← Nederland

ECLI:NL:PHR:2020:593

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/04311 Zitting 12 juni 2020 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak 1. Satudarah Motorcycle Club 2. Saudarah 3. Supportcrew 999 4. Yellow Snakes MC tegen Openbaar Ministerie (Landelijk Parket) Deze zaak heeft betrekking op, kort gezegd, het verzoek van het openbaar ministerie (hierna: het OM) tot het op grond van art. 2:20 lid 1 BW verboden verklaren en ontbinden van de informele vereniging Satudarah Motorcycle Club (hierna: Satudarah). De rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) heeft Satudarah, daaronder begrepen de chapters (lokale afdelingen) en twee van de drie supportclubs (Saudarah en Supportcrew 999), bij beschikking van 18 juni 2018, uitvoerbaar bij voorraad, verboden verklaard en ontbonden vanwege de werkzaamheid van Satudarah in strijd met de openbare orde. Yellow Snakes MC (hierna: Yellow Snakes), ook een van die supportclubs, valt blijkens die beschikking niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, nu het verzoek van het OM alleen op Satudarah ziet en Yellow Snakes geen onderdeel is van Satudarah. Het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) heeft bij beschikking van 18 juni 2019, samengevat, de beschikking van de rechtbank in stand gelaten met uitzondering van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring. Door zowel Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999 (in het verzoekschrift tot cassatie tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd, wat ik hierna ter zake ook doe) en Yellow Snakes als het OM is cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van het hof. In het (principale) cassatieberoep van Satudarah en Yellow Snakes speelt onder meer de vraag of in een civielrechtelijke procedure op grond van art. 2:20 lid 1 BW strafrechtelijk bewijsrecht zou moeten worden toegepast, omdat sprake zou zijn van vervolging in de zin van art. 6 lid 1 EVRM (‘criminal charge’). In het (incidentele) cassatieberoep van het OM wordt het oordeel van het hof over het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de verbodenverklaring van Satudarah aan de orde gesteld. M.i. houdt de beschikking van het hof stand in zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep. 1. De feiten en het procesverloop 1.1 De informele vereniging Satudarah is een motorclub die in 1990 in Moordrecht is opgericht. Satudarah kent lokale afdelingen, zogenoemde ‘chapters’. Naast de chapters zijn er ook de zogenoemde ‘supportclubs’: Saudarah, Supportcrew 999 en Yellow Snakes (hierna gezamenlijk ook: de supportclubs). In eerste aanleg 1.2 Bij verzoekschrift van 29 september 2017 heeft het OM verzocht Satudarah, daaronder begrepen de supportclubs, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, verboden te verklaren en te ontbinden op grond van art. 2:20 BW. 1.3 Het OM voert aan dat Satudarah een informele vereniging is waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, als bedoeld in art. 2:30 lid 1 BW. De chapters en de supportclubs zijn volgens het OM onzelfstandige, van Satudarah deel uitmakende, onderdelen. De werkzaamheid van Satudarah is volgens het OM in strijd met de openbare orde. 1.4 Satudarah (in eerste aanleg enig verweerster) heeft een verweerschrift ingediend. Satudarah betwist niet dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging. Satudarah heeft wel weersproken dat de supportclubs onderdeel zijn van de vereniging waartegen het verzoek van het OM is gericht. 1.5 Bij de rechtbank heeft op 8 mei 2018 een mondelinge behandeling van het verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah plaatsgevonden, waar het OM het woord heeft gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen en tijdens zijn pleidooi (delen van) de documentaire One Blood heeft vertoond, en tevens de advocaten van Satudarah het woord hebben gevoerd. De rechtbank heeft beslist, conform de wens van de advocaten van Satudarah en ondanks het bezwaar daartegen van de zijde van het OM, dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op 16 mei 2018. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.6 Tijdens de mondelinge behandeling op 16 mei 2018 hebben de advocaten van Satudarah het woord gevoerd en hebben vertegenwoordigers van het OM op het betoog van de advocaten van Satudarah gereageerd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.7 Bij beschikking van 18 juni 2018 heeft de rechtbank Satudarah, uitvoerbaar bij voorraad, verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft verstaan dat deze verbodenverklaring en ontbinding ook Saudarah en Supportcrew 999 omvat, maar niet Yellow Snakes. De rechtbank heeft de zaak aangehouden ter benoeming van een vereffenaar en het meer of anders verzochte afgewezen. De rechtbank heeft, samengevat, het volgende aan die beslissing ten grondslag gelegd: - De rechtbank benadrukt dat de vrijheid van vereniging een grondrecht is dat gewaarborgd is in art. 8 Gw en art. 11 EVRM en dat uitsluitend kan worden beperkt bij wet in formele zin, mits de beperking geschiedt in het belang van de openbare orde. (rov. 2.5) - Art. 2:20 BW is zo’n ‘wet’. Het begrip ‘openbare orde’ is niet scherp omlijnd. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat niet snel sprake zal zijn van strijd met de openbare orde en dat art. 2:20 BW met grote terughoudendheid dient te worden toegepast. Louter uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag is onvoldoende; er moet sprake zijn van een aantasting van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou kunnen zijn voor onze samenleving. (rov. 2.6) - Bij de toepassing van art. 2:20 BW zal de rechter aan de hand van het voorliggende geval moeten controleren of de nationale wetgever niet te veel ruimte heeft genomen bij het beperken van de vrijheid van vereniging en dus of de ‘ondergrens’ die art. 11 EVRM trekt, wordt gerespecteerd. (rov. 2.7) - De rechtbank volgt Satudarah niet in haar betoog dat toetsing van art. 2:20 BW aan art. 8 Gw mogelijk zou moeten zijn. Of het Nederlandse recht meer bescherming biedt dan het EVRM moet worden beoordeeld naar het (nationale) recht zoals het is. Daartoe behoort nu eenmaal het toetsingsverbod van art. 120 Gw. De rechter kan art. 2:20 BW daarom niet toetsen aan de Grondwet. Naar het oordeel van de rechtbank kan hierover redelijkerwijs geen twijfel bestaan, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het stellen van een prejudiciële vraag over (het met art. 11 EVRM corresponderende) art. 52 lid 3 Handvest van grondrechten van de Europese Unie. (rov. 2.8-2-9) - Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 2:20 BW overweegt de rechtbank dat Satudarah er ten onrechte aan voorbij ziet dat de minister nadrukkelijk ruimte heeft willen geven aan rechtsontwikkeling en dus voor toepassing van art. 2:20 BW in gevallen die hem wellicht toen niet direct voor ogen stonden, mits de benadrukte terughoudendheid maar in acht wordt genomen. (rov. 2.10) - Bij de beoordeling van de vraag of de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde moet de rechtbank zich baseren op door het OM gestelde feiten. Het OM heeft in zijn verzoekschrift onder meer gewezen op structurele betrokkenheid van Satudarah bij (georganiseerde) criminaliteit, het beperken van de mogelijkheid om als lid van de vereniging te bedanken en het tegenwerken van justitieel onderzoek. Waar het OM zich beroept op strafrechtelijke veroordelingen (op tegenspraak) leveren deze volgens de rechtbank dwingend bewijs op van de daarin vastgestelde gedragingen, ook tegenover derden. Voor andere feiten waarop het OM zich beroept, geldt op grond van het hier toepasselijke ‘gewone’ bewijsrecht dat gestelde feiten die niet (voldoende gemotiveerd) zijn weersproken in beginsel als vaststaand moeten worden beschouwd (art. 284 jo. 149 Rv). De rechtbank overweegt dat gezien de omvang van het aantal strafrechtelijke onderzoeken dat het OM noemt in het verzoekschrift in redelijkheid van Satudarah niet verlangd kan worden dat alle genoemde gedragingen die zijn toegeschreven aan (oud-)Satudarah-leden van een gemotiveerde betwisting worden voorzien. Satudarah had naar het oordeel van de rechtbank wel ten minste tegen een aantal evident zwaarwegende gedragingen verweer naar voren kunnen brengen. Satudarah heeft, op enkele uitzonderingen na, volstaan met een algemene, niet-inhoudelijk gemotiveerde, betwisting. Onder deze omstandigheden beschouwt de rechtbank het door het OM in het verzoekschrift gestelde als onvoldoende gemotiveerd weersproken en dus tegenover Satudarah vaststaand. (rov. 2.11-2.14) - De rechtbank gaat vervolgens na of hetgeen het OM aanvoert tot de conclusie leidt dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde. De rechtbank geeft een thematische weergave van de door het OM gestelde betrokkenheid van (oud-)leden van Satudarah bij strafrechtelijke onderzoeken met betrekking tot strijd met rivaliserende motorclubs, (dreigen met) geweld tegen andere motorclubs, (dreigen met) geweld tegen andere personen, verdovende middelen, wapens, afpersing en overige misdrijven. In het verzoekschrift is verder uitgebreid ingegaan op het verschijnsel ‘bad standing’ en bevinden zich verschillende verklaringen van (oud-)leden van Satudarah die erop neerkomen dat zij uit angst voor represailles geen verklaringen willen afleggen over activiteiten van de vereniging. Uit het verzoekschrift blijken verschillende gedragingen waarmee justitieel optreden opzettelijk wordt bemoeilijkt. De rechtbank oordeelt dat deze gedragingen van leden van Satudarah een wezenlijke aantasting vormen van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De veelvuldige en voortdurende inbreuken van leden van Satudarah op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen de samenleving ontwrichten. (rov. 2.15-2.20) - De rechtbank oordeelt dat de geconstateerde inbreuken op de openbare orde door de leden van Satudarah kunnen worden toegerekend aan Satudarah, in die zin dat geoordeeld moet worden dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde en sprake is van (dreigende) ontwrichting van de samenleving. Die conclusie wordt in het bijzonder gerechtvaardigd door de betrokkenheid bij strafbare gedragingen van bestuurders/leidinggevenden van Satudarah, door deze zelf te begaan of hieraan leiding te geven, door het door bestuurders/leidinggevenden scheppen van een klimaat waarin het plegen van strafbare feiten als respectabel handelen in verenigingsverband wordt ervaren en aldus de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd, alsmede door het plegen van strafbare feiten door leden van Satudarah waarbij zij duidelijk het belang van Satudarah beogen te dienen. (rov. 2.21-2.33) - De rechtbank acht verbodenverklaring van Satudarah, alle omstandigheden in aanmerking genomen, passend en proportioneel. Dat het OM niet een vervolging op grond van art. 140 lid 1 Sr heeft ingesteld, neemt, na alle, waaronder ook bestuursrechtelijke, acties die wel zijn ondernomen, niet weg dat aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan. Bovendien wijst het OM er volgens de rechtbank terecht op dat verbodenverklaring op grond van art. 2:20 BW hem steun kan bieden bij strafrechtelijk optreden, gelet op het bepaalde in art. 140 lid 2 Sr. De rechtbank volgt Satudarah niet in haar betoog dat een verbodenverklaring geen zoden aan de dijk zet, omdat haar leden eenvoudig onder een andere naam de activiteit van de vereniging voort kunnen zetten. Dat brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, waarbij de rechtbank in het midden laat of het voortzetten van zekere activiteiten van Satudarah onder een andere naam na verbodenverklaring evenzeer onder de werking van de verbodenverklaring valt. (rov. 2.34-2.35) - Het OM heeft aangevoerd dat Satudarah één rechtspersoon (een informele vereniging als bedoeld in art. 2:30 lid 1 BW) is, waarvan de chapters en de supportclubs onzelfstandige, van de vereniging deel uitmakende, onderdelen zijn. Ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van één rechtspersoon heeft het OM in het bijzonder verwezen naar het gebruik van uniforme kleding, de presentatie op door Satudarah onderhouden websites, gezamenlijk uitgevoerde activiteiten, de hiërarchische structuur (waarbij bestuursleden op nationaal niveau een bepalende invloed hebben op het beleid van de verschillende chapters), de interne regels, en de verplichting tot afdracht van contributie door chapters aan de landelijke vereniging. Satudarah betwist niet dat zij een informele vereniging is en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging. De rechtbank is daar dan ook van uitgegaan. (rov. 2.3-2.4) Satudarah heeft in haar verweerschrift wel betoogd dat een uit te spreken verbod geen betrekking kan hebben op de supportclubs, omdat zij geen deel uitmaken van Satudarah. De rechtbank volgt met betrekking tot de positie van de supportclubs het betoog van het OM, maar niet ten aanzien van Yellow Snakes. Niet is gebleken dat Satudarah een ledenadministratie bijhoudt ten aanzien van Yellow Snakes (wel ten aanzien van Saudarah en Supportcrew 999). Verder presenteert Yellow Snakes zich (anders dan Saudarah en Supportcrew 999) op internet met een eigen webadres. In de presentatie op de website van Yellow Snakes blijkt niet van een zo nauwe verwevenheid met Satudarah dat zij als een onderdeel van Satudarah is te beschouwen. Voor de zelfstandigheid van Yellow Snakes pleit volgens de rechtbank verder dat in tijdens een doorzoeking van een clubhuis van Satudarah in beslag genomen administratie nauwelijks verwijzingen naar Yellow Snakes zijn te vinden (wel veel naar Saudarah en Supportcrew 999). Voorts wijst de omstandigheid dat in een getuigenverklaring valt te lezen dat leden van Satudarah personen die betrokken zijn bij Yellow Snakes “overhalen” om lid te worden van Satudarah, volgens de rechtbank ook erop dat Yellow Snakes een van Satudarah losstaande entiteit is. Uit lesmateriaal van Yellow Snakes kan ook worden opgemaakt dat deze organisatie zich als een “autonome club” ziet. Tot slot wijst de rechtbank nog op de verklaring van een hooggeplaatst bestuurslid van Satudarah dat Yellow Snakes geen financiële afdrachten doet en geen verantwoording schuldig is aan Satudarah. Anders dan voor Saudarah en Supportcrew 999 heeft een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah geen gevolgen voor Yellow Snakes. (rov. 2.36-2.38) - De rechtbank gaat over tot verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah, nu geoordeeld is dat de werkzaamheid van Satudarah in strijd is met de openbare orde. De rechtbank zal ten behoeve van de vereffening een vereffenaar benoemen. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het verzoek van het OM dat het vereffeningssaldo van een verboden verklaarde rechtspersoon aan de Staat toevalt, gelet op de op dit punt duidelijke tekst van de wet (art. 2:23b lid 1 BW) en het ontbreken van enig aanknopingspunt in de wetsgeschiedenis voor de door het OM voorgestane afwijking van de wettelijke regeling. (rov. 2.39-2.40 en het dictum) - De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad brengt niet met zich dat het instellen van hoger beroep (en cassatie) onmogelijk wordt. Alleen al het feit dat het hier gaat om een beschikking die een inbreuk maakt op een grondrecht, rechtvaardigt volgens de rechtbank dat de ten tijde van de ontbinding zittende bestuurders de (beperkte) bevoegdheid behouden tegen de verbodenverklaring en ontbinding in rechte op te komen. Het bepaalde in art. 245 Rv is in een dergelijk geval niet onverkort van toepassing voor zover bestuurders geen misbruik maken van hun (beperkte) bevoegdheid. De uitkomst van de procedure biedt volgens de rechtbank geen basis voor een proceskostenveroordeling ten laste van het OM, als verzocht door Satudarah. (rov. 2.41-2.42 en het dictum) 1.8 Bij beschikking van 28 augustus 2018 heeft de rechtbank mr. H. Dulack, advocaat te Utrecht, tot vereffenaar benoemd en ook die benoeming uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Satudarah heeft de rechtbank medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de benoeming van mr. Dulack en mr. Dulack is bereid tot aanvaarding van de benoeming (rov. 2.1). De rechtbank kan niet, voor het geval Satudarah dat mocht bepleiten, terugkomen op haar beslissing de verbodenverklaring en de ontbinding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (rov. 2.2) en voegt daar nog het volgende aan toe (rov. 2.3): “Mocht Satudarah het standpunt innemen dat de benoeming van de vereffenaar niet uitvoerbaar bij voorraad kan (of behoort

  1. te)worden verklaard, dan overweegt de rechtbank, deels ten overvloede, nog het volgende. De (tekst van
  2. de)wet sluit uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en de ontbinding (anders dan voor de enquêteprocedure, artikel 2: 358 lid 1BW) niet uit. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat ten grondslag ligt aan de nu geldende wettekst is slechts overwogen dat niet mag worden verwacht dat de rechter een ontbinding uitvoerbaar bij voorraad verklaart (K 1984/1985, nrs. 5-7, MvA, blz 8, paragraaf 25). Vervolgens is overwogen dat een uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbod geen rechtsgevolg zal hebben, gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank las en leest hierin niet dat de wetgever uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden, heeft willen uitsluiten. Een logisch vervolg op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de beschikking van 18 juni 2018 is dat ook deze beschikking dadelijk uitvoerbaar zal zijn, zodat de vereffenaar met zijn taak kan aanvangen, ongeacht een ingesteld hoger beroep.” In hoger beroep 1.9 Door Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999 (door het hof tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd (appellanten), wat ik in dit verband aanhoud in lijn met de weergave door het hof) is hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2018. Het hoger beroep van Satudarah heeft zaaknummer 200.245.707/01. Satudarah heeft in haar beroepschrift elf grieven tegen de beschikking aangevoerd en voorts verzocht de door de rechtbank uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en de ontbinding te schorsen. Het OM heeft bij verweerschrift op het verzoek tot schorsing gereageerd, op welk verweerschrift Satudarah per brief heeft gereageerd. 1.10 Bij beschikking van 4 december 2018 in het incident tot schorsing heeft het hof schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah afgewezen en iedere verdere beslissing aangehouden. De toets die het hof daarbij heeft aangelegd, is terughoudend. Het hof overweegt onder meer dat van een kennelijke misslag met betrekking tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah geen sprake is en dat bij de belangenafweging ten aanzien van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing tot ontbinding geldt dat het hof in het kader van het incident moet uitgaan van de bestreden beslissing van de rechtbank en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en dat de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing moet blijven. 1.11 Het OM heeft bij verweerschrift op het beroepschrift van Satudarah gereageerd. Satudarah heeft bij brief gereageerd op het verweerschrift van het OM, welk stuk moet worden beschouwd als haar pleitnota in hoger beroep. 1.12 Het OM heeft voorts bij beroepschrift (principaal) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 18 juni 2018. Het hoger beroep van het OM heeft zaaknummer 200.246.219/01 (daarin zijn Satudarah, Saudarah en Supportcrew 999, en Yellow Snakes door het hof tezamen in enkelvoud ‘Satudarah’ genoemd (geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep), wat ik in dit verband aanhoud in lijn met de weergave door het hof). Het OM heeft twee grieven tegen de beschikking geformuleerd en toegelicht. Satudarah heeft bij verweerschrift op die grieven gereageerd. In incidenteel hoger beroep is namens Yellow Snakes een grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd en toegelicht. Het OM heeft bij verweerschrift op die grief gereageerd. Satudarah heeft bij brief gereageerd op het verweerschrift van het OM in incidenteel hoger beroep, welk stuk moet worden beschouwd als haar pleitnota in hoger beroep. 1.13 Op 15 april 2019 heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de beide zaken. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.14 Op 18 juni 2019, dus precies een jaar na de beschikking van de rechtbank, heeft het hof uitspraak gedaan in beide zaken genoemd onder 1.9 en 1.12. In het hoger beroep ingesteld door Satudarah, de zaak met zaaknummer 200.245.707/01, heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, doch uitsluitend voor zover de daarin uitgesproken verbodenverklaring van Satudarah uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. In de zaak waarin het OM principaal hoger beroep had ingesteld en in incidenteel hoger beroep namens Yellow Snakes een grief is aangevoerd en toegelicht, de zaak met zaaknummer 200.246.219/01, heeft het hof het beroep in zowel het principale hoger beroep als het incidentele hoger beroep verworpen. 1.15 Het hof zet in rov. 7 eerst het juridische kader in beide zaken uiteen, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 2:20 lid 1 BW en rechtspraak van de Hoge Raad over die bepaling (rov. 7.1-7.11): “7.1 Op grond van artikel 2:20 lid 1 BW wordt een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank verboden en ontbonden verklaard. Een dergelijke verbodenverklaring en ontbinding beperkt het door artikel 8 Gw en artikel 11 EVRM beschermde recht van vereniging. 7.2 Het recht van vereniging wordt ook beschermd in artikel 12 Handvest, dat inhoudelijk correspondeert met artikel 11 EVRM. Het Handvest is op grond van artikel 51 lid 1 Handvest van toepassing indien lidstaten het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het hof zal er in het navolgende veronderstellenderwijs vanuit gaan dat dit het geval is. 7.3 Artikel 8 Gw bepaalt dat het recht op vereniging bij wet kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. Het begrip wet betekent hier wet in formele zin. Het begrip openbare orde is niet nader gedefinieerd. In de parlementaire toelichting is over dit begrip onder meer het volgende opgenomen: “Gezien de grote variatie van mogelijke criminele of anderszins onoirbare doeleinden is een korte opsomming van enkele toegespitste doelcriteria niet toereikend. Handhaving van de bestaande beperkingsgrond («in het belang der openbare orde») lag daarom voor de hand. Het begrip «openbare orde» komt op vele plaatsen in de bestaande wetgeving voor, soms in een zeer ruime soms in een wat engere betekenis. Door toevoeging van de woorden «en de goede zeden» is aangesloten bij de tekst van boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, welke tekst door de Staten-Generaal is aanvaard. Toegegeven zij, dat de uitdrukking «in het belang van de openbare orde en de goede zeden» zeer ruim is. Ze is echter, anders dan de term «in het algemeen belang», niet alomvattend en zal niet licht tot een verbod van politieke of culturele activiteiten leiden, mits deze activiteiten niet crimineel of anderszins ontoelaatbaar zijn.” (Kamerstukken II 1975-1976,13 872, nr. 7). 7.4 Artikel 11 lid 2 EVRM bepaalt dat de uitoefening van het recht op vrijheid van vereniging aan geen andere beperkingen mag worden onderworpen dan die, welke bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het begrip “wet” in artikel 11 EVRM heeft een andere betekenis dan in artikel 8 Gw. In artikel 11 EVRM gaat het om een materieel wetsbegrip, hetgeen betekent dat ook bij lagere regelgeving dan een wet in formele zin beperkingen kunnen worden aangebracht op het in artikel 11 EVRM neergelegde recht op vereniging. 7.5 Artikel 11 EVRM beschermt niet alleen de zogenaamde positieve verenigingsvrijheid (het recht om zich te verenigen), maar ook de negatieve verenigingsvrijheid (het recht om niet (langer) deel uit te maken van een vereniging). 7.6 In zijn beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Hells Angels Northcoast Harlingen)) oordeelde de Hoge Raad dat vanwege het fundamentele karakter van het recht van vereniging in een democratische rechtstaat, slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen aan het verbieden van een rechtspersoon. Voor een verbodenverklaring moet het om meer gaan dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De verbodenverklaring dient te worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Dat criterium is door de Hoge Raad herhaald in zijn beschikking van 18 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:948 (Martijn)). 7.7 In de parlementaire toelichting is met betrekking tot de reikwijdte van artikel 2:20 BW onder meer het volgende opgenomen (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 3): “8. Hiermee wordt in mijn ogen de kern geraakt van wat met de verbodsgrond wordt beoogd. Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel, kunnen het verbod van een vereniging of andere rechtspersoon rechtvaardigen: ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van anderen of van de menselijke waardigheid. Gebruik van geweld of bedreiging daarmee tegen het openbare gezag of tegen degenen met wier opvattingen men het, al dan niet op goede gronden, oneens is, valt eronder, evenals rassendiscriminatie en andere verboden discriminatie. Evenzo het heulen met een mogendheid waarvan valt te verwachten dat zij een geboden kans om ons volk te onderdrukken zou grijpen, het weerstreven van onherroepelijke rechterlijke uitspraken of onrechtmatige benadeling van anderen als middel om het bestaan van de rechtspersoon te rekken. Het stelselmatig niet afdragen van premies en frauderen valt daaronder. Ten slotte behoren als strijdig met de openbare orde en de goede zeden te worden aangemerkt uitlatingen zoals het aanzetten tot haat en uitingen die verboden discriminatie inhouden of een mensonterend streven zoals het in de literatuur gegeven voorbeeld van een pleidooi om het doden van bepaalde volksgroepen straffeloos te maken. Al deze voorbeelden hebben gemeen dat zij een aantasting inhouden van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou blijken voor de samenleving.” 7.8 Bij de behandeling van het wetsvoorstel op 22 september 1986 (Handelingen, pagina 21) heeft de toenmalige minister Korthals Altes opgemerkt: “Strijd met de openbare orde is er pas (...) wanneer de grondslagen van onze rechtsstaat in het geding zijn. (…) Aldus verstaan, heeft de verbodsgrond geen nadere toespitsing nodig. Van de rechter mag een enge uitleg worden verwacht." 7.9 Het begrip werkzaamheid is als volgt toegelicht (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7, p. 9-10): “Het woord werkzaamheid is in zijn gewone betekenis gebruikt en omvat dus die daden die de rechtspersoon stelt en de woorden die hij spreekt en schrijft, ongeacht op welke wijze blijkt dat die zijn gesteld, gesproken of geschreven in het kader van de organisatie met rechtspersoonlijkheid. Daartoe behoren de middelen waarmee hij zijn doel nastreeft, maar ook bij voorbeeld het stelselmatig niet afdragen van premies. De enkele overtreding van een of meer verboden stempelt een rechtspersoon nog niet tot ongeoorloofd. Dergelijke overtredingen moeten zijn geworden tot een schakel in de werkwijze om als werkzaamheid te worden aangemerkt en bovendien zo ernstig zijn, dat die werkzaamheid binnen de termen van artikel 15 valt.” En (Kamerstukken II, 1985-1986, 17 476, nr. 12, p. 4): “‘13. Met deze leden meen ik dat een enkele losse, niet symptomatische handeling te weinig is om als werkzaamheid te gelden. Ik reken tot de werkzaamheid niet alleen handelingen die een rechtspersoon op grond van de eigen doelstelling verricht, maar ook het verdere optreden met uitzondering van misstappen die buiten het patroon van het gehele optreden vallen. Een onderscheid tussen hoofd- en nevenwerkzaamheid zou ik in dit verband niet willen maken en lijkt hier zelfs zonder belang.” 7.10 De Hoge Raad overwoog in de reeds genoemde beschikking van 26 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1124 (Hells Angels Northcoast Harlingen)) ten aanzien van de uitleg van het begrip werkzaamheid dat onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, waaronder “members” zelf, niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen werkzaamheid worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven. 7.11. Binnen dit kader oordeelt het hof als volgt.” [curs. in origineel, A-G] 1.16 Het hof overweegt onder meer als volgt in de zaak met zaaknummer 200.245.707/01. “(…) Legaliteitsbeginsel; het begrip "openbare orde ” te onbepaald? 10.1 Satudarah heeft aangevoerd dat het begrip openbare orde in artikel 2:20 BW te onbepaald is. Zij voert daartoe onder meer aan dat artikel 8 Gw een beperking van het recht op vereniging slechts toelaat bij wet in formele zin. Door het onbepaalde karakter van het begrip openbare orde, wordt de toelaatbaarheid van de beperking van het recht op vereniging nu feitelijk door de rechter vastgesteld. Het hof deelt die conclusie niet. 10.2 Zoals hierboven reeds is overwogen, kan het hof artikel 2:20 BW niet toetsen aan artikel 8 Gw. Dat laat onverlet dat uit artikel 11 EVRM volgt dat de wet redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn, hetgeen betekent dat de wet met voldoende precisie moet zijn geformuleerd om de burger in staat te stellen zijn gedrag daarop af te stemmen. Die eis gaat niet zover dat de burger met absolute zekerheid moet kunnen vaststellen welke consequenties een bepaald gedrag heeft, omdat de wet immers met veranderende omstandigheden rekening moet kunnen houden. Het komt er bij deze toets mede op aan of de maatregel een voldoende mate van bescherming tegen arbitraire inbreuken door de autoriteiten biedt (onder meer EHRM 14 november 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:1114JUDO04122609), waardoor een zekere vaagheid niet is uitgesloten. Daar komt bij dat landen een zekere margin of appreciation hebben bij de invulling van de beperkingen op artikel 11 EVRM. 10.3 Het hof heeft hierboven geciteerd uit de parlementaire toelichting op artikel 2:20 BW. In die toelichting is een niet-limitatieve opsomming gegeven van gedragingen die in strijd zouden kunnen zijn met de openbare orde. De minister heeft daaraan toegevoegd dat “stolling van de nu heersende opvatting” moet worden voorkomen omdat “de rechtsovertuiging” niet stil staat. Afhankelijk van een zich voordoende situatie zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van strijd met de openbare orde. Uit de toelichting volgt bovendien dat van een verbod van een vereniging slechts sprake kan zijn indien het gevaar van ontwrichting van de maatschappij dreigt en (dus) dat de bepaling met de nodige terughoudendheid moet worden toegepast. 10.4 Uit de toelichting op de bepaling en de uitleg die daarna door de Hoge Raad in de reeds genoemde beschikkingen inzake Hells Angels en Martijn is gegeven, volgt naar het oordeel van het hof in voldoende mate onder welke omstandigheden sprake is van strijd met de openbare orde en een verbod van een vereniging aan de orde kan zijn. In de beschikking in de zaak Martijn overwoog de Hoge Raad in dit verband (achter 3.7) dat artikel 2:20 BW een wetsbepaling is “die met voldoende precisie is geformuleerd en voldoende basis biedt om willekeur te voorkomen”. Dat betrokkenheid bij strafbare feiten - die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd en waartegen in hoger beroep geen (inhoudelijke) grief is gericht - in strijd komt met de openbare orde, is bovendien voor een ieder kenbaar en te verwachten. Reeds daarom kan in dit concrete geval niet worden geoordeeld dat het begrip “openbare orde” te onbepaald is. 10.5 Satudarah heeft zich ter onderbouwing van haar standpunt beroepen op het rapport “Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs” van J. Koornstra, B. Roorda, M. Vols en J.G. Brouwer. Anders dan Satudarah stelt is op de door haar aangewezen vindplaatsen in dat rapport niet de conclusie getrokken dat artikel 2:20 BW te onbepaald en daarom in strijd met artikel 11 EVRM is. Weliswaar is ten aanzien van het bepaalde in artikel 140, lid 2 Sr de vraag opgeworpen of deze bepaling in strijd is met het lex certa-beginsel, maar dat is niet doorslaggevend voor een beoordeling van artikel 2:20 BW. Indien onduidelijk is wat na een verbod als “voortzetting” wordt gezien (pagina 10 pleitnota), betekent dat immers niet dat het begrip “openbare orde” in artikel 2:20 BW te onbepaald is. Bewijslastverdeling 11.1 Op grond van artikel 284 Rv is de negende afdeling van de tweede titel van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dus het bewijsrecht van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Dat dit laatste het geval is, hebben partijen niet aangevoerd en voor die conclusie bestaat ook geen grond. Dit betekent niet alleen dat op het OM de bewijslast rust van de feiten die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoek, maar ook dat het OM zich op grond van artikel 152 Rv in beginsel op alle bewijsmiddelen mag beroepen, en dat de beoordeling van die bewijsmiddelen aan de rechter is overgelaten. Voor zover de door het OM gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, hebben die feiten op grond van artikel 149 Rv ook voor het hof als vaststaand te gelden. 11.2 Het betoog van Satudarah dat op grond van de enkele betwisting van de door het OM gestelde feiten de bewijslast bij het OM had behoren te komen liggen miskent dat die bewijslast daar al rust. Bij de door Satudarah gesuggereerde omkering van de bewijslast heeft zij dus geen belang. De stelling dat het OM zich slechts mag beroepen op onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken miskent het open stelsel van bewijsmiddelen dat uit artikel 152 Rv volgt. 11.3 In het licht hiervan staat het het OM vrij zich te beroepen op de door haar in het geding gebrachte processen-verbaal met bijlagen, ook wanneer die betrekking hebben op feiten die niet tot een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis van de Nederlandse strafrechter hebben geleid. Indien er sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dit vonnis wel dwingend bewijs op van dit feit. 11.4 In de door het OM aan haar verzoekschrift gehechte bijlagen, zijn een groot aantal feiten, incidenten en meldingen opgesomd. Het OM heeft niet ten aanzien van al die feiten, incidenten en meldingen aangegeven waarom die relevant zijn en welk van haar stellingen daarmee wordt onderbouwd. Wel heeft zij in haar pleitnota in eerste aanleg een aantal feiten naar voren gebracht waarop het standpunt van het OM mede is gebaseerd. Satudarah heeft, op zichzelf begrijpelijk, opgemerkt dat die strategie het haar moeilijk maakt op alle feiten in het dossier te reageren. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994, 686). 11.5 Hier staat echter tegenover dat de rechtbank achter 2.16 e.v. van de bestreden beschikking gecategoriseerd per onderwerp een groot aantal gebeurtenissen uit die bijlagen bij het verzoekschrift heeft gedestilleerd die zij als onderbouwing van het verzoek heeft beschouwd en die zij als onvoldoende weersproken heeft vastgesteld. Tegen die vaststelling is geen grief gericht. In ieder geval na de bestreden beschikking had het voor Satudarah duidelijk moeten zijn welke delen van de bijlagen bij het verzoekschrift relevant waren voor de beoordeling door de rechtbank en van haar had dan ook mogen worden verwacht in haar beroepschrift in ieder geval op die feiten in te gaan. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft geen enkele van de gebeurtenissen die door de rechtbank zijn vastgesteld, weersproken. Dat zij daartoe aan de hand van de stukken niet in staat was, en waarom niet, heeft Satudarah niet (voldoende gemotiveerd) aangevoerd. Het enkele gegeven dat Satudarah geen toegang heeft tot de justitiële documentatiesystemen is daarvoor niet voldoende; de weergave van de feiten door het OM bevat voldoende aanknopingspunten om op zijn minst zodanig verweer te voeren dat de stellingen van het OM in twijfel zouden moeten worden getrokken en het OM met nader bewijs zou dienen te worden belast. Nu tegen de vaststelling van de feiten en omstandigheden die door de rechtbank achter 2.16 van de bestreden beschikking aan haar oordeel ten grondslag zijn gelegd geen grief is gericht en die feiten en omstandigheden ook overigens door Satudarah niet gemotiveerd zijn weersproken, moet het hof uitgaan van de juistheid van hetgeen door de rechtbank is vastgesteld. Voor een verzwaring van de bewijslast van het OM is bij gebreke van elke inhoudelijke betwisting van de feiten door Satudarah, geen reden. 11.6 Satudarah heeft aangevoerd dat een hoge bewijslat moet worden gehanteerd “vanwege het risico van misbruik van de signaalwaarde die uit kan gaan van een groepssymboliek, zoals bij verzoeksters, door niet-groepsleden die hiermee proberen te profiteren van de reputatie van de groep waarvan zij zelf geen deel uitmaken” (pagina 15 beroepschrift en pagina 54-55 verweerschrift). Satudarah heeft dat risico evenwel niet gemotiveerd betrokken op een of meer van de door de rechtbank vastgestelde feiten, zodat dit risico, wat daar verder ook van zij, niet tot een andere conclusie kan leiden. De chapters als onderdeel van de vereniging 12.1 Het verzoek van het OM is gericht tegen de “informele vereniging zijnde de Satudarah Motorcycleclub (ook wel naar buiten tredend als 'Black and Yellow Nation’)” en de door het OM genoemde Supportcrew 999, Saudarah en Yellow Snakes. In de aanhef van het verzoekschrift zijn de chapters niet afzonderlijk genoemd. In randnummer 3.1 van het verzoekschrift heeft het OM als conclusie van haar stellingen weergegeven dat “Satudarah, met alle eronder vallende chapters en de supportclubs (...) een informele vereniging is.” In randnummer 3.4 van het verzoekschrift stelt het OM in dit verband dat de chapters “onlosmakelijk onderdeel van het overkoepelende Satudarah MC” zijn en ook in de pleitnota in eerste aanleg is het OM daarvan uitgegaan (randnummers 8 en 9). Onmiskenbaar had het verzoek van het OM dus ook betrekking op de verschillende chapters. 12.2 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat Satudarah niet betwist dat zij een informele vereniging is “en evenmin dat de chapters onderdeel vormen van de vereniging” (2.4 van de bestreden beschikking). De door de rechtbank uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding kan in het licht van deze overweging dan ook niet anders worden begrepen dan dat zij ook betrekking had op de individuele chapters als onderdeel van één en dezelfde informele vereniging. Dat de rechtbank niet heeft overwogen dat de chapters onzelfstandige onderdelen van Satudarah zijn doet hier niet aan af. Een discussie daarover is in eerste aanleg - anders kennelijk dan in de door Satudarah aangehaalde zaak over de vereniging Bandidos - niet gevoerd, en voor de rechtbank was er dus geen aanleiding het woord “onzelfstandig” aan haar beoordeling toe te voegen. 12.3 Anders dan Satudarah in haar pleitnota betoogt, had zij, indien zij het met dit oordeel van de rechtbank niet eens was, daartegen uiterlijk in haar beroepschrift een grief moeten richten. Nu zij dit niet heeft gedaan, en zich geen van de uitzonderingen op deze regel voordoet, heeft voor het hof als uitgangspunt te gelden dat de chapters onderdeel uitmaken van Satudarah en dat een verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah dus ook de chapters treft. Strijd met de openbare orde 13. Satudarah heeft, als gezegd, geen grief gericht tegen de door de rechtbank achter 2.16 vastgestelde feiten. Tot die feiten behoort een groot aantal strafbare feiten. Leden van Satudarah zijn onder meer veroordeeld voor mishandeling, medeplegen van poging tot moord, doodslag, poging tot zware mishandeling, Opiumwet-delicten, het bezit van (zware) wapens, heling en betrokkenheid bij een gewapende overval. De rechtbank heeft voorts overwogen (achter 2.19). dat justitieel optreden door Satudarah wordt bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt en dat een groot aantal leden van Satudarah gedurende een reeks van jaren betrokken is bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen, waarvan veelal derden het slachtoffer zijn. De rechtbank overwoog dat de gedragingen door hun frequentie en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als Satudarah uitgaat, uitstraling naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers heeft en dat de gedragingen van leden van Satudarah een wezenlijke aantasting vormen van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De rechtbank voegde daaraan toe dat deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde de samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten (2.20). Nu noch tegen de feitelijke vaststelling door de rechtbank, noch tegen deze conclusie een grief is gericht, gaat ook het hof ervan uit dat de (strafbare) gedragingen van leden van Satudarah een inbreuk maken op de openbare orde en de samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Het hof onderschrijft dat oordeel overigens ook en maakt dat waar nodig tot het zijne. Het hof tekent daarbij aan dat grief 8 wel is gericht tegen de overweging “Duidelijk is dat hierdoor justitieel optreden opzettelijk wordt bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt” achter 2.19, maar die grief is blijkens de toelichting slechts gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de zwijgplicht van leden van Satudarah. Die zwijgplicht is voor het oordeel over de strijd met de openbare orde niet van doorslaggevend belang. De overige door de rechtbank vastgestelde feiten zijn reeds voldoende voor de conclusie dat sprake is van strijd met de openbare orde. (…) Is er sprake van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde? 15.1 De rechtbank heeft achter 2.23 e.v. van de bestreden beschikking een aantal voorbeelden aangehaald van feiten waaraan zij de conclusie heeft verbonden dat het bestuur van Satudarah zelf leiding geeft aan het (strafbare) handelen van leden in strijd met de openbare orde en zij heeft daaraan de conclusie verbonden dat sprake is van werkzaamheid van de vereniging. Satudarah heeft ook de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan dit oordeel van de rechtbank niet weersproken. Ook heeft Satudarah geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank (achter 2.31 ) dat Satudarah als organisatie de voorwaarden schept voor een klimaat waarin voor leden de drempel tot het plegen van strafbare feiten wordt verlaagd. 15.2 Anders dan Satudarah in grief 10 aanvoert, heeft de rechtbank zich niet beperkt tot het opnemen van gedragingen van individuele leden van Satudarah, maar heeft zij op goede gronden geoordeeld dat die gedragingen door de betrokkenheid van bestuursleden, de hiërarchische cultuur binnen Satudarah en het feit dat de gedragingen voor een belangrijk deel binnen het kader van Satudarah als vereniging zijn verricht, aan Satudarah moeten worden toegerekend. 15.3 Het is juist dat voor het aannemen van werkzaamheid van een vereniging onvoldoende is dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden, geen of onvoldoende afstand heeft genomen. Uit de door de rechtbank weergegeven en door Satudarah niet weersproken feiten volgt evenwel de betrokkenheid van (nationale) bestuursleden van Satudarah bij die feiten. Ook het bestaan van “code rood”, wat blijkens het vonnis betekent dat leden van Satudarah geacht worden zich met wapens naar het clubhuis te begeven en daar te horen krijgen waar en waarvoor deze gebruikt moeten worden, duidt op betrokkenheid van Satudarah als vereniging. Voor de wapensmokkel naar Duitsland door een nationale bestuurder van Satudarah ten behoeve van een nieuw op te richten chapter in Duitsland geldt datzelfde. Ook dat is een omstandigheid die duidt op de betrokkenheid van de vereniging Satudarah als zodanig en niet slechts op de betrokkenheid van een individueel lid. Ook de door de rechtbank (achter 2.32) aangehaalde confrontaties van motorclubs waarbij Satudarah was betrokken, waren geen acties van individuele leden, maar van de vereniging. 15.4 het hof onderschrijft zodoende de conclusie van de rechtbank dat er sprake is van werkzaamheid van de vereniging. Verbodenverklaring en ontbinding noodzakelijk? 16.1 Een verbodenverklaring is slechts aanvaardbaar indien zij kan worden aangemerkt als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die de samenleving ontwrichten en kunnen ontwrichten. In deze toets liggen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten. 16.2 Uit de door de rechtbank aangehaalde feiten blijkt dat er binnen Satudarah een hiërarchische structuur bestaat met eigen normen en regels waaraan de geldende wetten en de belangen van derden ondergeschikt zijn gemaakt. Het in stand houden van een dergelijke cultuur, waarbij geweld wordt aangemoedigd en het plegen van strafbare feiten wordt gestimuleerd en gerespecteerd, is zoals hierboven al is overwogen, in strijd met de openbare orde en kan ontwrichtend werken voor de samenleving. Dat laatste is in het bijzonder het geval indien het geweld in de openbare ruimte wordt gepleegd waarbij derden ongewild toeschouwer en/of toevallig slachtoffer van het geweld zijn. De door de rechtbank aangehaalde confrontaties met rivaliserende motorclubs ontregelen de openbare orde en kunnen door de dreiging met geweld of het daadwerkelijk toegepaste geweld ontwrichtend op de samenleving werken. Ook overigens kan de cultuur waarin geweld en het plegen van strafbare feiten tot aanzien leidt ertoe leiden dat dit geweld in de openbare ruimte wordt toegepast en dus tot ontwrichting van de samenleving leidt. 16.3 Onvoldoende weersproken is dat het OM tegen individuele leden van Satudarah strafrechtelijk optreedt. Dat strafrechtelijk optreden heeft er evenwel niet toe geleid dat de binnen Satudarah bestaande cultuur waarin criminele activiteiten worden aangemoedigd, is veranderd en heeft er evenmin aan in de weg gestaan dat Satudarah de door de rechtbank vastgestelde werkzaamheid in strijd met de openbare orde heeft ontwikkeld en heeft laten voortbestaan. Het hof onderschrijft daarom de conclusie van het OM dat het strafrechtelijk optreden alleen niet voldoende is om die werkzaamheid te beëindigen. Een verbodenverklaring en een ontbinding van Satudarah is daarom proportioneel en noodzakelijk om die werkzaamheid te beëindigen. 16.4 Het hof deelt niet de visie van Satudarah dat een verbod in het geheel geen gevolgen heeft. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen zal een verbod en ontbinding ertoe leiden dat Satudarah ophoudt te bestaan, zodat aan haar naam, logo’s en spreuken een einde komt en dat het vermogen wordt geliquideerd. De werving van nieuwe leden komt ten einde en ook de dreiging van geweld tussen Satudarah en andere motorclubs. Satudarah zal dus uit het straatbeeld verdwijnen. Het OM heeft daarbij onvoldoende weersproken aangevoerd dat het aantal incidenten waarbij leden van Satudarah zijn betrokken sterk is afgenomen na de beschikking van de rechtbank. Ook in zoverre kan dus niet worden gezegd dat een verbodenverklaring en een ontbinding geen effect hebben. Grief 6 faalt daarom. 16.5 Satudarah heeft in haar pleitnota aangevoerd dat een verbodenverklaring vanwege de “handhavingsproblematiek” niet aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet. Het hof deelt dat oordeel niet. De vraag of een verbodenverklaring strafrechtelijk gehandhaafd zal worden, ligt in dit geding niet voor. Het is aan de strafrechter om in de toekomst te beoordelen of een bepaalde handeling heeft te gelden als een voortzetting van een verboden verklaarde vereniging. Op voorhand kan niet worden gezegd dat het bepaalde in artikel 140 lid 2 Sr daarvoor geen grondslag kan bieden. (…) Uitvoerbaarheid bij voorraad 18.1 De vraag of een verbodenverklaring en ontbinding uitvoerbaar bij voorraad mag worden verklaard is in het arrest in het incident al aan de orde geweest. De toets die in een schorsingsincident wordt aangelegd is echter een andere dan de toets die thans moet worden aangelegd. 18.2 Ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad moet een onderscheid worden gemaakt tussen de ontbinding enerzijds en de verbodenverklaring anderzijds. Ten aanzien van de ontbinding is noch in de wet noch in de toelichting uitgesloten dat die uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, terwijl het OM voldoende heeft onderbouwd dat er een belang bij die uitvoerbaarheid bij voorraad bestaat. De rechtbank heeft daarom de ontbinding op goede gronden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 18.3 Ten aanzien van de verbodenverklaring is in de parlementaire toelichting opgemerkt (Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, nrs. 5-7) dat een uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen rechtsgevolg zal hebben. Het hof ziet dit rechtsgevolg ook niet, aangezien het enige gevolg van een verbodenverklaring is dat artikel 140 lid 2 Sr. kan worden toegepast, en daarvan eerst sprake kan zijn indien de verbodenverklaring onherroepelijk is. Hoewel Satudarah dus ook niet is geschaad door het feit dat de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is er geen reden die uitvoerbaarverklaring bij voorraad te handhaven. De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd.” [curs. en onderstreping in origineel, A-G] 1.17 Vervolgens overweegt het hof onder meer als volgt in de zaak met zaaknummer 200.246.219/01. “20.1 Het OM stelt in de eerste plaats de vraag aan de orde of Yellow Snakes als onderdeel van Satudarah moet worden beschouwd, zodat de verbodenverklaring en ontbinding van Satudarah ook Yello[w] Snakes treft. 20.2 Zoals het OM in haar verzoekschrift in eerste aanleg ook heeft onderkend (achter 3.6) presenteert met name Yellow Snakes zich als een zelfstandige vereniging. Yellow Snakes heeft weersproken te zijn opgericht door Satudarah. Ook heeft zij aangevoerd dat haar leden, anders dan de leden van andere supportclubs, zelfstandig bepalen of zij al dan niet deelnemen aan “sociale activiteiten” die door Satudarah worden geregisseerd. Bovendien heeft zij weersproken dat contributie aan Satudarah wordt betaald en heeft zij aangegeven dat er nog meer zelfstandige clubs deel uitmaken van de “Black and Yellow Nation”. 20.3 Het OM heeft op deze betwistingen en de daaraan ten grondslag gelegde feiten tijdens het pleidooi niet gereageerd. Het hof heeft bij die stand van zaken onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat Yellow Snakes onderdeel uitmaakt van Satudarah. Grief I faalt daarom. 20.4 Met grief II betoogt het OM dat een eventueel batig saldo na vereffening aan de Staat moet worden uitgekeerd omdat een andersluidende opvatting ertoe zou kunnen leiden dat de betrokkenen baten ontvangen die afkomstig zijn uit en/of te relateren zijn aan een verboden 'werkzaamheid. Het hof verwerpt dat betoog omdat de wet geen grondslag biedt voor een uitkering van de eventuele baten aan de Staat. 20.5 In het incidenteel appel voert Yellow Snakes aan dat de rechtbank ten onrechte niet ten gunste van haar een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Die grief faalt omdat niet is gebleken dat Yellow Snakes ten behoeve van haar verweer kosten heeft gemaakt. 20.6 Zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel faalt dus het beroep. Het hof ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een kostenveroordeling.” In cassatie 1.18 Satudarah (waaronder Saudarah en Supportcrew 999, zie ook p. 2 hiervoor) en Yellow Snakes hebben bij op 18 september 2019 (derhalve tijdig) bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 18 juni 2019. Het OM heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het (principale) cassatieberoep. Bij dat verweerschrift heeft het OM tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen die beschikking van het hof. Satudarah en Yellow Snakes voeren in het incidentele cassatieberoep verweer dat strekt tot verwerping van dat beroep. Partijen hebben, nadat Satudarah en Yellow Snakes daar aanvankelijk wel om hadden verzocht, afgezien van het geven van schriftelijke toelichting. Satudarah en Yellow Snakes hebben de Hoge Raad verzocht recht te doen op het door het OM overgelegde procesdossier. 2De bespreking van de cassatiemiddelen Inleidende beschouwingen 2.1 Alvorens over te gaan tot behandeling van de klachten in het principale cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep maak ik enkele preliminaire opmerkingen over art. 2:20 lid 1 BW, mede in verhouding tot art. 140 lid 2 Sr. Ik richt mij daartoe (na een weergave van de thans geldende wetsbepalingen, onder 2.2-2.3) op de wetsgeschiedenis van beide bepalingen (onder 2.4-2.10), ga daarna in op het recente wetsvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (onder 2.11-2.16), en betrek tot slot rechtspraak op grond van art. 2:20 lid 1 BW in het kader van de integrale aanpak van zogenoemde ‘Outlaw Motorcycle Gangs’ (hierna: OMG’
  3. s)(onder 2.17-2.22). Andere recente wetgevingsinitiatieven blijven hier verder buiten beschouwing. Ik wijs in dit verband in de eerste plaats op het initiatiefwetsvoorstel van het lid Azmani tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de uitzonderingspositie van kerkgenootschappen. Dat initiatiefwetsvoorstel is vanwege de gerichtheid op kerkgenootschappen niet relevant voor de onderhavige zaak. Daarnaast wijs ik op het voornemen van het kabinet om te werken aan een Wet op de politieke partijen, waarin wordt gekozen voor een specifiek wettelijk kader voor een partijverbod. Als die wet tot stand komt, ligt het in de rede dat politieke partijen en aanverwante organisaties van het toepassingsbereik van art. 2:20 BW worden uitgesloten. Dat voornemen van het kabinet is vanwege de gerichtheid op politieke partijen ook niet relevant voor de onderhavige zaak. In de literatuur wordt bij de categorieën rechtspersonen waarop art. 2:20 BW van toepassing kan zijn, wel onderscheid gemaakt tussen politieke organisaties enerzijds en criminele verbanden en terroristische organisaties anderzijds. Tot slot wijs ik op het initiatiefwetsvoorstel van de leden Kuiken, Van Toorenburg, Van Oosten, Van der Graaf en Van der Staaij, houdende regels over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden (Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties). Dit initiatiefwetsvoorstel heeft evenals de onderhavige zaak betrekking op OMG’s. Het initiatiefwetsvoorstel wil mogelijk maken dat dergelijke OMG’s en andere organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden, bij beschikking van de minister voor Rechtsbescherming verboden kunnen worden als dat noodzakelijk is in het belang van de openbare orde. De regering heeft zich op het standpunt gesteld dat beide regelingen - verbodenverklaring en ontbinding ex art. 2:20 BW en de bestuursrechtelijke weg van het initiatiefwetsvoorstel Kuiken c.s. - elkaar niet uitsluiten: “OMG’s en andere organisaties met een cultuur van wetteloosheid vallen weliswaar binnen de reikwijdte van beide regelingen, maar het ligt na een eventuele introductie van de bestuurlijke bevoegdheid in de rede om voor deze organisaties de route van het bestuurlijke verbod te volgen. Dit neemt niet weg dat het het OM vrij staat om op grond van art. 2:20 BW een verbod te verzoeken, ook indien de weg van een bestuurlijk verbod niet is gevolgd.” Naar huidig recht 2.2 Het thans geldende art. 2:20 lid 1 BW luidt als volgt: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” In cassatie staat vast dat Satudarah een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in art. 2:26 lid 1 jo. 2:30 lid 1 BW is (zie ook onder 1.1). Een dergelijke zogenoemde ‘informele vereniging’ bezit rechtspersoonlijkheid (zie ook art. 2:3 BW) en valt in zoverre onder de reikwijdte van art. 2:20 lid 1 BW. 2.3 Het thans geldende art. 140 lid 2 Sr luidt als volgt: “Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.” Verbodenverklaring van een organisatie (rechtspersoon) bij onherroepelijke rechterlijke beslissing in de zin van deze strafrechtelijke bepaling slaat terug op een verbodenverklaring als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Onder organisaties die van rechtswege verboden zijn in de zin van art. 140 lid 2 Sr vallen, kort gezegd, terroristische organisaties als bedoeld in art. 2:20 lid 3 BW (Nederlandse rechtspersonen) en art. 10:123 BW (corporaties die niet Nederlandse rechtspersonen zijn); die bepalingen zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde. De verbodenverklaring die het OM op de voet van art. 10:122 BW kan verzoeken met betrekking tot een corporatie die niet een Nederlandse rechtspersoon is, is in deze zaak ook niet aan de orde. In cassatie staat vast dat Satudarah een Nederlandse rechtspersoon is (zie ook onder 1.1). Terzijde merk ik op dat de ausländische Verein Satudarah alsmede zeven plaatselijke chapters (Teilorganisationen) in 2015 in Duitsland zijn verboden. Dit verbod is in 2016 door het Bundesverwaltungsgericht in stand gelaten. De Duitse beschikking uit 2015 is als bijlage aan het verzoekschrift ex art. 2:20 BW van het OM gehecht. De rechtbank verwijst in de onderhavige zaak ook naar dit Duitse verbod in rov. 2.27 van de beschikking van 18 juni 2018 en overweegt in dat verband onder meer dat “[d]e inhoud van deze [Duitse] beschikking bij[draagt] aan het beeld dat nationale bestuurders van Satudarah in Nederland actief betrokken zijn geweest bij en hebben bijgedragen aan de oprichting van een vereniging die inmiddels in Duitsland wegens haar criminele karakter is verboden.” Wetsgeschiedenis 2.4 Zowel art. 2:20 lid 1 BW als art. 140 lid 2 Sr vindt zijn oorsprong in de Wet van den 22sten April 1855, tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering (hierna: de WVV). De WVV was een organieke wet ter uitvoering van art. 10 van de Grondwet van 1848. Thorbecke merkte over deze bepaling in de toenmalige Grondwet op: ““Het regt tot vereeniging en vergadering”, schoon in naam erkend, wordt door de toevoeging, “behoudens een wet, de uitoefening daarvan regelende in het belang der openbare orde,” werkeloos. Wat baat de erkenning van een regt in de Grondwet, welks uitoefening afhangt van de wet? Beter dan, eenvoudig te zeggen: het regt van vereeniging wordt door de wet geregeld. Ook eene wet moet opregt zijn, en niet den schijn aannemen iets te geven wat zij inderdaad onthoudt. (…). Wij schenken u een regt; wij zullen u later zeggen, in hoeverre gij er gebruik van moogt maken; dit is eene grootmoedigheid, die niet veel kost; op deze wijze maakt eene Grondwet rijk in regten, en blijft de begiftigde zoo arm als te voren.” De WVV bepaalde dat de vereniging strijdig met de openbare orde verboden is (art. 2 WVV). Dat verbod gold ‘van rechtswege’. In art. 3 WVV werd invulling gegeven aan strijd met de openbare orde: “Met de openbare orde wordt strijdig geacht elke vereeniging, welke tot doel heeft: 1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordening; 2°. aanranding of bederf der goede zeden; 3°. stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij”. In 1971 is aan die opsomming toegevoegd: “het bedrijven, in stand houden of bevorderen van discriminatie van mensen wegens hun ras.” De WVV bevatte in art. 4 de strafbaarstelling van deelneming aan een verboden vereniging: “De deelneming aan eene verbodene vereeniging, voor zoover die niet reeds door de strafwet is beteugeld, wordt gestraft voor de oprigters of bestuurders met gevangenisstraf van een tot zes maanden en geldboete van vijftig tot twee honderd gulden, gezamenlijk of afzonderlijk, en voor de overige deelgenooten met gevangenisstraf van drie dagen tot twee maanden en boete van vijf tot honderd gulden, gezamenlijk of afzonderlijk.” Deze strafbaarstelling is in 1886 overgegaan naar art. 140 lid 2 Sr. De WVV kende voorts al een rol voor het OM. Voor de oprichting van een vereniging was geen machtiging van de overheid nodig (art. 1 WVV). Om als rechtspersoon te worden erkend, was echter wel vereist dat de statuten of reglementen van de vereniging van overheidswege werden goedgekeurd, welke goedkeuring kon worden geweigerd op gronden ontleend aan het algemeen belang (art. 5-7 WVV), het zogenoemde ‘preventieve overheidstoezicht’. In art. 10 WVV was bepaald: “De afwijking van goedgekeurde statuten geeft aan het openbaar ministerie de bevoegdheid om bij den burgerlijken regter de vervallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid van regstpersoon te vorderen. De regter, de vervallen-verklaring uitsprekende, kan aan de vereeniging, niettegenstaande hooger beroep of voorziening in cassatie, de bevoegdheid tot het plegen van burgerlijke handelingen bij voorraad ontzeggen. De verevening der zaken eener van hare regtspersoonlijkheid vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder toezigt des regters, die de vervallen-verklaring uitsprak, op de wijze en met inachtneming der vormen omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld.” En art. 11 WVV luidde: “Nadat door den benoemden curator de roerende en onroerende goederen der vereeniging verkocht en de schulden betaald zijn, wordt het batig slot, zoo er een is, aan hen, welke op het oogenblik der vervallen-verklaring leden der vereeniging zijn, of aan hunne regthebbenden, elk voor het aandeel, dat zij in de vereeniging hebben, uitgekeerd.” In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WVV wordt door de toenmalige minister van Justitie Donker Cortius over de twee laatstgenoemde bepalingen opgemerkt: “Het vonnis van vervallen-verklaring in het algemene bij voorraad uitvoerbaar te laten schijnt onraadzaam. In hooger beroep kan de vervallen-verklaring, door den eersten regter uitgesproken, vernietigd worden, en hoe dan te herstellen, wat overeenkomstig art. 10 [van het wetsontwerp, in de WVV is dat uiteindelijk art. 11 geworden, A-G] reeds, krachtens het bij voorraad executabel verklaarde vonnis in eersten aanleg, mogt verrigt zyn? Dit bezwaar bestaat niet, wanneer, gelijk art. 9 tweede lid [van het wetsontwerp, in de WVV is dat uiteindelijk art. 10 lid 2 geworden, A-G] medebrengt, de bij voorraad uitvoerbaarverklaring zich niet verder uitstrekt dan tot het voorloopig verbod om verdere burgerlijke handelingen als regtspersoon te plegen, in afwachting van hetgeen de regter in hooger beroep of cassatie omtrent de vervallen-verklaring in het algemeen beslissen zal. De in dien zin voorgestelde bepaling is geheel facultatief voor den regter; maar er kunnen gevallen zich opdoen, dat de openbare orde een dadelijk werkenden maatregel vordert, die, het blijvend bestaan der regtspersoonlijkheid uitsluitend afhankelijk latende van den hoogeren regter, hare werking naar buiten en de daaruit te wachten nadeelen of gevaren oogenblikkelijk stuit. De verevening van de zaken der vereeniging kan in geen geval geschieden dan nadat de vervallen-verklaring in kracht van gewijsde gegaan is. Na de vervallen-verklaring der regtspersoonlijkheid blijft overigens de vereeniging desniettemin als zoodanig bestaan, immers voor zooverre zij niet strijdt met artt. 2 en 3 der wet, in welk geval het art. 4 op hare leden toepasselijk zou worden.” De WVV maakte dus een duidelijk onderscheid tussen civielrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen van een verboden vereniging in de zin van art. 2-3 WVV. De strafrechter diende in het kader van de strafvervolging ter zake van aanvankelijk art. 4 WVV en later art. 140 lid 2 Sr, in iedere strafzaak te bepalen of sprake was van een vereniging in strijd met de openbare orde als bedoeld in art. 2-3 WVV. Tot civielrechtelijke gevolgen leidde dat in beginsel niet. Voor een vereniging met rechtspersoonlijkheid kon het OM bij de burgerlijke rechter vervallenverklaring van de rechtspersoonlijkheid vorderen op de voet van art. 10 WVV, wat op grond van het derde lid leidde tot “verevening”. De wetgever ging ervan uit dat gelet op de strafrechtelijke sanctie een verboden vereniging “in den regel niet zal worden voortgezet”, maar hield rekening met de mogelijkheid dat de vereniging (na vervallenverklaring in de zin van art. 10 WVV niet langer zijnde een rechtspersoon) “onverhoopt ook na de uitspraak [wordt] voortgezet”, waarna het OM (opnieuw) stafrechtelijk kon optreden. 2.5 In de jaren ’30 van de vorige eeuw ontstond de behoefte aan een meer effectieve regeling van de verboden vereniging. De toenmalige minister van Justitie Goseling merkt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging en aanvulling van de WVV op: “Dat juist de vrijheid een overeenkomstige verantwoordelijkheid met zich moet brengen, is een waarheid, die wellicht in den laatsten tijd meer algemeen en scherper wordt ingezien. Behoud van het groote goed der burgerlijke vrijheid eischt inscherping van de verantwoordelijkheid door middel van doelmatige sancties tegen degenen, die de vrijheid misbruiken tot schade van het algemeen welzijn. Deze gedachte van het repressieve toezicht ligt ook ten grondslag aan de wet van 1855, met name aan de regeling, vervat in de artikelen, 2, 3 en 10. Zij heeft echter in het bestaande onvoldoende uitwerking gevonden. Het mag wellicht worden beschouwd als een niet-verwerpelijk gevolg van de “geestelijke verwarring in de wereld, waaraan ook ons volk niet geheel ontkomt”, dat de behoefte aan een beter sluitende en meer effectieve regeling in dit tijdsgewricht krachtiger wordt gevoeld. Daardoor is echter de voorgestelde voorziening geenszins tot een crisismaatregel gestempeld. Het is op zichzelf reeds niet verwonderlijk, dat er aanleiding is na meer dan 80 jaren de materie nader te bezien. Ook in het algemeen kan echter de druk van bepaalde omstandigheden zeer wel leiden tot een terugkeer naar gezonde gedachten, dan wel tot betere uitwerking daarvan in de wetgeving.” [curs. in origineel, A-G] Als gebreken in de WVV worden door de minister aangemerkt: “De sanctie was oorspronkelijk vervat in artikel 4 der wet van 1855; zij is thans neergelegd in artikel 140 Wetboek van Strafrecht, dat deelneming aan een verboden vereniging met straf bedreigt. Die individueele sanctie mist echter de onontbeerlijke collectieve werking, omdat (…) het verboden karakter der vereeniging slechts incidenteel in de loop van een strafgeding tegen een bepaalden verdachte kan worden vastgesteld. (…) Naast de leemte, dat alleen op incidenteele wijze het verboden karakter van een vereeniging thans kan worden vastgesteld, vertoont de tegenwoordige regeling deze lacune, dat de feitelijke afwijking van de aanvankelijk toegelaten werkzaamheid eener vereeniging slechts collectief gevolg kan hebben met betrekking tot het bezit der rechtspersoonlijkheid. Dit gevolg, dat geregeld is in de artikelen 10 en 11 der bestaande wet, kan van belang zijn, doch het is slechts van beperkte werking. De laatstbedoelde voorziening wordt door het ontwerp niet aangetast. Echter zal krachtens de regeling, zooals die wordt voorgesteld, het algemeene onderzoek omtrent het verboden karakter van een vereeniging gevolgen kunnen hebben voor elke vereeniging, ongeacht het bezit van rechtspersoonlijkheid. Het is duidelijk, dat een vereeniging in strijd met de openbare orde haar gevaarlijk karakter niet verliest door het verlies van rechtspersoonlijkheid. Het vastgestelde gevaar ligt in de organisatie, in de werkzaamheid in groepsverband (…).” [curs. in origineel, A-G] Aan de WVV werd in 1939 een nieuw artikel 4 toegevoegd waarin onder meer werd bepaald: “De burgerlijke rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, verklaren, dat eene vereeniging verboden is, als strijdig met de openbare orde. (…) Zoodra de verklaring in kracht van gewijsde is gegaan, geldt de vereeniging als bij de wet verboden.” Daarmee werd vooral de eerstgenoemde leemte opgelost. In de memorie van toelichting wordt uitdrukkelijk opgemerkt: “Artikel 4 houdt geen nieuwe regeling in ten aanzien van de burgerlijk-rechtelijke gevolgen van overtreding van de artikelen 2 en 3 van de wet. Dit is een andere materie, welke voor vereenigingen met en zonder rechtspersoonlijkheid verschillend ligt en welke trouwens reeds in een aantal bestaande artikelen, waaraan in dit ontwerp beter niet wordt geroerd, is geregeld: men zie de artikelen 10 en 11 van de onderhavige wet (…).” In de memorie van antwoord is in dit verband nog toegevoegd: “In het ontwerp is met opzet afgezien van een nieuwe regeling van de civielrechtelijke gevolgen van het verboden karakter van vereenigingen. Voor vereenigingen zonder rechtspersoonlijkheid bestaat aan zoodanige regeling ook practisch geen behoefte, daar deze vereenigingen civielrechtelijk geen afgescheiden vermogen bezitten. Voor de vereenigingen met rechtspersoonlijkheid zijn in de wetgeving reeds verschillende regelingen aanwezig: men zie de artikelen 10 en 11 van de wet van 1855, artikel 37b van het Wetboek van Koophandel, enz.; (...). Voor wat in het bijzonder de verhouding tusschen het nieuwe artikel 4 en de bestaande artikelen 10 en 11 van de wet van 1855 betreft, stelt de ondergeteekende zich voor, dat het openbaar ministerie, in gevallen dat een vereeniging met rechtspersoonlijkheid werkelijk een vermogen van eenig belang bezit, hetzij gelijktijdig met de vordering ingevolge artikel 4 een vordering ingevolge artikel 10 zal instellen, hetzij zoodanige vordering zal laten volgen, zoodra de uitspraak, waarbij de vereeniging verboden verklaard wordt, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. Artikel 10 kan in beide gevallen worden toegepast, daar een vereeniging, welke verboden verklaard wordt of reeds verboden verklaard is, tevens van de vastgestelde statuten moet zijn afgeweken. Liquidatie van een verboden-verklaarde vereeniging overeenkomstig een van de boven vermelde wettelijke regelingen is zonder twijfel geoorloofd (…). Voor alle volledigheid zij overigens opgemerkt, dat op dit punt door het ontwerp niets verandert: ook op het oogenblik worden vereenigingen, die verboden karakter bezaten of verkregen, overeenkomstig de vermelde wettelijke regelingen, of ondershands, geliquideerd.” [curs. in origineel, A-G] 2.6 Bij gelegenheid van de Wet tot vaststelling van de hoofstukken 2, 3, 4 en 5 van de Invoeringswet Boek 2 nieuw BW in 1976 kwamen de art. 1-14 WVV te vervallen. De verbodenverklaring van art. 4 WVV kreeg geen plek in Boek 2 BW, in plaats daarvan werd gekozen voor een procedure tot ontbinding: “[I]n het nieuwe artikel 2.1.10a [wordt] voorgesteld te bepalen dat een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie kan worden ontbonden (…). De wijziging brengt mede dat een enkele uitspraak tot verboden-verklaring van een rechtspersoon geen privaatrechtelijke betekenis meer heeft, en dan ook niet meer gevraagd kan worden. Hierbij zij ten overvloede nog opgemerkt dat ook voor de toepassing van het strafrecht (artikel 140 Wetboek van Strafrecht) aan de mogelijkheid van een dergelijke uitspraak geen behoefte bestaat.” [curs. in origineel, A-G] De regeling in art. 2:15 en 2:16 BW luidde in 1976 als volgt: Art. 2:15 BW: “Een rechtspersoon is verboden, wanneer haar doel of werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.” Art. 2:16 BW: “1. De rechtbank kan een verboden rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie ontbinden. 2. (…).” Het toenmalige art. 140 lid 2 Sr luidde: “Deelneming aan een andere rechtspersoon die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de ten hoogste zeshonderd gulden.” Aanvankelijk werd de ontbindingsprocedure zonder verbodenverklaring in de literatuur gezien als “[e]en gelukkige oplossing waarmede ook de gevolgen van ’s rechters beslissing duidelijk zijn komen vast te liggen.” Ik wijs ook op Eskes: “Het is van belang hierbij op te merken dat de ontbinding inderdaad een substituut kan zijn van de (vroegere) verboden-verklaring. De laatstgenoemde rechterlijke uitspraak had tot doel een einde te maken aan het voortbestaan, de werkzaamheden en de invloed van de verboden vereniging. In de praktijk werd dit doel bereikt door de in artikel 140, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen strafbedreiging tegen (verdere) deelneming aan de verboden vereniging. Het nieuwe geïntroduceerde instrument van de ontbinding realiseert het genoemde doel evenzo, zij het op andere wijze. De ontbinding bewerkstelligt immers de volledige eliminatie uit het rechts- en maatschappelijk verkeer van de vereniging-rechtspersoon.” 2.7 Bij de ontbindingsprocedure tegen de vereniging de Nederlandse Volks-Unie (hierna: de NVU), een politieke partij, bleek echter dat de regeling tot eigenaardige resultaten kon leiden. De rechtbank kwam in het lichaam van de uitspraak tot het oordeel dat de NVU kwalificeerde als een verboden vereniging. Ondanks het aangenomen verboden karakter van de NVU wees de rechtbank echter de vordering tot ontbinding af, omdat die in de gegeven omstandigheden elke betekenis mistte. Volgens de rechtbank bracht het door haar geconstateerde verboden karakter van de NVU wel met zich dat strafrechtelijke vervolging van deelnemers kon plaatsvinden op grond van art. 140 Sr en dat deelneming aan de verkiezingen aan de NVU kon worden ontzegd. In cassatie overwoog de Hoge Raad dat, anders dan de rechtbank had overwogen, het oordeel over het verboden karakter van de NVU rechtens geen consequenties heeft; de strafrechter, het centraal stembureau of de Kiesraad zijn daaraan niet gebonden. Maeijer stelde in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad dat “[n]iet voor niets in 1939 in art. 4 Wet Vereniging en Vergadering 1855 de mogelijkheid [is] geopend tot het doen van een (…) declaratoire uitspraak met algemeen en permanent karakter” en vroeg zich vervolgens af: “Hebben wij deze mogelijkheid bij de indiening van Boek 2 BW in 1976 niet al te gemakkelijk losgelaten?” 2.8 Het voorgaande vormde begin jaren ’80 van de vorige eeuw aanleiding tot het wetsvoorstel Wijziging van enige bepalingen over verboden rechtspersonen. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel merkt de toenmalige minister van Justitie De Ruiter op: “In zijn noten wijst Maeijer op de bezwaren van de nieuwe regeling, vergeleken bij de oude. Deze zijn dat de verbodenverklaring is vervallen en dat de rechter de vrijheid heeft om niet te ontbinden. Voorgesteld wordt nu deze bezwaren weg te nemen, het eerste door de verbodenverklaring weer in de wet op te nemen. Artikel 15 wordt zo gewijzigd, dat de rechter een rechtspersoon op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaart. Deze verklaring heeft een rechtens bindend karakter, zoals tussen 1939 en 1976. De verbodenverklaring wordt beperkt tot het geval van werkzaamheid in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Wanneer slechts de doelomschrijving van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, maar de werkzaamheid van de rechtspersoon daarmee niet in strijd is, zal de rechter de rechtspersoon wel kunnen ontbinden, maar niet verboden kunnen verklaren. Wanneer de rechter evenwel vaststelt, dat de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, mag hij de verbodenverklaring en ontbinding niet achterwege laten. Op deze wijze wordt ook het tweede bezwaar ondervangen dat aan de bestaande wet blijkt te kleven.” Het wetsvoorstel leidde tot de samenvoeging van art. 2:15 en 2:16 BW tot een nieuw art. 2:15 BW, waarvan het eerste lid in 1988 als volgt kwam te luiden: “Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde wordt door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” Hoewel dit niet blijkt uit de wettekst, werd het karakter van de verbodenverklaring gewijzigd van een vaststellende (declaratoire) betekenis naar een rechtscheppende (constitutieve) betekenis. Dat wil zeggen dat de verboden verklaarde rechtspersoon “voor de toekomst als verboden zal gelden en niet (…) dat de rechtspersoon al sinds enige tijd een verboden karakter heeft.” Deze wijziging strookt met het pleidooi van Elzinga, die erop wees dat in het bijzonder voor politieke partijen een constitutieve verbodenverklaring de voorkeur verdient, omdat in dat geval door niemand op de verbodenverklaring kan worden geanticipeerd. Elzinga heeft daarnaast voorgesteld om “in het bijzonder voor politieke partijen invoering van een constitutieve verbodenverklaring nader uit te werken door mogelijkheden tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en andere voorlopige maatregelen niet toe te staan.” Dit laatste voorstel van Elzinga is niet overgenomen: “Dat de rechter ontbinding zal uitspreken met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, mag niet worden verwacht, omdat ontbinding een onherroepelijke ingreep is. Daarom wordt deze mogelijkheid hier noch elders in boek 2 BW uitgesloten in de ontbindingsbepalingen. Over de vraag of een verbodenverklaring bij voorraad uitvoerbaar kan worden verklaard, kan men aarzelen. Nu een verbodenverklaring slechts strafrechtelijke gevolgen heeft en artikel 140, lid 2, zoals nu gewijzigd voorgesteld, die gevolgen slechts verbindt aan een onherroepelijke verbodenverklaring, zal een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, als de rechter die al zou uitspreken, geen rechtsgevolg hebben.” Elzinga zag als bezwaar dat “[a]nderen dan de rechter vast [zouden] kunnen stellen dat de rechtspersoon verboden is en deze rechtspersoon faciliteiten onthouden, zoals het niet ter beschikking stellen van vergaderruimte etc. Op het eerste gezicht lijkt een dergelijke constructie aantrekkelijk en democratisch. In plaats van het OM met zijn opportuniteitsbeginsel kunnen bevolking en overheidsinstanties zelf uitmaken op welke wijze ze een ‘verboden vereniging’ tegemoet treden, de politieke partij kan zich via de rechter tegen dit handelen verweren. In het bijzonder voor politieke partijen is een dergelijk regime echter zeer bezwaarlijk, vooral indien door anderen dan de rechter op een verbodenverklaring wordt vooruitgelopen tijdens de voorbereiding van verkiezingen. Een beroep van de getroffen partij op de rechter mist ieder effect indien de uitspraak eerst na de verkiezing kracht van gewijsde krijgt. De facto wordt een politieke vereniging in een dergelijke situatie geconfronteerd met een vorm van oneigenlijke rechtstoepassing die veelal niet tijdig kan worden gecorrigeerd.” De minister stelde daar tegenover het uitgangspunt dat het iedere burger die vergaderruimte heeft, vrij staat die te verhuren aan wie hij wil, onder de voorwaarde dat hij daarbij niet strafbaar mag discrimineren. Het betoog van Elzinga gaat volgens de minister ten onrechte uit van de gedachte dat voor een weigering om zaalruimte te verhuren, een bijzondere reden nodig zou zijn, zoals de wetsbepaling dat een rechtspersoon met werkzaamheid in strijd met de openbare orde verboden is. 2.9 Bij het rechtscheppende karakter van de verbodenverklaring sluit de gewijzigde regeling van art. 140 lid 2 Sr aan. Niet langer was strafbaar de deelneming aan een verboden rechtspersoon, maar de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon is dus pas strafbaar op grond van art. 140 lid 2 Sr als de uitspraak van de civiele rechter in kracht van gewijsde is gegaan. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de civiele rechter heeft niet het effect dat daardoor de strafbaarheid van art. 140 lid 2 Sr intreedt. Aan de strafrechter komt in geval van strafvervolging op de voet van art. 140 lid 2 Sr geen oordeel (meer) toe over het verboden karakter van de rechtspersoon. In feite is sprake van een misdrijf tegen het openbaar gezag; het gaat om ongehoorzaamheid aan een rechterlijke uitspraak. Voordat op grond van art. 140 lid 2 Sr kan worden opgetreden, kan ook reeds op grond van art. 140 lid 1 Sr worden opgetreden. Art. 140 lid 1 Sr betreft de strafbaarstelling van de deelnemingshandeling van de verdachte, in welk kader de strafrechter ook moet vaststellen dat sprake is van een organisatie in de zin van art. 140 lid 1 Sr en dat die organisatie het oogmerk heeft misdrijven te begaan. 2.10 Na 1988 hebben nog enkele beperkte wetswijzigingen van art. 2:20 BW plaatsgevonden. Zo vond in 1992 in verband met de invoering van het nieuw BW omnummering plaats van art. 2:15 BW naar het huidige art. 2:20 BW. In 2002 vond een aanpassing plaats van art. 2:20 BW in verband met de herziening van het burgerlijk procesrecht, waarbij “op vordering van het OM” in art. 2:20 BW werd vervangen door “op verzoek van het OM”. In 2007 vonden wetswijzigingen plaats met het oog op de bestrijding van internationaal terrorisme, waarbij o.a. art. 2:20 lid 3 BW werd ingevoerd (zie ook onder 2.3). Wetsvoorstel ter verruiming van mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen 2.11 Van de historische achtergrond van het huidige art. 2:20 BW (en art. 140 lid 2 Sr) stap ik nu over naar het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen. Dit wetsvoorstel is thans nog niet in werking getreden en lopende procedures op grond van art. 2:20 BW zullen ook niet worden geraakt door het wetsvoorstel. Een, overigens niet-volledige, bespreking van enkele elementen uit het wetsvoorstel komt mij niettemin dienstig voor, omdat die voorgestelde wetswijzigingen licht kunnen werpen op onderwerpen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Anticipatie op nieuwe wetgeving is in de onderhavige zaak niet aan de orde. In deze zaak wordt het wettelijke kader zoals dat thans geldt (zie onder 2.2-2.3) tot uitgangspunt genomen. 2.12 Ik wijs in de eerste plaats op het voorstel om “strijd met de openbare orde” als bedoeld in art. 2:20 BW in de wettekst zelf te verduidelijken. De WVV bevatte vanaf de invoering in 1855 een dergelijke verduidelijking in art. 3 (zie onder 2.4), en daar is in 1971 nog een grond aan toegevoegd (zie ook onder 2.4). Bij het overhevelen naar Boek 2 BW in 1976 werd niet langer voorzien in een nadere inhoudelijke omschrijving in de wet zelf (zie onder 2.6). Ondanks aansporingen daartoe heeft de wetgever in 1988 (zie ook onder 2.8) bewust afgezien van het opnemen van een opsomming van werkzaamheden die strijd kunnen opleveren met de openbare orde. De huidige minister voor Rechtsbescherming erkent in de memorie van toelichting dat het openbare orde-begrip een “dynamisch vangnetbegrip” is waarvoor flexibiliteit in de toepassing van groot belang blijft, maar komt nu toch met een voorstel tot verduidelijking in de wettekst. Naast verduidelijking acht de regering het wenselijk dat eerder dan thans het geval is, toegekomen kan worden aan het verboden verklaren en ontbinden van rechtspersonen. Daarom worden enkele activiteiten en doelstellingen vermoed in strijd te zijn met de openbare orde. Eén daarvan is geweld, waaronder strafbare geweldspleging in meerdere vormen valt, daaronder begrepen het doelbewust uitlokken, bevorderen of daadwerkelijk gebruik van geweld. De onderhavige zaak wordt door de minister onder deze categorie geschaard. De minister merkt in dit verband verder op dat: “(…) als zodanig ook niet-strafbare feiten kunnen leiden tot een verbod onder artikel 2:20 BW; dat is ook nu al het geval en dit wetsvoorstel brengt daarin geen verandering.” “[E]en strafrechtelijke veroordeling voor een van de genoemde feiten [kan] onderdeel uitmaken van de onderbouwing van het verzoek. Een dergelijke veroordeling is echter niet noodzakelijk; de civiele rechter zal een zelfstandige afweging dienen te maken of voldoende bewijs is geleverd van de genoemde gedragingen. De kwalificatie van dat gedrag door een eventueel later volgende uitspraak van een strafrechter doet niet af aan die beoordeling. (…) Overeenkomstig de jurisprudentie van het EHRM zal niet voldoende zijn dat er slechts een theoretische mogelijkheid bestaat dat een handeling of opvatting leidt of kan leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld, haat of discriminatie. Steeds zal duidelijk moeten zijn dat er tenminste een reëel en ernstig risico bestaat dat dit gevaar zich zal verwezenlijken. Aan de andere kant zou te ver gaan om te eisen dat steeds sprake moet zijn van daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten voordat kan worden ingegrepen. Bij een reële dreiging kan niet van de Staat worden verwacht dat hij stil blijft zitten, ook al is er nog geen sprake van een strafbaar feit.” 2.13 Daarnaast is relevant dat de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel erop wijst dat in recente jurisprudentie aan het licht is gekomen dat de gevolgen van een verbodenverklaring te onduidelijk zijn, zeker in de periode dat deze nog door een hogere rechter kan worden beoordeeld. Het OM heeft gepleit voor schrapping van het woord “onherroepelijk” in art. 140 lid 2 Sr, zodat eerder strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen een verboden verklaarde rechtspersoon. Als alternatief heeft het OM voorgesteld om strafrechtelijke handhaving mogelijk te maken als de verbodenverklaring in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De minister merkt hierover - m.i. met recht - op dat: “[h]et de regering (…) te ver [gaat] om de strafbaarheid (…) in algemene zin te verbinden aan een verbodenverklaring die nog niet onherroepelijk is geworden. Dat kan in de door het OM genoemde periode van één tot drie jaar voor hoger beroep en cassatie tot allerlei vanuit rechtsstatelijke optiek onwenselijke consequenties leiden als iemand wordt vervolgd of is veroordeeld voor voortzetting van de activiteiten van een verboden verklaarde rechtspersoon, terwijl die verbodenverklaring achteraf onterecht blijkt. Datzelfde geldt voor de invoering van strafbaarheid ingeval de verbodenverklaring in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.” 2.14 Het wetsvoorstel kiest daarom een andere richting. Voorgesteld wordt om de mogelijkheid van een rechterlijk bevel om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten op te nemen in een nieuw art. 2:20 lid 5 BW, waarbij de verbodenverklaring en de bevelen op grond van een nieuw art. 2:20 lid 6 BW uitvoerbaar bij voorraad zijn: “5. Bij de verbodenverklaring kan de rechter de betrokken rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken in het belang van de openbare orde bevelen om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten, uiterlijk totdat over de verboden verklaring onherroepelijk is beslist. 6. De verbodenverklaring en de daarbij gegeven bevelen zijn uitvoerbaar bij voorraad. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking niet.” Deze voorgestelde bepalingen worden in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: “In het voorgaande ligt besloten dat er alleen in exceptionele en ernstige omstandigheden sprake zal zijn van een verbodenverklaring van een rechtspersoon. Als daarvan eenmaal sprake is, dan moet een rechtspersoon haar activiteiten niet nog vele jaren ongestoord kunnen voortzetten omdat er hoger beroep c.q. cassatie is ingesteld. Daarom rechtvaardigt de verbodenverklaring per se uitvoerbaarheid bij voorraad. Een specifiek verzoek van het OM of een nadere discretionaire afweging door de rechter is daarvoor niet nodig. Omdat naar aanleiding van recente rechtspraak hierover wellicht twijfel zou kunnen bestaan, wordt de uitvoerbaar bij voorraad verklaring nu uitdrukkelijk voorzien in het nieuwe artikel 2:20 lid 6 BW. Wetssystematisch wordt daarmee aangesloten bij artikel 10:122 lid 2 BW, dat aan de verklaring voor recht dat een buitenlandse organisatie in strijd met de Nederlandse openbare orde handelt onmiddellijk effect en werking erga omnes toekent. Tevens wordt hiermee verduidelijkt dat de artikel 2:20 BW-procedure er niet een is waarvan “de aard van de zaak” zich tegen uitvoerbaarheid bij voorraad verzet, in de zin van artikel 233 lid 1 Rv.Omdat de ontbinding ingevolge artikel 2:20 BW na een verbodenverklaring een onherroepelijke ingreep betekent, die niet terug is te draaien na een andersluidend oordeel in hoger beroep of cassatie, ziet de nu voorziene uitvoerbaarheid bij voorraad niet op de ontbinding, maar alleen op de verbodenverklaring. (…)” Ik zie hier een parallel met art. 10 lid 2 WVV (oud) en de toelichting daarop, aangehaald onder 2.4. Door de Raad van State is opgemerkt dat de vraag rijst wat de praktische betekenis zal zijn van de voorgestelde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring, nu het voorstel geen verandering brengt in de onherroepelijkheidseis van art. 140 lid 2 Sr en in de toelichting geen duidelijkheid wordt verschaft over de eventuele andere (strafrechtelijke of andersoortige) rechtsgevolgen van uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring. De minister antwoordt in zijn nader rapport: “Pas na een onherroepelijke verboden verklaring is de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie strafbaar [in de zin van art. 140 lid 2 Sr, A-G]. Dat neemt niet weg dat de verbodenverklaring die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard ook direct effect sorteert. Dat is het geval binnen het privaatrecht, maar als gevolg van het voorstel ook binnen het strafrecht. Het voorstel voegt immers de mogelijkheid toe van het rechterlijk bevel om bepaalde maatregelen te nemen of gedragingen na te laten (artikel 2:20 lid 5 BW). Het rechterlijk bevel is een ordemaatregel gedurende de artikel 2:20-procedure, die uit zijn aard direct effect dient te sorteren. Het niet naleven van een dergelijk bevel wordt strafbaar op grond van art. 184a lid 2 Sr. De verwevenheid van de bevelen en de verbodenverklaring, maakt dat ook de verbodenverklaring direct dient te werken. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is ook daarom aangewezen.” Ik versta de minister zo dat naar huidig recht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een verbodenverklaring geen (strafrechtelijk of andersoortig) rechtsgevolg heeft (zie ook onder 2.8) en dat dit met het wetsvoorstel zal veranderen, als uiteengezet door de minister (verwijzend naar het privaatrecht en het strafrecht). Die laatste, beoogde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring moet (dus) begrepen worden in de sleutel van de rechterlijke bevelen in de zin van het voorgestelde art. 2:20 lid 5 BW, die ook uitvoerbaar bij voorraad zijn (art. 2:20 lid 6 BW). 2.15 Handelen in strijd met een dergelijk bevel ex art. 2:20 lid 5 BW wordt volgens het wetsvoorstel strafbaar gesteld in het nieuw voorgestelde art. 184a lid 2 Sr: “2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een bevel, bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.” Deze voorgestelde bepaling maakt deel uit van Titel VIII Sr, Misdrijven tegen het openbaar gezag (vgl. onder 2.9, waar werd opgemerkt dat art. 140 lid 2 Sr in feite ook een misdrijf tegen het openbaar gezag betreft).In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt opgemerkt dat met het bevel: “wordt tegemoet gekomen aan de behoefte, geuit door het OM, om al in een vroeg stadium na een verbodenverklaring strafrechtelijk te kunnen optreden, om zo de deelneming aan een verboden rechtspersoon effectiever te kunnen bestrijden. De strafbaarheid is zo gekoppeld aan een zelfstandig gegeven rechterlijk bevel, waarvan het niet naleven strafbaar is. Wordt de verbodenverklaring van de rechtspersoon in hoger beroep alsnog vernietigd, dan heeft dit geen gevolgen voor de strafbaarheid van de overtreding van het zelfstandig gegeven rechterlijk bevel.” En bij de artikelsgewijze toelichting voorts: “Gedacht kan worden aan samenscholings- of gebiedsverboden, een meldplicht, onthouden van promotieactiviteiten, het staken van websites, het nalaten om in het openbaar zichtbaar bepaalde symbolen te dragen of deze anderszins te gebruiken of een verbod op te treden als feitelijk bestuurder van een rechtspersoon. Dergelijke (orde)maatregelen zijn tijdelijk en gelden uiterlijk totdat bij gewijsde over de verbodenverklaring is beslist. Zowel bij de vraag of c.q. welke (voorlopige) maatregelen geboden zijn als bij de vraag wat hun geldingsduur zou moeten zijn heeft de rechter een maximale discretionaire bevoegdheid. Maatwerk wordt daarmee het devies. Dat impliceert overigens geen carte blanche voor de rechter, omdat de eventuele voorlopige maatregelen moeten zijn ingegeven en worden gerechtvaardigd door het belang van de openbare orde.” Dit onderdeel van het wetsvoorstel lijkt mede geïnspireerd te zijn door het Duitse recht. Zo bevat art. 9 Vereinsgesetz (hierna: VereinsG) een zogenoemd ‘Kennzeichenverbot’. Op grond van art. 9 lid 1 VereinsG is het niet toegestaan Kennzeichen van de verboden vereniging in het openbaar, tijdens een bijeenkomst of in geschriften, op geluids- of beelddragers, etc. te gebruiken. Lid 2 van de bepaling verstaat onder dergelijke Kennzeichen in het bijzonder vlaggen, emblemen, uniformen, leuzen en begroetingsvormen. Lid 3 van de bepaling verklaart het eerste lid van overeenkomstige toepassing op Kennzeichen van een verboden vereniging die op in wezen gelijke wijze worden gebruikt door andere, niet verboden, Teilorganisationen of zelfstandige verenigingen. Overtreding van het Kennzeichenverbot is op grond van art. 20 lid 1 VereinsG strafbaar gesteld met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete, voor zover de gedragingen niet strafbaar zijn gesteld in het Strafgesetzbuch (hierna: StGB). Art. 86a StGB bevat het equivalent van het Kennzeichenverbot uit het VereinsG, dat op grond van deze strafrechtelijke bepaling strafbaar is gesteld met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of een geldboete. Voor toepassing van art. 86a StGB is een onherroepelijk (unanfechtbar) verbodsbesluit vereist, terwijl art. 20 VereinsG eerder kan worden toegepast, bij een uitvoerbaar (vollziehbar) verbod. Het StGB bevat bovendien niet een bepaling vergelijkbaar met art. 9 lid 3 VereinsG. De Bundestag heeft in 2017 besloten tot aanpassing van het VereinsG. Aan art. 9 lid 3 VereinsG is toegevoegd: “Ein Kennzeichen eines verbotenen Vereins wird insbesondere dann in im Wesentlichen gleicher Form verwendet, wenn bei ähnlichen äuβerem Gesamterscheinungsbild das Kennzeichen des verbotenen Vereins oder Teile desselben mit einer anderen Orts- oder Regionalbezeichnung versehen wird.” Daarnaast heeft deze wetswijziging meegebracht dat overtreding van art. 9 lid 3 VereinsG strafbaar is gesteld in art. 20 lid 1 VereinsG en daarmee dus eerder kan worden gehandhaafd. Naast de strafbaarstelling van schending van een rechterlijk bevel in art. 184a Sr bevat het wetsvoorstel ook een verhoging van de straf op voortzetting van de werkzaamheden van verboden rechtspersonen op grond van art. 140 lid 2 Sr. In het wetsvoorstel wordt de strafmaat verhoogd van gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie naar gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierover opgemerkt: “Deze verhoging van de strafmaat maakt duidelijk dat de voortzetting van werkzaamheden van een verboden rechtspersoon niet wordt geaccepteerd. De verhoogde strafmaat sluit tevens aan bij de wens om voorlopige hechtenis en de inzet van opsporingsmiddelen mogelijk te maken, door toevoeging van artikel 140, lid 2, Sr aan artikel 67 Sv.” 2.16 In het wetsvoorstel wordt over de rol van het OM opgemerkt: “Er is bewust van afgezien om de kring van vorderingsgerechtigden te verruimen. Het procesmonopolie blijft exclusief bij het OM als onafhankelijk vertegenwoordiger van het algemeen belang. Vanwege het civielrechtelijke karakter van de verbodenverklaring staat tegen een besluit van het OM om geen verzoek ex art. 2:20 BW in te dienen, geen artikel 12 Sv-procedure open. Het OM maakt de afweging om 2:20 BW (…) al dan niet in te zetten in alle onafhankelijkheid. Vanuit waarborgoptiek is, ten slotte, de rechterlijke toets van belang; dit vormt de belangrijkste rechtsstatelijke correctiefactor tegen onnodig gebruik van de artikel 2:20 BW-procedure.” De mogelijkheid een verzoek te doen ex art. 2:20 BW behoort tot de niet-strafrechtelijke bevoegdheden van het OM. Bij het onderbouwen van een verzoek ex art. 2:20 BW kan het OM zich mede baseren op gegevens die zijn vergaard in het kader van strafrechtelijk en ander optreden ter zake van strafbare feiten. In dat kader wordt in de literatuur wel gesproken van ‘overheveling’ van gegevens bij wisseling van de soort taak van het OM. Het gaat daarbij niet altijd om openbare gegevens en die gegevens hoeven ook niet steeds in het kader van strafrechtelijke veroordelingen onherroepelijk vastgestelde feiten te zijn. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om informatie die door het OM is verkregen in lopende strafrechtelijke onderzoeken, processen-verbaal van politie, etc. In de literatuur wordt wel opgemerkt dat de mogelijkheden tot overheveling niet altijd duidelijk zijn en dat het de vraag is of de civiele rechter de rechtmatigheid van de gegevensvergaring kan beoordelen. Rechtspraak over art. 2:20 lid 1 BW met betrekking tot OMG’s 2.17 Ik ga tot slot van deze inleidende beschouwing in op de rechtspraak over art. 2:20 lid 1 BW met betrekking tot OMG’s. Deze rechtspraak komt voort uit een zogenoemde ‘geïntegreerde aanpak’ van OMG’s, die de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie Opstelten in 2012 heeft aangekondigd. De minister constateerde dat “een gedegen, grondige strafrechtelijke aanpak in dit kader noodzakelijk is” en dat het OM daarbij “uiteraard alert is op informatie die eventueel in een artikel 2:20 lid 1 BW procedure een rol zou kunnen spelen.” Naast strafrechtelijk en civielrechtelijk optreden, wijst de minister voorts op het inzetten van bestuurlijke en fiscale instrumenten: “Aldus wordt nadrukkelijk ingezet op zowel een werkwijze van snelle klappen op korte termijn, als op het opwerpen van drempels die effect op de langere termijn sorteren.” Verzoeken van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW vergen een langere adem. De minister merkt daarover in zijn brief aan de Tweede Kamer op: “Voor een succesvolle procedure is vooral nodig dat er voldoende bewijs is. Daarbij zijn de bewijslasten erg zwaar.” In de brief van de minister wordt in het kader van strafrechtelijke onderzoeken die informatie kunnen opleveren voor een art. 2:20 BW-procedure gesproken van “een stapsgewijze werkwijze”. Hier kan een parallel getrokken worden met de zogenoemde ‘escalatieladder’, die recent door de Staatscommissie parlementair stelsel is geformuleerd met betrekking tot het verbieden van politieke partijen. Een partijverbod vormt de hoogste trede (stap 3) op deze ladder, welke maatregel wordt voorafgegaan door strafrechtelijke vervolging van voorlieden van de partij (stap 1) en eventuele bestuurlijke maatregelen, zoals tijdelijke stopzetting van financiering of subsidiëring van overheidswege of het onthouden van faciliteiten (stap 2). Een vergelijkbare drietrapsraket kan ook worden ontwaard in het optreden tegen OMG’s zoals Satudarah. Tegen voorlieden van Satudarah is veelvuldig strafrechtelijk opgetreden. Daarnaast bestaat tegen Satudarah ook een strafrechtelijke verdenking als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven in de zin van art. 140 lid 1 Sr. Dit strafrechtelijke onderzoek staat bekend onder de naam 26Largo. Tegen Satudarah zijn daarnaast verschillende bestuurlijke maatregelen genomen, zoals een verbod op last van de burgemeester tot het houden van een motortocht, bestuurlijke sluiting van clubhuizen, stopgesprekken, gebiedsontzeggingen, colorverboden, etc. Het zal duidelijk zijn dat de verschillende stappen op elkaar (kunnen) inwerken, wat m.i. ook tot uitdrukking wordt gebracht met de ‘geïntegreerde aanpak’. Strafrechtelijk en bestuursrechtelijk optreden vormen in dit model de ‘opmaat’ naar een eventueel verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding op grond van art. 2:20 lid 1 BW. Voor toepassing van art. 2:20 lid 1 BW is echter niet noodzakelijk dat daaraan een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling vooraf is gegaan (zie ook onder 2.12). Wanneer een rechtspersoon door de rechtbank op grond van art. 2:20 lid 1 BW verboden verklaard en ontbonden wordt, kan dat, als die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw aanleiding geven tot strafrechtelijk optreden op grond van art. 140 lid 2 Sr, als de werkzaamheid van de verboden verklaarde rechtspersoon wordt voortgezet. Tegen een verboden verklaarde rechtspersoon kan ook bestuursrechtelijk worden opgetreden. Voor bestuursrechtelijke handhaving van een verbodenverklaring op de voet van art. 2:20 BW bestaan geen met art. 140 lid 2 Sr vergelijkbare wettelijke grondslagen (zie ook onder 2.14). Een onherroepelijke rechterlijke beslissing op de voet van art. 2:20 lid 1 BW of uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking op grond van art. 2:20 lid 1 BW is niet maatgevend voor het bestuursrechtelijk (kunnen) optreden; dat vereist een andere wettelijke grondslag dan zo’n verbodenverklaring op de voet van art. 2:20 BW, die daarbij uiteraard wel als reden of grondslag mede van betekenis kan zijn. In de praktijk wordt wel aangenomen dat “het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verbod voor het bestuur ‘al per direct een (extra) reden en onderbouwing is’ om instrumenten in te zetten die zijn beschreven in documenten over de landelijke integrale aanpak van OMGs.” In de literatuur wordt m.i. terecht verdedigd dat ook bij bestuursrechtelijke handhaving terughoudendheid moet worden betracht zolang een verbodenverklaring nog niet onherroepelijk is: “Een verklaring uitvoerbaar bij voorraad van de verbodenverklaring of de verklaring voor recht verandert niets aan de mogelijkheid dat zij nog kunnen worden teruggefloten.” Die terughoudendheid is uiteraard met name geboden bij bestuursrechtelijk optreden waarvan de gevolgen niet of moeilijk zijn terug te draaien, zoals ook het geval is bij ontbinding van de rechtspersoon (zie ook onder 2.8). 2.18 De in 2012 ingezette geïntegreerde aanpak heeft geleid tot verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW van de als informele verenigingen georganiseerde OMG’s Bandidos Motorcycle Club, Catervarius Netherlands, Satudarah Motorcycle Club (waarover deze procedure in cassatie handelt), Hells Angels Motorcycle Club Holland en No Surrender (Motorcycle Club). Tegen de (informele) vereniging Caloh Wagoh Main Triad (Motorcycle Club) is een verzoek van het OM op grond van art. 2:20 lid 1 BW aanhangig bij de rechtbank Midden-Nederland. In de periode voorafgaand aan de geïntegreerde aanpak zijn verzoeken van het OM tot het verboden verklaren en ontbinden van enkele plaatselijke afdelingen (chapters) van de Hells Angels afgewezen. 2.19 Toegespitst op de onderhavige zaak licht ik drie relevante elementen uit de Bandidos-zaak uit, mede onder verwijzing naar procedures tegen andere OMG’s. 2.20 Het hof heeft in de Bandidos-zaak tot uitgangspunt genomen: “4.7 Dit [de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM, A-G] betekent dat hoge eisen moeten worden gesteld aan verzoeken op grond van de artikelen 2:20 en 10:122 BW en de motivering en onderbouwing daarvan. Uit de motivering en onderbouwing van de verzoeken moet blijken dat sprake is van een rechtspersoon of corporatie zoals in de artikelen 2:20 en 10:122 BW bedoeld. Ook moet in voldoende mate vaststaan dat sprake is van gedragingen die een daadwerkelijke aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten en die aan de desbetreffende rechtspersoon of corporatie kunnen worden toegerekend.” De Hoge Raad bevestigt dat uitgangspunt van het hof in zijn beschikking. De overweging van de Hoge Raad dat “hoge eisen moeten worden gesteld aan een verzoek” van het OM “en de motivering en onderbouwing daarvan” is in de Bandidos-zaak toegespitst op een verzoek op de voet van art. 10:122 BW en op het stellen, en zo nodig, onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117 onder a BW. Die hoge eisen gelden mutatis mutandis ook met betrekking tot een verzoek op de voet van art. 2:20 lid 1 BW voor de stelplicht van het OM dat sprake is van een rechtspersoon. Die hoge eisen gelden bovendien niet alleen voor het element ‘rechtspersoon’ in art. 2:20 lid 1 BW, maar ook voor het element dat ‘de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’. Voor dat laatste element wijs ik op de Hells Angels-beschikking van de Hoge Raad: “3.6 (...) Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, zoals members of binnen- of buitenlandse zusterorganisaties, zelf niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen "werkzaamheid" worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven. Het oordeel van het hof komt erop neer dat in dit opzicht niet voldoende is komen vast te staan en dat het Openbaar Ministerie zijn verzoek in dit opzicht ook onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Het hof is daarom tot de slotsom gekomen (in rov. 31) dat de gewraakte feiten en omstandigheden betreffende de werkzaamheid van de stichting en de vereniging, voor zover zij zijn komen vast te staan, voor een deel wel kunnen worden aangemerkt als maatschappelijk ongewenst gedrag en mogelijk ook als strafbare feiten, maar niet als een zodanig ernstige inbreuk op de openbare orde dat een verbodenverklaring en ontbinding van een of beide rechtspersonen gerechtvaardigd is. Anders gezegd is naar het oordeel van het hof niet gebleken van een werkzaamheid waarvan de ongestoorde voortzetting en navolging in een democratische rechtsstaat niet kan worden geduld op straffe van ontwrichting, en daarom is voor de ingrijpende maatregel van verbodenverklaring en ontbinding van de rechtspersonen van de Harlinger Hells Angels geen plaats.” Uit de Hells Angels-beschikking van het hof blijkt reeds (dat werd in die zaak in cassatie ook niet bestreden) dat ondanks de hoge eisen die gesteld worden aan de stelplicht en bewijslast van het OM, bij de beoordeling van een verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW van belang is of “met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan.” Wanneer de werkzaamheid in strijd met de openbare orde van de rechtspersoon betrekking heeft op strafbare feiten, is in het kader van de beoordeling van het verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW niet doorslaggevend dat (nog) geen sprake is van strafrechtelijke veroordeling of vervolging of dat een strafzaak met een sepot of vrijspraak is geëindigd: “Deze feiten kunnen wel meewegen wanneer met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan.” In de literatuur is in dit verband opgemerkt: “Zie hier een voorbeeld par excellence van het verschil in bewijswaardering in burgerlijke en strafzaken” [curs. in origineel, A-G]. Ik kom op dit element uit de Bandidos-zaak terug bij de bespreking van klacht 1 van het principale cassatieberoep. 2.21 In de Bandidos-zaak heeft de Hoge Raad voorts over de reikwijdte van een verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van een rechtspersoon op de voet van art. 2:20 lid 1 BW het volgende vooropgesteld: “3.4.1 De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Uit art. 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop volgt dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel. Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is. Opmerking verdient nog dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld. 3.4.2 Zowel een formele als een informele vereniging kan afdelingen hebben waarbinnen leden van de vereniging bijvoorbeeld geografisch of functioneel zijn ingedeeld. Voor het antwoord op de vraag of een vereniging afdelingen heeft, komt onder meer betekenis toe aan de statuten of reglementen van die vereniging. Het is mogelijk dat een afdeling van een vereniging ook zelf rechtspersoonlijkheid heeft. Zo kan een afdeling op haar beurt een formele of informele vereniging zijn. 3.4.3 Als een vereniging op de voet van art. 2:20 lid 1 BW wordt verboden, strekt dat verbod zich niet uit tot de afdelingen van de vereniging die zelf als rechtspersoon moeten worden aangemerkt. Hiervoor is het volgende redengevend. Art. 2:20 lid 1 BW moet worden uitgelegd in het licht van de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting. Met de toewijzing van een op de voet van art. 2:20 lid 1 BW gedaan verzoek wordt immers een ernstige inbreuk gemaakt op deze vrijheden, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Dit betekent dat art. 2:20 lid 1 BW strikt moet worden uitgelegd (vergelijk hetgeen hiervoor in 3.2.6 met betrekking tot art. 10:122 lid 1 BW is overwogen). Art. 2:20 lid 1 BW, dat uitdrukkelijk bepaalt dat ‘een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde’ op verzoek van het OM verboden wordt verklaard en wordt ontbonden, dient daarom aldus te worden uitgelegd dat toewijzing van dat verzoek tot gevolg heeft dat uitsluitend de rechtspersoon ten aanzien van wie het verzoek is gedaan, verboden wordt verklaard en wordt ontbonden. Toewijzing van een dergelijk verzoek heeft dus niet tot gevolg dat daarmee tevens een andere rechtspersoon wordt verboden. Dat zou zich ook niet verdragen met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht van die andere rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede rechtsgevolg kan hebben voor zijn eigen voortbestaan. 3.4.4 Het voorgaande laat onverlet dat het een andere rechtspersoon - waaronder begrepen de afdeling die zelf als rechtspersoon moet worden aangemerkt - niet vrijstaat om de werkzaamheid van de verboden rechtspersoon voort te zetten.” [voetnootverwijzingen niet overgenomen, A-G] De Hoge Raad overweegt na deze vooropstelling dat het hof heeft geoordeeld dat de lokale Nederlandse chapters zijn aan te merken als informele verenigingen en dat het hof daartoe redengevend heeft geacht, na te hebben overwogen dat zowel de lokale chapters als hun leden (tevens) lid zijn van de informele vereniging BMC Holland (tegen welke rechtspersoon het verzoek ex art. 2:20 BW was gericht), dat de lokale chapters zelf een bestendige organisatie met leden vormen, beschikken over een eigen bestuur, een eigen naam, eigen leden, eigen vergaderingen, een eigen contributieverplichting en eigen onderscheidingstekens op de kleding en zich naar buiten toe als zelfstandige eenheid presenteren. Dit oordeel van het hof is volgens de Hoge Raad feitelijk, en voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Nu de lokale Nederlandse chapters naar het oordeel van het hof zijn aan te merken als rechtspersonen, heeft het hof volgens de Hoge Raad in het midden kunnen laten of de lokale Nederlandse chapters ook afdelingen zijn van BMC Holland.Uit de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad blijkt dat de vraag of sprake is van een afdeling van een (formele of informele) vereniging is te onderscheiden van de vraag of die (eventuele) afdeling zelf weer is aan te merken als een rechtspersoon. In rov. 3.4.1 van de beschikking gaat de Hoge Raad in op de vereisten voor het bestaan van een informele vereniging. Vereiste daarvoor is dat er “een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel”. Of een organisatorisch verband een informele vereniging is, hangt volgens de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval. A-G Vlas gaat er in zijn conclusie voor de beschikking, in navolging van de literatuur, van uit dat het bestaan van een afdelingsverhouding een relevante omstandigheid is bij het beoordelen van de vraag of de afdeling is aan te merken als een informele vereniging met eigen rechtspersoonlijkheid. Om als afdeling van een informele vereniging aangemerkt te kunnen worden als rechtspersoon, zal aan de vereisten voor het bestaan van een informele vereniging getoetst moeten worden. De omstandigheid dat sprake is van een afdeling brengt aanvullende vereisten met zich: “On[ze]s inziens dient men geen vereniging aan te nemen wanneer het bestuur van de afdeling geen vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, de algemene vergadering niet het recht heeft om tot ontbinding te besluiten en de afdeling geen eigen regeling kent omtrent toelating van leden en beëindiging van het lidmaatschap.” [voetnootverwijzing niet overgenomen, A-G] Omdat het hof in de Bandidos-zaak in het midden heeft kunnen laten of de chapters konden worden aangemerkt als afdelingen van BMC Holland, is de Hoge Raad niet nader op deze aanvullende vereisten voor het kunnen aanmerken van een afdeling als rechtspersoon (informele vereniging) ingegaan. De onderhavige zaak verschilt in zoverre van de Bandidos-zaak, omdat het hof in de onderhavige zaak, in navolging van de rechtbank, feitelijk heeft vastgesteld dat de chapters lokale afdelingen zijn van Satudarah (zie ook onder 1.1). Het hof kon er in de onderhavige zaak (rov. 12.1 t/m 12.3), in navolging van de rechtbank (rov. 2.2-2.4), ook van uitgaan dat bij Satudarah sprake is van één rechtspersoon, de informele vereniging Satudarah, waarvan onder meer deel uitmaken de chapters (die dus geen eigen rechtspersoonlijkheid bezitten). Ik kom op dit punt terug bij de bespreking van klacht 2 van het principale cassatieberoep. 2.22 Een ander relevant onderwerp dat in de Bandidos-zaak aan de orde is geweest is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW. Het hof heeft daarover in die zaak overwogen: “De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor zover het de verbodenverklaring en ontbinding van BMC Holland betreft. Volgens de wetgeschiedenis van artikel 2:20 BW is het eigenlijk niet de bedoeling van de wetgever geweest dat de rechter een beschikking waarin een verbodenverklaring en ontbinding wordt uitgesproken uitvoerbaar bij voorraad verklaart (Kamerstukken II 17476, nr. 5-7, p. 8). Ontbinding is een onherroepelijke ingreep en artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht verbindt ook alleen gevolgen aan een onherroepelijke verbodenverklaring. Nu tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen bezwaar is gericht, moet het hof deze beslissing evenwel eerbiedigen.” In cassatie werd in die zaak een klacht gericht tegen rov. 4.35, die inhield dat het oordeel van het hof dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een beschikking waarin de rechter een verbodenverklaring en ontbinding uitspreekt niet mogelijk is, onjuist is. A-G Vlas concludeerde dat de klacht bij gebrek aan belang diende te falen, omdat het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in stand had gelaten nu daartegen geen grief was gericht. De Hoge Raad heeft die klacht met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen. In art. 2:20 BW-procedures tegen andere OMG’s wordt uiteenlopend beslist over uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Zo verklaart de rechtbank Noord-Nederland de beschikking tot verbodenverklaring en ontbinding van No Surrender, in navolging van het hof in de Bandidos-zaak, niet uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank Midden-Nederland heeft de beslissing tot verbodenverklaring en ontbinding van de Hells Angels in Nederland uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in incident in hoger beroep schorsing van de werking van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de rechtbank bevolen. Het hof heeft aan die inc

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.