PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/04205 Zitting 19 mei 2020 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte. Het cassatieberoep
(2)van het Besluit schrijft voor dat het ademonderzoek niet eerder wordt verricht dan 20 minuten na het voorlopige ademonderzoek. Dit is een strikte waarborg. Het PV misdrijf vermeldt dat het voorlopig onderzoek heeft plaatsgevonden om 4:16, en uit de stukken blijkt voorts dat het ademonderzoek om 5:08 zou hebben plaatsgevonden. Op het eerste gezicht zou men denken dat daar wel 20 minuten tussen zit, maar toch kan die conclusie niet worden getrokken. Allereerst is aanstonds duidelijk dat de twee genoemde tijdstippen door verschillende verbalisanten en met verschillende klokken zijn waargenomen, waarvan op geen enkele wijze vast staat dat die gelijk liepen. Maar voorts is duidelijk dat de diverse betrokken verbalisanten nogal onzorgvuldig zijn in het nauwkeurig noteren van cruciale gegevens, waaronder ook met name tijdstippen. Het PV verhoor verdachte (van [verbalisant 3]) vermeldt dat het verhoor werd beëindigd om 6:15, terwijl het PV misdrijf (van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]) vermeldt dat de verdachte om 6:05 het politiebureau verliet. Reeds hieruit blijkt dat de tijdmeting van deze heren niet kan kloppen. Dan is er ook geen ruimte om schattenderwijs te veronderstellen dat die 20 minuten waarschijnlijk wel zal zijn nageleefd. Het is immers een strikte waarborg, zodat de inachtneming daarvan onomstotelijk vast moet komen te staan. Dat is niet het geval, zodat niet kan worden bewezen dat er sprake was van een onderzoek ex artikel 8 WVW, zodat vrijspraak moet volgen.” 17. De toelichting op de klacht steunt ten dele op feiten waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan en die bovendien, zoals de steller van het middel het zo fraai verwoordt, kunnen worden samengevat als “allemaal speculatie”. De klacht kan reeds daarom niet slagen. 18. Uit de onder 1 en 2 gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat er ten minste twintig minuten zijn verstreken tussen het moment waarop van de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en de ademanalyse. Het oordeel van het hof dat hetgeen de verdediging daartegenover heeft gesteld onvoldoende is onderbouwd, getuigt niet van een onjuiste opvatting ten aanzien van het strafvorderlijk bewijsrecht en is niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing van dit oordeel is in cassatie, vanwege zijn verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard, geen plaats. 19. De vierde deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de bedienaar van het ademanalyseapparaat was opgeleid en aangewezen en de benodigde kennis en vaardigheden bezat om dat apparaat te bedienen door de korpschef onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel kan niet aan de hand van wettige bewijsmiddelen worden vastgesteld dat [verbalisant 3] was opgeleid en aangesteld. 20. Art. 7 Besluit alcoholonderzoeken, zoals dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde, luidt: 1. Het ademanalyse-apparaat wordt bediend door een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, die daartoe door de betrokken korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, of de betrokken brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee is aangewezen. 2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt slechts, indien de betrokken ambtenaar heeft getoond de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten. (...). 21. Het door het hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal Bedienaar Ademanalyse-apparaat van [verbalisant 3] (bewijsmiddel 3) houdt in dat de genoemde opsporingsambtenaar overeenkomstig art. 7 Besluit alcoholonderzoeken was aangewezen het ademanalyseapparaat te bedienen. Het hof heeft daaruit kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat [verbalisant 3] was opgeleid en over de voor het bedienen van het ademanalyseapparaat benodigde kennis en vaardigheden beschikte. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden. 22. Het middel faalt. 23. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van een snelheidsoverschrijding van 41 km/u slechts heeft gebaseerd op een proces-verbaal, dat wegens “evidente ongeloofwaardigheid” buiten beschouwing had moeten worden gelaten. 24. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaard, dat: “hij op 23 november 2013 te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A58, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een zodanige snelheid dat hij de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden.” 25. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “1. Het proces-verbaal misdrijf, (…) d.d. 23 november 2013, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]: Op 23 november 2013, zagen wij dat een persoon als bestuurder van een vierwielig voertuig, een personenauto van het merk Audi, type A6 Avant, dit bestuurde op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A58 linker rijbaan, gemeente Gilze en Rijen. Wij, verbalisanten, zagen de bestuurder van dat voertuig met zeer hoge snelheid rijden. Wij zagen op onze snelheidsmeter de snelheid van 260 km per uur. Wij zagen dat het voertuig van ons uitliep. Vervolgens zagen wij dat de doorgang voor bestuurder geblokkeerd werd door een trekker met oplegger. Hierdoor konden wij, bij het voertuig aanhaken en door middel van onze optische signalen konden wij de bestuurder naar de rechter rijstrook dwingen. En een volgteken geven. Wij hebben de bestuurder stil gezet op de afrit Gilze. Identiteitsgegevens van de verdachte Achternaam : [verdachte] Voornamen : [verdachte] Geboren : [geboortedatum] 1985 Geboorteplaats : [geboorteplaats] 2. Het proces-verbaal verkeersovertredingen, (…), d.d. 23 november 2013, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant[en] [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in aanvulling op het hiervoor in proces-verbaal (…) gerelateerde: Wij zagen de bestuurder ([verdachte]) van een vierwielig motorvoertuig, een personenauto Audi, rijden over de rijbaan van de A58, Molenschot, binnen de gemeente Gilze en Rijen. Deze kwam uit de richting van de A16 bij de grensovergang met België. De A58 is een als zodanig aangeduide autosnelweg en is gelegen buiten de bebouwde kom. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur, aangeduid door een bord conform model A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met in bord A1 de aanduiding “130”. 3. Het proces-verbaal van bevindingen, (…), d.d. 24 november 2013, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1], welke proces-verbaal ook is ondertekend door [verbalisant 2] (op ambtsbelofte): Op 23 november 2013 waren wij, verbalisanten, in uniform gekleed en belast met opvallende autosurveillance. Wij stonden stil langs de A16 links, gemeente Breda. Wij zagen dat er op de hoofdrijbaan aldaar een donkere Audi Avant met zeer hoge snelheid voorbij kwam. Hierop hebben wij de achtervolging ingezet. Wij raakten de Audi een korte tijd uit het zicht kwijt. Vervolgens zagen wij de Audi rijden in de verbindingslus van de A16 links naar de A58 links aldaar deze werd opgehouden door een trekker met oplegger. Eenmaal op de A58 links ter hoogte van hectometerpaal 61.0 zagen wij dat bij de Audi de snelheid fors omhoog ging. Wij zagen dat de snelheidsmeter van ons voertuig op 260 km per uur stond. Wij zagen dat het voertuig op ons uitliep. Ter hoogte van hectometerpaal 50.0 werd de Audi wederom gehinderd door een trekker met oplegger waardoor deze zijn snelheid moest minderen. Hierdoor konden wij bijtrekken bij de Audi. Wij hebben vervolgens de optische signalen aangezet. Hierop hebben wij de bestuurder meegenomen naar afrit Gilze gelegen langs de A58. 4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 5 oktober 2018, voor zover inhoudende: Het klopt dat ik op 23 november 2013 in de gemeente Gilze en Rijen als bestuurder van een personenauto Audi op de A58 heb gereden. Het klopt dat ik de cruise control van het door mij bestuurde voertuig had ingesteld op 177 km per uur.” 26. Het hof heeft in het bestreden arrest de verweren van de raadsman ten aanzien van feit 2 als volgt samengevat en verworpen: “Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat het onmogelijk is dat de verdachte 260 kilometer per uur of harder heeft gereden. De auto waar hij in reed was begrensd op 250 kilometer per uur. Nu er geen technisch onderzoek is verricht door de politie, dient wat dit betreft te worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte. Daarnaast is het volgens de raadsman onmogelijk om gedurende 11 kilometer 260 kilometer per uur te rijden. Voorts is het onmogelijk dat de verbalisanten in het donker bepaalde waarnemingen hebben kunnen doen. De snelheidsmeting door de verbalisanten is volstrekt onbetrouwbaar, om de redenen zoals vermeld in de pleitnota. Tenslotte heeft de raadsman verweer gevoerd omtrent de kalibratietabel ten aanzien van de snelheidsmeter van het dienstvoertuig waarin de verbalisanten reden, welke tabel zich volgens de raadsman ten onrechte niet in het dossier bevindt. Wat betreft de verklaringen van de verdachte heeft de raadsman met een beroep op het Salduz arrest nog aangevoerd dat die verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu aan hem geen reële mogelijkheid is geboden om de bijstand van een advocaat in te roepen. Het hof overweegt als volgt. Dat het politiedossier zou inhouden dat de verdachte gedurende 11 kilometer 260 kilometer per uur heeft gereden, berust op een onjuiste lezing ervan. In het proces-verbaal is te lezen dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] het voertuig van verdachte op 23 november 2013 met zeer hoge snelheid zagen rijden over de A58 te Molenschot, binnen de gemeente Gilze en Rijen, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur gold. De snelheidsmeter van hun dienstvoertuig gaf 260 kilometer per uur aan en het voertuig van verdachte liep op hen uit. Even verderop konden zij de verdachte bijhalen omdat de doorgang werd geblokkeerd door een trekker met oplegger. Dit is ook te lezen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 24 november 2013. Hij relateert dat de verdachte tweemaal werd gehinderd door een trekker met oplegger, waardoor hij vaart moest minderen en werd opgehouden. De verbalisanten relateren geenszins dat de verdachte continu met een snelheid hoger dan 260 kilometer per uur heeft gereden. Zij relateren enkel dat zij achter hem hebben gereden over een totale afstand van ongeveer 11 kilometer. Op basis van de wettige bewijsmiddelen in het dossier stelt het hof vast dat de verdachte de ter plaatse toegestane maximumsnelheid in ieder geval met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden. Bij dit oordeel betrekt het hof de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij de cruisecontrol van het door hem bestuurde voertuig destijds had ingesteld op 177 kilometer per uur. Ten gunste van de verdachte zal het hof er in het kader van de straftoemeting vanuit gaan dat hij 41 kilometer per uur te hard heeft gereden, derhalve 171 kilometer per uur. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de kalibratietabel alsmede de andere verweren omtrent de snelheid van de door verdachte bestuurde auto, kunnen aan genoemd oordeel van het hof niet afdoen. Het verweer wordt in zoverre verworpen. Nu het hof de verklaringen van de verdachte ten overstaan van de politie niet bezigt voor het bewijs, behoeft het Salduz verweer geen nadere bespreking. (...).” 27. Het hof heeft (samengevat) bewezen verklaard dat de verdachte op de A58 de maximumsnelheid (130 km per uur) met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden. Het middel berust op de veronderstelling dat het hof de bewezenverklaring slechts heeft gebaseerd op het in het middel bekritiseerde proces-verbaal. Uit de weergave van de bewijsmiddelen volgt dat die veronderstelling onjuist is. Het middel berust aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. 28. Ten aanzien van het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten voor het bewijs stuit het middel af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Het is voorbehouden aan de feitenrechter om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. 29. Het middel faalt. 30. Het derde middel klaagt over de beslissing van het hof op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij vonnis van de kantonrechter Tilburg van 5 februari 2013. 31. Het hof heeft in het bestreden arrest een verweer van de raadsman ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf als volgt samengevat en verworpen: “De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft bij vordering van 10 april 2015 de tenuitvoerlegging gevorderd van het vonnis van de kantonrechter te Tilburg van 5 februari 2013 onder parketnummer 96-061300-12, waarbij aan de verdachte een voorwaardelijke rijontzegging is opgelegd voor de duur van 6 maanden. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging is verjaard, nu het betreffende vonnis dateert van 5 februari 2013. Daarnaast is in strijd met het bepaalde van artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling niet in persoon gedaan, om welke reden de proeftijd niet rechtsgeldig is aangezegd, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Het vonnis van de kantonrechter te Tilburg van 5 februari 2013 met parketnummer 96-061300-12 is op tegenspraak gewezen. De verdachte heeft blijkens de tekst van het vonnis afstand van rechtsmiddelen gedaan, dit evenals de officier van justitie en was, zo blijkt ook uit de pleitnota van de raadsman, op die zitting aanwezig. Gelet op de tweede volzin van het tweede lid van artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering was het onder die omstandigheden niet vereist dat de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling in persoon zou geschieden en kon deze per post worden toegezonden. Dat is ook geschied zoals blijkt uit de brief die op 21 februari 2013 aan verdachte op zijn woonadres is toegezonden, welke brief zich in het dossier bevindt. De proeftijd is wel degelijk gaan lopen en is geëindigd in de maand februari 2015. Anders dan de raadsman veronderstelt is de vordering tot tenuitvoerlegging geenszins verjaard. De vordering is door de officier van justitie op 10 april 2015 gedaan, derhalve overeenkomstig het bepaalde van artikel 14g, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht, binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd. Het verweer wordt verworpen. Nu is gebleken dat de verdachte zich als veroordeelde voor het einde van de proeftijd, namelijk op 23 november 2013, aan twee strafbare feit heeft schuldig gemaakt, is het hof van oordeel dat de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast, te weten een rijontzegging voor de duur van twee maanden. Voor het overige zal het hof, gelet op de ouderdom van de feiten, de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.” 32. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van verjaring van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. 33. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het recht tot uitvoering van de bij vonnis van de kantonrechter van 5 februari 2013 opgelegde straf op grond van art. 76 (oud) Sr in verbinding met art. 70 Sr op 5 februari 2017 is komen te vervallen. 34. De verdachte is op 5 februari 2013 in de zaak met parketnummer 96-061300-12 door de kantonrechter veroordeeld. De verdachte is daarbij veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden. Uit het bestreden arrest kan worden afgeleid dat de proeftijd twee jaren bedroeg. De (duur van
- de)proeftijd staat in cassatie niet ter discussie. In cassatie staat evenmin ter discussie dat de verdachte en de officier van justitie ter terechtzitting afstand hebben gedaan van rechtsmiddelen. 35. De ten tijde van de behandeling in hoger beroep toepasselijke wettelijke bepalingen luiden als volgt: Art. 14a, derde lid, Sr: De rechter kan voorts bepalen dat opgelegde bijkomende straffen geheel of gedeeltelijk niet zullen worden tenuitvoergelegd. Art. 14g, eerste lid, Sr: 1°. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f, gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd. Art. 70, eerste lid, Sr: Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring: 1°. in drie jaren voor alle overtredingen (…); Art. 76 Sr: 1. 1. Het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring. 2. 2. De termijn van deze verjaring is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. Art. 76a, eerste lid, Sr: De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking kan worden ten uitvoer gelegd. Art. 557, eerste lid, Sv: Voor zoover niet anders is bepaald, mag geen beslissing worden ten uitvoer gelegd, zoolang daartegen nog eenig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zoo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. 36. Art. 76, eerste lid, (oud) Sr bevat een voorziening voor executieverjaring. Daarin wordt in algemene zin gesproken van “de straf of maatregel”. Er is geen reden aan te nemen dat de bepaling zich slechts uitstrekt tot hoofdstraffen. Dat betekent dat ook het recht tot uitvoering van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen vervalt door verjaring volgens de regels van art. 76 e.v. (oud) Sr. In dit verband bepaalt art. 76, tweede lid, (oud) Sr dat de termijn van de executieverjaring een derde langer is dan de termijn van verjaring van het recht op strafvordering. 37. Ingevolge art. 76a (oud) Sr vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. De vraag rijst hoe deze bepaling moet worden begrepen. De steller van het middel gaat ervan uit dat met de ‘rechterlijke uitspraak’ in deze bepaling wordt gedoeld op het vonnis waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd. Daarmee heeft hij Simons aan zijn zijde. Steun voor deze opvatting zou kunnen worden gevonden in de tekst van art. 76a (oud) Sr, dat de aanvang van de verjaringstermijn koppelt aan de ‘rechterlijke uitspraak’. Erg sterk is dit argument niet. Art. 76a (oud) Sr is de opvolger van art. 77 (oud) Sr, dat al in het Wetboek van Strafrecht stond voordat de wetgever de mogelijkheid van een voorwaardelijke veroordeling in het leven riep. De bijzondere constructie van de voorwaardelijke veroordeling, met haar getrapte structuur, is in dit opzicht niet goed vergelijkbaar met de onvoorwaardelijke straf. Machielse merkt in dit verband terecht op dat in geval van de toepassing van art. 14a Sr de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van het vonnis niet op één, maar op verschillende ogenblikken voor verschillende gedeelten van het vonnis ontstaat. Voordat een last tot tenuitvoerlegging is gegeven, kan de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf niet worden ten uitvoer gelegd. Tegen die achtergrond, is het niet logisch aan te nemen dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na die waarop de voorwaardelijke straf is opgelegd. In een andere opvatting zou de bevoegdheid om tot executie over te gaan van een voorwaardelijk opgelegde straf in bepaalde gevallen al zijn verjaard voordat die bevoegdheid is ontstaan. Aangenomen moet dan ook worden dat bij een voorwaardelijke veroordeling voor de aanvang van de termijn van verjaring (thans: tenuitvoerleggingstermijn) niet de datum waarop de veroordeling is uitgesproken, maar de datum waarop de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf is gelast, bepalend is. 38. Het hof heeft in de bestreden uitspraak van 19 oktober 2018 de tenuitvoerlegging van de straf gelast, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van 5 februari 2013. De verdachte heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Dat betekent dat de termijn van de executieverjaring (tenuitvoerleggingstermijn) zelfs nog niet is aangevangen, laat staan dat deze zou zijn verstreken. 39. Het hof heeft in antwoord op het verweer van de verdediging overwogen dat “de vordering tot tenuitvoerlegging geenszins (
- is)verjaard”. Daartoe wijst het hof erop dat de vordering overeenkomstig het bepaalde in art. 14g, vijfde lid, (oud) Sr binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd is ingediend. Deze motivering overtuigt niet. Het verweer had onmiskenbaar betrekking op de termijn van de executieverjaring en niet op die voor het indienen van een vordering tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 14g, vijfde lid, (oud) Sr. Tot cassatie kan zulks evenwel niet leiden, omdat het verweer in het licht van het voorafgaande slechts kon worden verworpen. 40. De tweede deelklacht houdt in dat het hof had moeten onderzoeken of de mededeling als bedoeld in art. 366a, tweede lid, Sv aan de verdachte was verzonden. 41. Het hof heeft overwogen dat de verdachte aanwezig was bij de uitspraak van de kantonrechter op 5 februari 2013 en dat zowel hij als de officier van justitie afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan. Het hof behoefde niet te onderzoeken of de mededeling als bedoeld in art. 366a, tweede lid, Sv aan de verdachte was toegezonden. De toezending van de mededeling als bedoeld in art. 366a Sv is niet constitutief voor het ingaan van de proeftijd. De toezending van de kennisgeving van veroordeling moet gezien worden als het doen van een mededeling zonder dat daaraan de bijzondere rechtsgevolgen ten aanzien van het onherroepelijk worden van het vonnis zijn verbonden. 42. Het middel faalt. Slotsom 43. De middelen falen. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. 44. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Stb. 1997, 293. Vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:593, NJ 2017/173, HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AJ6621 en HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1639, VR 2000/66. Zie ook de Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed, Stcrt. 2011, 9415, paragraaf 2.1. Vgl. ook HR 26 november 1991, DD 92.120. 3.9.5. Afdruk - Indien het ademanalyse-apparatuur de ademonderzoekprocedure volledig heeft doorlopen, moet het ademanalyse-apparaat een afdruk genereren waarop de gegevens, bedoeld in punt 3.6.1, zijn vermeld. De gegevens die in 3.6.1. staan vermeld zijn: - naam, voornaam en voorletters van de verdachte; - geboortedatum en -plaats van de verdachte; - datum, begin- en eindtijd van het ademonderzoek; - identificatie van het ademanalyse-apparaat; - identificatie van de afdruk; - naam, voornaam en voorletters van de bedienaar; - nulpuntsresultaten; - kalibratiecontroleresultaten; - meetresultaten; - ademonderzoekresultaat; - de tekst: “de bedienaar verklaart de ademonderzoekprocedure conform de voorschriften te hebben uitgevoerd”. Zie over de schriftelijke weergave van het onderzoek de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg (ECLI:NL:PHR:2001:AB0841) onder 10 tot en met 12 voorafgaand aan HR 3 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0841, VR 2001/110. Met ingang van 1 juli 2017 geldt art. 10, tweede lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (ECLI:NL:PHR:2017:1642) onder 4 voorafgaand aan HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1224 (nr. 16/02475, niet gepubliceerd). Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (ECLI:NL:PHR:2010:BL5645) voorafgaand aan HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5645. Vgl. HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1108, HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7952, NJ 2008/247 m.nt. Buruma. Zie ook (de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan) HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0966 (nr. 00187/07, niet gepubliceerd) en HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9904, NJ 1995/403 t.a.v. art. 33a lid 2 WVW (oud). A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 237. Zie ook HR 7 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AB9726, NJ 1981/399, m.nt. Van Veen. In de schriftuur wordt ook ingegaan op het betoog in hoger beroep dat vermoedelijk een geldige kalibratietabel ontbreekt. Uit de schriftuur volgt dat deze opmerkingen ertoe strekken kracht bij te zetten aan het argument dat de processen-verbaal onbetrouwbaar zijn en niet als zelfstandig cassatiemiddel zijn bedoeld. Deze opmerkingen behoeven dan ook geen zelfstandige bespreking. Art. 14g, eerste lid, Sr is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door art: 6:6:21, eerste lid, Sv, dat als volgt luidt: “De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van: a. de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden”. Art. 76 Sr is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door art. 6:1:22 Sv, dat als volgt luidt: “1. Na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn wordt de straf of maatregel niet ten uitvoer gelegd. 2. De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.” Art. 76a, eerste lid, Sr is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door art. 6:1:23 Sv, dat als volgt luidt: “De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking ten uitvoer kan worden gelegd.” Art. 557, eerste lid, Sv is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door art. 6:1:16, eerste lid Sv, dat als volgt luidt: “Voor zover niet anders is bepaald, mag geen rechterlijke beslissing ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.” Zie ook P.H.P.H.M.C. van Kempen, Handboek strafzaken, paragraaf 63.3 (Verval van executierecht door verjaring), online bijgewerkt tot en met 30 juni 2007. D. Simons, Leerboek van het Nederlandse strafrecht, zesde druk, bewerkt door W.P.J. Pompe, deel 1, Groningen/Batavia 1937-1941, p. 363-364. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 76a Sr, aant. 2 (actueel t/m 24 februari 2020). Eerder schreef ik hierover in Onder voorwaarde. Een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten, Arnhem: Gouda Quint 1996, p. 56-57. Zie ook A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 76a Sr, aant. 2 (actueel t/m 24 februari 2020) en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Handboek strafzaken, paragraaf 63.3 (Verval van executierecht door verjaring), online bijgewerkt tot en met 30 juni 2007. Kamerstukken II, 1995/96, 24 834, nr. 3, p. 12. Zie ook HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2558, NJ 2010/602. In de schriftuur wordt ook verwezen naar een verweer dat inhoudt dat in geval de verdachte van een van de ten laste gelegde feiten zou worden vrijgesproken de vordering tot tenuitvoerlegging zou moeten worden afgewezen. Ik lees in deze verwijzing geen zelfstandige klacht. Zelfs als dat anders zou zijn, kan deze nergens toe leiden, reeds omdat het hof de verdachte voor beide ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten heeft veroordeeld.