PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05447 E Zitting 25 augustus 2020 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte. 1. De verdachte is bij arrest van 27 november 2019 door de economische kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren’ veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.000,-, subsidiair dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft verder de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. E. Meijer, advocaat te Voorburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voordat ik overga tot de bespreking van het middel geef ik, naast de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof, kort de in deze zaak relevante regelgeving met betrekking tot de identificatie en registratie van schapen weer (het I&R-systeem). 4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard: ‘dat verdachte in de periode van 1 januari 2016 t/m 21 juni 2016 te [plaats] in de gemeente Overbetuwe, als degene die ingevolge de 'Regeling identificatie en registratie van dieren' gegevens moet melden, bijhouden of vermelden op daartoe bestemde bescheiden, dit niet volledig, juist en naar waarheid en/of niet onverwijld nadat de gegevens bekend waren bij verdachte, heeft gedaan, aangezien op of omstreeks 20 juni 2016 op verdachtes bedrijf ongeveer 83 schapen aanwezig waren terwijl op de betreffende stallijst 1121 schapen, althans ruim meer dan het toen aanwezige aantal schapen, stonden geregistreerd en aldus van de afvoer/dood van de ontbrekende schapen nog geen melding was gedaan aan het I&R systeem’. 5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal (…), gesloten en getekend op 16 november 2016 te Wageningen, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisanten, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: Op maandag 20 juni 2016 omstreeks 15:40 uur bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ons vergezeld van toezichthouder [betrokkene 1] eveneens werkzaam bij de NVWA en [betrokkene 2] werkzaam bij de politie Gelderland-Midden, op het bedrijf van [verdachte], [a-straat 1] te [plaats]. Op datum en tijd voornoemd was houder [verdachte] niet aanwezig. Vervolgens heb ik, verbalisant [verbalisant 2], telefonisch contact opgenomen met [verdachte] en hij verklaarde mij dat hij op weg was naar huis en dat het nog wel een uur kon duren voordat hij thuis zou zijn. Nadat bekend was geworden dat er ook circa 40 schapen in een weiland op afstand werden gehouden ([b-straat] te Heteren), hebben wij een inspectie uitgevoerd op de aldaar aanwezige schapen. Door telling stelden wij vast dat hier circa 38 schapen werden gehouden. Op datum voornoemd omstreeks 16:50 uur bevonden wij ons weer op de locatie [a-straat 1] te [plaats]. Wij spraken hier met een persoon die zich aan ons bekend maakte als [verdachte]. Wij hebben ons aan hem in onze functie bekend gemaakt en hem het doel van ons bezoek medegedeeld. Wij hebben ons gelegitimeerd middels de dienstwege verstrekte legitimatiebewijzen. Vervolgens hebben wij in bijzijn van [verdachte] de overige schapen geïnspecteerd. Door telling stelden wij vast dat er circa 38 schapen werden gehouden in een schuur en 4 schapen werden gehouden in nabijgelegen weiland. Op mijn, verbalisant [verbalisant 1], vraag aan houder [verdachte] of hij nog meer schapen had, antwoordde hij ontkennend. Hij verklaarde mij dat afgelopen vrijdag 17 juni, 36 schapen waren afgevoerd. Door telling en door opgave van houder [verdachte] stelden wij vast dat er circa 80 schapen aanwezig waren. Op de stallijst (bijlage 1) staan 1.121 schapen geregistreerd. Gelet op vorenstaand dient houder [verdachte] 1.121 schapen minus 80 aanwezig = 1.041 schapen af te melden aan het I&R systeem. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb houder [verdachte] medegedeeld dat de niet aanwezige schapen moeten worden afgemeld aan het I&R systeem. Nadat wij, verbalisanten, [verdachte] van onze bevindingen in kennis hadden gesteld en nadat ik, verbalisant [verbalisant 1], mij had gelegitimeerd als buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, hield ik verbalisant [verbalisant 1], hem staande waarop hij mij opgaf te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats], wonende [a-straat 1] te [postcode] [plaats] binnen de gemeente Overbetuwe, van beroep ZZP-er/slachter en hierna te noemen verdachte [verdachte]. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb verdachte [verdachte] medegedeeld dat hij recht heeft op verhoorbijstand. Hij verklaarde mij daarvan geen gebruik te willen maken. Nadat ik, verbalisant [verbalisant 1], verdachte had medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was verklaarde hij ons op maandag 20 juni 2016 omstreeks 17:55 uur het volgende “Ik heb een eenmanszaak onder de naam [verdachte]. Op dit moment heb ik 83 schapen. Waar de andere schapen zijn is mij niet bekend. Ik zal u de nummers van deze 83 schapen opsturen. Alles ligt al bij de rechtbank te Arnhem.” Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb verdachte van de door hem vermoedelijk begane overtreding in kennis gesteld en hem proces-verbaal aangezegd. 2. Een schriftelijk bescheid, zijnde de stallijst van verdachte met peildatum 20 juni 2016, als bijlage (bijlage 1) gehecht achter het proces-verbaal opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en buitengewoon opsporingsambtenaar (…), gesloten en getekend op 16 november 2016 te Wageningen, en als bijlage aan deze aanvulling gehecht. (BFK: De aan de aanvulling op het verkort arrest aangehechte stallijst houdt onder meer het volgende in.) Stallijst [verdachte] [a-straat 1] [postcode] [plaats] Selectie gegevens Aanvraagdatum 20-06-2016 Peildatum 20-06-2016 ME/UBN [001] Diersoort Schaap Runderen Schapen Geiten Aantal dieren op stallijst 0 1121 0 3. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal (…), inclusief bijlage 1, gesloten en getekend op 3 april 2018 te Zwolle, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: Uit informatie afkomstig uit het I&R systeem blijkt dat door of namens relatienummer [002] ([verdachte]) op 20-03-2016 in totaal 1.299 dieren zijn afgemeld met afvoerdatum 20-03-2016 en met bestemming UBN [003] (Firma [A]). Tijdstip van afmelding is 22:35 uur. Op 20-03-2016 omstreeks 22:44 uur en later zijn door of namens relatienummer [002] ([verdachte]) van 1.296 schapen/levensnummers de afvoermeldingen weer ingetrokken. Hierdoor komen deze schapen weer op de stallijst te staan. 4. De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Gelderland op 10 juli 2018 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Als houder of gemachtigde kan je een melding herstellen of intrekken. Kennelijk is hier de afvoermelding ingetrokken. Dat kan alleen gebeurd zijn door de houder, diens gemachtigde of het RVO. (...) Ik heb de meldingen van [verdachte] bekeken. [verdachte] heeft de melding zelf ingetrokken, vermoed ik. Het lijkt er meer op dat hij dit uit onwetendheid gedaan heeft. Hij heeft namelijk op een bepaalde datum, op 20 maart 2016, een behoorlijk aantal meldingen ingetrokken. Ik denk dat er iets mis is gegaan bij de afvoermeldingen en dat hij ze daarna heeft ingetrokken. De nummers staan weer op zijn stallijst maar de beesten zijn waarschijnlijk dood. (…) Wat ik vermoed is dat [verdachte] in één keer op 20 maart 2016 alle afvoermeldingen heeft ingetrokken en daarna niet meer heeft ingevoerd. Hij had ons daarna kunnen bellen om het te herstellen, dat is kennelijk niet gebeurd.’ 6. Het hof heeft een gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen: ‘Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de registraties wel heeft gedaan maar dat het registratiesysteem niet goed werkte en dat verdachte om die reden de schapen niet kon afvoeren. Het systeem bevatte behoorlijk wat fouten en gebruikersonvriendelijke aspecten. Er waren nauwelijks veiligheidsvoorzieningen die een veehouder waarschuwden als hij een verkeerde invoering deed. In dit geval had het systeem de verkeerde handelingen van verdachte moeten corrigeren door een foutmelding te geven. Doordat dit op het moment van het tenlastegelegde niet mogelijk was, faalt het registratiesysteem en kan verdachte dit in ieder geval niet worden verweten. Oordeel hof Het hof vat het verweer op als een bewijsverweer. Het hof stelt voorop dat het invoeren van de juiste gegevens in het I&R systeem de verantwoordelijkheid is van de schapenhouder. Uit informatie afkomstig uit het I&R systeem blijkt dat door of namens relatienummer [002] ([verdachte]) op 20 maart 2016 in totaal 1299 dieren zijn afgemeld (afvoerdatum 20-03-2016) met bestemming UBN [003] (Firma [A]). Het tijdstip van afmelding is 22:35 uur. Op diezelfde dag omstreeks 22:44 uur en later zijn door of namens relatienummer [002] ([verdachte]) van 1296 schapen/levensnummers de afvoermeIdingen weer ingetrokken. Hierdoor kwamen deze schapen weer op de stallijst van verdachte te staan. De getuige [getuige 1] (als medewerker I&R systeem schaap en geit werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO)) heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat alleen de houder een afvoermelding kan intrekken. Het hof leidt hieruit af dat verdachte degene is geweest die de afvoermeldingen heeft gedaan, vervolgens weer heeft ingetrokken en niet meer opnieuw heeft ingevoerd. [getuige 1] heeft tevens verklaard dat verdachte contact had kunnen opnemen met de RVO om dit te herstellen. Verdachte heeft dit echter niet gedaan, ondanks het feit dat de bewuste schapen niet meer aanwezig waren op zijn bedrijf. Het hof begrijpt dat er bij verdachte geen sprake was van opzet om de gegevens niet naar behoren door te geven. Het hof ziet echter geen grond om verdachte daar geen verwijt van te maken.’ 7. In het kader van de strafmotivering heeft het hof het volgende overwogen: ‘Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Op het bedrijf van verdachte waren 83 schapen aanwezig, terwijl op de betreffende stallijst 1121 schapen vermeld stonden. Hij heeft van de afvoer/dood van de 1038 ontbrekende schapen geen melding gedaan aan het I&R systeem. Verdachte heeft hierdoor een regeling overtreden die tot stand is gekomen in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten.’ 8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 43 van de Regeling identificatie en registratie van dieren (hierna ook: de Regeling), die op 1 januari 2003 de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 heeft vervangen. 9. Art. 43, eerste en tweede lid, van de Regeling luidt: ‘1. Degene die ingevolge deze regeling gegevens moet melden, bijhouden of vermelden op daartoe bestemde bescheiden, doet dit volledig, juist en naar waarheid.2. Het bijhouden of vermelden van de in het eerste lid bedoelde gegevens geschiedt, voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, onverwijld nadat de gegevens bekend zijn bij degene die zij ingevolge deze regeling moet bijhouden of vermelden.’ 10. Met ingang van 1 januari 2010 is een verplichting tot individuele registratie van schapen in het I&R-systeem ingevoerd. De toelichting op de desbetreffende wijziging van de Regeling houdt onder meer het volgende in: - p. 12: ‘Verordening (EG) nr. 21/2004 beoogt een snelle en accurate tracering van schapen en geiten te bewerkstelligen. Hiertoe verplicht de verordening tot het opnemen van diverse gegevens in een geautomatiseerd gegevensbestand. Ter uitvoering van de verordening is in Nederland gekozen voor de invoering van het I&R-systeem schapen en geiten. Met ingang van 1 januari 2010 wordt de verplichting tot individuele registratie van schapen en geiten ingevoerd. Schapen en geiten dienen vanaf deze datum individueel in het I&R-systeem schapen en geiten geregistreerd te worden. Op de houders van deze dieren rust de verplichting kennisgeving te doen van bepaalde gebeurtenissen. (…) Om de traceerbaarheid van schapen en geiten mogelijk te maken is het noodzakelijk dat ook de aanvoer en afvoer van individuele dieren op en van het bedrijf in het I&R-systeem gemeld wordt.’ - p. 15: ‘Het I&R-systeem kan slechts een sluitend systeem zijn wanneer door middel van individuele registratie altijd bekend is welke dieren op een bedrijf aanwezig zijn. Hiertoe is bepaald dat wanneer dieren op een bedrijf worden aangevoerd of van een bedrijf worden afgevoerd er altijd een melding in het I&R-systeem gedaan moet worden.’ 11. Het I&R-systeem schapen en geiten wordt beheerd door de minister (art. 38c, eerste lid, van de Regeling). Ingevolge art. 38d, zevende lid (tot 1 april 2016: zesde lid), van de Regeling stelt de houder van schapen de minister bij de afvoer van een schaap in kennis van (in ieder geval) ‘de gegevens, bedoeld in deel D, onderdeel 2, onder a, b, c en d van de bijlage bij verordening 21/2004, alsmede van de identificatiecode van het dier’. Het gaat bij de desbetreffende in de bijlage bij de verordening bedoelde gegevens om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.