PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/05504 Zitting 2 juni 2020 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 12 december 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens feit 1 “mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd”, feit 2 “als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 9, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod” en feit 3 “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 110 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Namens de verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld. De middelen keren zich alle drie tegen de motivering van de strafoplegging. De strafmotivering van het hof luidt als volgt: “Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatige mishandeling van zijn twee minderjarige zoons, onder meer door ze met een riem, met de hand, met zijn vuist en met slippers te slaan. Beide kinderen hebben hierdoor letsel ondervonden. Ook heeft de verdachte zijn destijds twee-jarige zoontje [slachtoffer] op de grond gegooid, als gevolg waarvan [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond is gevallen en een hersenschudding heeft opgelopen. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zoons. Bovendien geschiedde dit juist op de plek waar een ieder, en zeker een minderjarig kind, zich veilig moet kunnen voelen, namelijk thuis. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat kinderen die het slachtoffer worden van stelselmatige kindermishandeling, hun hele leven de gevolgen daarvan ondervinden. Daarnaast heeft de verdachte een huisverbod en een gedragsaanwijzing, beiden met juist de strekking om de verdachte enige tijd uit de buurt te houden van zijn kinderen, overtreden. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het hof heeft voorts acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 30 november 2017. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de proeftijd dient te worden bepaald op vijf jaren, aangezien de kans dat de verdachte zich opnieuw aan soortgelijke misdrijven zal schuldig maken nog niet geweken is en het geduld en de zelfbeheersing van de verdachte - zeker in de pubertijd van de kinderen - naar aannemelijk is nog danig op de proef zullen worden gesteld. Het eerste middel klaagt dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd door in strijd met art. 359, zesde lid, Sv niet in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de keuze voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv luidt: “Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.” Vooropgesteld dient te worden dat de feitenrechter vrij is in het bepalen van een straf en in de waardering van de factoren die hij daarbij van belang acht. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd dat niet de juiste straf is opgelegd en evenmin dat de straf niet beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.[1] Wat in dit verband in cassatie wordt getoetst, is of sprake is van een niet onbegrijpelijke en toereikende motivering als bedoeld in art. 359 Sv. 8. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het vereiste van art. 359, zesde lid eerste volzin, Sv, welke bepaling ingevolge art. 315 Sv eveneens in hoger beroep van toepassing is, aldus ingevuld “dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo’n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen”. Aan dit vereiste is niet voldaan als de rechter in zijn strafmotivering slechts verwijst naar een “na te melden straf” of naar “de volgende straf” die hij passend en geboden acht. Daarmee wordt immers in de strafmotivering niet expliciet tot uitdrukking gebracht dat de opgelegde straf onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. 9. Voor zover het middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof met zijn oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf een passende en geboden reactie vormt onvoldoende expliciet heeft benoemd dat de op te leggen straf een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, stuit het af op HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852. 10. Voor zover de toelichting op het middel klaagt dat de motivering van de opgelegde gevangenisstraf tekortschiet in het licht van de in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde straf en hetgeen door de raadsman aldaar is aangevoerd, faalt het eveneens. Ook als ter terechtzitting een strafmaatverweer is gevoerd, leidt een zuinige motivering van de verwerping van zo een verweer niet snel tot vernietiging van de bestreden beslissing vanwege een motiveringsgebrek. Het weinige dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar door de verdediging is aangevoerd, noopte het hof niet tot een nadere motivering. De omstandigheid dat de advocaat-generaal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden vorderde, maakt het andersluidend oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. 11. Het eerste middel faalt. 12. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof art. 14b, tweede lid, Sr heeft geschonden doordat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de proeftijd op vijf jaren heeft bepaald. 13. Art. 14b, tweede lid, Sr luidt: “De proeftijd bedraagt ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.” 14. Zoals reeds uit randnummer 4 blijkt, heeft het hof ten aanzien van de proeftijd overwogen: “Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de proeftijd dient te worden bepaald op vijf jaren, aangezien de kans dat de verdachte zich opnieuw aan soortgelijke misdrijven zal schuldig maken nog niet geweken is en het geduld en de zelfbeheersing van de verdachte - zeker in de pubertijd van de kinderen - naar aannemelijk is nog danig op de proef zullen worden gesteld.” 15. Voor de toepassing van art. 14b, tweede lid tweede volzin, Sv en dus voor afwijking van de hoofdregel die een proeftijd voorschrijft van maximaal drie jaren, heeft mijn ambtgenoot Vegter in zijn conclusie voor HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:894 gewezen op twee voorwaarden die in dit verband gelden. Vereist is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.