ECLI:NL:PHR:2020:559
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden P.J. Wattel Advocaat-Generaal De volksverzekerings- en premiepositie van Nederlandse Rijnvarenden op Nederlandse schepen in dienst van elders in de EU gevestigde uitzendbureaus Bijlage bij de conclusies van 7 mei 2020 in de zaken met rolnummers 19/02988, 19/04698, 19/04835, 19/04609, 19/04564, 19/04565, 19/04566 en 19/04567 Derde Kamer B Inhoud 1. Overzicht 2. De wettelijke bevoegdheden van de sociale verzekeringsbank (Svb) en de belastingdienst bij het vaststellen van de verzekeringsplicht en de premieschuld;
A. het Rijnvarendenverdrag (oud) (RV) B. de Rijnvarendenovereenkomst (nieuw) (Rvov) en diens basis in Vo. (EU) 883/2004 C. Verordening (EEG) 1408/71 (oud) inzake sociale zekerheid D. (Basis)Verordening (EG) 883/2004 (nieuw) en Toepassingsvo. 987/2009/EU D.1. Aanwijzing van de toepasselijke nationale wetgeving; de A1-verklaring D.2. Verrekening van voorlopig geheven premies D.3. Dialoog- en bemiddelingsprocedure D.4. Overgangsrecht 5. Rechtspraak A. Het Hof van Justitie van de EU B. De Nederlandse rechter (verzekerings- en premieplicht rijnvarenden) C. De CRvB (verzoeken om ‘regularisatie’ ex art. 13 RV en art. 16(1) Vo. 883/2004) D. Feitenrechters in zaken vergelijkbaar met die van de belanghebbende rijnvarenden.
1Overzicht 1.1 De acht conclusies waarbij deze bijlage gaat, betreffen rijnvarenden die volgens de belastingdienst in Nederland sociaal verzekerd en daarom premieplichtig waren omdat de scheepsexploitanten in Nederland waren gevestigd, maar die volgens de rijnvarenden zelf in Luxemburg (of Cyprus) verzekerd en premieplichtig waren omdat hun werkgevers (uitzendbureaus) aldaar gevestigd waren. De hoofdvragen in de acht zaken zijn telkens: in welk land was de belanghebbende verzekerd en premieplichtig? Wie bepaalt dat (de belastingdienst of de Sociale verzekeringsbank (Svb)) en op basis waarvan? Als de betrokkene in Nederland verzekerd en premieplichtig is, is Nederland dan wegens niet-doorlopen van EU-rechtelijke overleg- en ontdubbelingsprocedures gehouden om af te zien van heffing of minstens dubbele premieheffing te voorkomen als de niet-bevoegde andere lidstaat niet restitueert?
1.2 Welk standpunt juist is, hangt af van de uitleg van (i) de Verordening 1408/71/EEG (oud) en diens opvolger Vo. (EG) 883/2004 (nieuw) over de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels van de lidstaten en (de verhouding van die twee EU-verordeningen tot) (ii) het Rijnvarendenverdrag 1979 (oud) en diens opvolger, de Rijnvarendenovereenkomst 2011 (nieuw) over de sociale zekerheid van rijnvarenden. Zeer kort gezegd, wijzen de EU-verordeningen de werk(gever)staat aan (Luxemburg; Cyprus) en de Rijnvarendenverdragen de staat van de scheepsexploitant (Nederland).
1.3 De acht zaken zijn door drie verschillende gerechtshoven beslist, die tot uiteenlopende oordelen zijn gekomen. Inmiddels is ook minstens één zaak van het vierde gerechtshof bij u aanhangig (maar nog niet voldongen, anders had ik die ook meegenomen). Uw rechtseenheidsoordeel komt dus geroepen.
1.4 Meer specifiek gaat het – naast enige internrechtelijke procedurele kwesties - vooral om de volgende vragen: (i) is de inspecteur bevoegd om de verzekeringsplicht vast te stellen en premie te heffen als de voor de sociale-verzekering(scoördinatie) bevoegde Svb zich niet over de verzekeringsplicht van de belanghebbende heeft uitgelaten en geen A1-verklaring heeft afgegeven die de bevoegde Staat aanwijst? (ii) Is de belastingrechter bevoegd om materieel te beoordelen of rijnvarenden verzekerd en premieplichtig zijn in Nederland hoewel de ‘bestuursrechtelijke kolom’ (de Svb, de bestuursrechter en de CRvB) daarover gaat? (iii) In hoeverre gaat de Rijnvarendenovereenkomst 2011 vóór op Basisvo. (EG) 883/2004 c.a., net zoals het Rijnvarendenverdrag 1979 vóórging op Vo. 1408/71/EEG? Meer specifiek: (iiia) komt na de inwerkingtreding van Vo. 883/2004 op 1 mei 2010 alsnog betekenis toe aan onjuiste en destijds ongeldige, andere lidstaten niet bindende Luxemburgse E101- of E106-verklaringen afgegeven op basis van de op rijnvarenden niet-toepasselijke Vo. 1408/71, en kunnen die onjuiste verklaringen van een andere lidstaat rechtens relevant vertrouwen wekken in Nederland? (iiib) Welke betekenis komt toe aan de procedureregels (overleg en zo nodig bemiddeling ter zake van personen die in twee of meer lidstaten werken) die bij of krachtens Vo. 883/2004 zijn gesteld in gevallen waarin de materiële aanwijsregels van die verordening niet van toepassing zijn omdat zij zijn vervangen door de Rijnvarendenovereenkomst, die eenduidig de scheepsexploitantstaat aanwijst? Als zij van toepassing zijn, is dan materieel gevolg verbonden aan niet-naleven van die procedureregels? (iiic) komt betekenis toe aan de regels die krachtens Vo. (EG) 883/2004 gelden voor onderlingen verrekening van ‘voorlopig’ in een uiteindelijk niet-bevoegd bevonden lidstaat geheven premies? (iv) Staan de Unietrouw, het EU-rechtelijke effectiviteitsbeginsel, de algemene beginselen van EU-recht, zoals dat van effectieve rechtsbescherming, en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de weg aan Nederlandse premieheffing, subsidiair aan weigering van ontdubbeling van premieheffing door de inspecteur?
1.5 Zeer kort samengevat, hebben alle drie de Hoven de fiscus op zichzelf bevoegd geacht om premies volksverzekeringen te heffen, ook zonder voorafgaand besluit van de Svb daaromtrent, en zijn zij alle drie voorbijgegaan aan Luxemburgse E101- en E106-verklaringen die wegens niet-toepasselijkheid niet gebaseerd konden worden op de EU-verordeningen, maar het Hof Den Bosch acht de Nederlandse fiscus verplicht om de premieheffing te ontdubbelen door verrekening van Luxemburgse premies omdat Nederland (i) de Vo.-procedure voor overleg en bemiddeling met andere lidstaten niet heeft gevolgd en (ii) de daardoor dubbel belaste rijnvarenden van het kastje (de fiscus) naar de muur (de Svb) en terug stuurt zonder iets op te lossen, terwijl de Hoven Den Haag en Arnhem-Leeuwarden de premieheffing ten laste van de rijnvarenden hebben gehandhaafd omdat (i) de Vo.-regels waarvan zij toepassing verlangen, niet op hen van toepassing zijn (de Rijnvarendenovereenkomst gaat vóór en wijst eenduidig Nederland aan), (ii) Nederland niet verantwoordelijk is voor (onjuiste) Luxemburgse premieheffing en (iii) de rijnarenden zelf zich niet aan de procedureregels hebben gehouden waarop zij zich beroepen, nu zij zich niet bij de Svb gemeld hebben voor een regularisatieprocedure, de Svb niet om een A1-verklaring hebben gevraagd, en evenmin een verzoek om een uitzonderingsprocedure hebben ingediend in Luxemburg.
1.6 Het komt er dus op neer dat één Hof, ter bescherming van de rijnvarenden tegen dubbele premieheffing, de verantwoordelijkheid voor ontdubbeling van de premieheffing door zowel de bevoegde als de niet-bevoegde Staat vooral legt bij de volgens de toepasselijke Rijnvarendenovereenkomst bevoegde Staat omdat die Staat de op voorkoming van dubbele verzekering gerichte Vo.-procedures voor overleg en bemiddeling niet heeft gevolgd, en dat de andere twee Hoven de bevoegde Staat niet verantwoordelijk houden voor de ontdubbeling van de dubbele premieheffing die mogelijk ontstaan is door het gebruik van de op premiebesparing gerichte uitzendconstructie en de betrokkenen verwijzen naar de niet-bevoegde uitzendstaat voor teruggaaf van aldaar ten onrechte geheven premies.
1.7 Deze bijlage bevat de voor alle acht zaken relevante wetgeving, rechtspraak en Kamervragen, waarnaar ik zal verwijzen in de afzonderlijke conclusies waarbij deze bijlage gaat.
Verzekering voor de volksverzekeringen 2.2 Art. 6(1) Algemene ouderdomswet (AOW) bepaalt: “1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.”
2.3 Art. 6a AOW voegt personen toe die volgens rechtstreeks werkend hoger recht in Nederland verzekerd zijn en sluit personen uit op wie volgens rechtstreeks werkend hoger recht de sociale-verzekeringswetgeving van een andere Staat van toepassing is: “Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen: a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”
2.4 De artt. 33(1) Algemene nabestaandenwet, 5c Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (tot 31 december 2014), 2.1.3 Wet langdurige zorg en 14(1) Algemene Kinderbijslagwet bepalen wezenlijk hetzelfde voor de andere volksverzekeringen.
2.5 Art. 1 Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank draagt de Svb onder meer op om verklaringen te verstrekken over de toepasselijke sociale-zekerheidswetgeving op basis van EU-regels c.q. verdragen waarbij Nederland partij is: “De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak: a. het verstrekken van verklaringen inzake de toepasselijke wetgeving op grond van de Verordeningen inzake sociale zekerheid van de Europese Gemeenschap en verdragen totstandgekomen tussen Nederland en een of meer andere Staten in de telkens van toepassing zijnde versie, b. het in overleg met de bevoegde buitenlandse instanties afsluiten van overeenkomsten betreffende de toepasselijke wetgeving in bijzondere gevallen op grond van de onder a. bedoelde verordeningen en verdragen, c. het geven van voorlichting in verband met deze taken.”
Premieplicht en premieheffing 2.6 Art. 11 AWR bepaalt: “1 De aanslag wordt vastgesteld door de inspecteur.
2 De inspecteur kan bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte afwijken, zomede de aanslag ambtshalve vaststellen. (…).”
2.7 Art. 20(1) AWR luidt: “Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. (...). (…).
2.8 Artikel 6(1) Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) bepaalt dat verzekerden voor de volksverzekeringen premieplichtig zijn: “Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.”
2.9 Art. 57 Wfsv draagt de inspecteur (de rijksbelastingdienst) op om de premies voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen te heffen.
2.10 Art. 58 Wfsv tenslotte bepaalt dat de premies volksverzekeringen bij aanslag of door inhouding worden geheven volgens de regels voor de inkomstenbelasting respectievelijk de loonbelasting: “1. De premie voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het tweede lid en onder verrekening van de krachtens dat lid geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Eén rechtsgang (de fiscale), behalve voor beschikkingen over al dan niet verzekerd zijn en over uitkeringen 2.11 De MvT bij de Wet financiering socisle verzekeringen licht de uit deze taakverdeling tussen de inspecteur en de Svb voortvloeiende gevolgen voor bezwaar en beroep als volgt toe: “3.5.5. Beroep en hoger beroep Na de inwerkingtreding van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties zal het beroep in premieheffing- en inningzaken – evenals in fiscale zaken – worden ingesteld bij de rechtbank, en hoger beroep bij het gerechtshof. (…).
De uniformering van de rechtsgang zal ertoe leiden dat de rechtsontwikkeling ten aanzien van gemeenschappelijke elementen in begrippen als loon en dienstbetrekking meer eenheid zal gaan vertonen. Omdat in de sfeer van de premieheffing en -inning nog slechts de fiscale rechtsgang resteert, treden ook synergie-effecten op. Zo zal bij geschillen die nu zowel aan de bestuursrechter als aan de belastingrechter kunnen worden voorgelegd een besparing kunnen worden gerealiseerd, omdat nog slechts sprake is van één rechtsgang. Gedacht kan worden aan procedures inzake geschillen over aansprakelijkheid, het loonbegrip, het begrip dienstbetrekking en rente. Voor zover de werknemer in beroep gaat tegen een uitspraak op bezwaar inzake de door UWV afgegeven beschikking over het verzekerd zijn, dient dit – evenals thans het geval is – te worden ingesteld bij de bestuursrechter. Er is niet voor gekozen om geschillen over de beschikkingen verzekeringsplicht van het collecterende loket (bij de Belastingdienst) en van het distribuerende loket (bij UWV en ziekenfondsen) bij één rechter onder te brengen. Omdat in de gekozen systematiek zowel de rechtseenheid door cassatie (…) als de rechtsbescherming van de werknemer voldoende gewaarborgd zijn, is ervoor gekozen het uitgangspunt van de twee loketten ook voor de rechtsbescherming door te voeren.”
2.12 Voor de overige parlementaire geschiedenis van de bevoegdheidsverdeling tussen de Belastingdienst en de Svb verwijs ik naar de onderdelen 5.10 t/m 5.15 van de conclusie van mijn ambtgenoot Niessen in de (prejudiciële) zaak HR BNB 2019/44 (zie 5.14 hieronder).
2.13 Art. 3:21 juncto art. 4:21(2) Awb verklaren de coördinatieregeling ter zake van samenhangende besluiten (paragraaf 3.5.3 Awb) niet van toepassing op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake de heffing van een premie.
2.14 U heeft daarom in HR BNB 2019/44 (zie 5.14 hieronder) op prejudiciële vragen van het Hof Den Bosch geantwoord dat de belastingrechter gebonden is aan een verklaring van de Svb over verzekeringsplicht, ook als zij in de tijd terugwerkt en ook als zij nog niet onherroepelijk is. Is zij nog niet onherroepelijk, dan kan de belastingrechter ervoor kiezen om de procedure over de Svb-verklaring voor de bestuursrechter af te wachten. Als hij niet wacht en de verklaring blijkt uiteindelijk ingetrokken of gewijzigd te worden, dan zal de uitspraak van de belastingrechter herzien moeten worden.
Zijn er meer voorbeelden bekend van buitenlandse werkgevers die de sociale premies wel moeten afdragen aan de Nederlandse fiscus maar dit niet doen? Zo ja, welke?
Antwoord 2, 3 Binnen de Europese Unie en meer in het bijzonder tussen de Rijnstaten zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van de sociale zekerheid waardoor in principe het sociaalzekerheidsstelsel van één lidstaat van toepassing is op personen die van hun recht op vrij verkeer gebruikmaken. Zo is duidelijk in welk land zij verzekerd zijn voor de sociale zekerheid en onder welke voorwaarden. Hiermee wordt voorkomen dat werknemers niet verzekerd zijn of dubbel verzekerd zijn en in meerdere landen premies afdragen en uitkeringen ontvangen.
Om te kunnen bepalen waar een rijnvarende sociaal verzekerd is, is van belang op welk binnenvaartschip de werkzaamheden worden verricht, wie het binnenvaartschip exploiteert waarop de rijnvarende werkt en in welk land de exploitant feitelijk is gevestigd. De rijnvarende is op grond van de Rijnvarendenovereenkomst sociaal verzekerd in het land waar de exploitant is gevestigd, wanneer het een exploitant betreft in één van de Rijnstaten. Deze regel gold ook onder de voorganger van de Rijnvarendenovereenkomst, het Rijnvarendenverdrag.
Het criterium van substantieel arbeid verrichten in de woonstaat – waar in vraag 2 naar wordt gevraagd – is in deze gevallen niet aan de orde.
De berichtgeving vraagt aandacht voor in Nederland woonachtige rijnvarenden die werkzaam waren op binnenvaartschepen waarvan de exploitant feitelijk in Nederland is gevestigd. Zij waren daarom sociaal verzekerd in Nederland, waardoor zij niet alleen premies verschuldigd zijn, maar ook tijdvakken voor de AOW opbouwden zodat daarvoor AOW-pensioen zal worden betaald.
Er zijn voorbeelden van buitenlandse werkgevers die sociale premies in Nederland moeten afdragen maar dit niet doen. Bijvoorbeeld doordat ze, met een schijnconstructie, zich vestigen in een ander land, dat een voordelig premieregime kent, zoals Luxemburg. De werkgever betaalt minder premie en de werknemers wordt een hoger nettoloon in het vooruitzicht gesteld. Dit soort schijnconstructies, die overigens niet beperkt zijn tot de binnenvaart, zijn bekend. Om dit soort constructies tegen te gaan zet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in op goed handhaafbare Europese regelgeving en betere (internationale) handhaving. Ook de Belastingdienst is bekend met grensoverschrijdende schijnconstructies en bestrijdt deze. Vanwege de geheimhoudingsplicht kan niet worden ingegaan op individuele belastingplichtigen.
Vraag 4 Heeft de Belastingdienst buitenlandse werkgevers met werknemers die veel werkzaamheden uitvoeren in Nederland in 2010 actief benaderd over de wetswijziging? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier? En acht u deze manier achteraf voldoende?
Antwoord 4 De inwerkingtreding van de Verordening (EG) nr. 883/2004 had door het sluiten van de Rijnvarendenovereenkomst geen gevolgen voor de socialezekerheidspositie van rijnvarenden die werkten via Luxemburgse ondernemingen. Deze rijnvarenden zijn op grond van de regelingen ongewijzigd onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van het land waar de exploitant feitelijk is gevestigd.
De rijnvarenden en hun werkgevers zijn door de Belastingdienst in Nederland niet individueel geïnformeerd over de inwerkingtreding van de Verordening (EG) nr. 883/2004. Over de inwerkingtreding van deze Europese coördinatieverordening voor de sociale zekerheid is in algemene zin via meerdere kanalen gecommuniceerd. Dit geldt eveneens voor de Rijnvarendenovereenkomst. Op verschillende sites, waaronder die van de Belastingdienst, is hieraan aandacht besteed.
De Nederlandse sociale partners in de binnenvaart hebben de afgelopen jaren actief bijgedragen aan de informatieverstrekking aan de beroepssector over de geldende regelgeving. Ik roep hen op om te blijven bijdragen aan de kennis van Nederlandse rijnvarenden op dit vlak om schijnconstructies en eventueel misbruik van de regels te voorkomen en te wijzen op de mogelijke consequenties daarvan.
Vraag 5 Hadden de Rijnvaarders (en eventuele andere werknemers) kunnen weten dat hun buitenlandse werkgever zich niet hield aan de sinds 2010 geldende regelgeving? Zo ja, hoe? Zo nee, wat valt deze groep dan te verwijten waardoor ze wel nogmaals een bedrag aan sociale premies moeten betalen inclusief een in rekening gebrachte rente?
Antwoord 5 Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is de verzekeringspositie van de rijnvarenden in 2010 door de inwerkingtreding van de Rijnvarendenovereenkomst niet gewijzigd. Het is te betreuren dat de werkgevers van rijnvarenden desondanks inhouding van premies in Luxemburg hebben voortgezet.
Rijnvarenden die in hun aangifte inkomstenbelasting om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen verzoeken met als reden dat zij in het buitenland verzekerd zijn, zijn persoonlijk benaderd. In reactie op het verzoek in de aangifte stuurt de Belastingdienst telkens een brief waarin duidelijk wordt aangegeven dat de betreffende rijnvarende in Nederland voor de volksverzekeringen verzekerd is en in Nederland daarvoor premie moet betalen.
Vraag 6, 7 Waarom moeten Nederlandse Rijnvaarders, die keurig hun sociale premies hebben betaald aan hun toenmalig werkgever, door de naheffing van de Nederlandse Belastingdienst nu twee keer dezelfde sociale premies betalen? Heeft de Nederlandse fiscus over deze grote groep gedupeerden al contact gehad met de Luxemburgse fiscus? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van deze gesprekken?
Herkent u zich in het gevoel van onrechtvaardigheid van de Rijnvaarders die netjes hun sociale premies afdroegen aan de werkgever en nu met terugwerkende kracht nogmaals diezelfde sociale premies sinds 2010 moeten betalen omdat de werkgever kwalijk is omgegaan met het afbetalen van deze sociale premies? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn er mogelijke oplossingen om deze onrechtvaardigheid weg te nemen?
Antwoord 6, 7 Ik begrijp de impact die deze situatie heeft op de betrokkenen en betreur uiteraard de negatieve gevolgen die dit kan hebben voor hun persoonlijke omstandigheden.
De rijnvarenden zijn door de Belastingdienst door middel van brieven persoonlijk geïnformeerd over hun socialezekerheidspositie. Daarbij is aangegeven dat in Nederland premies moesten worden betaald.
De aanwijsregels op basis van het Rijnvarendenverdrag of de Verordening (EG) nr. 883/2004 bepalen welke wetgeving van toepassing is en in welk land rijnvarenden als gevolg daarvan sociaal verzekerd zijn en socialezekerheidspremies verschuldigd zijn.
Vaste jurisprudentie laat zien dat Nederland in de in de berichtgeving aangehaalde gevallen premie volksverzekeringen dient te heffen.
Voor zover door de werkgever ten onrechte sociale zekerheidspremies zijn ingehouden en afgedragen in Luxemburg, hebben de rijnvarenden de mogelijkheid in Luxemburg een verzoek in te dienen om teruggave van ten onrechte betaalde premies. Of, en zo ja, onder welke voorwaarden een dergelijk verzoek wordt gehonoreerd, is afhankelijk van het Luxemburgse recht.
Hierbij geldt dat ik het onwenselijk vind als het terugvorderen van onverschuldigd betaalde premies bij de afhandeling op problemen stuit. Hoewel Nederland geen partij is bij deze verzoeken, zal ik met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de vaststelling van de verzekeringsplicht, de signalen hierover actief en op korte termijn bij de autoriteiten in Luxemburg onder de aandacht brengen.
Ik heb daarnaast bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geïnformeerd naar eventuele andere mogelijkheden die de rijnvarenden hebben. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij meegedeeld dat er in uitzonderingsgevallen een mogelijkheid is voor het indienen van een zogenaamd «verzoek tot regularisatie» indien afgedragen is in het verkeerde land.
De Sociale Verzekeringsbank, die verantwoordelijk is voor de afhandeling van deze verzoeken, heeft hierover het volgende meegedeeld:
Op grond van het Rijnvarendenverdrag en Verordening (EG) nr. 883/2004 kunnen de betrokken staten in onderling overleg overeenkomen om in het belang van een werknemer bij wijze van uitzondering een andere wetgeving aan te wijzen dan die eigenlijk van toepassing was. Dat heeft dan niet alleen gevolgen voor de afdracht van premies, maar ook voor de opbouw van tijdvakken voor de AOW zodat daarvoor AOW-pensioen zal worden betaald. De SVB beoordeelt deze verzoeken individueel. In het verleden zijn individuele verzoeken tot regularisatie, ook van rijnvarenden, gehonoreerd, indien zij aan de daarvoor gestelde criteria voldeden.
Op grond van vast beleid wijst de SVB verzoeken in beginsel af vanaf het moment dat duidelijk is dat de betreffende werknemer wist of kon vermoeden dat de Nederlandse wetgeving ten onrechte niet is toegepast. Hiervan is in ieder geval sprake, wanneer de werknemer door de SVB of de Belastingdienst is geïnformeerd dat hij in Nederland verzekerd was en de afdracht van premies in Luxemburg daarna desondanks is voortgezet.
Wat betreft het betalen van premies in Nederland wijs ik erop dat een rijnvarende die in Nederland verschuldigde premies volksverzekeringen niet of niet tijdig kan betalen, op verzoek uitstel van betaling of een betalingsregeling kan krijgen. De Belastingdienst kent een regeling waarbij telefonisch kan worden gevraagd om uitstel van betaling gedurende 4 maanden. Voldoet iemand niet aan de voorwaarden voor 4 maanden uitstel of is langer de tijd nodig dan kan – onder voorwaarden – telefonisch een betalingsregeling worden aangevraagd voor maximaal 12 maanden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via een formulier op de site van de Belastingdienst een betalingsregeling aan te vragen. De voorwaarden rondom deze mogelijkheden zijn gepubliceerd op de site van de Belastingdienst.”
3.2 Op dezelfde dag (14 mei 2019) heeft de staatssecretaris van Financiën ook geantwoord op vragen van de Tweede-Kamerleden Omtzigt en Van Helvert over rijnvarenden van wie premies werden nageheven die zij ook al in Luxemburg hadden betaald: “Vraag 2 Kunt u uitleggen welke pogingen er door de Nederlandse autoriteiten gedaan zijn om de uitstaande schuld op de ex-werkgever te verhalen?
Antwoord 2 De Belastingdienst kan vanwege zijn geheimhoudingsplicht niet ingaan op individuele belastingplichtigen. In het algemeen geldt dat het de schuldenaar is die een schuld op een derde dient te verhalen. Bij persoonlijke schulden aan de Belastingdienst, is de Belastingdienst daarom niet in de positie om een schuld op een derde, bijvoorbeeld de werkgever, te verhalen.
Vraag 3 Is er een poging gedaan om de ex-werkgever aansprakelijk te stellen, bijvoorbeeld via bestuurdersaansprakelijkheid?
Antwoord 3 De Belastingdienst kan vanwege zijn geheimhoudingsplicht niet ingaan op individuele belastingplichtigen. In het algemeen geldt dat de Belastingdienst derden aansprakelijk kan stellen voor persoonlijke schulden van een belastingplichtige als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Het gaat dan om inlenersaansprakelijkheid, ketenaansprakelijkheid en bestuurders-aansprakelijkheid. Indien een werknemer naar aanleiding van een aanslag inkomstenbelasting een schuld aan de Belastingdienst heeft, zijn de genoemde instrumenten niet toepasbaar en kan de Belastingdienst de werkgever daarvoor niet aansprakelijk stellen.
Vraag 4, 5 Klopt het dat er voor deze Rijnvarenden sociale premies zijn afgedragen in Luxemburg en dat de Rijnvarenden er niet in slagen om deze betaalde premies terug te krijgen uit Luxemburg? Hebben de Rijnvarenden het wettelijk (Europees) recht om de in Luxemburg betaalde sociale premies terug te krijgen?
Antwoord 4, 5 Binnen de Europese Unie en meer in het bijzonder tussen de Rijnstaten zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van de sociale zekerheid waardoor in principe één sociaal zekerheidsstelsel van een lidstaat van toepassing is op personen die van hun recht op vrij verkeer gebruikmaken. Zo is duidelijk in welk land zij verzekerd zijn voor de sociale zekerheid en onder welke voorwaarden. Hiermee wordt voorkomen dat werknemers in geen enkele lidstaat verzekerd zijn, dan wel dat zij dubbel verzekerd zijn en in meerdere landen premies moeten afdragen/uitkeringen ontvangen. Indien de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is, heeft dit tot gevolg dat de werknemers niet alleen premies verschuldigd zijn, maar ook dat tijdvakken voor de AOW worden opgebouwd zodat daarvoor AOW-pensioen zal worden betaald.
Voor zover door de werkgever voor werknemers die in Nederland sociaal verzekerd zijn ten onrechte sociale zekerheidspremies zijn afgedragen in Luxemburg, is er onverschuldigd betaald. De werknemers hebben dan de mogelijkheid om bij de Luxemburgse instanties een verzoek in te dienen om teruggave van de ten onrechte betaalde premies. Of, en zo ja, onder welke voorwaarden een dergelijk verzoek wordt gehonoreerd, is afhankelijk van het Luxemburgse recht. Zoals ik in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Lodders (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2659) heb aangegeven, vind ik het onwenselijk als de terugvordering van onverschuldigd betaalde premies bij de afhandeling op problemen stuit.
Hoewel Nederland geen partij is bij deze verzoeken, zal ik met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de vaststelling van de verzekeringsplicht, de signalen hierover actief en op korte termijn bij de Luxemburgse autoriteiten onder de aandacht brengen.
Vraag 6 Is er overleg geweest tussen de Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten om ervoor te zorgen dat over al die jaren slechts op één plek sociale premies afgedragen hoefden te worden? Hoe verliepen die gesprekken en heeft dit tot een oplossing geleid?
Antwoord 6 Zoals onder vraag 5 aangegeven, bepalen in deze gevallen de aanwijsregels op basis van het Rijnvarendenverdrag of de Verordening (EG) nr. 883/2004 welke wetgeving van toepassing is en in welk land als gevolg daarvan socialezekerheidspremies verschuldigd zijn. Overleg tussen de Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten was daarom niet aan de orde. Ook is het ongebruikelijk om in het kader van een bezwaar- of beroepsprocedure contact te hebben met buitenlandse instanties over de rechtsvragen die daarin spelen. Als een uitspraak van de rechter daartoe aanleiding geeft, wordt na afloop wel contact opgenomen met de buitenlandse instantie. In dit kader is nog het volgende van belang. Indien een werknemer (of diens werkgever) zekerheid wenst over toepasselijke socialezekerheidswetgeving, kan hij vragen om een A1-verklaring. De A1-verklaring geeft zekerheid omtrent de toepasselijke wetgeving en daarmee ook over de lidstaat waar premies moeten worden afgedragen. Van de procedure voor een A1-verklaring wordt veel gebruik gemaakt en deze is in de sector algemeen bekend. In Nederland is de SVB bevoegd om een A1-verklaring af te geven. Indien lidstaten het niet eens zijn over de afgifte van een A1-verklaring, schrijft de A1-procedure voor dat de bevoegde autoriteiten met elkaar in overleg treden. Voor zover bekend zijn er geen Luxemburgse A1-verklaringen overgelegd, noch is aan Nederlandse kant verzocht door werknemer/ werkgever om een A1-verklaring.
Vraag 7 Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze mensen slechts op één plek sociale premies hoeven te betalen over het tijdvak 2010 – 2018?
Antwoord 7 Zoals ik in het antwoord op de vragen 5 en 6 heb aangegeven zijn er mogelijkheden om de ten onrechte in Luxemburg afgedragen premies in Luxemburg terug te vragen. Ik vind het onwenselijk als het terugvorderen van onverschuldigd betaalde premies bij de afhandeling op problemen stuit en ik zal met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die verantwoordelijk is voor de vaststelling van de verzekeringsplicht, de signalen hierover actief en op korte termijn bij de Luxemburgse autoriteiten onder de aandacht brengen.
Vraag 8 Denkt u het dat het voor iemand met een modaal inkomen (of lager) mogelijk is om een naheffing van soms tienduizenden euro’s op korte termijn te betalen?
Antwoord 8 Ik kan mij zeer goed voorstellen dat de vermogenspositie van iemand met maximaal een modaal inkomen, onvoldoende kan zijn om tienduizenden euro’s op korte termijn te betalen. Indien dit het geval is dan kan deze werknemer de Belastingdienst verzoeken om uitstel van betaling of een betalingsregeling. De voorwaarden rondom deze mogelijkheden zijn gepubliceerd op de site van de Belastingdienst.”
Regeringsinitiatief tot voorkoming of terugdraaiing van dubbele premieheffing rijnvarenden 3.3 Bij motie van 4 juli 2019 hebben de Tweede-Kamerleden Lodders, Omzigt en de Vries de regering gevraagd om de Kamer te informeren over de door haar gezette stappen naar de oplossing van de premieproblemen van rijnvarenden en vrachtwagenchauffeurs. De Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben bij brief 17 december 2019 als volgt gereageerd (ik laat het deel over vrachtwagenchauffers weg): “Rijnvarenden Achtergrond en gezette stappen De vraag om oplossingen voor rijnvarenden richt zich op in Nederland wonende rijnvarenden die naar is gebleken onder het Nederlandse socialezekerheidsstelsel vallen en problemen ervaren bij het terugvorderen van eerder onverschuldigd in Luxemburg betaalde premies. Deze problemen ontstaan als werkgevers in de rijnvaart zich niet houden aan de regels voor de vaststelling van de op de werknemer toepasselijke sociale zekerheid. Deze werkgevers houden dan geen Nederlandse premie volksverzekeringen in op het loon van de rijnvarenden, maar ten onrechte premies van een andere lidstaat. Dit gebeurt soms bewust, met de bedoeling om de hogere Nederlandse socialezekerheidspremies te ontlopen en daarmee de loonkosten te drukken.
Bij de beantwoording van de Kamervragen over deze problematiek heb ik, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangegeven dat de signalen hierover actief en op korte termijn bij de autoriteiten in Luxemburg onder de aandacht zullen worden gebracht.
Op 14 juni 2019 heb ik daartoe een brief verzonden aan de ministers van Financiën en van Sociale Zekerheid van Luxemburg. In vervolg op deze brief heeft op ambtelijk niveau overleg plaatsgevonden. Minister Koolmees heeft op 7 november 2019 telefonisch gesproken met zijn ambtsgenoot in Luxemburg, minister Schneider van Sociale Zekerheid. Anders dan in Nederland valt ook de premieheffing onder diens portefeuille.
Tijdens het telefoongesprek is aandacht besteed aan de problematiek die is verbonden aan de premiebetaling in Luxemburg in het verleden. Tevens is besproken welke maatregelen toekomstgericht kunnen worden genomen om problemen te voorkomen. Deze maatregelen beogen ook het verdienmodel van werkgevers die constructies met betrekking tot de premieheffing toepassen te doorbreken. Beide bewindspersonen hebben uitgesproken dat zij dat wenselijk achten. De maatregelen worden hieronder benoemd en toegelicht.
Oplossingsrichtingen naar de toekomst toe Meer en eerdere informatievoorziening kan een belangrijke stap zijn om te voorkomen dat er in de toekomst onverschuldigd premies worden ingehouden op het loon. Het gaat dan om de informatievoorziening aan rijnvarenden en hun werkgevers, het verbeteren van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland en ten slotte het versterken van informatie-uitwisseling tussen de Belastingdienst en de SVB.
In het gesprek gaven beide bewindspersonen aan bij te willen dragen aan de informatievoorziening aan rijnvarenden over hun socialezekerheidspositie, onder meer door aandacht te vragen voor de mogelijkheid om een A1-verklaring aan te vragen. Helaas hebben werkgevers en rijnvarenden in deze gevallen meestal geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Een A1-verklaring verschaft werkgevers en rijnvarenden zekerheid over de toepasselijke socialezekerheidswetgeving en daarmee ook over de lidstaat waar premies moeten worden afgedragen.
Zowel in Luxemburg als in Nederland zal nog duidelijker aandacht worden besteed aan de mogelijkheid om een A1-verklaring aan te vragen. Naast informatieverstrekking via de uitvoeringsorganisaties kunnen ook de sociale partners in de sector – zowel in Luxemburg als in Nederland – hierin een belangrijke rol spelen. Overigens hebben de Nederlandse sociale partners in de binnenvaart de afgelopen jaren al actief bijgedragen aan de informatieverstrekking aan de beroepssector over de geldende regelgeving.
Daarnaast heeft minister Schneider tijdens het telefoongesprek de bereidheid uitgesproken om meer en eerder informatie te delen met de Nederlandse uitvoeringsinstanties dan tot nu toe gebeurt. Als in Nederland woonachtige rijnvarenden zich niet voorafgaand aan hun grens-overschrijdende werkzaamheden bij de SVB melden, dan kunnen zij hierdoor toch al bij aanvang van hun werkzaamheden of kort daarna door de SVB op de hoogte worden gesteld over de socialezekerheidswetgeving die op hen van toepassing is.
In aanvulling op deze stappen is nog het volgende van belang. De Belastingdienst kan bij de beoordeling van de aangifte inkomstenbelasting, waarin een rijnvarende om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen vraagt, constateren dat een rijnvarende niet over een A1-verklaring beschikt. De Belastingdienst en de SVB zijn in gesprek om informatie-uitwisseling hierover in een gestructureerd proces in te bedden. Dergelijke informatie zal de SVB in staat stellen om eerder dan nu het geval is een oordeel te geven over het toepasselijke socialezekerheids-stelsel.
Met deze maatregelen kan voor de toekomst door eerdere beoordeling van de toepasselijke wetgeving worden voorkomen dat rijnvarenden dubbel premie (blijven) betalen. Hierdoor kunnen de rijnvarenden eventuele al ten onrechte in Luxemburg betaalde premie tijdig via hun werkgever terugvragen.
Oplossingsrichtingen voor bestaande problemen Omdat in het verleden ten onrechte socialezekerheidspremies zijn ingehouden ten behoeve van Luxemburg, is ook met minister Schneider gesproken over de mogelijkheid tot premierestitutie. Minister Schneider heeft toegelicht dat het betalen en terugbetalen van premies in Luxemburg via de werkgever verloopt. Dit geldt ook voor het door de werknemers verschuldigde deel van de socialezekerheidspremies. Premierestitutie verloopt daarom in de regel eveneens via de werkgever. Minister Schneider heeft aangegeven bereid te zijn om te onderzoeken of in individuele gevallen, waarin restitutie via de werkgever niet meer mogelijk is, tot enige vorm van premie-verrekening kan worden overgegaan.
De Luxemburgse minister heeft hierbij de kanttekeningen geplaatst dat het meer dan incidenteel is voorgekomen dat werkgevers de premie die zij in hun Luxemburgse aangifte hebben vermeld, niet of niet volledig hebben betaald, en dat Luxemburg een verjaringstermijn van vijf jaar kent voor premierestitutie.
Begin 2020 zal een afvaardiging van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het ministerie van Financiën en de uitvoeringsorganisaties over concrete casussen die de Belasting-dienst uit dossiers heeft verzameld in Luxemburg in gesprek gaan met het ministerie van Sociale Zekerheid en de Luxemburgse uitvoeringsorganisatie om een beter beeld te krijgen van de eventuele mogelijkheden tot premierestitutie of tot premieverrekening in individuele gevallen.
Voor bestaande gevallen waarvoor in het overleg met Luxemburg geen oplossing kan worden gevonden, zullen wij bezien welke unilaterale maatregelen juridisch mogelijk en wenselijk zijn.”
Invorderingspauze 3.4 Bij brief van 1 april, kenmerk 2020-0000058283, VN 2020/18/8, heeft de Staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer meegedeeld de premie-invordering ten laste van in Nederland verzekerde rijnvarenden met restitutieproblemen in Luxemburg op te schorten tot na overleg met de Luxemburgse autoriteiten: “Tijdens het algemeen overleg over de fiscale en sociale zekerheidspositie van grensarbeiders van 5 maart jongstleden heeft uw Kamer aandacht gevraagd voor rijnvarenden. Het gaat hierbij om in Nederland woonachtige rijnvarenden, die - naar is gebleken - onder het Nederlands sociale zekerheidsstelsel vallen en problemen ervaren bij het terugvorderen van eerder ten onrechte in Luxemburg betaalde premies. Deze rijnvarenden hebben veelal in hun aangifte inkomstenbelasting om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen verzocht met als reden dat zij in het buitenland verzekerd zijn. In reactie op het verzoek in de aangifte heeft de Belastingdienst telkens een brief gestuurd waarin duidelijk is aangegeven dat de betreffende rijnvarende in Nederland voor de volksverzekeringen verzekerd is en in Nederland daarvoor premie moet betalen. Als de aanslag onherroepelijk vast staat, vaak na bezwaar- en beroepsprocedures, gaat de Belastingdienst over tot inning van de in Nederland verschuldigde premies. De rijnvarenden worden daarom, vaak na jaren procederen, geconfronteerd met bedragen die in totaliteit hoog kunnen zijn. Deze rijnvarenden ervaren tegelijkertijd problemen bij de terugvordering van de in Luxemburg ten onrechte betaalde premies. De combinatie van deze twee factoren kan tot financiële moeilijkheden leiden en daarover kan ik uw Kamer, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), op dit moment als volgt informeren.
Zoals de minister van SZW en ik uw Kamer met onze brief van 17 december 2019 hebben laten weten, zullen wij, samen met de Belastingdienst en de SVB, op korte termijn in overleg treden met de Luxemburgse autoriteiten om een beter beeld te krijgen van de eventuele mogelijkheden tot premierestitutie of tot premieverrekening in individuele gevallen. Tijdens het algemeen overleg heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uw Kamer gemeld dat bilaterale besprekingen gepland waren voor 21 april. Door de recent aangescherpte maatregelen om het coronavirus onder controle te krijgen, zetten wij nu in op schriftelijk en telefonisch overleg. Wij zullen uw Kamer, zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval vóór het zomerreces, over de voortgang informeren.
Verder heeft de minister van SZW op verzoek van het lid Lodders (VVD), daarin gesteund door de leden Van Weyenberg (D66) en Omtzigt (CDA), toegezegd om op korte termijn met mij te verkennen of het mogelijk is om de invordering door de Belastingdienst tijdelijk stop te zetten.
Ik kan uw Kamer hierover het volgende melden:
Het identificeren van de groep rijnvarenden die zich in de bovengenoemde situatie bevindt, is grotendeels afhankelijk van informatie die rijnvarenden zelf bij hun aangifte inkomstenbelasting invoeren. Desalniettemin heb ik deze groep inmiddels grotendeels in beeld. Op mijn verzoek heeft de Belastingdienst per 16 maart maatregelen genomen om tot nader bericht bij deze groep tijdelijk geen invorderingsmaatregelen te treffen. Voor een deel van hen, waarvan bekend is dat zij op dit moment te maken hebben met invorderingsmaatregelen, is de invordering reeds gepauzeerd. Voor de overige rijnvarenden wordt dit nog uitgezocht en zullen eventuele invorderingsmaatregelen eveneens worden gepauzeerd. Het treffen van invorderingsmaatregelen zou namelijk vooruitlopen op de uitkomsten van het overleg met Luxemburg.
Het kan voorkomen dat niet iedere rijnvarende, die zich in de eerder genoemde situatie bevindt, in beeld is. In het geval de Belastingdienst, voor deze situatie specifiek de Ontvanger, toch invorderingsmaatregelen aankondigt, doe ik een beroep op de rijnvarende om zijn of haar specifieke situatie op dat moment onder zijn aandacht te brengen. De Ontvangers hebben instructies gekregen om ook in die situaties dan vooralsnog niet tot invordering over te gaan.”
4.2 Rijnvarenden worden in art. 1(m) Rijnvarendenverdrag (RV) als volgt gedefinieerd: "Voor de toepassing van dit Verdrag: (...);
4.3 Art. 11 RV verklaart exclusief van toepassing de wetgeving van de Rijnoeverstaat van vestiging van de scheepsexploitant: "1. Op de rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing.
4.4 Volgens art. 13 RV kunnen de bevoegde autoriteiten uitzonderingen op art. 11 RV maken. De bevoegde autoriteit (wiens wetgeving normaal gesproken van toepassing zou zijn) moet dan verklaren dat de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij geldt: “1 De bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de betrokken rijnvarenden, uitzonderingen op de artikelen 11 en 12 vaststellen.
2 Voor zover nodig is de toepassing van het vorige lid afhankelijk van een verzoek van de betrokken rijnvarenden en eventueel van hun werkgevers. Bovendien neemt de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing zou moeten zijn, een beslissing, waarin wordt vastgesteld dat op bedoelde rijnvarenden niet langer deze wetgeving maar wel de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij van toepassing is.”
4.5 Art. 86 RV voorziet in bindende arbitrage bij geschillen tussen Rijnoeverstaten over de uitleg van het Rijnvarendenverdrag of de daarbij horende Administratieve Schikking c.a.: “1 Elk geschil dat tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen ontstaat, met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit Verdrag, van de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking en van elke overeenkomst of regeling welke in het kader van deze instrumenten tot stand komt, wordt voorgelegd aan het Administratief Centrum, dat een aanbeveling richt tot de bij het geschil betrokken Partijen.
2 Indien de bij het geschil betrokken Partijen aan de aanbeveling van het Administratief Centrum geen gevolg wensen te geven, wordt het geschil aan een permanent scheidsrechterlijk orgaan voorgelegd; dit orgaan stelt zijn eigen procedure vast.
3 In het permanente scheidsrechterlijk orgaan heeft een door elk der Verdragsluitende Partijen aangewezen lid zitting. Een door elk der Verdragsluitende Partijen aangewezen plaatsvervangend lid is belast met de taak van het lid, wanneer dit afwezig is.
4 De uitspraak van het permanente scheidsrechterlijk orgaan, die in overeenstemming moet zijn met de beginselen van dit Verdrag, is bindend en definitief.”
Besluiten van het Administratief centrum voor sociale zekerheid van Rijnvarenden (ACR) 4.6 Volgens art. 72(1)(a) RV heeft het ACR onder meer tot taak om: “alle vraagstukken betreffende de interpretatie en de toepassing van dit Verdrag, de in artikel 96, eerste lid, bedoelde Administratieve Schikking en elke overeenkomst of regeling welke in het kader van deze instrumenten tot stand komt, te behandelen, onverminderd het recht of de plicht der betrokken autoriteiten, organen en personen om gebruik te maken van de rechtsmiddelen en zich te wenden tot de rechterlijke instanties, als voorzien in de wetgevingen van de Verdragsluitende Partijen en in dit Verdrag;’’ 4.7 Het ACR heeft modelverklaringen vastgesteld op basis van art. 2 Administratieve schikking voor de toepassing van Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden: “1 Het model van de formulieren en alle andere documenten welke voor de toepassing van het Verdrag en van deze Schikking nodig zijn worden door het Administratief Centrum vastgesteld in het Duits, het Frans en het Nederlands.
2 De in het eerste lid van dit artikel bedoelde documenten kunnen door andere documenten die door het Administratief Centrum als gelijkwaardig zijn erkend, worden vervangen.
3 Op verzoek van de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij kan het Administratief Centrum inlichtingen verzamelen betreffende de bepalingen van de wetgevingen waarop het Verdrag van toepassing is.
4 Het Administratief Centrum kan handleidingen samenstellen met het doel de belanghebbenden voor te lichten over hun rechten en de administratieve formaliteiten welke zij dienen te vervullen.”
4.8 Op basis van art. 72(1)(a) RV heeft het ACR ook interpretatieve besluiten genomen. Besluit nr. 2 van het ACR bepaalt welke formulieren gebruikt kunnen worden voor: “1. Stelt de volgende formulieren vast in het Duits, het Frans en het Nederlands (zie bijlage):
4.9 Ook Besluit nr. 3 van het ACR stelt formulieren vast: “1. Stelt de volgende formulieren vast in het Duits, het Frans en het Nederlands (zie bijlage):
Deze formulieren worden gedrukt op groen papier.”
4.10 Besluit nr. 4 van het ACR schrijft de Verdragstaten voor dat zij de formulieren ex de besluiten nr. 2 en 3 moeten gebruikten, maar de staten die tevens EG-lid zijn, kunnen onderling EG-formulieren gebruiken in plaats van de formulieren ex de Besluiten 2 en 3. De tekst van Besluit nr. 4 is alleen in het Duits en Frans beschikbaar: “1. Die mit den Beschlüssen Nr. 2 und Nr. 3 der Zentralen Verwaltungsstelle angenommenen Formblätter sind von den Trägern der Vertragsstaaten des Übereinkommens über die Sozial Sicherheit der Rheinschiffer zu verwenden. Für den Bereich der Rentenversicherung verwenden diejenigen Vertragsstaaten, die gleichzeitig auch Mitglied der EG sind, auch im Verhältnis zur Schweiz die EG-Vordrucke.
4.11 Besluit nr. 7 van het ACR, dat Besluit nr. 5 heeft vervangen, expliciteert dat met ‘de onderneming waartoe het schip behoort’ bedoeld is de feitelijke exploitant van het schip, ongeacht wie eigenaar is, tenzij de exploitant geen vestiging heeft in een Rijnoeverstaat: “1. “de onderneming waartoe het schip behoort”, waar artikel 11, tweede lid, eerste zin, van het bovengenoemde Verdrag, ter bepaling van de toe te passen wetgeving naar verwijst, is de onderneming of de vennootschap die het betrokken schip exploiteert, of deze eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor de toepassing van dit besluit als exploitant van het schip, de onderneming die of de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.
B. Verordening 1408/71/EEG inzake sociale zekerheid van migrerende personen 4.12 Tot 1 mei 2010 golden voor de (exclusieve) aanwijzing van het op binnen de EU migrerende werknemers en zelfstandigen toe te passen sociale-verzekeringsstelsel de coördinatieregels van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) en van de toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72 (Toepassingsvo. 574/72). Op 1 mei 2010 zijn zij vervangen door Vo. 883/2004/EU en Toepassingsvo. 987/2009/EU (zie 4.19 e.v. en 4.28 e.v. hieronder).
4.13 Vo. 1408/71 trad in de plaats van alle destijds tussen EG-lidstaten onderling bestaande sociale-zekerheidsverdragen en van met derde staten gesloten multilaterale sociale-zekerheidsverdragen waarbij minstens twee EG-lidstaten partij waren (art. 6 Vo. 1408/71): “Deze verordening treedt, onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 7, 8 en 46, lid 4, wat de personele zowel als de materiële werkingssfeer betreft, in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat:
4.14 Art. 7(2) Vo. 1408/71 maakte daarop echter een uitzondering voor het Rijnvarendenverdrag, dat exclusief van toepassing bleef op rijnvarenden: "2. Ongeacht het bepaalde in artikel 6 blijven van toepassing:
4.15 Art. 8(1) Vo. 1408/71 liet de lidstaten toe onderling sociale-zekerheidsovereenkomsten te sluiten in ‘de geest’ van de verordening: ”1. Twee of meer Lid-Staten kunnen onderling, voorzover daaraan behoefte bestaat, overeenkomsten sluiten welke op de beginselen en de geest van deze verordening berusten.”
4.16 Volgens art. 14 Vo. 1408/71 bleef voor een gedetacheerde werknemer de wetgeving gelden van de lidstaat vanwaaruit werd gedetacheerd. De bevoegde Lidstaat zou een bewijs van verzekering verstrekken: de detacheringsverklaring of E101-verklaring, naar het nummer van het formulier. Art. 11 Toepassingsvo. 574/72 bepaalde daartoe: “1. Het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waarvan de wetgeving van toepassing blijft, verstrekt een bewijs waarin wordt verklaard dat de werknemer aan deze wettelijke regeling onderworpen blijft en tot welke datum dit het geval is: a. op verzoek van de werknemer of zijn werkgever in de gevallen als bedoeld in artikel 14, punt 1, en artikel 14 ter, punt 1, van de verordening; b. in de gevallen waarin artikel 17 van de verordening is toegepast.”
4.17 Volgens art. 19 Vo. 1408/71 had de werknemer die in een andere dan de bevoegde lidstaat woont en in de bevoegde staat recht heeft op prestaties, recht op de uitkeringen in zijn woonland ten laste van het stelsel van de bevoegde lidstaat. Daarvoor moest volgens art. 17 Toepassingsvo. 574/72 wel een verklaring worden overgelegd: de E106-verklaring, waarmee de werknemer aantoont dat hij en eventuele gezinsleden in hun woonland recht hebben op verstrekkingen wegens ziekte of moederschap ten laste van het verzekeringstelsel van de bevoegde lidstaat. Art. 17 Toepassingsvo. 574/72 luidde: “Verstrekkingen ingeval de woonplaats in een andere Lid-Staat dan de bevoegde Staat ligt 1.Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 19 van de verordening, is de werknemer of zelfstandige verplicht, zich en zijn gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring [de E106-verklaring; PJW] waarin wordt bevestigd dat hij voor zich zelf en zijn gezinsleden recht op genoemde verstrekkingen heeft. Deze verklaring wordt afgegeven door het bevoegde orgaan [van de bevoegde lidstaat; PJW], in voorkomend geval na kennisneming van de door de werkgever verstrekte inlichtingen. Indien deze verklaring niet wordt overgelegd door de werknemer of de zelfstandige of zijn gezinsleden, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom. (…).
Het orgaan van de woonplaats stelt het bevoegde orgaan in kennis van iedere inschrijving die het overeenkomstig lid 1 heeft verricht. (…).”
4.18 Toepassingsvo. 574/72/EEG bepaalde het volgende over wederzijdse bijstand tussen de lidstaten bij de terugvordering van onverschuldigd verstrekte prestaties:
Artikel 111 Terugvordering van hetgeen door de organen van de sociale zekerheid onverschuldigd betaald is en verhaal door instellingen die bijstand verlenen 1. Wanneer bij de vaststelling of de herziening van de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) krachtens titel III, hoofdstuk 3, van de verordening, het orgaan van een Lid-Staat aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop deze recht heeft, kan dit orgaan aan het orgaan van enige andere Lid-Staat dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigde is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen. Laatstgenoemd orgaan maakt het ingehouden bedrag over aan het orgaan dat vorderingen heeft. Voor zover het teveel betaalde niet kan worden ingehouden op de verschuldigde achterstallige termijnen, is lid 2 van toepassing.
Wanneer een gezinslid van een persoon op wie de verordening van toepassing is, op het grondgebied van een Lid-Staat bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin deze persoon vanwege het betrokken gezinslid krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat recht op uitkeringen had, kan de instelling die de bijstand heeft verleend, indien zij een wettelijk verhaalsrecht heeft op de uitkeringen die verschuldigd zijn aan bedoelde persoon vanwege het betrokken gezinslid, aan het orgaan van enige andere Lid-Staat dat deze uitkeringen aan genoemde persoon verschuldigd is, verzoeken het voor bijstand uitgegeven bedrag in te houden op de sommen die het vanwege dit gezinslid aan bedoelde persoon betaalt.
Het orgaan dat uitkeringen verschuldigd is, houdt het bedrag in, op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke schuldvergelijking is bepaald bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, en maakt het ingehouden bedrag over aan de instelling die vorderingen heeft.
Artikel 112 Wanneer een orgaan rechtstreeks of door tussenkomst van een ander orgaan onverschuldigd heeft betaald en de terugvordering van het betaalde onmogelijk is geworden, blijven de betrokken bedragen definitief ten laste van het eerste orgaan, behoudens in geval van onverschuldigde betaling ten gevolge van bedrog.”
C. De Rijnvarendenovereenkomst en diens basis in Vo. (EU) 883/2004 4.19 Art. 8 van de nieuwe, sinds 1 mei 2010 geldende Vo. 883/2004 (zie 4.28 e.v. hieronder) bepaalt net als art. 6. Vo. 1408/71 (oud) dat zij alle andere eventuele sociale verzekeringsverdragen tussen de lidstaten uitschakelt, maar zij bevat geen bepaling zoals art. 7(2)(a) Vo. 1408/71 (oud) die daarop een uitzondering maakte door exclusief voorrang te geven aan het Rijnvarendenverdrag. Wel bepaalt art. 8 Basisvo. 883/2004 dat twee of meer lidstaten ‘zo nodig’ ook nog onderling (kennelijk aanvullende) overeenkomen ‘in de geest van’ de verordening kunnen sluiten, en art. 16 Basisvo. biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen of groepen van gevallen in het belang van verzekerden af te wijken van de aanwijsregels van de verordening. De EU-Rijnoeverstaten hebben van art. 16 Basisvo. 883/2004 gebruik gemaakt door voor de sociale-zekerheidspositie van rijnvarenden de Rijnvarendenovereenkomst te sluiten in afwijking van art. 13 Basisvo. 883/2004 (zie 4.23 e.v. hieronder).
4.20 Art. 8 Vo. 883/2004 luidt: “1. Deze verordening treedt, binnen haar werkingssfeer, in de plaats van verdragen inzake sociale zekerheid die tussen de lidstaten van toepassing zijn. Niettemin blijven bepaalde bepalingen van verdragen die lidstaten vóór deze verordening van toepassing wordt, hebben gesloten, van toepassing, wanneer zij gunstiger zijn voor de rechthebbenden of indien zij voortvloeien uit specifieke historische omstandigheden en een in de tijd beperkt effect hebben. Om van kracht te blijven moeten die bepalingen in bijlage II worden vermeld. Indien het op objectieve gronden eventueel mogelijk is enkele van deze bepalingen uit te breiden tot alle personen waarop de verordening van toepassing is, dan wordt dit aangegeven.
4.21 Art. 16 Vo. 883/2004 luidt: ”1. Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen.
4.22 Art. 18 Toepassingsvo. 987/2009 geeft de procedure voor het op die basis maken van uitzonderingen op de aanwijsregels ex art. 11 t/m 15 Vo. 883/2004: “Een verzoek van de werkgever of de betrokkene om een uitzondering op de artikelen 11 tot en met 15 van de basisverordening wordt, indien mogelijk vooraf, ingediend bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan de werknemer of de betrokkene toepassing van de wetgeving wenst.”
Verwarrenderwijs wordt (ook) deze procedure ex art. 16 Basisvo. 883/2004 en art. 18 Toepassingsvo. 987/2009 door sommigen ‘regularisatieprocedure’ genoemd, soms ook door de gemachtigde of het Hof in sommige van de acht zaken waarbij deze bijlage gaat. Dat lijkt mij onjuist. De ‘regularisatieprocedure’ is de procedure ex art. 16 Toepassingsvo. 987/2009 voor de toepassing van de reguliere aanwijsregels ex art. 13 Vo. 883/2004 die gelden voor werknemers die in twee of meer lidstaten werken. De procedure ex art. 16 Basisvo. 883/2004 en art. 18 Toepassingsvo. 987/2009 daarentegen is de uitzonderingsprocedure, die immers juist gericht is op een stelselaanwijzing die niet strookt met de reguliere aanwijsregels van art. 13 Vo. 883/2004 en die dus geen ‘regularisatie’ op basis van die bepaling is, maar juist een afwijking ervan inhoudt. De Rvov is gebaseerd op 16 Basisvo. 883/2004 en art. 18 Toepassingsvo. 987/2009 (zie 4.23 hieronder) en is evident een uitzondering op art. 13 Basisvo. 883/2004 en dus juist géén ‘regularisatie’ op basis van die - immers juist niet-toepasselijke - bepaling.
4.23 Op 23 december 2010 hebben Duitsland, Frankrijk, Nederland, België en Luxemburg te Straatsburg de genoemde Rijnvarendenovereenkomst (Rvov) gesloten, ‘krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) nr. 883/2004’. Volgens Sijstermans c.s. hebben deze lidstaten aldus “de aanwijsregels uit het Rijnvarendenverdrag [oud; PJW] (…) in Verordening 883/2004 opgenomen”. Art. 1 Rvov definieert ‘rijnvarende’ en ‘onderneming waartoe het schip behoort’ in dezelfde zin als het boven geciteerde art. 1(m) RV: “Voor de toepassing van deze overeenkomst
4.24 Art. 4 Rvov geeft de volgende aanwijsregels voor de bepaling van het op rijnvarenden toepasselijke sociale-verzekeringsstelsel, kennelijk gebaseerd op het boven (4.3) geciteerde art. 11 RV: “(1) Op de Rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Ondertekenende Staat van toepassing.
4.25 Art. 5 Rvov wijst voor elke lidstaat een autoriteit aan die bevoegd is om A1-verklaringen af te geven over welke wetgeving geldt - voor Nederland de Svb - en bepaalt dat dat orgaan op verzoek van een betrokkene bepaalt welke wetgeving van toepassing is en voor welke periode: “(1) (…).
Indien de Nederlandse wetgeving van toepassing is, is voor de afgifte van de A1-verklaring over de toepasselijke wetgeving, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te Amstelveen bevoegd.
4.26 Op grond van art. 6(1) Rvov geldt de Rvov met terugwerkende kracht naar 1 mei 2010 tussen Nederland, Duitsland, Frankrijk, België en Luxemburg. Art. 6(2) Rvov bepaalt dat verklaringen over de toepasselijke wetgeving, afgegeven op basis van het Rijnvarendenverdrag, de in die verklaring vermelde geldigheidsduur houden: “De verklaringen over de toepasselijke wetgeving overeenkomstig het Verdrag betreffende de Sociale Zekerheid van Rijnvarenden van 30 november 1979 behouden de in die verklaring vermelde geldigheidsduur.”
De Duitse en Franse teksten zeggen het ietsje anders, nl. dat de eerder afgeven verklaringen geldig blijven. (Duits:) “Bescheinigungen über das nach dem Übereinkommen über die soziale Sicherheit der Rheinschiffer vom 30. November 1979 anzuwendende Recht sind weiterhin gültig.” (Frans:) “Les certificats portant sur la législation applicable aux termes de l'Accord du 30 novembre 1979 concernant la sécurité sociale des bateliers rhénans conservent leur validité.”
De weliswaar afwijkende Nederlandse tekst (de verklaringen behouden hun geldigheidsduur), impliceert mijns inziens dat de eerder afgegeven verklaringen ook hun geldigheid behouden: geldigheid die niet bestaat, heeft immers geen duur.
4.27 Vo. 883/2004 is twee jaar later ook van toepassing geworden voor Zwitserland, per 1 april 2012. De genoemde lidstaten en Zwitserland hebben in verband daarmee een aanvullende overeenkomst bij de Rvov gesloten die eveneens op 1 april 2012 in werking trad en die bepaalt dat ook Zwitserland de Rvov toepast waar het gaat om rijnvarenden: “Art. 1 De Zwitserse Bondsstaat past de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving van 23 december 2010 (hierna ‘Overeenkomst’ (…)) met de in de onderhavige aanvullende overeenkomst vastgestelde aanvullingen en wijzigingen toe.”
D. (Basis)Verordening (EG) 883/2004 ( nieuw ) tot coordinatie van sociale zekerheids-stelsels en Toepassingsvo. 987/2009/EU D.1. Aanwijzing van de toepasselijke nationale wetgeving; de A1-verklaring 4.28 Art. 11 Vo. 883/2004 bepaalt dat exclusief één nationaal sociale-zekerheidsstelsel van toepassing is op personen die onder de verordening vallen: “1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
4.29 Art. 13 Vo. 883/2004 bepaalt welke nationale wetgeving geldt voor een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst verricht: “1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
4.30 Art. 16 Toepassingsvo. 987/2009, opgenomen in Titel II (“Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”) bevat een procedure voor de toepassing van art. 13 Vo. 883/2004 die ‘regularisatieprocedure’ wordt genoemd. De werknemer die in twee of meer lidstaten pleegt te werken, moet het bevoegde orgaan van zijn woonstaat daarvan in kennis stellen. Dat orgaan moet onverwijld het toepasselijke recht voorlopig vaststellen (op basis van de rangorderegeling in art. 6 Toepassingsvo. 987/2009; zie 4.35 hieronder) en moet de andere betrokken lidstaten daarvan in kennis moet stellen, die binnen twee maanden bezwaar kunnen maken tegen die voorlopige vaststelling; doen zij dat niet, dan wordt de voorlopige aanwijzing definitief: “Artikel 16 Procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening 1. Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats, daarvan in kennis.
4 Indien onzekerheid betreffende de vaststelling van de toepasselijke wetgeving noopt tot contacten tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten wordt, op verzoek van een of meer van de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen of van de bevoegde autoriteiten zelf, de op de betrokkene toepasselijke wetgeving in onderlinge overeenstemming vastgesteld, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en de desbetreffende bepalingen van artikel 14 van de toepassingsverordening. Indien er een verschil van mening bestaat tussen de betrokken organen of bevoegde autoriteiten, streven deze instanties naar een akkoord overeenkomstig bovengenoemde voorwaarden; artikel 6 van de toepassingsverordening is van toepassing.
4.31 Art. 19 Toepassingsvo. 987/2009 bepaalt dat het bevoegde orgaan van de aangewezen lidstaat op verzoek van de werknemer of de werkgever een verklaring afgeeft dat zijn wetgeving van toepassing is. Deze verklaring staat bekend als A1-verklaring en is de opvolger van de E101- of detacheringsverklaring onder de oude Vo. 1408/71: “1. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van titel II van de basisverordening van toepassing wordt, informeert de betrokkene en eventueel zijn werkgever over de in die wetgeving neergelegde verplichtingen. Het verleent hun de nodige hulp bij het vervullen van de op grond van die wetgeving verplichte formaliteiten.
4.32 Art. 5 Toepassingsvo. 987/2009 bepaalt dat documenten zoals een A1-verklaring van een bevoegd orgaan over iemands verzekeringspositie voor de toepassing van Vo 883/2004 en Toepassingsvo 987/2009, de organen van de andere lidstaten binden: “1. De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard.
Ik merk op dat deze ‘administratieve commissie’ een andere commissie is dan de eerder genoemde ACR die alleen over rijnvarenden gaat, nl. de ‘Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels’ van de EEG, later EG, later EU (zie 4.33 en 4.39 hieronder).
4.33 Art. 76 Vo. 883/2004 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van lidstaten administratief moeten samenwerken en voorziet in onderling overleg en zo nodig bemiddeling door de administratieve commissie bij onenigheid over de aanwijzing van het toepasselijke nationale stelsel: “1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verstrekken elkaar alle inlichtingen met betrekking tot:
De organen reageren, overeenkomstig het beginsel van goed bestuur, binnen een redelijke termijn op alle aanvragen en verstrekken de betrokkenen daartoe alle informatie die nodig is om de hun door deze verordening verleende rechten uit te oefenen.
De betrokkenen moeten de organen van de bevoegde lidstaat en van de lidstaat van de woonplaats zo spoedig mogelijk in kennis stellen van iedere verandering in hun persoonlijke of gezinssituatie die gevolgen heeft voor hun rechten op de prestaties waarin deze verordening voorziet.
D.2. Verrekening van voorlopig geheven premies 4.34 Art. 84 Vo 883/2004 bepaalt over de inning van premies of bijdragen en over de terugvordering van verleende prestaties als volgt:
1 Premies of bijdragen die aan een orgaan van een lidstaat verschuldigd zijn, en prestaties die ten onrechte door een orgaan van een lidstaat zijn verleend, kunnen in een andere lidstaat worden geïnd, respectievelijk teruggevorderd, volgens de procedures en met de waarborgen en voorrechten die van toepassing zijn op de inning van premies of bijdragen die verschuldigd zijn aan, en de terugvordering van prestaties die ten onrechte zijn verleend door, het overeenkomstige orgaan van laatstbedoelde lidstaat.
2 Voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen van rechterlijke en overheidsinstanties betreffende de inning van premies of bijdragen, renten en alle andere kosten of de terugvordering van krachtens de wetgeving van een lidstaat ten onrechte verleende prestaties, worden op verzoek van het bevoegde orgaan in een andere lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd binnen de grenzen en volgens de procedures waarin de wetgeving voorziet en volgens alle andere procedures die van toepassing zijn op gelijkaardige beslissingen van die lidstaat. Deze beslissingen worden door het bevoegde orgaan uitvoerbaar in die lidstaat verklaard voorzover de wetgeving en alle andere procedures van die lidstaat dit vereisen. (…) 4. De wijze van toepassing van dit artikel, inclusief de te vergoeden kosten, wordt geregeld bij de toepassingsverordening of, voor zover nodig en bij wijze van aanvulling, door middel van overeenkomsten tussen lidstaten.”
4.35 Voor de periode waarin twee of meer lidstaten van mening verschillen over de vraag wiens sociale-zekerheidswetgeving van toepassing is, bepaalt art. 6 Toepassingsvo. 987/2009 door middel van een rangorderegeling (kort gezegd: 1. Werkstaat; 2. Woonstaat; 3 aanvraagstaat) welke wetgeving voorlopig wordt toegepast. De organen van de betrokken lidstaten moeten voorlopig geïncasseerde premies en betaalde uitkeringen met elkaar verrekenen als de definitief bevoegde staat een andere is dan de voorlopig als bevoegd aangewezene: “Voorlopige toepassing van een wetgeving en voorlopige betaling van uitkeringen 1. Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, op de betrokkene voorlopig de wetgeving van een van deze lidstaten toegepast, waarbij de rangorde als volgt wordt bepaald:
4.36 Titel IV, hoofdstuk III, van Toepassingsvo. 987/2009 is een uitwerking van art. 84(4) Vo. 883/2004 en betreft (i) terugvordering van ten onrechte verstrekte prestaties, (ii) terug- en invordering van voorlopige betalingen en premies, en (iii) verrekening en bijstand bij terug- en invordering. Art. 71 Toepassingsvo. 987/2009 bepaalt dat schuldvorderingen zoveel mogelijk worden ingevorderd door verrekening: “Voor de toepassing van artikel 84 van de basisverordening en binnen het bij dit artikel vastgestelde kader vindt de invordering van schuldvorderingen zoveel mogelijk plaats door middel van verrekening, zowel tussen de organen van de lidstaten, als ten aanzien van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon overeenkomstig de artikelen 72 tot en met 74 van de toepassingsverordening. Wanneer de schuldvordering geheel of gedeeltelijk niet door middel van de verrekening kan worden geïnd, wordt het resterende deel van de verschuldigde bedragen ingevorderd overeenkomstig de artikelen 75 tot en met 85 van de toepassingsverordening.”
4.37 Art. 72 Toepassingsvo. 987/2009 bepaalt over ten onrechte ontvangen prestaties: “1. Indien het orgaan van een lidstaat aan een persoon onverschuldigd uitkeringen heeft verstrekt, dan kan dit orgaan, op de wijze en binnen de grenzen als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het orgaan van een andere lidstaat dat verantwoordelijk is voor het betalen van uitkeringen aan de betrokkene, verzoeken om, ongeacht de tak van de sociale zekerheid in het kader waarvan de uitkeringen worden betaald, het onverschuldigde bedrag in te houden op eventuele achterstallige of lopende betalingen aan de betrokkene. Het orgaan van de laatstgenoemde lidstaat houdt het bedrag in op de wijze, onder de voorwaarden en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekeningsprocedure is bepaald bij de wetgeving die door dit orgaan wordt toegepast alsof het door dit orgaan zelf te veel betaalde bedragen betreft, en maakt het ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de onverschuldigde bedragen heeft uitbetaald. (…) 3. Indien een persoon in een lidstaat sociale bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin hij op grond van de wetgeving van een andere lidstaat recht op prestaties had, kan het orgaan dat de bijstand heeft verleend en een wettelijk verhaalsrecht heeft ten aanzien van de uitkeringen die aan de betrokkene verschuldigd zijn, aan het orgaan van een andere lidstaat dat prestaties aan hem verschuldigd is, verzoeken het voor bijstand uitgegeven bedrag in te houden op de sommen die lidstaat aan de betrokkene betaalt.
Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op het gezinslid van een betrokken persoon dat op het grondgebied van een lidstaat bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin de verzekerde vanwege dat gezinslid op grond van de wetgeving van een andere lidstaat recht op uitkeringen had.
Het orgaan van een lidstaat dat een onverschuldigd bedrag aan bijstand heeft betaald, zendt een verklaring met daarin het hem verschuldigde bedrag aan het orgaan van de andere lidstaat, dat dit bedrag inhoudt, op de wijze, onder de voorwaarden en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekeningsprocedure is bepaald bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, en het ingehouden bedrag onverwijld overmaakt aan het orgaan dat het onverschuldigde bedrag had uitbetaald.”
4.38 Art. 73 Toepassingsvo. 987/2009 werkt uit hoe, voor de toepassing van art. 6 Toepassingsvo. 987/2009, voorlopig betaalde premies in het ene land moeten worden verrekend met de verschuldigde premies in het andere, bevoegde land: “1. (…) [gaat over voorlopige uitkeringen; PJW] 2. Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft ontvangen, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die op grond van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening eventueel aan dit orgaan verschuldigd zijn.Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat voorlopige premies heeft ontvangen, deze premies aan dit orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan. Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies voorlopig had ontvangen, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon terug.”
D.3. De dialoog- en bemiddelingsprocedure 4.39 Om tot een oplossing te komen bij een blijvend meningsverschil tussen lidstaten over de toepasselijke wetgeving, heeft de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de EU/EER/Zwitserland op 12 juni 2009 besluit nr. A1 2009 genomen (Besluit A1), dat een ‘dialoog- en bemiddelingsprocedure’ bevat: “1. In dit besluit zijn de regels vastgelegd voor de toepassing van een dialoog- en bemiddelingsprocedure, waarvan gebruik kan worden gemaakt in de volgende gevallen:
4.40 Deze dialoog begint met een verzoek van het verzoekende orgaan om verduidelijking van de beslissing van het andere orgaan en desgeraden om intrekking of ongeldigverklaring van diens A1-verklaring. Het aangezochte orgaan moet het verzoekende orgaan binnen drie maanden op de hoogte stellen van het resultaat van zijn onderzoek: “6. Indien zich een van de onder punt 1 bedoelde situaties voordoet, neemt het verzoekende orgaan contact op met het aangezochte orgaan en verzoekt om de noodzakelijke verduidelijking van de beslissing van dat orgaan, en in voorkomende gevallen, om intrekking of ongeldigverklaring van het betreffende document, dan wel om herziening of nietigverklaring van de beslissing. (…).”
4.41 Als de betrokken lidstaten er niet uit komen, kunnen zij de tweede fase van de dialoog ingaan of de zaak meteen voorleggen aan de Administratieve Commissie. Besluiten zij tot het eerste en leidt ook dat tot nietst, dan kunnen zij de zaak alsnog voorleggen aan de administratieve commissie: “13. Indien de organen niet tot overeenstemming kunnen komen in de eerste fase van de dialoogprocedure, of indien het aangezochte orgaan niet in staat is geweest zijn onderzoek binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek af te ronden, stellen de organen hun bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte. Beide organen stellen een verslag op van de stappen die zij hebben genomen.
Bemiddelingsprocedure 17. Indien in de dialoogprocedure geen overeenstemming kan worden bereikt, kunnen de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie voorleggen. De bevoegde autoriteiten stellen beide een memorandum op ten behoeve van de Administratieve Commissie waarin zij de voornaamste geschilpunten uiteenzetten.
D.4. Overgangsrecht 4.42 Art. 87 Vo. 883/2004 bevat de volgende overgangsbepalingen: “1. Aan deze verordening kan geen enkel recht worden ontleend voor het tijdvak dat aan de datum van haar toepassing voorafgaat. (…).
4.43 Besluit nr. H1 van 12 juni 2009 bepaalt dat de documenten afgegeven onder en benodigd voor de toepassing van Vo. 1408/71 en Toepassingsvo 574/72, zoals E101 en E106-verklaringen, geldig blijven onder de nieuwe Vo. 883/2004: “5. De voor de toepassing van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 noodzakelijke documenten (E-formulieren, Europese ziekteverzekeringskaarten en vervangende voorlopige ziekteverzekeringsbewijzen) die zijn afgegeven door de bevoegde organen, autoriteiten en andere instanties van de lidstaten vóór de inwerkingtreding van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 blijven geldig (ondanks het feit dat die documenten verwijzen naar de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72) en de organen, autoriteiten en andere instanties van andere lidstaten dienen rekening te houden met deze documenten, totdat de geldigheidsduur daarvan is verstreken of zij ingetrokken worden of vervangen door documenten die zijn afgegeven of doorgegeven uit hoofde van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009.
4.44 De ‘Praktische gids over de toepasselijke wetgeving in de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland’, ’, opgesteld en goedgekeurd door de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, vermeldt over het overgangsrecht in art. 87 Vo. 883/2004: “In artikel 87, lid 8, en artikel 87bis van Verordening 883/2004 is bepaald dat indien iemand als gevolg van de invoering van de nieuwe verordening aan de wetgeving van een andere lidstaat onderworpen zou zijn dan eerder op grond van Verordening 1408/71 of op grond van Verordening 883/2004 zoals van kracht vóór 28 juni 2012 was vastgesteld, de eerdere beslissing van kracht blijft, onder voorwaarde dat de desbetreffende situatie ongewijzigd blijft. Een eerste vereiste voor de toepassing van artikel 87, lid 8, en artikel 87bis is dat iemand, als gevolg van de inwerkingtreding van Verordening 883/2004 of Verordening 465/2012, aan de wetgeving van een andere lidstaat onderworpen zou worden dan die waaraan die persoon onderworpen is op grond van titel II van Verordening 1408/71 of op grond van titel II van Verordening 883/2004 vóór 28 juni 2012.
De tweede vereiste voor toepassing van artikel 87, lid 8 en artikel 87bis is dat de desbetreffende situatie ongewijzigd blijft. Het doel van deze bepaling is om talrijke wijzigingen van de toepasselijke wetgeving bij de overgang naar de nieuwe verordening te voorkomen en om voor een zogenaamde "zachte landing" van de betrokkenen te zorgen met betrekking tot de toepasselijke wetgeving, indien er een verschil bestaat tussen de toepasselijke wetgeving (bevoegde lidstaat) op grond van Verordening 1408/71 of de vroegere formulering van Verordening 883/2004 en de wetgeving die van toepassing is op grond van de gewijzigde voorschriften van Verordening 883/2004. Uit de besprekingen in de Administratieve Commissie is gebleken dat er eenvoudige regels moeten worden vastgesteld en dat deze op samenhangende wijze door alle aangewezen organen moeten worden toegepast, zodat de toe te passen criteria als eerlijk, werkbaar en transparant worden beschouwd.
Overeenkomstig Verordening 1408/71 dient het aangewezen orgaan van de bevoegde lidstaat een bewijs aan de betrokkene te verstrekken waarin wordt verklaard dat hij/zij onderworpen is aan de wetgeving van deze lidstaat (artikel 12bis van Verordening 574/72). Overeenkomstig Verordening 883/2004 dient het aangewezen orgaan van de bevoegde lidstaat tevens de betrokkene daarvan in kennis te stellen en op zijn verzoek een verklaring te verstrekken betreffende de toepasselijke wetgeving (artikel 16, lid 5, en artikel 19, lid 2, van Verordening 987/2009). Aangezien de lidstaat die als laatste op grond van Verordening 1408/71 of Verordening 883/2004 als bevoegde lidstaat is aangewezen en die de verklaring betreffende de toepasselijke wetgeving heeft verstrekt, het best uitgerust is om te controleren of de situatie na de inwerkingtreding van Verordening 883/2004 of de latere wijzigingen ervan ongewijzigd is, is overeengekomen dat:
De juridische status van deze praktische gids in de lidstaten, if any, is mij niet duidelijk.
4.45 De Svb heeft op 1 november 2017 een beleidsregel SB2267 gepubliceerd volgens welke rijnvarenden onder het overgangsrecht van art. 87(8) Vo. 883/2004 vallen: “Artikel 87, achtste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat deze verordening eerbiedigende werking heeft in relatie tot Verordening (EEG) nr. 1408/71 indien een persoon door de eerste toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt onderworpen aan een andere wetgeving dan de wetgeving die ingevolge titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 toepasselijk was. Op deze persoon blijft titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing zolang de desbetreffende situatie voortduurt tot een maximum van tien jaar. De betrokkene kan evenwel verzoeken om eerdere toepassing van titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004.
De SVB gaat ervan uit dat de volgende categorieën personen in ieder geval onder het overgangsrecht vallen: (…);
Personen werkzaam op een Rijnvaartschip die voor de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004 op grond van artikel 7, tweede lid Verordening (EEG) nr. 1408/71 en het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden onderworpen waren aan de wetgeving van een andere lidstaat dan de lidstaat die wordt aangewezen door Verordening (EG) nr. 883/2004.”
5Rechtspraak A. Het Hof van Justitie van de EU 5.1 De rechtspraak van het HvJ EU houdt, voor zover hier van belang, twee hoofdlijnen in. De eerste hoofdlijn is dat voor personen die onder de werkingssfeer van Vo. 883/2004 vallen, geldt dat een te hunner zake door een lidstaat afgegeven A1-verklaring alle bevoegde organen én rechters van andere lidstaten bindt, zelfs als vaststaat dat die verklaring onjuist is, zelfs als die verklaring pas is afgegeven nadat de werkstaat de betrokken personen al aan zijn systeem heeft onderworpen, zelfs als de verklaring met terugwerkende kracht wordt afgegeven en zelfs als de administratieve commissie geconstateerd heeft dat die verklaring onjuist is en moet worden ingetrokken; dat kan alleen – onder voorwaarden - anders zijn voor de rechter van de werkstaat in gevallen van bewezen fraude of misbruik; voor het overige moet voor de door de (toepassings)verordening voorziene dialoog- en bemiddelingsprocedure worden gevolgd, moet de zaak eventueel voorgelegd worden aan de administratieve commissie en als ook dat niet werkt, moet de zaak door middel van een infractieprocedure aan het HvJ EU worden voorgelegd. De tweede hoofdlijn is dat rijnvarenden niet onder Vo. 1408/71 vallen omdat die verordening zichzelf uitschakelt ten gunste van het rijnvarendenverdrag en dat E101 (thans A1) en dergelijke verklaringen gebaseerd op die verordening, niet relevant zijn voor rijnvarenden en de andere lidstaten dan ook niet binden.
5.2 De zaak Fitzwilliam betrof een Iers uitzendbureau dat onder meer werknemers in Nederland te werk stelde. Het Ierse Department of Social Welfare had E101-verlaringen afgegeven die bepaalden dat de naar Nederland uitgezonden werknemers aan de Ierse sociale zekerheidswetgeving onderworpen bleven. Het HvJ EU oordeelde dat Nederland de werknemers niet aan zijn socialezekerheidsregeling mocht onderwerpen zolang de E101-verklaringen niet waren ingetrokken of ongeldig verklaard: “51 Op grond van het beginsel van loyale samenwerking, (…) (thans artikel 10 EG), is het bevoegde orgaan verplicht, de feiten die voor de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de geldende socialezekerheidsregeling relevant zijn, juist te beoordelen en derhalve de juistheid van de gegevens in de E 101-verklaring te garanderen.
52 Wat de bevoegde organen betreft van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd, volgt uit de samenwerkingsverplichting van artikel 5 van het Verdrag, dat aan die verplichting niet is voldaan - en dat de doelstellingen van artikel 14, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 en artikel 11, lid 1, sub a, van verordening nr. 574/72 zijn miskend -, indien de organen van die lidstaat zich op het standpunt stellen, dat zij niet gebonden zijn aan de gegevens in de verklaring, en die werknemers dus ook aan hun eigen socialezekerheidsregeling onderwerpen.
53 De E 101-verklaring creëert een vermoeden, dat de gedetacheerde werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waarin het uitzendbureau is gevestigd, en is dus bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin die werknemers zijn gedetacheerd.
54 Zo niet zou inbreuk worden gemaakt op het beginsel, dat werknemers slechts bij één socialezekerheidsregeling zijn aangesloten, alsmede op de voorzienbaarheid van de toepasselijke regeling en, dientengevolge, op de rechtszekerheid. Indien moeilijk te bepalen was welke de toepasselijke regeling is, zou elk van de bevoegde organen van de twee betrokken lidstaten immers geneigd zijn aan te nemen, dat zijn eigen socialezekerheidsregeling van toepassing is, met alle nadelige gevolgen van dien voor de betrokken werknemers.
55 Zolang de E 101-verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd er dus rekening mee te houden, dat de werknemers reeds zijn aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de onderneming die hen tewerkstelt is gevestigd, zodat het hen niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen.
56 Het bevoegde orgaan van de lidstaat die de E 101-verklaring heeft afgegeven, dient echter de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en de verklaring zo nodig in te trekken, wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemers zijn gedetacheerd twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan die verklaring ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer zij niet voldoen aan de vereisten van artikel 14, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71.”
5.3 Het HvJ-arrest Sante Pasquini betrof een gepensioneerde Italiaan die slechts een paar jaar in Italië had gewerkt. Hij had vooral in Frankrijk en Luxemburg gewerkt. Toen hij in 1987 60 jaar werd, vroeg hij een Italiaans (pro-rata) ouderdomspensioen aan en ontving hij het in Italië geldende minimumpensioen omdat hij op dat moment nog geen Frans of Luxemburgs pensioen ontving. Vanaf 1988 ontving hij ook een Frans en een Luxemburgs pensioen en werd zijn Italiaanse pensioen verlaagd in verband met het Franse pensioen. Pas in 2000 werd zijn Italiaanse pensioen opnieuw herrekend in verband met zijn Luxemburgse pensioen, en wel met terugwerkende kracht naar 1988. De vraag was of Italië over de jaren tussen 1988 en 2000 kon terugvorderen. Het HvJ EG oordeelde dat onder Vo. 1408/71 de verjaring en terugvordering van onverschuldigde prestaties slechts door nationaal recht worden beheerst, dat echter wel in overeenstemming moet zijn met de Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginselen en dat in een intern geval niet over zo’n lange periode onverschuldigd uitgekeerd zou zijn: “52 Er zij aan herinnerd dat de bij verordening nr. 1408/71 opgezette regeling berust op een eenvoudige coördinatie van de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid en niet de harmonisatie ervan beoogt ((…), Lenoir, 313/86, Jurispr. blz. 5391, punt 13).
Aangezien verordening nr. 1408/71 enkel de coördinatie van de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid verzekert, is nationaal recht van toepassing op een situatie waarin aan een belanghebbende die meerdere pensioenen ontvangt omdat hij bij de socialezekerheidsstelsels van meerdere lidstaten aangesloten is geweest, wegens overschrijding van de inkomensgrens onverschuldigd een pensioenaanvulling is betaald. (…).
Het nationale recht moet evenwel het communautaire gelijkwaardigheidsbeginsel eerbiedigen, dat voorschrijft dat de procedureregels voor de behandeling van situaties die zijn ontstaan door de uitoefening van een communautaire vrijheid niet minder gunstig mogen zijn dan die voor de behandeling van zuiver interne situaties, alsmede het communautaire doeltreffendheidsbeginsel, krachtens hetwelk die procedureregels de uitoefening van de rechten die zijn ontstaan door de grensoverschrijdende situatie, in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.