ECLI:NL:PHR:2020:574
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/04961 Zitting 9 juni 2020 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: de verdachte.
In opdracht van de gemeente Nuenen werd op 9 november 2009 door de SRE op deze stortlocatie een proefsleuvenonderzoek verricht. Hiertoe werden twee elkaar kruisende sleuven tot aan de onderzijde van de stort uitgegraven. In twee monsters van die proefsleuvenonderzoek werd asbest aangetoond, te weten:
In het rapport van de SRE is opgenomen dat ofschoon er proefsleuven zijn gegraven, niet is uit te sluiten dat er nog een hoeveelheid niet ontdekt, mogelijk gevaarlijk afval, zoals chemisch afval in het stortlichaam aanwezig is. Aanbevolen werd het stortlichaam onder milieukundige begeleiding te verwijderen om ervoor te zorgen dat de af te voeren hoeveelheden verontreinigde grond zo gering mogelijk blijft. Tevens vermeldt het rapport dat, waar asbest bij de ontgravingswerkzaamheden aanwezig is, onder asbestcondities dient te worden gewerkt. Zichtbaar asbest kan middels ‘handpicking’ worden verwijderd en de aanwezige grond rond het asbest dient op de aanwezigheid en de concentratie van asbest te worden onderzocht.
Naar aanleiding van een door [verdachte] uitgebrachte offerte heeft het bedrijf de opdracht gekregen de stort te ontgraven en te ruimen, waarbij de twee genoemde verkennende onderzoeken als basis dienden. Door verdachte werd op 13 september 2010 een plan van aanpak in een VGM-plan (Veiligheid, Gezondheid en Milieu-plan) geschreven, ten behoeve de stortlocatie [a-straat 1] te Nuenen. De startdatum van de werkzaamheden was week 38, 2010 (20 t/m 26 september 2010). In voornoemd plan is onder meer omschreven dat op het terrein een viertal depots zouden worden ingericht om de uitkomende stromen goed te kunnen scheiden op het terrein, te weten:
Depot 1: Bovenlaag Depot 2: Stortmateriaal Depot 3: Stortmateriaal met asbestverdachte grond Depot 4: Twijfel grond.
Op 29 september 2010 werd door een toezichthouder van het SRE, [betrokkene 1] , geconstateerd dat door een machinist was begonnen met het ontgraven van de bovengrond van de stortlocatie. Op 2 november 2010 werd door [betrokkene 1] geconstateerd dat asbestverdacht materiaal op de locatie was aangetroffen en dit materiaal niet conform het plan van aanpak in het VGM-plan werd verwijderd. Zo vond het verwijderen van het stortlichaam niet plaats onder toezicht van een milieukundig begeleider (MKB-er) of Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA-er) en niet onder asbestcondities.
Hierop zijn de werkzaamheden tijdelijk stilgelegd. Op 8 november 2010 zijn de werkzaamheden weer tijdelijk stilgelegd omdat niet conform het onderliggende plan werd gewerkt. Medio november 2010 was het gehele stortlichaam ontgraven. Na het ontgraven zijn door verdachte nog verschillende handelingen verricht met het vrijgekomen materiaal.
Het ontgraven van het asbesthoudende deel is uitgevoerd eind week 45/begin week 46. Het vrijkomende asbest (verontreinigde) puin is in depot 4 geplaatst. Van februari 2011 tot eind maart 2011 is de grond uit de depots gezeefd (door middel van een (open) trommelzeef) en tot halverwege april 2011 werd puin uit de depots gezeefd en gebroken. De gezeefde grond en het gezeefde puin werden weer in depots geplaatst.
In opdracht van de gemeente Nuenen zijn door Tritium Advies B.V. de op locatie aanwezige depots geïnventariseerd en is onderzoek ingesteld naar de milieuhygiënische kwaliteit. In de depots B t/m E en de depots G t/m I werd een homogene verontreiniging met asbest (resp. blauw (chrysotiel) asbest (> 137 mg/kg) en bruin (amosiet) asbest (ca. 1.000 mg/kg)) aangetroffen, waardoor deze depots van grond/puin niet-toepasbaar waren. In zijn totaliteit bleek 12.775 m3 verontreinigd.
Standpunten verdediging De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe is - zoals verwoord in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen - het volgende aangevoerd:
Beoordeling hof Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Ad a) Gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar Door de verdediging is in dit kader aangevoerd dat de grenswaarde van de concentratie asbestvezels in Nederland is bepaald op 10.000 vezels/m3. Zowel op basis van het NFI-rapport als uit de resultaten van de luchtmonsters (o.b.v. TNO-rapport 2004) kan niet worden afgeleid dat de vezelemissie tijdens de bewuste werkzaamheden van verdachte boven de grenswaarden kwam en dat daar om die reden gevaar van te duchten was. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de concentratie vrijgekomen asbestvezels op enig moment de geldende normen heeft overschreden, zodat het ten laste gelegde ‘te duchten gevaar’ niet bewezen kan worden.
Het hof staat derhalve voor de vraag of door de genoemde werkzaamheden van verdachte, zoals ten laste gelegd, gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten is geweest. Het hof stelt vast dat het verweer van de verdediging impliciet uitgaat van de gedachte dat het onderhavige delict slechts bewijsbaar is indien uit technisch onderzoek blijkt dat de geldende normen ter zake overschreden zijn. Deze gedachte is op basis van de bewoordingen en de strekking van artikel 173a en 173b Wetboek van Strafrecht onjuist. Naar het oordeel van het hof kan te duchten gevaar bewezen worden verklaard, ook al zouden de asbestvezelconcentraties continue onder de grenswaarde zijn geweest.
Het hof stelt in dit verband voorop dat blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk is vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Inademing hiervan is ook in geringe hoeveelheid onomkeerbaar en vormt daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. Het gevaar van inademing van niet-hechtgebonden asbestvezels, waarvan in casu sprake is, schuilt in de cumulatie van die vezels in de longen.
Voorkomen moet worden dat personen juist vanwege het risico van cumulatie onnodig dergelijke vezels inademen, nu samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de overheid, gelet op het zeer schadelijke karakter van asbest, een wettelijk kader heeft bepaald met voorgeschreven veiligheidsmaatregelen indien handelingen worden verricht met asbest(houdend) materiaal. Deze asbestbeschermende maatregelen zijn vanuit preventief oogpunt in het leven geroepen om potentieel gevaar voor de gezondheid van de mens te voorkomen.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld of in de onderhavige zaak personen in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen. Wel acht het hof op basis van het dossier bewezen dat gedurende de bewezen verklaarde periode op de locatie aan de [a-straat 1] te Nuenen werknemers van verdachte en/of andere personen in zodanige mate hebben blootgestaan aan asbestvezels dat hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is geweest. Het hof overweegt daartoe dat verdachte, zijnde een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, op ondeskundige wijze gedurende een lange periode werkzaamheden heeft verricht met asbest(houdend) materiaal en asbesthoudende grond/puin waardoor onnodig asbestvezels in de lucht zijn gebracht. Dit terwijl in het VGM-plan was vastgesteld dat de asbest moest worden verwerkt/verwijderd onder strikte condities. Het hof is dan ook van oordeel dat het binnenkrijgen van hoeveelheden niet-hechtgebonden asbestvezels doordat dergelijke vezels door luchtcirculatie verplaatst worden per definitie als ‘te duchten gevaar voor de openbare gezondheid’ in de zin van artikel 173a en 173b Sr aangemerkt dienen te worden.
Het verweer van de verdediging worden in zoverre verworpen.
Ad b) Opzet/schuld Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd overtreding van artikel 173a Sr, te weten: het opzettelijk en wederrechtelijk een stof - in casu: asbestvezels - op of in de bodem en/of in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was.
Door de verdediging is, zoals hiervoor vermeld, aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat aan de zijde van verdachte sprake is geweest van opzet in de zin van artikel 173a Sr, ook niet in de voorwaardelijke variant, zodat vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te volgen.
Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte dit feit opzettelijk heeft begaan, nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte willens en wetens asbestvezels in de lucht heeft gebracht.
Het hof is voorts - anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging - van oordeel dat evenmin sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval het op/in de bodem en/of in de lucht brengen van asbest(vezels) - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
In dat verband acht het hof het volgende van belang.
Vaststaand feit is dat verdachte op basis van het proefsleuvenonderzoek van de SRE bekend was met de aanwezigheid van asbest in het te ontgraven stortlichaam. De verdachte is daarbij uitgegaan van de samenvatting van de analyseresultaten in het SRE-rapport dat het zou gaan om hechtgebonden asbest. Mede op basis hiervan is door verdachte een VGM-plan opgesteld met daarin het plan van aanpak. Voorts is de betreffende asbestspot door verdachte ontgraven en apart in depot geplaatst. Door kraanmachinist [betrokkene 2] , die lange tijd werkzaam is geweest op de locatie, is in dit verband verklaard dat het asbestmateriaal uit het stortlichaam op een aparte plaats is opgeslagen. De asbestplekken waren afgezet met piketpaaltjes en [betrokkene 2] hield zelf in de gaten dat hij de niet met asbest verontreinigde grond ruim om de asbestplekken afgroef. Door [betrokkene 2] is tevens verklaard dat hij al zijn afgraafwerkzaamheden heeft uitgevoerd in een overdrukcabine. Ten aanzien van het zeven heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij de trommelzeef helemaal leeg liet draaien om er zeker van te zijn dat er geen materiaal achterbleef. Het materiaal dat door de zeef was gegaan, werd weer in depot opgeslagen. Bij asbestverdacht materiaal stonden er mensen bij in beschermende kleding om de asbest te verwijderen. Het asbest werd in zakken afgevoerd. Door [betrokkene 2] is asbest en asbestverdacht materiaal geselecteerd en in het asbestdepot opgeslagen.
Naar het oordeel van het hof is verdachte als gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden nalatig geweest, in die zin dat niet dan wel onvoldoende nauwkeurig is gekeken naar de analyses in het SRE rapport waaruit bleek dat zich in het stortlichaam niet-hechtgebonden asbest bevond, niet- of onvoldoende gekwalificeerde werknemers heeft ingezet bij de uitvoering van het werk en de selectie en verwijdering van asbest en voorts in strijd met het VGM-plan niet altijd onder begeleiding van een MKB-er of DLP-er werd gewerkt.
Het hof heeft uit het onderzoek echter niet de overtuiging gekregen dat verdachte voorwaardelijk opzettelijk heeft gehandeld. Verdachte ging ervan uit dat sprake was van hechtgebonden asbest en heeft daar in beginsel de werkzaamheden op afgestemd. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat door de uitvoerders van de werkzaamheden (met hun beperkte kennis) niet naar geweten is gehandeld.
Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof dan ook mee dat het hof niet bewezen acht dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat zij als gevolg van haar werkzaamheden asbest(vezels) in de lucht bracht en dat zij die kans op de koop toe heeft genomen.
Wel is het hof van oordeel dat het, gelet op de feiten en omstandigheden, aan verdachtes schuld te wijten is, in de zin van art. 173b Sr, dat in de bewezen verklaarde periode wederrechtelijk asbestvezels in de lucht zijn gebracht.
Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde en veroordelen ter zake het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.”
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”
Opzet of schuld ten aanzien van de vervuilende handeling 12. De in de aanhef van de delictsomschrijving van artikel 173b Sr bedoelde ‘schuld’ heeft betrekking op de in die aanhef bedoelde vervuilende gedraging: het in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater brengen van een stof. Datzelfde geldt mutatis mutandis voor ‘opzet’ in de doleuze tegenhanger van deze bepaling in artikel 173a Sr. De wederrechtelijkheid is aan het schuldverband onttrokken.
Bestanddeel ‘wederrechtelijk’ 14. Daarnaast bevat de delictsomschrijving van artikel 173b Sr het bestanddeel ‘wederrechtelijk’. Aanvankelijk luidde artikel 173b Sr (oud): “Hij aan wiens schuld te wijten is dat zonder vergunning van het ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegde gezag in een water enige stof wordt aangebracht, door de toevoeging waarvan voor anderen nadeel ontstaat in verband met het gebruik dat gewoonlijk van dat water of van een daarmede in verbinding staand water wordt gemaakt, wordt gestraft (…)”. Bij de op 19 januari 1989 in werking getreden wetswijziging is het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ aan de artikelen 173a en 173b Sr toegevoegd. De memorie van toelichting bij die wijziging vermeldde in dat verband het volgende: “Een afzonderlijke bespreking behoeft het bestanddeel “wederrechtelijk” in de voorgestelde delictsomschrijving. Het is hier niet de plaats uitvoerig op dit leerstuk in zijn algemeenheid in te gaan. In de voorgestelde bepalingen wordt beoogd hiermee het volgende aan te geven. Verschillende bijzondere milieuwetten kennen het vereiste van een vergunning voor het verrichten van daarbij omschreven handelingen die verband houden met het milieu. Handelt iemand in overeenstemming met zo een vergunning, dan is dit niet wederrechtelijk. Ook al zou hij voor het overige voldoen aan alle bestanddelen van de voorgestelde strafbepalingen, dan nog is zijn handelen niet strafbaar. Niet alle bestanddelen van het strafbaar feit zijn aanwezig en ingeval van een vervolging zou een vrijspraak moeten volgen. Het is dus niet nodig dat hij zich op een strafuitsluitingsgrond beroept. Het is billijk dat degeen die handelt in overeenstemming met de voorschriften die de milieu-autoriteiten in zijn concrete geval hebben gegeven, zich niet daarnaast zorgen hoeft te maken dat hij mogelijk in aanraking zal komen met de strafrechter. De overheid tone tegenover de burger één gelaat. Het kan niet zo zijn dat wat de milieu-autoriteiten toestaan langs strafrechtelijke weg wordt verboden.”
Te duchten gevaar 16. Het ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ en het ‘levensgevaar voor een ander’ vormen geobjectiveerde bestanddelen in de delictsomschrijving van artikel 173b Sr. Voldoende is dat het gevaar naar objectieve maatstaven te duchten is. De gezondheid van mensen hoeft dus nog niet te zijn aangetast. Ten tijde van het handelen moet een reële kans bestaan dat zodanig gevolg intreedt. Bij de beoordeling daarvan mag worden aangesloten bij (wetenschappelijke) kennis omtrent de desbetreffende stof, met inachtneming van de hoeveelheid en concentratie waarin deze in het milieu is gebracht, mits die kennis ten tijde van het plegen van het delict reeds bekend was. Het gaat daarbij om het gevaar voor wie dan ook. Het bijvoeglijk naamwoord ‘openbaar’ vóór het zelfstandig naamwoord ‘gezondheid’ brengt tot uitdrukking dat de persoon die gevaar loopt, niet hoeft te kunnen worden bepaald. Het hoeft dus zelfs niet om thans levende mensen te gaan, maar kan ook toekomstige generaties betreffen.
Het onderhavige geval 17. Terug naar de onderhavige zaak. De kern van het verwijt dat de verdachte in deze zaak wordt gemaakt is gelegen in het onvoorzichtige handelen door de verdachte bij de uitvoering van de saneringsopdracht van de oude stortplaats aan de [a-straat 1] te Nuenen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Wet van 13 november 1969 houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren, Stb. 1969, 536.
Wet van 19 januari 1989 ter aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met enige bepalingen ter bescherming van de algemene veiligheid van personen tegen ernstige verontreinigingen van het milieu, Stb. 1989, 7. Kamerstuknummer 19020.
Kamerstukken II 1984/85, 19020, nr. 3, p. 8.
A. de Lange in Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 september 2019), commentaar op art. 173b Sr, aant. 9; C. Waling, Het materiële milieustrafrecht, Arnhem: Gouda Quint BV 1990, p. 48-49.
A. de Lange in Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 september 2019), commentaar op art. 173a Sr, aant. 9.
J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 226.
Kamerstukken II 1984/85, 19020, nr. 3, p. 13. Zie in verwijzing daarnaar De Hullu (a.w. p. 266): “Bij de (zeldzame) invoering van een culpoos delict wordt doorgaans slechts naar de bestaande systematiek in de wetgeving verwezen.”
De Hullu, a.w., p. 266-267; J.W. Fokkens in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J.M. Machielse (red.), Noyon, Langemeijer, Remmelink, Wetboek van Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 maart 2006), commentaar bij art. 173b, aant. 1, onder verwijzing naar het commentaar bij art. 158 Sr, aant. 3.
De Hullu, a.w., p.267.
L.E.M. Hendriks, Milieustrafrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 131-132.
Onderstreping mijnerzijds.
Hendriks, a.w., p. 45; C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht (bewerkt door: F. de Jong), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 162 en 168; A. de Lange, ‘Een dictaat uit Brussel. Een overzicht van (recente) Europese regelgeving op het gebied van het milieustrafrecht’, Strafblad 2007/2, p. 444; M.J.C. Visser, Zorgplichtbepalingen in het strafrecht (diss.), Deventer: Gouda Quint 2001, p. 147. Zie voorts M.J.C. Visser & A. de Lange (red), Milieustrafrecht. Onderzoek en aanbevelingen voor theorie en praktijk, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 58, waar Faure en Visser dat onderscheid enigszins relativeren door te stellen dat zelfs indien gekozen wordt voor de invulling van dit bestanddeel als ‘in strijd met het objectieve recht’, de band met het bestuursrecht nog ten dele bewaard blijft. Als voorbeeld wordt daarbij genoemd een lozing overeenkomstig een vergunning op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), maar in strijd met een grenswaarde die op basis van artikel 1a Wvo in een amvb is vastgelegd. Zie voorts de noot van Hendriks in Milieu en Recht 2003,76 bij het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 februari 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5897, waarin het hof voor een minder beperkte opvatting omtrent ‘wederrechtelijk’ kiest.
Hendriks, a.w., p. 46.
A. de Lange in Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer (online, bijgewerkt tot 1 september 2019), commentaar op artikel 173a Sr, aant. 10 onder 5.
Kamerstukken II 1984/85, 19020, nr. 3, p. 12.
Hendriks, a.w., p. 47.
Kamerstukken II 1984/85, 19020, nr. 3, p. 12.
Zoals ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten (onder meer) vastgelegd in artikel 4.51a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Zie bijvoorbeeld https://www.rivm.nl/asbest en meer specifiek in het kader van de bekendheid ten tijde van de onderhavige feiten: Rapport "Praktische consequenties van het advies van de Gezondheidsraad inzake asbest 2010", bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 25834, nr. 57.
Bewijsmiddel 11 in de aanvulling op het arrest, resultaat van onderzoek van luchtmonsters en kleefmonsters op 24 november 2011 aan de genoemde woning.
Bewijsmiddel 15 in de aanvulling op het arrest.
Bewijsmiddel 24 in de aanvulling op het arrest.
Vgl. Hof Den Haag 28 februari 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5897, Milieu en Recht 2003,76 m.nt. Hendriks.
Bewijsmiddel 23 in de aanvulling op het arrest.
Bewijsmiddel 24 in de aanvulling op het arrest.