PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/00996 Zitting 2 juni 2020 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 22 februari 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van poging tot zware mishandeling en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van het voorarrest. Tevens heeft het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en voor de toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, en daarnaast beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals nader omschreven in het arrest. Er bestaat samenhang met de zaken 19/01006, 19/01116 en 19/01134. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de bewezenverklaringen en de bewijsoverwegingen van het hof weer. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 en 2 bewezenverklaard dat: “1: zij op 28 oktober 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar mededaders vanuit een rijdende personenauto een kluis op de openbare weg, Gooiseweg, heeft gegooid, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] met een motor en [slachtoffer 2] met een personenauto tegen die kluis zijn aangereden;en zij op 28 oktober 2016 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een motor, toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, en een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en een (geluids)scherm en wegdek, toebehorende aan de gemeente Amsterdam, heeft beschadigd;2:zij op 28 oktober 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan [a-straat 1] heeft weggenomen sieraden toebehorende aan [slachtoffer 3] ; enzij op 28 oktober 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan [a-straat 1] heeft weggenomen een kluis (inhoudende sieraden), toebehorende aan [slachtoffer 3] .” 5. Het hof heeft deze bewezenverklaringen gemotiveerd aan de hand van de zogeheten promis-werkwijze. Met betrekking tot de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft het hof het volgende overwogen (hier met overneming van de voetnoten): “De feitelijke gang van zaken Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten vast. Op 28 oktober 2016 is [slachtoffer 3] , de toen 88-jarige bewoonster van de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam, om 17:57 uur gebeld door een vrouw die zei dat zij van de thuiszorg was en die meedeelde dat er zo twee dames aan de deur zouden komen om het een en ander te bespreken. Terwijl [slachtoffer 3] met de vrouw nog telefonisch in gesprek was, werd bij haar woning aangebeld. Zij heeft twee vrouwen haar woning binnengelaten: een vrouw van ongeveer 1.57 m, beetje getint normaal postuur, hoge zwarte laarzen tot haar knie, accentloos Nederlands sprekend, wier leeftijd door [slachtoffer 3] achter in de twintig werd geschat, en een vrouw die volgens [slachtoffer 3] een kop groter was, ook achter in de twintig, die helemaal niet aan het gesprek deelnam. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] passen qua geschatte leeftijd redelijk binnen dit signalement, terwijl [medeverdachte 2] - zo stelt het hof vast nu niet aannemelijk is geworden dat zij van schoeisel is gewisseld tussen haar aanhouding als bestuurster van de auto met kenteken [kenteken] en het maken van de foto van haar die zich in het dossier bevindt - bij haar aanhouding korte tijd later op dezelfde avond hoge zwarte laarzen tot haar knie droeg, en ook het ter terechtzitting in hoger beroep gebleken verschil in beheersing van de Nederlandse taal past in dit signalement, evenals de waarneming door het hof dat [medeverdachte 1] een flink stuk groter oogt dan [medeverdachte 2] , terwijl laatstgenoemde bij die gelegenheid heeft meegedeeld 1.58 m lang te zijn. De vrouwen zijn geruime tijd, naar schatting van [slachtoffer 3] zo’n 45 minuten, in de woning geweest, waarbij de kleinste vrouw maar door bleef praten en op een gegeven moment om koffie of thee vroeg en daarbij zei dat zij zelf lekkere cake bij zich had. [slachtoffer 3] is met hen naar de keuken gegaan om thee te zetten en de cake aan te snijden. Op een gegeven moment ging de telefoon van de grootste vrouw. Zij nam op, sprak in een voor [slachtoffer 3] onverstaanbare taal waarna beide vrouwen de woning uitrenden. Vervolgens constateerde [slachtoffer 3] dat een sieradendoosje in haar slaapkamer leeg was, dat een van de laatjes van een kastje was doorzocht en dat haar kluis met daarin sieraden weg was.Diezelfde avond om 19:04 uur kreeg de auto met kenteken [kenteken] op de Gooiseweg te Duivendrecht een ANPR-hit onder de noemers katvanger en mobiel banditisme. De afstand van de [a-straat] naar de plaats van de ANPR-hit op de Gooiseweg is volgens gegevens van Google Maps in 15 minuten af te leggen. De motoragent [verbalisant 1] heeft de bestuurder van deze auto een volgteken gegeven, waaraan aanvankelijk gevolg leek te worden gegeven. Toen de motoragent op de afrit van de Gooiseweg reed, zag hij dat de auto op het allerlaatste moment vanaf de uitvoegstrook plotseling de hoofdrijbaan van de Gooiseweg weer opreed en dat op hetzelfde moment een portier aan de rechterzijde werd geopend. Ook zag hij dat de snelheid van de auto nog ongeveer 50 à 60 km/u was. Via de portofoon heeft [verbalisant 1] doorgegeven dat de auto zich aan de controle onttrok. Na weer te zijn ingevoegd op de Gooiseweg heeft [verbalisant 1] , toen hij de auto weer in zicht had, deze met optische en geluidsignalen en met ingeschakeld stoptransparant gevolgd. De auto reed eerst ongeveer 100 km/u en vervolgens ongeveer 90 km/u. Via de portofoon hoorde [verbalisant 1] dat zijn collega motorrijder [slachtoffer 1] een aanrijding met het vermoedelijk uit de auto gegooide voorwerp niet kon voorkomen en dat hij daardoor bijna ten val was gekomen. Later vernam [verbalisant 1] dat op de plaats waar de auto zich aan de controle onttrok op de rijbaan van de Gooiseweg een kluis was aangetroffen. Bij het passeren van de afrit Weesp zag [verbalisant 1] dat de bestuurster van de auto met haar arm gebaren maakte om hem duidelijk te maken dat hij moest inhalen. Naar zijn zeggen uit tactische overwegingen is [verbalisant 1] achter de auto blijven rijden. Nadat de auto op de Diemerpolderweg tot stilstand kwam en de bestuurster door hem uit het voertuig was gehaald, hoorde hij haar meteen schreeuwen: “Ze gaat dood! Ze is ernstig ziek!”. [verbalisant 1] zag dat de bestuurster, [medeverdachte 2] , wees naar de vrouw die rechts voorin de auto zat, [verdachte] , en hoorde deze vrouw hard schreeuwen, kennelijk met de bedoeling duidelijk te maken dat ze pijn had. [verbalisant 1] hoorde dat de bestuurster vervolgens zei: “We waren op weg naar het ziekenhuis! Mijn tante gaat dood!”. Rechts achterin de auto zat [medeverdachte 3] , midden achterin [medeverdachte 1] en links achterin [betrokkene 1] . De bestuurster zei vervolgens: “Ze is ziek! Er moet snel een ambulance komen!”. Het ambulancepersoneel dat ongeveer 10 minuten later ter plaatse kwam, concludeerde dat er hooguit sprake was van hyperventilatie en dat [verdachte] zich aanstelde en niet naar een ziekenhuis vervoerd hoefde te worden. Omstreeks 19:30 uur heeft [verbalisant 1] de sleutels uit het contactslot van de auto gehaald. Terwijl [verbalisant 1] in gesprek was met de bestuurster zag politieambtenaar [verbalisant 2] dat twee vrouwen op de achterbank van de auto meermalen een jas aantrokken en deze vervolgens ook weer uittrokken en dat de vrouw die rechts achterin zat constant in haar tas zat. [verbalisant 2] zag in en naast een put op ongeveer 30 tot 50 centimeter van het rechter achterportier sieraden. Een deel van de in de put/naast de auto aangetroffen sieraden is door [slachtoffer 3] herkend als van haar afkomstig. Dat geldt ook voor een op of voor de bijrijdersstoel rechts voorin de auto aangetroffen ring met goudaccenten en voor de sieradenkistjes met sieraden in de kluis die zijn inbeslaggenomen. Van haar kluis heeft [slachtoffer 3] afstand gedaan, omdat deze niet meer te gebruiken was. De kluis woog 54,1 kg en bleek door een politieambtenaar, die dat heeft geprobeerd, niet zonder hulp van een tweede persoon op te tillen en te verplaatsen. [slachtoffer 1] , op dat moment op een politiemotor werkzaam bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, vernam op 28 oktober 2016 omstreeks 19:04 uur van de voormelde ANPR-hit. Kort daarop hoorde hij dat het voertuig niet voldeed aan de aanwijzingen van een motoragent en de Gooiseweg weer opreed en er vandoor ging. [slachtoffer 1] reed op de Gooiseweg met zwaailicht en sirene op rijstrook één (de linker rijbaan). Ter hoogte van de afrit waar [verbalisant 1] een portier had zien open gaan nadat het voertuig niet voldeed aan zijn aanwijzingen, zag [slachtoffer 1] plotseling in het midden van de linker rijbaan een grijs vierkant voorwerp, naar later bleek een kluis, liggen. Hij kon deze kluis niet meer ontwijken en is er met een snelheid van meer dan 100 km/u tegenaan gereden. Toen hij de kluis raakte, voelde hij een harde klap ter hoogte van zijn rechtervoet. Hij voelde dat zijn motor uit balans raakte, schrok hier enorm van en moest – als zeer ervaren motorrijder – heel erg zijn best doen om de motor overeind te houden. [slachtoffer 1] kon net voorkomen dat hij ten val kwam. Toen [slachtoffer 1] zijn rechtervoet terug wilde zetten op de voetsteun bleek deze verdwenen. Door de aanrijding met de kluis van ongeveer 50cmx30cmx30cm waren de rechtervoorzijde en zijkant van de motor beschadigd: afdekkleppen en kappen waren verdwenen, bevestigingsbeugels en valbeugels waren verbogen of verdwenen en van het motorblok was een stuk weggeslagen en andere delen waren krom. Verschillende vloeistoffen liepen uit de motor. [slachtoffer 1] schatte het tijdsbestek tussen het waarnemen door [verbalisant 1] van het openen van een rechter portier van de auto en de botsing met de kluis op ongeveer 30 seconden. Toen [slachtoffer 1] later ter plaatse terugkwam zag hij dat er een voertuig op de linker rijbaan stilstond. Dit was de personenauto van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] verklaarde aan [slachtoffer 1] dat hij op de linker rijbaan van de Gooiseweg reed en ineens iets voor zich zag op de rijbaan wat hij niet meer kon ontwijken en dat hij heeft geraakt met de rechter voorzijde van zijn auto. Op ongeveer twee meter van een enorme barst in een glazen geluidswand op de Gooiseweg werd een kluis met deuken gevonden. In het wegdek werden gaten geconstateerd waarvan werd vermoed dat zij zijn ontstaan door de impact van de kluis. [slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat een auto voor hem remde en plotseling van de linker- naar de rechter rijbaan wisselde, dat hij vervolgens op zijn rijbaan, de linker rijbaan, een vierkant voorwerp zag liggen, waarop hij heel hard heeft geremd en op het voorwerp is geklapt, dat later een kluis bleek te zijn. [slachtoffer 2] zag dat de kluis richting de rechter rijbaan/vangrail verschoof door de impact van de aanrijding en dat de geluidswand daardoor vermoedelijk kapot is gegaan. De auto van [slachtoffer 2] was door de aanrijding aan de voorzijde helemaal kapot.Namens de gemeente Amsterdam is aangifte gedaan van vernieling van de geluidswand en van schade aan het wegdek, te weten twintig gaten in het asfalt. Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (VOA) houdt onder meer in dat op de Gooiseweg waar het ongeval plaatsvond de toegestane maximumsnelheid 70 km/u bedroeg, dat de zonsondergang die dag om 18:18 uur was, zodat de lichtgesteldheid ‘nacht’ was ten tijde van het ongeval omstreeks 19:00 uur. Over een afstand van 77 meter zijn diepe beschadigingen in het wegdek aangetroffen, die veroorzaakt moeten zijn door een zwaar voorwerp met scherpe randen en/of punten. Het eerste recente schadespoor in het wegdek bevond zich aan de rechter zijde van de rechter rijstrook. Aan het einde van de schadesporen bevond zich een verbrijzelde ruit in de geluidswal. Mede op grond van geconstateerde recente schade aan de dorpel en de binnenbekleding van het rechter achterportier van de auto met kenteken [kenteken] en het aantreffen in de dorpel van een steentje dat overeenkwam met de steentjes in het wegdek van de Gooiseweg, acht de opsteller van de VOA het zéér waarschijnlijk dat de aangetroffen kluis uit het rijdende voertuig is gegooid en daarbij deze schade heeft veroorzaakt en bij het raken van het wegdek het steentje naar binnen heeft doen spatten. Over de feitelijke toedracht hebben de verdachte en de medeverdachten niet of nauwelijks verklaard. Zij hebben zich allen – ook na ter terechtzitting in hoger beroep te zijn gewezen op de mogelijke consequenties daarvan – beroepen op hun zwijgrecht. Beoordeling door het hof Het hof is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden redengevend zijn voor een gang van zaken waarin overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan door vijf personen tezamen en in vereniging uitvoering is gegeven aan de diefstal van sieraden en een kluis met sieraden van [slachtoffer 3] door middel van een babbeltruc. Onderdeel van dat gezamenlijk uitgevoerde plan vormde het door twee vrouwen – gelet op de gememoreerde overeenkomsten in signalementen staat voldoende vast dat het hier [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] betrof – afleiden van [slachtoffer 3] met meegebrachte cake en het haar in de woonkamer en vervolgens in de keuken houden, zodat (gelet op het gewicht van de kluis) ten minste twee andere personen de sieraden in de slaapkamer konden wegnemen en als dragers de kluis uit de woonkamer konden verslepen, waarbij een derde andere persoon als begeleider van de verplaatsing zal zijn opgetreden door deuren van de woning en van de auto open te houden en/of als uitkijk op te treden. Mede gelet op het tijdsverloop tussen de diefstal (omstreeks 18.45 uur) en het moment waarop de verdachte en haar medeverdachten zich hebben ontdaan van de kluis (kort na 19.04 uur) en korte tijd later zijn aangetroffen in het bezit van een deel van de buit, ziet het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de diefstal door anderen dan de verdachte en de medeverdachten is gepleegd. Een dergelijk scenario is ook door de verdachten niet geschetst. Nu door de verdachte geen de voormelde redengevendheid ontzenuwende (aannemelijke) verklaring is afgelegd, acht het hof bewezen dat zij zich bewust en nauw samenwerkend – en aldus tezamen en in vereniging – met de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde, zoals hierna bewezen verklaard. Verder is het hof van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden ervoor redengevend zijn dat op het moment waarop de auto waarin de verdachten zich bevonden de motoragent [verbalisant 1] moest volgen, door de verdachten is overgegaan tot en uitvoering is gegeven aan een gezamenlijke inspanning om zich zoveel mogelijk te ontdoen van de buit. Met het oog daarop hebben de verdachten blijkens hun kennelijk onderling gecoördineerde (want nauw op elkaar aansluitende en samenhangende) gedragingen bewust nauw samengewerkt. De bestuurster van de auto heeft het voertuig aan de controle onttrokken, terwijl nagenoeg op hetzelfde moment door de personen op de achterbank de – niet door één persoon te hanteren – kluis uit de auto is geduwd, terwijl na het tot stilstand brengen van de auto door de bestuurster en haar bijrijdster is geveinsd dat sprake was van een medische noodsituatie, waarmee zij kennelijk, evenals de andere, zich aan- en uitkledende vrouwen in de auto, beoogden de aandacht af te leiden van het verder lozen van de buit via het rechter achterportier in een daarnaast gelegen put. Nu door de verdachte ook hieromtrent geen de voormelde redengevendheid ontzenuwende (aannemelijke) verklaring is afgelegd, acht het hof bewezen dat zij zich bewust en nauw samenwerkend – en aldus tezamen en in vereniging – met de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het uit een met aanmerkelijke snelheid rijdende auto op een 70 km/u-weg duwen van een ruim 50 kg zware kluis, met een omvang van ongeveer een halve meter bij dertig keer dertig centimeter. De verdachten deden dit terwijl het nagenoeg donker was en het evident was dat het om een tamelijk druk bereden weg ging, gezien het tijdstip en de stedelijke ligging. Naar het oordeel van het hof is volstrekt voorzienbaar dat de onder deze omstandigheden op de weg geduwde kluis terecht zal kunnen komen op een plaats op de rijbaan waar deze het gevaar van een botsing in het leven roept met achteropkomend verkeer, zoals motorrijders en automobilisten. Net zo voorzienbaar is dat de kans aanmerkelijk is dat een motorrijder bij een botsing met de ruim 50 kg zware kluis met een snelheid van rond de 70 km/u, zal verongelukken en dat een automobilist die met de kluis in botsing komt minst genomen zwaar lichamelijk letsel zal oplopen. Nog groter was de kans op schade aan voertuigen, weg en wegmeubilair. Nu ook op dit vlak een verklaring van de verdachte ontbreekt die in een andere richting wijst, is het hof van oordeel dat de verdachte de voormelde aanmerkelijke kans op de dood en op zwaar lichamelijk letsel, evenals de kans op de genoemde schade, bewust heeft aanvaard. Dat brengt mee dat het onder 1 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard als volgt. De stelling – overigens niet bij monde van de verdachte – van de verdediging dat het klaarblijkelijk de bedoeling was de kluis in de berm te duwen, doet aan het vorenstaande niet af. Het gebleken handelen was – met name gelet op het feit dat de zware kluis uit een met aanzienlijke snelheid rijdende auto is geduwd – met het oog op dat doel zó inadequaat en liet zozeer de mogelijkheid van een ander verloop open, dat deze stelling geen afbreuk kan doen aan de vastgestelde bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op onder meer de dood en zwaar lichamelijk letsel van andere weggebruikers. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat het zwijgen van de verdachte niet in de beoordeling mag worden betrokken, omdat aan haar gezien de familierelatie waarin zij staat tot (een aantal van) haar medeverdachten het verschoningrecht toekomt. Nog daargelaten de vraag of sprake is van familiebanden die vallen onder het verschoningsrecht dat een getuige in een strafzaak toekomt, wordt dit verweer door het hof verworpen gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1767). Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat door de verdachte niet is verklaard en ook niet aannemelijk is geworden dat zich de situatie voordoet dat de verdachte enkel zwijgt en er van afziet om een haar ontlastende verklaring af te leggen teneinde geen familieleden te belasten, terwijl zij bij het doorbreken van haar zwijgen zichzelf – overtuigend – (gedeeltelijk) zou kunnen ontlasten. Daarvoor bestaan te veel aanwijzingen voor een doorlopende bewuste en nauwe samenwerking in de opeenvolgende stadia van het ten laste gelegde strafbaar handelen: anders gezegd, aanwijzingen dat de verdachte intensief betrokken was bij het gezamenlijke plan en de feitelijke uitvoering daarvan, van het begin tot het einde.” 6. Het eerste middel klaagt dat het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde opzet op de dood van [slachtoffer 1] en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] niet zonder meer begrijpelijk en/of toereikend is gemotiveerd in het licht van de door het hof gebezigde bewijsvoering. 7. Het hof heeft in het kader van de bewijsvoering ten laste van de verdachte geoordeeld dat zij zich bewust en nauw samenwerkend – en aldus tezamen en in vereniging – met de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het uit een met aanmerkelijke snelheid rijdende auto op een 70 km/u-weg duwen van een ruim 50 kg zware kluis, met een omvang van ongeveer een halve meter bij dertig keer dertig centimeter. De verdachten deden dat op de Gooiseweg terwijl het nagenoeg donker was en het evident was dat het om een tamelijk druk bereden weg ging, gezien het tijdstip en de stedelijke ligging. Op grond van die feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood en op zwaar lichamelijk letsel, evenals de kans op schade aan voertuigen, weg en wegmeubilair, bewust heeft aanvaard. 8. Het middel keert zich in de kern tegen de overweging van het hof dat de stelling van de verdediging dat het klaarblijkelijk de bedoeling was de kluis in de berm te duwen niet afdoet aan het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans in voormelde zin bewust heeft aanvaard, nu (kort gezegd) het gebleken handelen zó inadequaat was en zozeer de mogelijkheid van een ander verloop openliet, dat deze stelling geen afbreuk kan doen aan de vastgestelde bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op onder meer de dood en zwaar lichamelijk letsel van andere weggebruikers. 9. De steller van het middel betoogt dat deze overweging – met name wat betreft de bewuste aanvaarding en de aanmerkelijke kans – niet zonder meer begrijpelijk is, omdat het hof de alternatieve lezing van de verdediging, namelijk dat het de bedoeling was om de kluis in de berm te gooien, onbegrijpelijk terzijde heeft geschoven. Daarbij wordt aangevoerd dat in de onderhavige zaak sprake zou zijn van contra-indicaties. Gelet op de feitelijke vaststellingen van het hof die inhouden dat de kluis op de rechter rijbaan uit het rechter achterportier van een rijdende auto naar buiten is gegaan en de kluis van behoorlijk gewicht was, zou de door de verdediging geschetste alternatieve gang van zaken meebrengen dat niet (zonder meer) voorzienbaar was dat de kluis “zich naar links zou begeven”. Als een dergelijk voorwerp zich verplaatst, valt niet eenvoudig te voorzien dat het via een soort “stuiter(bal)effect” gekeerd wordt en “zelfs als een boemerang” terug beweegt (in de richting van de weg) naar de plaats waar het voorwerp vandaan kwam, aldus de steller van het middel, die daarbij verwijst naar hetgeen de raadsman van de verdachte tegenover het hof naar voren heeft gebracht. 10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2019 houdt in dat de raadsman van de verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd en daarbij onder meer het volgende heeft aangevoerd: “De raadsman van de verdachte [verdachte] voert het woord ter verdediging: Het oordeel van de rechtbank is erg onzorgvuldig en kort door de bocht. Ook heeft de rechtbank hier en daar nagelaten te responderen op enkele uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De griffier heeft in eerste aanleg mijn pleidooi goed opgeschreven. Graag wil ik wat ik in eerste aanleg heb gezegd als voorgehouden beschouwen. De voorzitter deelt de raadsman van de verdachte [verdachte] mede: Het hof is in staat uw pleidooi in eerste aanleg rustig na te lezen, maar de advocaat-generaal heeft het proces-verbaal niet voor zich. Kunt u de kernpunten voordragen. De raadsman van de verdachte [verdachte] hervat zijn pleidooi: Ik zal enkele punten kort toelichten. […] In eerste aanleg heb ik al besproken hoe je de uiterlijke verschijningsvorm moet waarderen. Het gaat om de kracht waarmee de kluis uit de auto is gegooid of getrapt. Newton is al eerder genoemd. We beschikken over onvoldoende informatie om daar volledige uitspraken over te doen. De snelheid van de auto, het gewicht van de kluis, de impact op het wegdek en - last but not least – de impact vanuit de auto op de kluis. Daar draait het allemaal om. Het gaat om de kracht van de trap of de duw. Die bepaalt uiteindelijk waar de kluis terecht gaat komen. Die kracht is niet bekend. Daar komt bij dat er maar één persoon is die die kracht heeft uitgeoefend en dat is niet de verdachte, want zij zat voorin. Zij kan dus feitelijk niet hebben bijgedragen aan het uit de auto gooien van de kluis. […] Naar alle waarschijnlijkheid kreeg men in de gaten dat het goed zou zijn om zich te ontdoen van de kluis. Je wilt je namelijk ontdoen van spullen die je hebt gestolen. We weten niet door wie de beslissing is genomen om de kluis uit de auto te gooien. Uit pagina 54, foto 6, blijkt dat het eerste spoor op de meest rechter rijstrook is aangetroffen. De enige logische verklaring is dat men zich wilde ontdoen van de kluis, om te voorkomen dat ze daarover aangesproken zouden worden. Ook is het meest logische dat de bedoeling niet was om de kluis op het wegdek te laten slingeren, maar in de berm terecht te laten komen. De kracht om dat te bereiken was niet groot genoeg, maar de intentie was om de kluis de berm in te laten verdwijnen. Dat dat niet is gelukt, valt te betreuren. Het voorwaardelijke opzet kan niet bewezen worden, omdat de aanvaarding van het risico niet is gebleken. […]” 11. Gelet op hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, komt het middel voornamelijk in de vorm van ‘napleiten’ op tegen de gewraakte overweging van het hof. Daarnaast merk ik op dat de steller van het middel zich ook lijkt tegen te spreken: “Dat dit (het terug bewegen van de kluis, EH) uiteindelijk wel is gebeurd, valt – vanzelfsprekend (cursivering, EH) – natuurkundig te verklaren”, maar zou, zo vervolgt de steller van het middel dan opeens weer, in het licht van ’s hofs eigen feitelijke vaststellingen niet “volstrekt voorzienbaar” zijn, laat staan het gevolg zijn van handelen dat zózeer inadequaat was en dat zozeer de mogelijkheid van een ander verloop openliet dat sprake is van opzet op het achterlaten van de kluis op het wegdek (met een gevaarlijke situatie tot gevolg). 12. Over de kernklacht van het middel kan ik verder kort zijn. Het hof heeft met de bestreden overweging tot uitdrukking gebracht dat het uit een met aanzienlijke snelheid rijdende auto duwen van een zware kluis niet geschikt is om te bereiken dat die kluis in de berm terechtkomt omdat die handelwijze een buitengewoon onvoorspelbare situatie met zich brengt. Mede tegen de achtergrond van de door het hof vastgestelde omstandigheden dat de verdachten dit deden terwijl het nagenoeg donker was en het evident was dat het om een tamelijk druk bereden weg ging, is het oordeel van het hof dat het volstrekt voorzienbaar is dat onder die omstandigheden de kluis terecht zal kunnen komen op een plaats op de rijbaan waar deze het gevaar van een botsing in het leven roept met achteropkomend verkeer, zoals motorrijders en automobilisten, niet onbegrijpelijk. Op het moment dat de zware kluis door de verdachten uit de auto is geduwd, zijn zij daarover de controle verloren en was de afloop immers ongewis, zoals het onderhavige geval aantoont. 13. Met zijn overweging dat een verklaring van de verdachte ontbreekt die in een andere richting wijst, heeft het hof voorts geoordeeld dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in haar is omgegaan. Onder die omstandigheden is evenmin onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat, mede gelet op de vaststellingen ten aanzien van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, de verdachte de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Ik teken daarbij aan dat de Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, m.nt. Wolswijk onder meer heeft overwogen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.