ECLI:NL:PHR:2020:733
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02780 CW Zitting 25 augustus 2020 VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET B.F. Keulen In de zaak [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1941, hierna: de betrokkene.
De ontnemingsmaatregel en het faillissement van de veroordeelde 4. Bij de verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de jaren ’90 van de vorige eeuw is een nieuw art. 94d Sv ingevoerd. Dat artikel luidde als volgt: ‘1. Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van justitie namens de staat de bevoegdheden uitoefenen, welke in het Burgerlijk Wetboek zijn toegekend aan een schuldeiser die in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling.
Faillissement Het voorgestelde derde en vierde lid van art. 94d hebben betrekking op situaties waarin de verdachte (of veroordeelde, als tegen hem nog een strafrechtelijk financieel onderzoek loopt) failliet is verklaard. Ingevolge artikel 1, lid 2, Faillissementswet beschikt het openbaar ministerie reeds over de bevoegdheid om in het algemeen belang iemands faillietverklaring in te roepen. Die bevoegdheid past zeer wel in het totaalpakket aan bevoegdheden, dat ook in civilibus aan schuldeisers jegens de schuldenaar toekomt, te weten het leggen van conservatoir beslag, de instelling van de actio Pauliana en het inroepen van het faillissement. Wordt de betrokkene op vordering van het openbaar ministerie failliet verklaard dan heeft dat wel tot gevolg dat krachtens het Wetboek van Strafvordering gelegde beslagen, zoals alle beslagen, vervallen (vgl. art. 33 Fw).
Dat geldt overigens ook voor krachtens Strafvordering gelegde conservatoire beslagen, indien het door toedoen van anderen tot een faillietverklaring komt. Wanneer evenwel een verdachte, te wiens aanzien de oplegging van een hoge geldboete of van de maatregel van art. 36e Sr te verwachten is of in eerste aanleg reeds heeft plaatsgevonden, failliet is verklaard, wordt het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven namens de staat als schuldeiser in het faillissement op te komen, met de mogelijkheid dat de faillissementspauliana door de curator in het faillissement op grond van de artikelen 43 of 45 Fw wordt ingesteld. Het openbaar ministerie zal daarbij wel, net als in geval van conservatoir beslag, een (maximum)bedrag van de vordering moeten aangeven waarin het als vertegenwoordiger van staat als schuldeiser opkomt.
Daarom is bepaald dat in zo'n geval de officier van justitie geacht wordt voor een voorwaardelijke vordering op te komen. Indien, voordat het tot de oplegging van een geldboete of een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gekomen, de curator tot verificatie en afwikkeling van het faillissement wil overgaan, kan hij op grond van artikel 133 Fw zelf tot een schatting komen van het bedrag waarop de vordering van de staat ware te bepalen. Geeft hij geen toepassing aan die bevoegdheid, dan zal hij de vordering van de staat niet voor erkenning in aanmerking brengen. In zo'n geval zal de staat naderhand, wanneer het bedrag van de boete of van het te ontnemen voordeel definitief door de rechter is vastgesteld, op andere wijze zijn vordering te gelde moeten zien te maken. (…) Waar complicaties in verband met het faillissementsrecht kunnen spelen is onderkend en aanvaard, dat dit ertoe kan leiden dat de staat, zolang zijn vordering niet is bepaald in de vorm van een rechterlijke uitspraak, deze door de curator als niet verifieerbaar terzijde gelaten zal kunnen zien.’ 7. Over de taak van het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel wordt in de memorie van antwoord opgemerkt: ‘Het is juist dat het openbaar ministerie in het voorstel de mogelijkheid krijgt de actio Pauliana in te stellen (vgl. voorgesteld art. 94d Sv); deze bepaling plaatst het openbaar ministerie echter bepaald niet zonder meer in de positie van een civiele schuldeiser, althans niet meer dan passend is bij de taak die het ook thans vervult. Ingevolge het geldende art. 553 Sv is het openbaar ministerie belast met de executie van rechterlijke beslissingen, onder meer soms omvattende het verhaal op goederen van de veroordeelde (vgl. art. 575 Sv). Gegeven deze taak ligt het zeer voor de hand het openbaar ministerie ook de mogelijkheid te bieden voorafgaande aan de executie de nodige stappen te zetten om effectuering van de opgelegde sancties te kunnen waarborgen. Dit deel van de functie heeft naar de mening van de ondergetekende een overwegend strafrechtelijk karakter.’ 8. Uw Raad heeft op enkele punten de verhouding tussen (conservatoir beslag ten behoeve van) de ontnemingsmaatregel en het faillissement van de veroordeelde verhelderd. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4095, NJ 2013/322 m.nt. Van Mierlo had de curator een verzoek gedaan tot opheffing van het beslag op voorwerpen die eigendom van de gefailleerde waren. Uw Raad overwoog: ‘3.5. De middelen stellen de vraag aan de orde of gelet op art. 33 Fw een faillissement eraan in de weg staat dat op de voet van art. 94 Sv strafvorderlijk beslag wordt gelegd. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend.Het stelsel van de Faillissementswet brengt mee dat het faillissement, als algemeen beslag, in de plaats treedt van de maatregelen van executie die tevoren de schuldeisers afzonderlijk konden nemen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in art. 33 Fw, volgens hetwelk het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging een einde neemt en gelegde beslagen vervallen (vgl. HR 8 november 1963, NJ 1964, 144).
3.6. Gelet op het voorgaande en de hiervoor onder 3.4 weergegeven wetsgeschiedenis, in samenhang bezien met art. 94d, derde lid, Sv, moet worden aangenomen dat in geval van faillissement van de beslagene wel een op de voet van art. 94a Sv gelegd conservatoir beslag vervalt, maar niet een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag. Een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient immers de waarheidsvinding in strafzaken dan wel de veiligstelling van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer door de strafrechter kan worden bevolen, en houdt derhalve geen verband met de positie van de overheid als schuldeiser.’ 9. In HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:125, NJ 2014/226 m.nt. Klip had het Gerechtshof te Leeuwarden de veroordeelde op 18 juli 2011 een ontnemingsmaatregel opgelegd. Het eerste middel klaagde dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet had geschorst teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zijn vordering in te dienen bij de curator ter verificatie. Art. 29 Fw zou, zo is in hoger beroep betoogd, aan het instellen van een ontnemingsvordering tegen de gefailleerde in de weg staan. Art. 29 Fw luidt als volgt: ‘Voorzover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding.’ 10. Uw Raad oordeelde, in lijn met de conclusie van A-G Knigge, (waarover verderop meer) dat het middel tevergeefs was voorgesteld en overwoog daartoe: ‘2.4. Een vordering als bedoeld in art. 36e Sr is een vordering van de officier van justitie die ertoe strekt dat de rechter aan de betrokkene een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zo een vordering is niet een rechtsvordering als bedoeld in art. 29 Faillissementswet.’ 11. Art. 94d Sv is sinds de invoering in de jaren ’90 van de vorige eeuw – zo bleek – niet wezenlijk veranderd. De regeling van de ontnemingsmaatregel is wel op enkele punten gewijzigd. Een wijziging die in dit kader van belang is betreft de regeling van de vrijheidsbeneming die mogelijk is indien niet aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Aanvankelijk bepaalde art. 24d Sr dat de rechter bij de uitspraak waarbij een natuurlijk persoon de verplichting werd opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgde, diende te bevelen dat vervangende hechtenis werd toegepast, ‘met dien verstande dat vervangende hechtenis op grond van dit artikel op te leggen op ten hoogste zes jaren kan worden bepaald’. Deze regeling is in 2003 vervangen door art. 577c (oud) Sv. Ingevolge art. 577c (oud) Sv kon de rechter op vordering van de officier van justitie verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten hoogste drie jaar verlenen indien ‘de veroordeelde niet aan het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 op diens vermogen niet mogelijk is gebleken’. Het laatste lid van art. 36e Sr bepaalde dat deze lijfsdwang gold als maatregel.
Deze lijfsdwang kan door de president van de rechtbank worden opgelegd in het geval achteraf, bij de executie van het vonnis, blijkt dat de veroordeelde onwillig is te betalen. In civiele zaken kan deze lijfsdwang maximaal één jaar duren. In het eerder ontwerp van dit wetsvoorstel heb ik voorgesteld deze duur op maximaal drie jaren te stellen. Dit voorstel is in de consultatieronde verdeeld ontvangen. Het OM is het geheel eens met het schrappen van de regel dat de betalingsverplichting na de uitgezeten vrijheidsbeneming vervalt; in het stelsel van de lijfsdwang blijft die verplichting bestaan. Het OM is echter een voorstander van het verlengen van maximaal drie jaar lijfsdwang tot maximaal zes jaar lijfsdwang.
Een vrijheidsbeneming van drie jaar is volgens het OM voor de doelgroep een onvoldoende pressiemiddel. Ook de NVvR is van oordeel dat van de voorgestelde lijfsdwang onvoldoende dreiging uitgaat. Bovendien is de NVvR van mening dat het voorstel tot meer werk voor de rechter kan leiden, omdat een extra procedure noodzakelijk wordt waarin de civiele rechter zich in het dossier zal moeten inlezen. Ze betwijfelt, gelet op de civiele praktijk en de bestaande zeer beperkte toepassing, of de rechter bereid zal zijn lijfsdwang op te leggen. De Nederlandse Orde van Advocaten kan zich blijkens haar advies vinden in de vervanging van de vervangende hechtenis door de lijfsdwang. Zij meent echter dat er geen rechtvaardiging is voor afwijking van de in civilibus geldende maximumduur van één jaar.
Wel oppert de NOvA de mogelijkheid om niet de civiele rechter, maar de strafrechter (i.c. de raadkamer) te belasten met de toepassing van lijfsdwang. Opdracht van deze taak aan hetzelfde gerecht dat de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd, kan zowel de doelmatigheid als zorgvuldigheid ten goede komen. Dit voorstel wordt ook gedaan door het openbaar ministerie in zijn advies. b. Voorstel toegezonden voor advies aan de Raad van State Op grond van de toegezonden adviezen ben ik aanvankelijk tot de conclusie gekomen dat de introductie van de privaatrechtelijke lijfsdwang in de ontnemingsprocedure bij nader inzien minder wenselijk was. Dat leidde tot handhaving van de vervangende hechtenis. (…) c. Voorstel naar aanleiding van advies van de Raad van State De Raad van State gaf in zijn advies uitdrukkelijk in overweging om terug te keren naar het aanvankelijke voorstel: de lijfsdwang. Hij voegde daaraan toe dat het wenselijk leek uit te gaan van een eigensoortig, strafvorderlijk dwangmiddel zonder dat daarbij directe aansluiting werd gezocht bij de civielrechtelijke lijfsdwang. In dit licht heb ik de voorstellen terzake andermaal overwogen. Het resultaat is dat ik alsnog mogelijkheden zie voor de introductie van lijfsdwang in het Wetboek van Strafvordering als alternatief voor de vervangende hechtenis. (…)De suggestie van de Raad van State tot incorporatie van het middel in het wetboek gaf tevens de gelegenheid om in navolging van de suggestie van het OM en de NOvA niet meer de civiele rechter te belasten met de beslissing over de toelaatbaarheid van lijfsdwang, maar deze op te dragen aan de strafrechter: de raadkamer bij de rechtbank of het gerechtshof.
Dit komt ook tegemoet aan de door de NVvR geuite bezwaren tegen verzwaring van de werklast van de civiele rechter en de terughoudende toepassing in het civiele recht. In het aanvankelijke voorstel werden de desbetreffende bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. (…)In de nieuwe bepaling van artikel 577c stel ik voor dat de officier van justitie de tenuitvoerlegging van lijfsdwang kan vorderen. Dat is aan de orde indien hij heeft geconstateerd dat aan de ontnemingsmaatregel niet of niet volledig is voldaan en vervolgens pogingen heeft gedaan de vordering te verhalen op het vermogen van de veroordeelde, maar daarin niet (volledig) is geslaagd.
Tevens dient vast te staan dat er geen sprake is van betalingsonmacht. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in het voorstel van wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (kamerstukken II, 1999/ 2000, 26 855, nr. 2 en 3), ingediend bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999. (…) In artikel 577c Sv is een procedure opgenomen voor de oproeping, de behandeling en de beslissing van de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang. Ook de beëindiging van de lijfsdwang is nu in dit wetboek beschreven. Belangrijkste verschil tussen de voorgestelde en de huidige regeling is dat het automatisme van de oplegging van de vervangende hechtenis vooraf wordt verlaten en dat pas achteraf bij het uitblijven van voldoening van het opgelegde geldbedrag door de rechter tot lijfsdwang wordt besloten.
Daarbij moet het maatwerk kunnen worden geleverd, dat op dat moment past bij een dergelijk ingrijpend middel. De rechter zal anders dan nu het geval is pas dan over de toepassing van de vrijheidsbeneming als dwangmiddel beslissen wanneer het er werkelijk op aankomt, namelijk in de fase van de tenuitvoerlegging. (…)Indien de veroordeelde ondanks de lijfsdwang niet aan de veroordeling voldoet, komt door het ondergaan van de lijfsdwang de hem opgelegde betalingsverplichting niet te vervallen (artikel 577c, zesde lid). Ook in de huidige en komende regeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dat het uitgangspunt. Er is derhalve niet meer sprake van vervangende vrijheidsbeneming. (…) De termijn waarbinnen de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang ten behoeve van de ontnemingsmaatregel kan worden gedaan moet gerelateerd worden aan de executieverjaring die is geregeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht. Deze is weer gebaseerd op de vervolgingsverjaring in artikel 70 Sr die verwijst naar de maximale straf die voor een bepaald delict is bedreigd. Naarmate derhalve voor een ernstiger feit veroordeling heeft plaatsgevonden, geldt een langere verjaringstermijn. Zolang het recht tot tenuitvoerlegging niet is verjaard en aan de betalingsverplichting niet geheel is voldaan, kan de lijfsdwang worden gevorderd. (…) Zodra het vonnis waarbij de schuldenaar failliet wordt verklaard in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt de lijfsdwang van rechtswege (artikel 33, derde lid, van de Faillissementswet). De gegijzelde zou door zijn eigen faillissement uit te lokken kunnen bewerkstelligen dat hij wordt ontslagen uit de lijfsdwang. Aan malafide praktijken zal echter een halt kunnen worden toegeroepen door met toepassing van artikel 87 van de Faillissementswet de gefailleerde in verzekerde bewaring te doen stellen.’ 13. Inmiddels is art. 577c (oud) Sv opgegaan in de nieuwe regeling van de gijzeling. Die regeling is deels neergelegd in art. 6:4:20 Sv. Bepaald is dat gijzeling niet wordt toegepast ‘indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling’, dat de gijzeling ‘eindigt indien de veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet’ en dat de toepassing van gijzeling ‘de verschuldigdheid’ niet opheft (derde, vierde en vijfde lid). Ingevolge art. 6:6:25, eerste lid, aanhef en onder b, Sv kan het openbaar ministerie, indien volledig verhaal bij een ontnemingsmaatregel niet mogelijk blijkt, een vordering bij de rechter instellen ‘om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen’. De rechter bepaalt daarbij de duur, en die is in dit geval ‘ten hoogste hetgeen door de rechter is bepaald bij het opleggen van de maatregel’ (vierde lid). Uit het nieuwe elfde lid van art. 36e Sr volgt dat de maximale duur ten hoogste drie jaar kan bedragen. Al met al is daarmee materieel niet veel gewijzigd, ten opzichte van art. 577c (oud) Sv.
Aanwijzingen van het openbaar ministerie 16. Ten tijde van het faillissement in de onderhavige zaak golden achtereenvolgens drie versies van de Aanwijzing ontneming. De Aanwijzing ontneming die op 1 november 2002 in werking trad (2002A011), bevatte in par. 1.5 voorschriften voor het geval van een faillissement van de betrokkene. Deze luidden als volgt: ‘1.5. Faillissement en ontnemingsvordering 1.5.1. Instellen ontnemingsvordering tijdens faillissementIndien betrokkene in staat van faillissement is verklaard voordat de ontnemingsvordering ex artikel 511b Sv is uitgebracht, dient de ontnemingsvordering te worden ingesteld, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat dat het faillissement niet binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven en/of betrokkene in redelijkheid in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Dit betekent dat een op te leggen ontnemingsmaatregel niet meedeelt in de afwikkeling van het faillissement. Deze maatregel kan feitelijk eerst na de opheffing van dat faillissement ten uitvoer worden gelegd.
1.5.2. Faillissement na instellen ontnemingsvorderingIndien betrokkene in staat van faillissement is verklaard nadat de ontnemingsvordering ex artikel 511b Sv is uitgebracht, doch voordat de ontnemingsvordering tot een opgelegde ontnemingsmaatregel heeft geleid, dient de ontnemingsvordering alleen ingetrokken te worden c.q. tot afwijzing van die vordering te worden gerequireerd, als er een redelijk vermoeden bestaat dat het faillissement niet binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven en/of betrokkene in redelijkheid in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Een vervolgens opgelegde ontnemingsmaatregel kan niet in het faillissement worden ingebracht door indiening bij de curator. De ontnemingsmaatregel volgt dus niet de afwikkeling van dat faillissement.
1.5.3. Faillissement na oplegging ontnemingsmaatregel (hoger beroep)Indien er hoger beroep tegen het ontnemingsvonnis wordt ingesteld terwijl de betrokkene na het uitspreken van het bestreden ontnemingsvonnis in staat van faillissement is verklaard, dient de advocaat-generaal het gerechtshof erop te wijzen dat:• het integraal vernietigen van het bestreden vonnis leidt tot het niet participeren van de ontneming in het faillissement;• het bekrachtigen c.q. partieel wijzigen van het bestreden ontnemingsvonnis wel leidt tot het participeren van de ontneming in het faillissement.’ 17. De Aanwijzing ontneming die op 1 maart 2005 in werking trad (2005A002) en de Aanwijzing ontneming (2009A003) die op 1 maart 2009 in werking trad, bevatten de volgende – ten opzichte van de Aanwijzing uit 2002 aangepaste – voorschriften: ‘3.5 Faillissement Ingevolge artikel 94d lid 3 Sv kan de officier van justitie namens de Staat in het faillissement van de betrokkene al dan niet voorwaardelijk opkomen. Het Openbaar Ministerie kan ook zelf om redenen van openbaar belang het faillissement aanvragen (artikel 1 Fw).
De officier van justitie kan de door de rechter opgelegde ontnemingsmaatregel alleen als vordering in het faillissement indienen als de rechter deze ontnemingsmaatregel vóór de datum van het faillissement had opgelegd. Is het faillissement eerder uitgesproken dan de rechter de ontnemingsmaatregel heeft opgelegd, dan is de vordering van de Staat ontstaan ná het faillissement en kan de officier van justitie niet in het faillissement opkomen. In dit laatste geval is het uitgangspunt dat er ondanks een uitgesproken faillissement wel een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt. De ontnemingsmaatregel kan pas ten uitvoer worden gelegd na de opheffing van het faillissement.
Het strafvorderlijke conservatoire beslag vervalt door het faillissement (artikel 33 lid 2 Fw).
De vermogensbestanddelen die eerder strafvorderlijk in conservatoir beslag waren genomen, vallen nu van rechtswege in de boedel. Ten aanzien van geschillen over het strafvorderlijke beslag bestaat een aparte rechtsingang in de vorm van een beklagprocedure (artikel 552a Sv). In deze beklagprocedure is de curator belanghebbende. Deze beklagprocedure kan voor de curator van belang zijn op het moment dat het Openbaar Ministerie de beslagen vermogensbestanddelen niet wil afstaan, ondanks dat deze van rechtswege in de boedel vallen ex artikel 33 Fw.’ 18. De voorschriften in de Aanwijzing afpakken (2013A021), die in werking trad op 1 januari 2014 en de thans geldende Aanwijzing afpakken (2016A009), die in werking trad op 1 januari 2017, zijn beperkt in omvang: ‘6.5 Faillissement Ingevolge art. 94d lid 3 Sv kan de officier van justitie namens de Staat in het faillissement van de betrokkene al dan niet voorwaardelijk opkomen. Het OM kan ook zelf om redenen van openbaar belang het faillissement aanvragen, art. 1 van de Faillissementswet (Fw).
Op grond van art. 4 lid 1 Fw kan het OM op zijn verzoek worden gehoord op de aangifte of het verzoek tot faillietverklaring. Het gebruik maken van deze bevoegdheid is aangewezen indien het OM over aanwijzingen van misbruik van het faillissementsrecht beschikt.’ Het gehomologeerd akkoord in faillissement 19. De Faillissementswet kent drie titels. De eerste titel ziet op het faillissement, de tweede op de surseance van betaling, de derde op de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De zesde afdeling van de eerste titel gaat over het akkoord. In de titels over de surseance van betaling en de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn ook afdelingen over een akkoord opgenomen. Die regelingen blijven hier buiten beschouwing. Ook het voorstel van Wet homologatie onderhands akkoord blijft buiten beschouwing.
De beschikking waartegen deze vordering zich richt 26. De gang van zaken voorafgaand aan de beschikking waartegen deze vordering zich richt is, zo laat zich uit ’s hofs beschikking afleiden, chronologisch als volgt geweest:
Krachtens het bepaalde in artikel 94d, derde lid, Wetboek van Strafvordering heeft de officier van justitie namens de Staat de bevoegdheid om ter bewaring van het recht tot verhaal van de op te leggen boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel als schuldeiser in het faillissement van de veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk voordeel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen.
Verzoeker stelt dat op het moment van het faillissement van verzoeker de ontnemingsvordering aangemerkt moest worden als een voorwaardelijke vordering. Ook deze vordering was verifieerbaar. Dat de vordering pas na het faillissement definitief is geworden, maakt dat niet anders. De schuldeiser van deze vordering, de Staat, had op grond van artikel 94d, derde lid, Wetboek van Strafvordering met deze vordering kunnen opkomen in het faillissement. De Staat was schuldeiser in het faillissement van verzoeker en dus (onvermijdelijk) gebonden aan het akkoord. Dit betekent dat de Staat de ontnemingsvordering van € 285.000,- slechts tegen het akkoordpercentage van 3,5% (te weten: € 9.975,-) kan innen, aldus verzoeker.
Het hof stelt voorop dat binnen het bestek van de behandeling van een op artikel 577b Wetboek van Strafvordering gebaseerd verzoek een beslissing kan worden genomen op de vraag of de verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag, ook al was deze verplichting ten tijde van de faillietverklaring nog niet onherroepelijk opgelegd, als bestaande (voorwaardelijke) vordering in het faillissement, en daarmee onder de werking van het gehomologeerd akkoord, valt (ECLI:NL:HR:2016:2298).
Naar het oordeel van het hof moet voorts worden vastgesteld dat de vordering van de Staat niet als voorwaardelijke vordering in het faillissement van verzoeker is aangemeld en toegelaten. De Staat had wel de bevoegdheid om dat te doen, maar niet de verplichting, zo moet uit de tekst van eerdergenoemd artikel 94d, derde lid, Wetboek van strafvordering worden afgeleid. In de Aanwijzing Ontneming is kennelijk het beleid geformuleerd dat het Openbaar Ministerie in deze voor ogen staat.
Het niet als voorwaardelijke vordering indienen van de ontnemingsvordering heeft tot gevolg dat de vordering, die formeel en materieel pas definitief is ontstaan na het onherroepelijk worden van het ontnemingsarrest van het hof van 16 juni 2006, niet meedoet in het faillissement en niet valt onder de werking van het gehomologeerd akkoord. De Staat is geen schuldeiser in het faillissement en valt evenmin als zodanig aan te merken. De Staat is niet gebonden aan het akkoord. Het primaire verzoek ontbeert daarmee feitelijke grondslag en moet worden afgewezen.
Bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer heeft verzoeker het verzoek subsidiair aangevuld in deze zin dat op grond van de gebrekkige draagkracht van verzoeker het nog verschuldigde moet worden kwijtgescholden dan wel verminderd.
De advocaat-generaal heeft bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer het standpunt ingenomen dat het ontnemingsbedrag nader vastgesteld moet worden op hetgeen verzoeker tot dit moment heeft voldaan. Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op het bedrag dat inmiddels voldaan is (ongeveer € 30.000,-), op de vergevorderde leeftijd van verzoeker en op de geringe draagkracht van verzoeker.
Het hof kan zich vinden in hetgeen de advocaat-generaal in dit verband naar voren heeft gebracht en sluit zich daarbij aan. Blijkens de conclusie van het CJIB is tot 7 maart 2018 na aftrek van kosten een bedrag van € 27.403,66 voldaan en wordt iedere maand een bedrag van € 715,39 geïncasseerd via een beslag op het pensioen van verzoeker. Het hof kan niet vaststellen of in het bedrag van € 27.403,66 ook de maand maart 2018 is begrepen, maar wel duidelijk is dat het tegen eind juni 2018 voldane bedrag omstreeks € 30.000,- bedraagt. Het hof zal tegen deze achtergrond en gelet op het voorgaande het bedrag van het te ontnemen wederrechtelijk voordeel nader vaststellen op het bedrag dat verzoeker tot en met de maand juni 2018 zal hebben voldaan. Het resterende bedrag wordt kwijtgescholden.
BESLISSING:
Het hof :
Wijst het verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering toe.
Vermindert de bij arrest van dit hof d.d. 16 juni 2006 onder rolnummer 22-000001-05 aan de veroordeelde opgelegde betalingsverplichting tot het bedrag dat de veroordeelde op 30 juni 2018 feitelijk zal hebben voldaan, met dien verstande dat per 1 juli 2018 een betalingsverplichting van € 0 resteert.’ Het gehomologeerd akkoord en de ontnemingsmaatregel 28. Uit de beschikking blijkt dat het hof ervan uitgaat dat de Staat ‘wel de bevoegdheid’ had om de vordering van de Staat als voorwaardelijke vordering in het faillissement van de betrokkene aan te melden, ‘maar niet de verplichting’. Het niet indienen van de vordering heeft volgens het hof tot gevolg dat deze ‘niet meedoet in het faillissement en niet valt onder de werking van het gehomologeerd akkoord’; de Staat is ‘niet gebonden aan het akkoord’. Is die gedachte juist?
Het moment van ontstaan van de vordering 39. Het hof laat in het midden vanaf welk moment sprake is van een toekomstige vordering waarvoor de officier van justitie als schuldeiser in het faillissement op kan komen op de voet van art. 94d, derde lid, Sv. Deze vraag dient zich aan in het geval Uw Raad, met mij, van oordeel is dat de Staat bij de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel gebonden kan zijn aan een gehomologeerd akkoord, ook als de officier van justitie geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die art. 94d, derde lid, Sv hem biedt. Daarom maak ik daarover enkele opmerkingen.
De draagkrachtjurisprudentie zag op de oude wettelijke situatie, waarin bij het opleggen van een ontnemingsmaatregel vervangende hechtenis werd bepaald. In HR 16 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2529, NJ 1998/631 m.nt. Schalken bijvoorbeeld overwoog Uw Raad op basis van een analyse van de toepasselijke bepalingen dat in het geval ‘een veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben’, de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging ingevolge art. 36e, vierde lid (oud, thans vijfde lid), Sr gebruik diende te maken. Van deze jurisprudentie is afscheid genomen na de wetswijziging waarbij de vervangende hechtenis werd ingeruild voor lijfsdwang. Sindsdien kan in het ontnemingsgeding de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
Het cassatiemiddel 54. Ik rond af. Het hof heeft in de beschikking waar deze vordering zich tegen richt vastgesteld dat de rechtbank aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel heeft opgelegd, dat de betrokkene vervolgens failliet is verklaard en dat het hof, na de faillietverklaring, in hoger beroep uitspraak heeft gedaan in de ontnemingszaak. Het hof heeft overwogen dat de Staat de bevoegdheid had om de vordering als voorwaardelijke vordering in het faillissement van de betrokkene aan te melden. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de officier van justitie op de voet van art. 94d, derde lid, Sv tot bewaring van het recht tot verhaal namens de Staat als schuldeiser in het faillissement van de betrokkene kon opkomen. Dat oordeel is juist.
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van art. 94d, derde lid, Sv en/of art. 157 Fw, doordat het gerechtshof heeft geoordeeld dat het niet als voorwaardelijke vordering indienen van de ontnemingsvordering tot gevolg heeft dat de vordering niet valt onder de werking van het gehomologeerd akkoord, en er op die grond mee heeft volstaan de aan de veroordeelde opgelegde betalingsverplichting te verminderen tot het bedrag dat de veroordeelde op 30 juni 2018 feitelijk zal hebben voldaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De beschikking is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl (ECLI:NL:GHDHA:2018:2023) en als NJFS 2019/43. Het geschil is eerder aan de civiele rechter voorgelegd: zie Rechtbank Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14828. Zie over de verhouding tussen art. 577b (oud) Sv en art. 6:6:26 Sv Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 109.
De verhouding tussen een gehomologeerd akkoord en een ontnemingsmaatregel was ook aan de orde in Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4417. Die verhouding speelde als ik het goed zie ook in de zaak die leidde tot HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961, NJ 2013/517. Zie de conclusie van A-G Hofstee, randnummer 4 onder B.
Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11.
Wet van 8 mei 2003, Stb. 202.
Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 26, 27-28, 54-55. Zie ook Kamerstukken II 1989/90, 21 504, B, p. 12, waar wordt aangegeven dat ‘als gevolg van een faillissement ook krachtens het Wetboek van Strafvordering gelegde conservatoire beslagen vervallen’ en dat de curator ‘namens de gefailleerde met het openbaar ministerie transacties of schikkingen (zou) kunnen aangaan’.
Kamerstukken II 1990/91, 21 504, nr. 5, p. 4..
Vgl. ook HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8928. Zie voorts HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2003, NJ 2019/215 m.nt. Reijntjes (onder NJ 2019/216), waarin Uw Raad na de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming in 2011 aan deze regel vasthoudt. Dat een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv vervalt, wordt door Uw Raad in deze beschikking in verband gebracht met de omstandigheid dat die bepaling ‘geen enkel verband vereist tussen een bepaald strafbaar feit en het inbeslaggenomen voorwerp’. A-G Knigge tekent in zijn conclusie voorafgaand aan HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, noot 9, aan dat Uw Raad in de beschikking van 13 juli 2010 ‘minder juist van het faillissement van de “beslagene” spreekt, omdat die formulering geen rekening houdt met een onder een derde gelegd beslag’. Het gaat zijns inziens (en daar sluit ik mij bij aan) ‘om het faillissement van de schuldenaar, dus van degene ten laste van wie het beslag wordt gelegd’.
Wet van 8 mei 2003, Stb. 2003, 202.
Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 9-12.
Wet van 22 februari 2017, Stb. 82, inwerkingtredingbesluit Stb. 2019, 507.
Vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 94, 108. Nieuw is dat expliciet is bepaald dat voor elke volle € 25 van het bedrag waarvoor verhaal wordt gezocht, niet meer dan één dag wordt opgelegd (art. 6:6:25, vierde lid, Sv). En dat de rechter reeds bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel een maximum stelt aan de duur (art. 36e, elfde lid, Sr).
Stcrt. 2002, 207, p. 9.
Stcrt. 2005, 22, p. 14.
Stcrt. 2009, 40.
Stcrt. 2013, 35782 resp. Stcrt. 2016, 72371 (ook gepubliceerd in Stcrt. 2016, 68526). De weergegeven tekst is de thans geldende, er zijn kleine redactionele verschillen.
Zie Kamerstukken I 2019/20, 35 249, A (gewijzigd voorstel van wet).
Zie over de verificatie van schuldvorderingen nader het artikelsgewijs commentaar in de Groene Serie Faillissementswet alsmede B. Wessels, Insolventierecht: Verificatie van schuldvorderingen (Wessels Insolventierecht nr. V), Deventer: Wolters Kluwer 2020.
Zie J.M. Hummelen, Groene Serie Faillissementswet, aant. 3 op art. 130 Fw (actueel t/m 24 september 2019). Zie voorts Wessels, a.w., nr. 5119 e.v., die in nr. 5126 ook art. 94d, derde lid, Sv vermeldt.
Zie voor voorbeelden Wessels, a.w., nr. 5145 t/m 5149.
Voor inwerkingtreding van de wet van 24 november 2004, Stb. 615 was een gekwalificeerde meerderheid vereist (tweederde van de erkende en de voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers die tenminste drievierde van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigden). De wetgever beschouwde die eis evenwel als ‘te stringent’ (Kamerstukken II 1999/2000, 27 244, nr. 3, p. 7, 19).
Zie daarover A.D.W Soedira, Het akkoord, Deventer: Kluwer 2011, par. 5.5.4.
Vgl. over art. 153 Fw nader Soedira, a.w., par. 5.6.2, die stelt dat een akkoord dient te zijn gebaseerd op een betrouwbare balans (p. 153). Zie ter illustratie Gerechtshof te Amsterdam 2 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6426; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9173; Gerechtshof te Arnhem 12 maart 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA2819.
Zie F.M.J. Verstijlen, Groene Serie Faillissementswet., aantt. 1.3, 1.5, en 2 op art. 157 Fw (actueel t/m 8 april 2020). Zie ter illustratie het door Verstijlen genoemde HR 8 februari 1918, ECLI:NL:HR:1918:158, NJ 1918/336, alsmede HR 21 november 1919, ECLI:NL:HR:1919:248, NJ 1920/64 (waarin een voorrecht meebracht dat het akkoord niet verbindend was voor de betreffende schuldeiser).
Wet modernisering faillissementsprocedure, Stb. 2018, 299; in werking getreden op 1 januari 2019 (Stb. 2018, 348).
Kamerstukken II 2016/17, 34 740, nr. 3, p. 36.
Aanvankelijk was een regeling voorgesteld waarin gedurende één jaar nadat het akkoord in kracht van gewijsde was gegaan, vernietiging kon worden gevorderd ‘wegens het plegen van een der handelingen in artikel 153 onder 3 vermeld’. Deze ontwerp-bepaling is naar aanleiding van bedenkingen van de Raad van State vervallen. Zie nader Soedira, a.w., par. 3.4.3 (vgl. ook par. 3.4.4 en 7.6). Zie HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4773, NJ 2000/238 voor een zaak waarin vermogensbestanddelen voor de curator verborgen waren gehouden. Soedira, a.w., par. 7.9, meent evenwel dat in situaties van nagekomen baten na de homologatie van een akkoord aansluiting kan worden gezocht bij art. 194 Fw. Bij de voorgestelde analoge toepassing van art. 194 Fw zou het gehomologeerde akkoord in stand blijven en dus niet worden ontbonden.
Vgl. de artt. 16 en 195 Fw.
Vgl. in die zin ook Rechtbank Amsterdam 3 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7195 (waarin de ontnemingsmaatregel was opgelegd en onherroepelijk was geworden vóór het faillissement); de rechtbank meende evenwel dat de binding aan het gehomologeerd akkoord niet behoefde te leiden tot vermindering of kwijtschelding op grond van het toenmalige art. 577b, tweede lid, Sv. Zie in dat verband de eerder genoemde beschikking van Uw Raad van 11 oktober 2016. Vgl. ook F.M.J. Verstijlen, a.w., aant. 1.10 op art. 157 Fw (actueel t/m 8 april 2020).
Vgl. het eerder genoemde HR 8 februari 1918, ECLI:NL:HR:1918:158, NJ 1918/336.
Soedira, a.w, par. 1.3, vermeldt op basis van cijfers van het CBS over 1998 en 2007 ‘dat ongeveer 3% van de jaarlijks uitgesproken faillissementen wordt beëindigd door een akkoord’.
Vgl. ook de Handleiding Ontnemingswetgeving van het College van Procureurs-Generaal d.d. 30 september 2003 (2003H003), par. 7.5, waarin wordt gesteld dat de ontnemingsmaatregel geen voorrang heeft boven andere schuldeisers en dat de Staat dus concurrent schuldeiser is (te vinden op https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/5547.pdf).
S.C.J.J. Kortmann en C. Rijckenberg, ‘De strafrechtelijke ontnemingsvordering in faillissement’, WPNR 2009/6821, p. 946-947; Y. Buruma en E. Loesberg, noot onder President Rechtbank ‘s-Gravenhage 15 oktober 1999, ECLI:NL:RBSGR:1999:AF0180, JOR 1999/265, onder verwijzing naar de Duitse Insolvenzordnung.
B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht. Een commentaar op de ontnemingswetgeving, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 197. In dezelfde zin begrijp ik Reijntjes, noot onder NJ 2019/216, randnr. 6. Van Mierlo merkte in zijn noot onder HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4095, NJ 2013/322, randnr. 3, op dat het hem bij goederen die (deels) uit misdrijf afkomstig zijn ‘acceptabeler voor(komt) dat dergelijke goederen aan de Staat toevallen door verbeurdverklaring in plaats van aan private partijen via de faillissementsboedel’. Ook daaruit spreekt een benadering waarin de belangen van andere schuldeisers niet altijd voorgaan.
Ik wijs in dit verband nogmaals op HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4095, NJ 2013/322 m.nt. Van Mierlo, waarin Uw Raad heeft beslist dat ex art. 94a Sv gelegde conservatoire beslagen bij faillietverklaring vervallen.
Zie eerder in die zin M.J. Borgers en D. van der Landen, ‘Criminele insolventie: ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en faillissement’, Tijdschrift voor Insolventierecht 1997, aflevering 4, p. 113. Vgl. ook Kooijmans in zijn noot onder HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2298, NJ 2017/41, randnr. 3.
A.R. van der Winkel, ‘De voorwaardelijke geldvordering van de Staat in het faillissement van een verdachte of veroordeelde’, Trema 1994, p. 287-288.
A.w., p. 113. Ook de Aanwijzingen ontneming uit 2002, 2005 en 2009 sluiten bij de (eerste) oplegging van de ontnemingsmaatregel aan.
M.J. Borgers, ‘De ontnemingsmaatregel in civielrechtelijk perspectief’, in: P. Everaars, J.L. van der Neut en J. Simmelink, Ontnemingswetgeving in perspectief, Deventer, Gouda Quint 1999, p. 61-63.
Zie HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2729, NJ 2005/408, rov. 3.3.4 en (de conclusie van waarnemend A-G Bleichrodt voor) HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747, NJ 2007/195, rov. 4.4. Ik teken daarbij aan dat art. 157 Fw kan meebrengen dat bij het beëindigen van een faillissement door een akkoord de mogelijkheid van draagkracht in de toekomst reëel is. W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast, Den Haag: BJu 2018, p. 252 laat zien dat opheffing van een faillissement vanwege een gebrek aan baten in lagere rechtspraak wel als een reden wordt beschouwd ‘om te oordelen dat er een gebrek aan draagkracht zal zijn’.
A.w., p. 941-943.
Zie eerder in die richting ook Keulen, a.w., p. 194.
A.w., p. 943-944.
Knigge bekritiseert daarbij de Aanwijzing ontneming uit 2009, die voor ‘het ter verificatie indienen van een toekomstige vordering als bepleit door Kortmann en Rijckenberg’ geen ruimte laat (randnr. 4.9). In dat verband verdient vermelding dat de thans geldende Aanwijzing afpakken op dit punt geen (zelf)beperking meer bevat.
Vgl. in dit verband ook Keulen, a.w., p. 194: oplegging van een hoge boete of ontnemingsmaatregel is ‘zeker’ te verwachten als in verband daarmee reeds conservatoir beslag is gelegd. Ter verdere onderbouwing wees ik er destijds op dat de – hiervoor in randnr. 6 geciteerde – tweede alinea van par. 4.5.2 uit de MvT volgt op een passage over het vervallen van gelegde conservatoire beslagen; daaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook de wetgever dat verband heeft gelegd. Vgl. eerder de Adviescommissie Wetgeving van het Openbaar Ministerie (Commissie Wortel), Advies ‘Knelpunten in de ontnemingswetgeving’, 23 mei 1997, ongepubliceerd, p. 41-42, die suggereerde dat de wetgever zou kunnen vaststellen dat de betekening van de vordering bedoeld in art. 511b Sv ‘of wellicht zelfs het tijdstip waarop conservatoir beslag wordt gelegd of betekend’ het moment markeert waarop ‘in voldoende mate vaststaat dat de ontnemingsvordering zal worden gedaan’.
Dat zou aansluiten bij de taak van het Openbaar Ministerie in verband met faillissementen die uit de artt. 1 en 4 Fw naar voren komt. De Faillissementswet verklaart het Openbaar Ministerie niet bevoegd om op de verificatievergadering om redenen van openbaar belang tussenbeide te komen. Vgl. in dit verband ook Kooijmans, die het in zijn noot onder HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2298, NJ 2017/41, randnr. 3, verstandig noemt dat in de Aanwijzing afpakken als uitgangspunt is opgenomen ‘dat het gebruik door het Openbaar Ministerie van de bevoegdheid om te verzoeken te worden gehoord op de aangifte of het verzoek tot faillietverklaring (…) aangewezen is als het Openbaar Ministerie over aanwijzingen van misbruik van het faillissementsrecht beschikt’. Vgl. over de rol van het Openbaar Ministerie in faillissement ook Keulen, a.w., p. 194-195.
Vgl. HR 7 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt Mevis, rov. 3.12.2.
Deze momenten sluiten niet goed aan bij de mogelijkheid om voor een boete op te komen. Mogelijk kan, in het uitzonderlijke geval waarin een officier van justitie voor een toekomstige vordering uit hoofde van een nog niet opgelegde boete in het faillissement op wil komen, aansluiting worden gezocht bij het gelegd zijn van conservatoir beslag.
Zie omtrent het fixatiebeginsel, dat van groot belang is voor de mogelijkheid tot verificatie van vorderingen, HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424, NJ 2018/290 m.nt. Verstijlen. F.B. Bosvelt leidt uit dit arrest af dat er meer ruimte is ‘om te betogen dat ontnemingsvorderingen, ook als deze eerst na faillissement (voorwaardelijk) ontstaan, verifieerbaar zullen zijn indien en voor zover de relevante feiten zich maar vóór datum faillissement hebben voorgedaan’ (noot onder Gerechtshof Den Haag 28 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3712, JOR 2018/129, randnr. 7). Als Bosvelt met ‘de relevante feiten’ doelt op strafbare feiten, zou dat erop duiden dat hij voor een materiële benadering kiest.