, van door de uitkoper ‘gegraven tunneltjes’ voorafgaand aan de uitkoopvordering, met die omstandigheid rekening te houden bij het vaststellen van de uitkoopprijs op de voet van art. 2:201a lid 5 BW. De uitkoopprocedure is er immers mede op gericht te waarborgen dat de minderheidsaandeelhouders “een juiste prijs voor hun aandelen krijgen” die hen niet benadeelt (zie onder 3.24). Dit komt volgens de Hoge Raad neer op het bieden van een “reële en redelijke vergoeding” (zie ook onder 3.24). Op grond van de wetsgeschiedenis moet voorts rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de onderneming (zie ook onder 3.24). Dat de vennootschap voorafgaand aan de uitkoopvordering betrokken is geweest bij voor haar schadelijke transacties van enige betekenis tegen onzakelijke condities (niet at arm’s length) met de uitkoper of aan hem gelieerde entiteiten, waardoor de uitkoper is bevoordeeld en de vennootschap en overige (minderheids)aandeelhouders zijn benadeeld, is zo’n bijzondere omstandigheid waarmee de OK bij het bepalen van de uitkoopprijs rekening kan en mag houden, zoals ook reeds blijkt uit de hiervoor aangehaalde, ook op die wetsgeschiedenis geënte rechtspraak van de OK vanaf begin jaren ’90 van de vorige eeuw. 3.14 Op een aantal andere, voor het onderhavige geval minder relevante, alternatieve mogelijke benaderingen ga ik hier niet verder in. Zo heeft Leijten voorgesteld dat een minderheidsaandeelhouder een enquêteprocedure kan instellen en de OK kan verzoeken bij onmiddellijke voorziening een OK-functionaris te benoemen die exclusief bevoegd zou zijn om de vordering van de vennootschap op een derde zoals een (voormalige) bestuurder in rechte geldend te maken. Wat van die mogelijkheid zij, deze weg zou in de onderhavige casus afstuiten op de ontvankelijkheidsdrempel voor het kunnen instellen van een enquêteprocedure. [A] heeft een geplaatst kapitaal van maximaal € 22,5 miljoen (zie onder 1.1). [verweerder] voldoet met 5% van het geplaatste aandelenkapitaal verdeeld in 2.400 aandelen met een nominale waarde van 20,89 per aandeel (zie ook onder 1.1) niet aan de ontvankelijkheidsdrempel van art. 2:346 lid 1 aanhef en onder b BW. Ook de door Josephus Jitta voorgestelde mogelijkheid van een collectieve actie door c.q. ten behoeve van minderheidsaandeelhouders laat ik hier verder onbesproken, nu [A] met [verweerder] slechts één minderheidsaandeelhouder kent. 3.15 De OK heeft de onder 3.8-3.13 genoemde benaderingen van de onder 3.2 geformuleerde vraag in de onderhavige zaak niet heel scherp (van elkaar) onderscheiden. Dat is ook geen noodzaak. In zowel het tussenarrest als het eindarrest ligt m.i. duidelijk besloten dat de OK hier de zesde, onder 3.13 genoemde, mogelijke benadering heeft toegepast, en wel als zelfstandig dragende benadering. Illustratief is rov. 2.16 (waarop rov. 2.17-2.19 voortbouwen) jo. rov. 2.20-2.38 eindarrest, welke overwegingen weer voortbouwen op het tussenarrest en evenzeer doortrokken zijn van de gedachte dat de OK, binnen de kaders van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW en de gegeven omstandigheden, rekening houdt met de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ bij de vaststelling van de uitkoopprijs ex art. 2:201a lid 5 BW door zodanige normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden per de peildatum (dat tussenarrest van 5 juli 2016) dat de door [verweerder] te ontvangen uitkoopprijs redelijk is. Voor zover de OK mede verwijst naar elementen uit andere benaderingen, geldt (dus) dat die zesde mogelijke benadering, als gevolgd door de OK in het onderhavige geval, het oordeel van de OK hoe dan ook zelfstandig draagt. 3.16 Ik stel voorop dat (dus) gegeven is dat de OK heeft gekozen voor een benadering binnen het verband van de uitkoopregeling. De eerste, onder 3.8 genoemde, mogelijke benadering is daarmee niet aan de orde. Die benadering zou inhouden dat de OK het ‘tunneltjes graven‘ van [eiser] in de uitkoopprocedure buiten beschouwing had gelaten, dat zij de uitkoopvordering van [eiser] voor het lage bedrag had toegewezen, en dat [verweerder] een afzonderlijke vordering op de voet van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad had moeten instellen. Uit rov. 3.3 onder b en rov. 3.16 tussenarrest blijkt dat de OK bij de vaststelling van de uitkoopprijs nadrukkelijk rekening houdt met de onderkende, benadelende handelingen van [eiser] . De mogelijkheid van een separate vordering van [verweerder] wordt in rov. 2.19 eindarrest overigens nog wel opengehouden (“[d]e wijze waar op de [OK] bij de vaststelling van de billijke uitkoopprijs rekening houdt met de benadelende handelingen [niet] strekt tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen”). De vierde, onder 3.11 genoemde, mogelijke benadering van rechtstreekse toepassing van de geschillenregeling is evenmin aan de orde. Uit rov. 3.1 tussenarrest blijkt dat de OK art. 2:201a BW toepast en uit rov. 3.3 onder b tussenarrest blijkt dat de door [verweerder] gestelde feiten en omstandigheden “niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden [bedoeld zal zijn: bevoegdheid, A-G] of tot het niet toepassen van artikel 2:201a BW op grond van strijd met redelijkheid en billijkheid.” [verweerder] heeft ook geen beroep op art. 2:343 BW gedaan. 3.17 Van de mogelijke benaderingen binnen het verband van de uitkoopregeling is duidelijk dat de OK niet een flexibele peildatum heeft toegepast. De derde, onder 3.10 genoemde, mogelijke benadering is dus niet gevolgd. Dat zou betekenen dat de peildatum was gesteld op het tijdstip vlak vóór de onderkende, benadelende handelingen van [eiser] . Zowel uit het tussenarrest (rov. 4) als uit het eindarrest (rov. 3) blijkt dat de peildatum de datum van het tussenarrest (5 juli 2016) is, wat strookt met het sinds 2015 geldende standaardbeleid van de OK (zie onder 3.26). Dat de deskundige de waardering dient vast te stellen op de waarde zoals die zou zijn vastgesteld als de benadelende handelingen van [eiser] niet hadden plaatsgevonden (rov. 3.16 tussenarrest, zie ook rov. 2.2 eindarrest: “per 5 juli 2016 alsof de benadelende handelingen niet hadden plaatsgevonden”), is niet het hanteren van een flexibele peildatum (maar kan leiden tot een vergelijkbare uitkomst). In de onderhavige zaak komen in het tussenarrest wel elementen terug van de tweede, onder 3.9 genoemde, mogelijke benadering. In deze benadering wordt, kort gezegd, aangenomen dat de vennootschap per de peildatum een schadevergoedingsvordering op de meerderheidsaandeelhouder heeft in verband met diens benadelende handelingen. Door die vordering als een actief van de vennootschap te beschouwen en daaraan een waarde toe te kennen, kan die vordering de uitkoopprijs beïnvloeden, in lijn met de DIM Vastgoed- en Xeikon-uitkoopprocedures (zie onder 3.3 en 3.4). In rov. 3.14 tussenarrest heeft de OK het handelen van [eiser] als onrechtmatig gekwalificeerd jegens de vennootschap ( [A] ) en jegens [verweerder] . In rov. 3.16 tussenarrest voegt de OK daaraan toe dat de deskundige dient te abstraheren van de verwachting dat de vennootschap ( [eiser] ) er niet toe zal overgaan een vordering uit onrechtmatige daad jegens [eiser] in te stellen. Uit het deskundigenbericht en uit het eindarrest blijkt echter niet dat voor de benadering van het waarderen van een schadevergoedingsvordering van de vennootschap op [eiser] is gekozen. Daaruit blijkt evenmin dat gekozen is voor het waarderen van een schadevergoedingsvordering van [verweerder] op [eiser] . Dat is ook logisch, omdat in de uitkoopregeling van art. 2:201a BW bij toepassing van art. 2:201a lid 5 BW de waarde van de vennootschap (hier: [A] ) centraal staat (zie onder 3.24-3.25). Dat is ook wat de OK in de onderhavige zaak aanhoudt, mede gelet op rov. 2.21 eindarrest, inzake de “correctie vanwege de verkoop van dochtermaatschappijen” van [A] . Daar overweegt de OK dat het door de deskundige gekozen uitgangspunt (“vaststelling van de waarde van [A] op de peildatum indien de dochtermaatschappijen tegen een juiste prijs zouden zijn verkocht”) in lijn is met het feit dat “het schadetoebrengende feit [hier] niet is de verkoop van de dochtermaatschappijen op zichzelf, maar de verkoop van de dochtermaatschappijen tegen een te lage prijs”. Correctie van de waarde van [A] op de peildatum vindt ook plaats in het kader van de “correctie vanwege de lening van bijna € 2,2 miljoen aan Meriton LLC” door [A] (rov. 2.25 eindarrest), de “correctie vanwege de lening aan [eiser] ” door [A] “en de verlaging van de nominale waarde van de aandelen” van [A] (rov. 2.31 eindarrest), en het “door de deskundige veronderstelde rendement” van [A] uitgaande van voornoemde correcties (rov. 2.34 eindarrest). In die benadering kan weliswaar worden geabstraheerd van het enkele feit dat de vennootschap de vordering niet zal instellen (zie ook de Xeikon-uitkoopprocedure), maar had wel kenbaar rekening gehouden moeten worden met onder meer onzekere factoren bij het waarderen van de vordering, waaronder ook risico’s en kosten van verhaal vallen. Daarvan blijkt m.i. niet (duidelijk) in de onderhavige zaak, anders dan in bijvoorbeeld de Xeikon-uitkoopprocedure. In het Xeikon-uitkooparrest van 18 december 2018 overwoog de OK in rov. 2.22 ook dat in die zaak “vorderingen van Xeikon op derden tot vergoeding van de door deze derden toegebrachte schade bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure”. Dergelijke passages zijn in arresten van de OK in de onderhavige zaak niet te vinden, daarin verwijst de OK onder meer ernaar: dat zij het in de onderhavige zaak “passend [acht] om bij het bepalen van de uitkoopprijs te voorkomen dat de prijs waartegen [verweerder] gehouden is zijn aandelen over te dragen in overwegende mate wordt bepaald door de genoemde handelingen van [eiser] die hemzelf hebben bevoordeeld en [verweerder] als minderheidsaandeelhouder hebben benadeeld” (rov. 2.18 eindarrest); dat daaruit volgt dat de stelling van [eiser] dat een vordering tot schadevergoeding van [A] of [verweerder] op [eiser] inmiddels is verjaard, niet ter zake dienend is, nog daargelaten dat de OK in het tussenarrest (van 5 juli 2016) reeds overwoog dat de deskundige dient te abstraheren van de omstandigheid dat [A] geen vorderingen tegen [eiser] heeft ingesteld of zal instellen (rov. 2.18 eindarrest); dat de wijze waarop de OK bij de vaststelling van de billijke koopprijs rekening houdt met de benadelende handelingen, niet strekt tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen (rov. 2.19 eindarrest); dat de OK slechts beoogt bij de vaststelling van de koopprijs de benadelende handelingen in zodanige mate te betrekken dat de uitkoopprijs redelijk is (rov. 2.19 eindarrest); en dat de OK, tegen de achtergrond van rov. 2.15-2.19 eindarrest, in rov. 2.21-2.38 eindarrest de door de deskundige in aanmerking genomen correcties op de intrinsieke waarde en de daartegen door partijen geuite bezwaren bespreekt (rov. 2.20 eindarrest). Dit mondt uit in de conclusie in rov. 2.38 dat uit “[h]et bovenstaande” volgt dat de OK een uitkoopprijs van € 142,10 per 5 juli 2016 juist acht: van een schadevergoedingsvordering van [A] op [eiser] per de peildatum van een bepaalde omvang rept de OK ook daarin niet. De verwijzingen in het tussenarrest (rov. 3.14 en 3.16) naar “onrechtmatig” handelen van [eiser] jegens [A] en [verweerder] laten zich m.i. zo verstaan dat de OK daarmee de ontoelaatbaarheid onderstreept van de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’, waarmee rekening gehouden dient te worden bij de vaststelling van de uitkoopprijs ex art. 2:201a lid 5 BW door zodanige normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden per de peildatum (het tussenarrest van 5 juli 2016) dat de door [verweerder] te ontvangen uitkoopprijs redelijk is, wat ook onder meer aansluit op het oordeel van de OK (zie o.a. rov. 2.15 eindarrest) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [verweerder] te veroordelen tot levering van zijn aandelen aan [eiser] tegen een prijs “die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van [eiser] ” (zie ook onder 3.3). In de onderhavige zaak komen geen elementen terug van de vijfde, onder 3.12 genoemde, mogelijke benadering: toepassing naar analogie van (elementen uit) de geschillenregeling. Wel heeft de OK in zekere zin ook aandacht voor (elementen uit) de geschillenregeling. In rov. 2.17 eindarrest wordt immers overwogen dat het, in een geval als het onderhavige, “voor de hand [ligt] een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW”. De OK betrekt daarbij, in lijn met de literatuur op dit punt, mede “het feit dat [A] thans slechts twee aandeelhouders heeft en ten tijde van de benadelende handelingen een beperkte kring van aandeelhouders, terwijl [eiser] steeds meerderheidsaandeelhouder was”. Op de vraag hoe deze overweging moet worden begrepen, kom ik onder 3.35 terug. Ik merk hier wel vast op dat de OK bepaald omzichtig formuleert, dat zij duidelijk niet spreekt in termen van ‘toepassing naar analogie’ van (dit element uit) de geschillenregeling, en dat zij daarop m.i. (dus) ook niet het oog heeft. In een andere lijn in de rechtspraak heeft de OK toepassing naar analogie van de geschillenregeling op grond van de redelijkheid en billijkheid trouwens ook op principiële gronden van de hand gewezen. In de desbetreffende zaak was sprake van een aandeelhouder ( […] B.V.) in een naamloze vennootschap (Orthocenter N.V.). […] vorderde kort samengevat primair Orthocenter te veroordelen om zijn aandelen in Orthocenter op de voet van art. 2:343 BW over te nemen tegen betaling van een door de OK na deskundigenbericht vast te stellen koopprijs en met toepassing van een zodanige billijke verhoging als de OK gerechtvaardigd acht en subsidiair een verklaring voor recht dat de uitgifte van (certificaten van) aandelen door Orthocenter (als gevolg waarvan zijn belang was verwaterd) jegens hem onrechtmatig is en Orthocenter aansprakelijk is voor alle als gevolg hiervan door haar geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat. Orthocenter had niet een ‘besloten karakter’, omdat certificaten als bedoeld in art. 2:335 lid 2 onder c BW waren uitgegeven, waarmee het geschil niet onder de reikwijdte van art. 2:335 lid 2 BW van de geschillenregeling viel. (rov. 3.4) De OK onderkent vervolgens dat het geschil dat in de Orthocenter-zaak aan de orde was zich materieel gezien voor toepassing van de geschillenregeling zou lenen (rov. 3.5) maar overweegt vervolgens (rov. 3.6): “Toepassing van de geschillenregeling naar analogie, op grond van de redelijkheid en billijkheid, acht de Ondernemingskamer echter te ver gaand. In de eerste plaats geldt dat het oprekken van gevallen waarin de geschillenregeling toepasbaar kan worden geacht in zijn algemeenheid niet wenselijk is. De aard van de regeling – een specifieke rechtsgang met verstrekkende gevolgen in bepaalde nauw door de wetgever omschreven gevallen – vormt hiervoor een contra-indicatie. Onduidelijkheid over toegang tot die regeling leidt bovendien tot ongewenste onzekerheid. Bij het vorenstaande komt dat […] in het onderhavige geval andere rechtsmaatregelen ten dienste staan (waaronder in ieder geval de vordering uit onrechtmatige daad die zij subsidiair heeft ingesteld), die weliswaar niet tot hetzelfde resultaat leiden maar waardoor zij haar belangen in afdoende mate kan behartigen.” De OK concludeert dat de geschillenregeling niet, ook niet naar analogie, kan worden toegepast en bekrachtigt met het afwijzen van de primaire vordering in zoverre het vonnis waarvan beroep (rov. 3.7 en rov. 4). De OK heeft zich voorts onbevoegd verklaard om van de subsidiaire vordering uit onrechtmatige daad kennis te nemen en dat deel van de vordering van […] verwezen naar de meervoudige burgerlijke kamer van het hof. (rov. 3.8 en rov. 4) De meervoudige kamer van het hof, voor de gelegenheid bestaande uit de drie raadsheren uit de OK die het arrest van 15 november 2016 hebben gewezen, heeft bij arrest van 20 december 2016 de subsidiaire vordering uit onrechtmatige daad alsnog toegewezen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. In de schadestaatprocedure is om redenen van proceseconomische aard tussentijds hoger beroep toegestaan. In het hoger beroep oordeelt de OK onder meer dat de schade van […] kan worden begroot op het verschil tussen de waarde van de door haar gehouden (certificaten van) aandelen in het hypothetische scenario (waarin de emissie van haar onrechtmatige ingrediënt is ontdaan en sprake is van een minimaal redelijke uitgifteprijs) en de waarde van die (certificaten van) aandelen in het werkelijke scenario per de peildatum (rov. 3.18). Het verschil tussen het hypothetische en werkelijke scenario dient pro rata parte (zie voor dat begrip onder 3.25) te worden gewaardeerd. Er is volgens de OK onvoldoende aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie van de OK in zaken betreffende de geschillenregeling, waarbij de OK betrekt dat het onderhavige geval zich materieel gezien voor toepassing van de geschillenregeling leent (rov. 3.19). In een andere geschillenregelingprocedure, de Widdershoven Holding-zaak, overweegt de OK “[d]at verschillende appelinstanties aldus over in eerste aanleg gezamenlijk ingestelde vorderingen oordelen, inherent [is] aan het wettelijk systeem. Van misbruik van procesrecht is geen sprake” (rov. 3.6). In de Widdershoven Holding-zaak zag de OK, in een op dat geval toegespitste overweging waarbij “[i]n het midden kan blijven hoe hierover [over toepassing van art. 2:343 BW op certificaathouders, A-G] in algemene zin dient te worden geoordeeld”, wel aanleiding voor toepassing naar analogie van art. 2:343 BW, omdat “de zeggenschap van de certificaathouders/economisch gerechtigden binnen (de algemene vergadering van) de vennootschap niet anders [is] dan wanneer zij aandeelhouders zijn”, waardoor “de positie van de certificaathouders in de onderhavige zaak zozeer vergelijkbaar is met een aandeelhouderspositie dat het bepaalde in art. 2:343 BW hier naar analogie dient te worden toegepast.” (rov. 3.7) In de Widdershoven Holding-zaak, die ging over een B.V., vormde het toepassingsbereik van art. 2:335 lid 1 BW geen beletsel, waar dat bij de Orthocenter-zaak, met het vereiste van art. 2:335 lid 2 onder c BW, wel het geval was. Ik merkte onder 3.11 al op dat het onderhavige geval zich zowel formeel (art. 2:335 lid 1 BW) als materieel (art. 2:343 lid 1 BW) voor rechtstreekse toepassing van de geschillenregeling zou lenen, maar dat [verweerder] geen uittredingsvordering heeft ingesteld. De onderhavige zaak vertoont m.i., als gezegd (zie onder 3.15), duidelijk de meeste raakvlakken met de zesde, onder 3.13 genoemde, mogelijke benadering, waarin de OK bij het bepalen van de uitkoopprijs in de waardering, kort gezegd, rekening houdt met het mogelijke effect van voor de vennootschap (en [verweerder] ) nadelige transacties met [eiser] op basis van door hem ‘gegraven tunneltjes’. Deze benadering sluit ook aan bij het door partijen gevoerde debat in de uitkoopprocedure. [eiser] heeft in zijn inleidende dagvaarding gevorderd primair de prijs van de over te dragen aandelen per datum van het toewijzende arrest vast te stellen op € 21,15 per aandeel, dan wel subsidiair op een zodanig bedrag en per zodanige datum als door de OK in goede justitie te bepalen. Na het bevoegdheidsincident heeft [verweerder] in zijn conclusie van antwoord gesteld dat [eiser] (de financiële positie van) [A] heeft uitgehold, althans benadeeld, waarvan hij ook bewijs heeft aangeboden en in verband waarmee hij de OK meer subsidiair heeft verzocht om rekening te houden bij het vaststellen van een redelijke prijs voor zijn aandelen. [eiser] is bij gelegenheid van zijn conclusie van repliek in de gelegenheid gesteld het door [verweerder] gestelde ‘tunneltjes graven’ te ontzenuwen. Hij stelt in dat verband onder meer dat de overeengekomen koopprijs voor de dochtervennootschappen aan een met hem verbonden entiteit wel marktconform was, hetgeen ook zou blijken uit een (overigens bij die gelegenheid niet overgelegde) beoordeling en goedkeuring van BDO (onder 2.12), en dat hij in verband met de lening door [A] van bijna € 2,2 miljoen niet in enig opzicht betrokken is geweest bij Meriton LLC, U.S.A. en/of Marketing Services LLC N.V. (onder 2.21), welke stellingen door [verweerder] in zijn conclusie van dupliek weer zijn weersproken (zie met name onder 3-11). Nadat de OK in het tussenarrest heeft geoordeeld dat de deskundige de feiten en omstandigheden die duiden op door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ bij de waardering van de uit te kopen aandelen dient te betrekken, is aanvullende informatie boven tafel gekomen. Op verzoek van de deskundige is het zogenoemde ‘BDO appraisal report’ met betrekking tot de waardering van de drie verkochte dochtervennootschappen door [eiser] aan de deskundige overhandigd. Beide partijen hebben bij memorie na deskundigenbericht op het deskundigenbericht gereageerd. In rov. 2.22 eindarrest overweegt de OK dat de deskundige “toereikend heeft toegelicht dat en waarom de dochtervennootschappen voor een te laag bedrag zijn verkocht en waarom het rapport van BDO niet tot een ander oordeel leidt.” Voorts heeft [verweerder] bij antwoordakte van 9 januari 2018 als productie 20 een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Curaçao in het geding gebracht, waaruit blijkt dat [eiser] sinds 15 juli 2000 staat ingeschreven als bestuurder van Marketing Services LLC N.V. Ten overvloede overweegt de OK in rov. 2.27 eindarrest dat [eiser] bij pleidooi de juistheid van dit uittreksel niet heeft bestreden en heeft gezwegen over zijn eerdere standpunt dat hij niet gelieerd is aan Marketing Services LLC N.V. heeft in de uitkoopprocedure voldoende gelegenheid gehad (bij conclusie van repliek, bij memorie na deskundigenbericht en bij pleidooi) om aan te tonen dat de “niet normaal aandoende omstandigheden toch voor de vennootschap en haar onderneming gewoon zijn”. Indien in de loop van de procedure was gebleken dat met betrekking tot één of meer van de vermeende ‘gegraven tunneltjes’ toch sprake was van transacties die door de beugel konden, zou voor de OK geen reden bestaan om de desbetreffende door de deskundige voorgestelde ‘normalisering’ over te nemen. Het is immers de rechter die de uitkoopprijs op een door hem te bepalen datum vaststelt (art. 2:201a lid 5, derde zin BW). Dat de rechter hierbij kan afwijken van het deskundigenbericht, blijkt in de onderhavige zaak ook uit rov. 2.36 eindarrest. De uitkoopregeling van art. 2:201a BW 3.18 Tegen deze achtergrond zet ik nu eerst een stap terug naar de uitkoopregeling van art. 2:201a BW om vervolgens nader in te gaan op de vraag hoe deze regeling zich verhoudt tot de geschillenregeling en in het bijzonder de billijke verhoging-faciliteit daarin. 3.19 Art. 2:201a BW luidt, voor zover relevant als volgt: “1. Hij die als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de vennootschap verschaft en ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan de eiser. (…). 2. Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Van de uitspraak staat uitsluitend beroep in cassatie open. 3. (…) 4. De rechter wijst de vordering tegen alle gedaagden af, indien een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht, een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden of een eiser jegens een gedaagde afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in