ECLI:NL:PHR:2020:640
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer18/03916 Zitting 23 juni 2020 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, hierna: de verdachte.
De raadsman van verdachte, mr. De Leon, advocaat te Utrecht deelt mee, zakelijk weergegeven:
Ik ben door mijn cliënt niet uitdrukkelijk gemachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen. Ik was er niet van op de hoogte dat hij er vandaag niet zou zijn. Ik vraag mij dan ook af of mijn cliënt nog wel aan [a-straat] woonachtig is. Ik heb ongeveer een half jaar geleden contact met hem gehad en ik kreeg daaruit namelijk de indruk dat mijn cliënt niet van plan was in Nederland te blijven.
De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:
De dagvaarding is betekend op het GBA adres.
De politierechter beveelt dat tegen de verdachte verstek wordt verleend en dat de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet.” (iii) een aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 maart 2006, in de zaken met parketnummers “07/280240-04; 07/915088-05(gev. ttz)”, bij verstek gewezen; (iv) een akte rechtsmiddel d.d. 23 maart 2006, waarin namens de betrokkene hoger beroep ingesteld wordt tegen de uitspraak d.d. 17 maart 2006 in de zaken met parketnummers 07/280240-04 en 07/915088-05. De akte vermeldt ‘[a-straat 1] in [plaats 1]’ als zijn adres; (v) een brief d.d. 19 januari 2007, geadresseerd aan de verdachte, [a-straat 1] te [plaats 1], inzake parketnummer 24‑000724‑06, betreffende de “dagvaarding van verdachte in hoger beroep”, om op 16 februari 2007 te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem, meervoudige kamer, zitting houdende in Leeuwarden. Het gaat om de zaken die in eerste aanleg onder de parketnummers 07-280240-04 en 07‑915088‑05 zijn behandeld; (vi) een ‘akte van uitreiking (NP)’ met invuldatum 26 januari 2007, geadresseerd aan de verdachte, [a-straat 1] in [plaats 1], inzake parketnummer 24‑000724‑06, betreffende de oproeping voor de zitting van 16 februari 2007, met de (aangevinkte) mededeling dat de brief niet uitgereikt kon worden omdat er op het daarop vermelde adres niemand werd aangetroffen en dat aldaar een bericht is achtergelaten waarin is vermeld dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kon worden afgehaald op het daarin vermelde (post)kantoor of politiebureau. Verder is ingevuld dat de brief op 5 februari 2007 is teruggezonden aan de afzender; (vii) een proces‑verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2007, ter behandeling van de zaken met parketnummers 24‑000724‑06 en 24‑000810‑06 (eerste aanleg: 07-280240-04), inhoudende: “De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd : [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats, met als correspondentie-adres [plaats 2], [b-straat 1]. (…) De raadsman van de verdachte voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan:
Ik had niet verwacht [verdachte] hier vandaag aan te treffen, aangezien ik niet in contact met hem kon komen, ondanks dat ik hemel en aarde heb bewogen om contact met hem te krijgen. Ik heb [verdachte] zojuist in de hal van het gerechtshof aangetroffen. (…) De verdachte, ondervraagd door de voorzitter, verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik heb geen vaste woon- of verblijfplaats. Wanneer de voor mij bestemde post wordt gezonden naar het door mij aan u opgegeven adres, [b-straat 1] in [plaats 2], bereikt die post mij wel. Ik ben bereid openheid van zaken te geven met betrekking tot de hennepkwekerijen en mijn financiële situatie. Ik verzeker u dat ik zojuist de waarheid heb verklaard. (…) Hierop schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, zij het maximaal voor de duur van zes maanden. Het hof stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal teneinde uitvoering te (doen) geven aan het bovenstaande.
Het hof beveelt dat de verdachte zal worden opgeroepen tegen een nader te bepalen terechtzitting en dat daarvan kennis wordt gegeven aan diens raadsman.” (viii) een brief d.d. 15 juni 2007, geadresseerd aan de verdachte, [c-straat 1] in [plaats 3], inzake parketnummer 24‑000724‑06 betreffende de “oproeping van verdachte in hoger beroep”, om op 30 augustus 2007 te verschijnen ter (nadere) terechtzitting van het gerechtshof Arnhem, meervoudige kamer, zitting houdende in Leeuwarden; (ix) een ‘akte van uitreiking (NP)’ met invuldatum 18 juni 2007, geadresseerd aan de verdachte, [c-straat 1] in [plaats 3], inzake parketnummer 24‑000724‑06, inzake de oproeping voor de zitting van 30 augustus 2007, met de (aangevinkte) mededeling dat de brief niet uitgereikt kon worden omdat er op het daarop vermelde adres niemand werd aangetroffen en dat aldaar een bericht is achtergelaten waarin is vermeld dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kon worden afgehaald op het daarin vermelde (post)kantoor of politiebureau. Verder is ingevuld dat de brief op 5 juli 2007 is teruggezonden aan de afzender. De achterzijde van de akte vermeldt vervolgens dat op 20 juli 2007 betekening ter griffie van de rechtbank te Leeuwarden heeft plaatsgevonden. Aangekruist staat dat de geadresseerde op het op de akte vermelde adres op de dag van aanbieding en minstens vijf dagen nadien als ingezetene stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Op 26 juli 2007 is een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden aan dat adres; (x) een proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op 30 augustus 2007, ter behandeling van de zaken met parketnummers 24‑000724‑06 en 24‑000810‑06 (eerste aanleg: 07-280240-04): “Van deze zitting zijn geen aantekeningen meer bewaard gebleven. Het onderhavige proces-verbaal is om die reden mogelijk onvolledig. In dit proces-verbaal is alleen opgenomen datgene waarvan (onder meer op grond van de stukken) vast staat dat zulks heeft plaats gevonden.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door de advocaat-generaal.
De voorzitter doet de strafzaak en de ontnemingszaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats, met als correspondentie-adres [plaats 2] [b-straat 1], is niet verschenen.
Wel is verschenen de raadsman van verdachte, mr. L. de Leon.
De advocaat-generaal voert het woord, vordert dat het vonnis van de eerste rechter wordt vernietigd, bewezen zal worden verklaard hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte zal worden veroordeeld voor het in zak A onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal vordert dat verdachte voor het onder B ten laste gelegde wordt veroordeeld tot dertien maal een geldboete van € 900, telkens te vervangen door 18 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de ontnemingszaak vordert de advocaat-generaal dat het bedrag van het wederrechtelijk genoten voordeel wordt geschat op € 66.352,- en dat het aan de staat te betalen bedrag wordt vastgesteld op € 66.352,-.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens beslissing van het hof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 13 september 2007 om 13.30 uur in één van de zalen van het Paleis van Justitie te Leeuwarden.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat bij afwezigheid van de griffier door de voorzitter is vastgesteld en ondertekend op 5 oktober 2018.” (xi) een ‘akte van uitreiking (NP)’ inzake parketnummer 24‑000724‑06, inzake “Verstek (SR)”, geadresseerd aan de verdachte, thans zonder vaste woon of verblijfplaats hier te lande. Enkel de achterzijde van de akte is ingevuld en vermeldt dat op 25 april 2008 betekening ter griffie van de rechtbank te Leeuwarden heeft plaatsgevonden, omdat (aangekruist) van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is; (xii) een op 18 juli 2008 uit de administratie van Verwijs Index Personen (VIP) opgevraagd overzicht van de inschrijvingen van de verdachte in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, inhoudend: “Huidig GBA-adres Vanaf: 06-08-2007 Adres: zonder vaste woon- of verblijfplaats Historische GBA-adressen Vanaf: 13-04-2007 Woonadres: [c-straat 1] […] [plaats 3] (…) Vanaf: 15-11-2006 Adres: zonder vaste woon- of verblijfplaats (…) Vanaf: 15-03-2005 Woonadres: [a-straat 1] […] [plaats 1] (…) Vanaf: 16-05-1997 Woonadres: [d-straat 1] […] [plaats 1]”
Zaak B (middel 2): “hij op of omstreeks 18 mei 2004 in [plaats 4], in elk geval in Nederland, als werkgever (een) vreemdeling(en), te weten
Zaak A (middel 3): “1. hij in of omstreeks de periode van 01 april 2004 tot en met 18 mei 2004 in [plaats 4] en/of te [plaats 1], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid, en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [f-straat] te [plaats 4] en/of het [d-straat 2] te [plaats 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7800, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (280240/04) art 3 ahf/ond B Opiumwet art 3 ahf/ond C Opiumwet 2. hij in of omstreeks de periode van 01 april 2004 tot en met 18 mei 2004 in [plaats 4] en/of te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de NUON, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); (280240/04) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht”
Feit: 00 art 3 ahf/ond B, Opiumwet art 3 ahf/ond C, Opiumwet art 310, Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4, Wetboek van Strafrecht Feit: 01 art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen art 2 lid 1, Wet arbeid vreemdelingen Gepleegd op of omstreeks:
Gepleegd op: in de periode van 1 april 2004 tot en met 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4] en te [plaats 1] Gepleegd op: in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], en te [plaats 1] Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland Gepleegd op: op of omstreeks 18 mei 2004 Gepleegd te in [plaats 4], in elk geval in Nederland bij verstek is veroordeeld tot: gevangenisstraf voor de duur van zes maanden; beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van twee maanden , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; veroordeelt verdachte [verdachte] ter zake van de in zaak B bewezen verklaarde overtredingen tot dertien geldboetes van elk negenhonderd euro : beveelt dat voor elke geldboete vervangende hechtenis voor de duur van achttien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt; beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht”
Artikel 70 Sr: “1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
1°. in drie jaren voor alle overtredingen;
2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; (…)”
Artikel 71 Sr: “De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd(…)”
Artikel 72 Sr: “1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
Artikel 78 Sr: “Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.”
Artikel 1 (oud) WED: “Economische delicten zijn: (…) 4° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: (…) de Wet arbeid vreemdelingen, de artikelen 2, eerste lid, en 15;”
Artikel 6 lid 1 (oud) WED: “Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
3° in geval van overtreding, voor zover het betreft een economisch delict bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie;
4° in geval van een andere overtreding, met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.”
Artikel 3 Opiumwet: “Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid: (…) B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren”
Artikel 11 lid 2 Opiumwet: “Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Artikel 13 lid 2 Opiumwet: “De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.”
Zaak B 17. Het aan de verdachte in zaak B ten laste gelegde (telkens) handelen in strijd met het verbod op arbeid zonder tewerkstellingsvergunning, is verboden bij artikel 2 lid 1 (oud) van de Wet arbeid vreemdelingen. Het handelen in strijd met die bepaling gold op grond van artikel 1 onder 4° (oud) van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) als economisch delict, een overtreding, waarop op grond van artikel 6 lid 1 onder (oud) WED hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie stond.
Zaak A 20. Het aan de verdachte in zaak A onder 1 ten laste gelegde betreft het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (meermalen gepleegd). Dit betreft ingevolge artikel 13 lid 2 Opiumwet een misdrijf, waarop ex artikel 11 lid 2 Opiumwet een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren kan worden opgelegd.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het middel vermeldt als datum van de zitting 30 september 2007. Gelet op de toelichting op het middel wordt hier kennelijk augustus bedoeld.
Hier wordt (nog) gesproken over adresgegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, afgekort tot: GBA, omdat de Wet basisregistratie personen, Stb. 2013, 315, en de Aanpassingswet basisregistratie personen, Stb. 2013, 316, pas op 6 januari 2014 in werking zijn getreden, zie: Stb. 2013, 494, jo. art. 10.2 Aanpassingswet basisregistratie personen.
HR 2 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2446, rov. 3.2, onder verwijzing naar HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, NJ 2007/339. Zie ook HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.41.
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.38.
Kamerstukken II 2004/05, 29805, nr. 3 (MvT), p. 22.
Vgl. bijvoorbeeld HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5019.
Zie HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.33.
In zaak B betreft het een dagvaarding om te verschijnen ter zitting van de politierechter in het arrondissement Zwolle‑Lelystad op 17 maart 2006, in zaak A op 2 mei 2005.
Ingevolge HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt hier niet de ten tijde van het plegen geldende termijn uit art. 70 lid 1 aanhef en onder 1° (oud) Sr van twee jaren, omdat ten tijde van de wijziging van die bepaling de verjaringstermijn in het onderhavige geval nog niet was voltooid. Het toepasselijke overgangsrecht van de wetswijzigingen inzake verjaring in 2006 houdt immers kort gezegd in dat aan wijzigingen van de verjaringsbepalingen onmiddellijke werking toekomt, met dien verstande dat een reeds ingetreden verjaring wordt geëerbiedigd.