PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00551 Datum 31 augustus 2020 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak IB / PVV 2014 Nr. Gerechtshof 18/01070 Nr. Rechtbank 17/3391 CONCLUSIE R.E.C.M. Niessen in de zaak van [X] tegen de Staatssecretaris van Financiën In geschil is het antwoord op de vraag of een uitkering die de nabestaande van de MH17-ramp ontvangt uit de ongevallenverzekering van de werkgever van het slachtoffer, is verkregen uit een dienstbetrekking en, zo ja, naar algemene maatschappelijke opvattingen wordt ervaren als beloningsvoordeel. 1Procesverloop 1.1 Aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) is een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.854 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €
(2014)was deze optie nog beschikbaar voor de werkgever van de zuster. Het Hof is met partijen ervan uitgegaan dat de werkgever gebruik heeft gemaakt van deze optie voor wat betreft de reis- en ongevallenverzekering. Daarnaast is het Hof ervan uitgegaan dat de verzekeringsmaatschappij die de uitkering heeft betaald aan belanghebbende, daarvoor niet kan worden aangemerkt als inhoudingsplichtige. Deze uitgangspunten van het Hof worden niet bestreden in cassatie. Ik zie geen aanleiding daarover anders te denken. 3.23 Voor de belastingplichtige voorzag artikel 10a.8 van de Wet IB 2001 in dezelfde optie. Ook deze optie is komen te vervallen sinds 1 januari 2015. Het Hof is ervan uitgegaan dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van deze optie voor wat betreft de uitkering. Ook dit uitgangspunt wordt niet bestreden in cassatie. Dit brengt met zich dat de uitkering alsnog is vrijgesteld voor zover zij een vergoeding vormt die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet wordt ervaren als beloningsvoordeel. Wettelijk kader en relevante rechtspraak 3.24 De Wet LB omschreef vrije vergoedingen en verstrekkingen in nagenoeg identieke termen. Op 31 december 2010 luidde artikel 11, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet LB als volgt: 1. Tot het loon behoren niet: a. vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIA gestelde normeringen en beperkingen (vrije vergoedingen); b. verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in of krachtens de artikelen 17 en 17a gestelde normeringen en beperkingen (vrije verstrekkingen); 3.25 Hoewel beide onderdelen verwijzen naar de normeringen en beperkingen die worden gesteld in of krachtens hoofdstuk IIA van de Wet LB, waarvan artikel 17 en artikel 17a deel uitmaken, werpt deze verwijzing geen licht op wat naar algemene maatschappelijke opvattingen al dan niet wordt ervaren als beloningsvoordeel. Wel blijkt uit deze verwijzing dat een vergoeding of verstrekking is vrijgesteld voor het deel dat niet als zodanig wordt ervaren. Voor zover thans van belang, bepaalden artikel 15, onderdeel b, en artikel 17, onderdeel b, van de Wet LB op 31 december 2010 dat vergoedingen en verstrekkingen vrij zijn: (…) voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren (…) 3.26 Wil de vrijstelling van toepassing zijn, dan moet dus aan drie voorwaarden zijn voldaan: (
- i)er is sprake van een vergoeding afkomstig van de werkgever, (
- ii)er is naar maatschappelijke opvatting sprake van een beloning, en (iii) er is sprake van een voordeel. 3.27 De regeling van de vergoedingen ziet op gevallen waarin de werknemer zich uitgaven getroost waarvoor de werkgever hem compenseert. Sedert de invoering van de Wet IB 2001 vangen deze bepalingen ook het gemis op van een regeling voor aftrek van werknemerskosten in de inkomstenbelasting. Gelet op deze achtergrond zal van een beloningsvoordeel ook eerder sprake zijn naar mate een uitgave geacht kan worden tot de privésfeer van de werknemer te behoren, en juist niet wanneer de uitgave redelijkerwijs moet worden geacht voor rekening van de werkgever te komen. 3.28 Algemene maatschappelijke opvattingen zijn een veranderlijk gegeven. Met de aangehaalde bepalingen is dus beoogd een open norm te stellen die aansluit bij wat zich van tijd tot tijd ontwikkelt als een breed gedeelde ervaring in de samenleving. In de wetsgeschiedenis is hierover opgemerkt dat het gaat om: (…) loonbestanddelen die naar algemeen gevoelde maatschappelijke opvattingen wel of niet als arbeidsopbrengst worden gevoeld. (…) Als voorbeeld van een loonbestanddeel dat naar algemeen gevoelde maatschappelijke opvattingen niet als arbeidsopbrengst wordt gevoeld kan worden gedacht aan bedrijfsfitness. (…) Onder invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen, binnen welke ontwikkelingen werkgevers een dergelijke faciliteit zien als onderdeel van een personeelsbeleid dat er op is gericht werknemers in staat te stellen hun functie goed en in goede gezondheid te vervullen, wordt een dergelijke faciliteit thans niet meer als arbeidsopbrengst ervaren. 3.29 Als een breed gedeelde ervaring in de samenleving dient als maatstaf, is niet van belang met welke intentie de desbetreffende werkgever het loonbestanddeel verstrekt of met welke perceptie de desbetreffende werknemer het verkrijgt. Daarentegen is beslissend of het loonbestanddeel objectief is bedoeld als beloning. Hierbij suggereert de wetsgeschiedenis dat een beloningsvoordeel mag worden vermoed wanneer de werknemer een aanzienlijk privévoordeel verkrijgt: Dit woord [“beloningsvoordeel”, A-G] geeft aan dat het weliswaar gaat om een voordeel – anders zou immers de vraag of er sprake is van een loonbestanddeel in het geheel niet opkomen – maar dat dit voordeel alleen dan (niet) tot het loon behoort indien het objectief (niet) als beloning is bedoeld. Een aanzienlijk privé-voordeel voor de werknemer, al dan niet in de vorm van een besparing op privé-uitgaven, indiceert een beloningsvoordeel. 3.30 De wetsgeschiedenis reikt praktische gezichtspunten aan, zoals de aan een aanzienlijk privévoordeel voor de werknemer te ontlenen indicatie, ter beantwoording van de vraag of een loonbestanddeel een beloningsvoordeel is. Een ander gezichtspunt is de verhouding tussen de omvang van het privévoordeel voor de werknemer en het belang van de werkgever: De omschrijving «niet als beloningsvoordeel» ziet op die vergoedingen en verstrekkingen waarvan gelet op de omvang van het voordeel voor de werknemer enerzijds en het specifieke belang van de werkgever bij dergelijke vergoedingen of verstrekkingen anderzijds, mag worden aangenomen dat zij niet als loon worden ervaren. Het betreft hier min of meer toevallige voordelen die opkomen in het bredere kader van het belang van de werkgever (hierna: in het zakelijke belang) en die dus niet primair ter beloning worden gegeven. Hiervan is niet sprake als een dergelijke vergoeding of verstrekking gepaard gaat met een aanmerkelijk privé-belang of privé-voordeel van de werknemer. 3.31 De verhouding tussen het voordeel voor de werknemer en het belang van de werkgever vergt meer dan slechts een kwantitatieve beoordeling. De wetsgeschiedenis vermeldt dat (ook) het voordeel voor de werknemer zich niet steeds laat vaststellen in kwantitatieve termen: Of sprake is van een aanmerkelijk privé-belang respectievelijk privévoordeel kan niet altijd aan de hand van absolute kwantitatieve criteria worden vastgesteld. Zo kan een privé‑voordeel dat ten opzichte van het zakelijke belang van volstrekt ondergeschikte betekenis is buiten aanmerking blijven, terwijl een privé-voordeel van gelijke omvang bij een geringer of ontbrekend zakelijk belang wel tot het loon behoort. Voorts kan een aspect als het min of meer frequent genieten van bepaalde privé-voordelen eveneens betekenen dat sprake is van loon. Voor min of meer gelijke categorieën uitgaven kan in de praktijk evenwel als richtsnoer worden genomen, dat van een aanmerkelijk privé-voordeel in absolute zin in ieder geval sprake is, indien aannemelijk is dat, als gevolg van de bekostiging door de werkgever, de privé-uitgaven van de werknemer, op jaarbasis bezien, € 454 (f 1000) minder zullen bedragen dan de privéuitgaven van met hem vergelijkbare werknemers. 3.32 Nog een ander gezichtspunt is de omvang of continuïteit van de vergoeding of verstrekking. In dit verband heeft de wetsgeschiedenis mede het oog op een vergoeding of verstrekking aan niet alleen de werknemer maar ook diens familieleden als het gaat om: (…) begrenzingen (…) waar de omvang en/of de continuïteit van het ter beschikking gestelde bepaalde grenzen te boven gaan. Waar bedrijfsfitness en de beschikbaarheid van een bedrijfsarts naar algemeen gevoelen buiten het loon moeten blijven, ligt dat duidelijk anders met volledige lichamelijke verzorging, eventueel inclusief die van familieleden. De behoefte aan lichamelijke verzorging is een zo fundamentele basisbehoefte van de mens, dat waar daarin wordt voorzien door de werkgever, een zo onmiskenbare bevoordeling optreedt, dat de waarde van die verzorging niet buiten beschouwing kan blijven. Iets dergelijks speelt bijvoorbeeld bij het verschaffen van kost en inwoning door de werkgever. Krijgt een werknemer van zijn werkgever kost en/of inwoning, dan kan de waarde daarvan niet buiten beschouwing blijven. 3.33 Tot dusverre is tweemaal de vraag voorgelegd aan de Hoge Raad of een loonbestanddeel al dan niet een beloningsvoordeel is. De eerste zaak is beslist in HR BNB 2008/82 en betreft de compensatie van de extra kosten van een verplichte ziektekostenverzekering. De Hoge Raad oordeelt als juist dat deze compensatie niet een beloningsvoordeel is. 3.34 De tweede maal betreft HR BNB 2015/110. Dit arrest handelt over de vraag of politieagenten een beloningsvoordeel verkrijgen doordat een rechtspositionele regeling hun werkgever verplicht vorderingen tot vergoeding van door hen in hun dienstuitoefening geleden immateriële schade over te nemen tegen de nominale waarde terwijl uit ervaringsregels blijkt dat deze vorderingen een lagere waarde in het economisch verkeer hebben. De Hoge Raad oordeelt van niet: 2.4 (…) Aangenomen moet worden dat de (…) rechtspositionele regeling ertoe strekt de politiebeambten onbelemmerd te laten functioneren ter wille van het publieke belang door het verhaal van de vorderingen die aan hen bij rechterlijk vonnis zijn toegekend ter zake van door hen in de uitoefening van hun functie geleden immateriële schade over te nemen. Aldus beoogt de werkgever met het overnemen van die vorderingen niet zozeer deze werknemers te belonen, maar dient hij daarmee vooral de aan hem opgedragen publieke dienstverlening. Tegen deze achtergrond moet het voordeel worden gerekend tot de vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren in de zin van artikel 11, lid 1, aanhef en letter a, in verbinding met artikel 15, aanhef en letter b, van de Wet. Dit sluit ook aan bij de regeling in artikel 11, lid 1, aanhef en letter k, van de Wet op grond waarvan geen belasting wordt geheven over uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door een werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken, waarmee de onderhavige vergoeding vergelijkbaar is. Overlijdensuitkering aan werknemer en algemene maatschappelijke opvattingen 3.35 In cassatie is in geschil of de uitkering kan worden aangemerkt als een beloningsvoordeel. Daarmee kom ik op de vraag of enige breed gedeelde ervaring bestaat in de samenleving over uitkeringen uit een (ongevallen)verzekering van de werkgever aan de nabestaanden van een werknemer ter zake van diens overlijden en, zo ja, of een dergelijke uitkering volgens die breed gedeelde ervaring is bedoeld als beloning. 3.36 Op de keper beschouwd laat een overlijdensuitkering zich niet gevoelen als een beloning of een voordeel, noch voor de werkgever die de uitkering verstrekt noch voor de nabestaanden die de uitkering ontvangen. Maar, als gezegd (zie 3.29), beslissen de intentie van de werkgever en de perceptie van de werknemer niet of er een beloningsvoordeel is. Naar mag worden aangenomen geldt hetzelfde voor de perceptie van de nabestaanden. 3.37 Mij is geen empirisch onderzoek bekend naar de vraag of algemene maatschappelijke opvattingen een overlijdensuitkering duiden als een beloningsvoordeel of niet. Het komt dus aan op de praktische gezichtspunten die de wetsgeschiedenis van artikel 11, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet LB aanreikt. 3.38 In kwantitatieve termen leidt een overlijdensverzekering niet tot een aanzienlijk privévoordeel voor de werknemer die de verzekerde is. De uitkering geniet hij immers per definitie niet zelf. Wel bespaart de werknemer privé-uitgaven doordat de werkgever de premie betaalt voor diens ongevallenverzekering, maar deze besparing zal doorgaans niet aanzienlijk zijn. 3.39 In kwalitatieve termen ligt in de aanspraak op een overlijdensuitkering wel een privévoordeel voor een werknemer besloten in gevallen waarin met het overlijden van de werknemer diens nabestaanden middelen derven voor hun levensonderhoud. In die gevallen biedt deze aanspraak een werknemer de zekerheid van een (beperkte) financiële waarborg voor diens nabestaanden terwijl zij zich aanpassen aan de financiële situatie na diens overlijden. 3.40 Dit privévoordeel voor een werknemer betekent nog niet dat een overlijdensuitkering naar algemene maatschappelijke opvattingen wordt ervaren als een beloningsvoordeel. Dat is met name niet het geval als tegenover dit privévoordeel een zakelijk belang van een werkgever staat bij het toekennen van die aanspraak dan wel het doen toekomen van die uitkering. 3.41 Voor het antwoord op de vraag of en, zo ja, welk zakelijk belang een werkgever heeft bij het toekennen van de aanspraak op een overlijdensuitkering, ga ik te rade bij de eenmalige overlijdensuitkering waartoe artikel 6:674, lid 2, BW een werkgever verplicht. Deze eenmalige overlijdensuitkering bedraagt – kort gezegd – één maandloon. Deze bepaling is van dwingend recht. Daarvan mag een werkgever volgens artikel 6:674, lid 6, BW niet ten nadele van de nagelaten betrekkingen afwijken. 3.42 Wel wijken vele individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten in zoverre af van artikel 6:674, lid 2, BW dat werkgevers zich verplichten tot het doen van een eenmalige overlijdensuitkering tot een hoger bedrag dan het dwingendrechtelijke minimum. Doorgaans gaat het om een bedrag tot drie maandlonen, namelijk het bedrag waarvoor de eenmalige overlijdensuitkering is vrijgesteld volgens artikel 11, lid 1, onderdeel m, van de Wet LB. 3.43 Dit brengt mij ertoe te veronderstellen dat werkgevers een zodanig zakelijk belang betrokken achten bij het bieden van een financiële waarborg aan nabestaanden van hun werknemers dat zij bereid zijn een zwaardere verplichting te aanvaarden dan het minimum van dwingend recht. Anders gezegd, werkgevers zien een eenmalige overlijdensuitkering – naar ik meen te mogen aannemen – als passend in een personeelsbeleid dat erop is gericht het functioneren van hun werknemers te ondersteunen doordat zo’n uitkering een werknemer zekerheid biedt voor diens nabestaanden. 3.44 Dit zakelijke belang dat een werkgever heeft bij het doen van een hogere eenmalige overlijdensuitkering dan waartoe artikel 6:674, lid 2, BW verplicht, is mijns niet anders dan het belang dat een werkgever heeft bij het toekennen van een aanspraak op een uitkering uit een (ongevallen)verzekering voor het geval dat een werknemer overlijdt door een ongeval ongeacht of de werkgever aansprakelijk is voor het ongeval. 3.45 Aldus beschouwd ligt het belang van een werknemer bij het bedingen van de aanspraak op een overlijdensuitkering in het verlengde van het zakelijke belang van een werkgever bij het verzekeren van deze aanspraak, mits het voor een werkgever gaat om een voorziening die past in een breder personeelsbeleid dat werknemers ondersteunt. Dit pleit ertegen dat deze aanspraak naar algemene maatschappelijke opvatting zou worden ervaren als een beloningsvoordeel. Bovendien betreft het een eenmalige en in omvang geringe uitkering, juist omdat een beperkte financiële waarborg is beoogd. 3.46 De vraag is of het systeem van de Wet LB noopt tot een tegengestelde gevolgtrekking. In dit verband memoreer ik de omkeerregel die de Wet LB voorschrijft voor de aanspraak op een uitkering wegens overlijden ten gevolge van een ongeval. Volgens artikel 11, lid 1, onderdeel h, van de Wet LB (tekst 2014) is deze aanspraak vrijgesteld. Het recht dat een door de werkgever afgesloten ongevallenverzekering geeft op een uitkering aan de nabestaanden van een werknemer ter zake van diens overlijden, is zo’n aanspraak. 3.47 De omkeerregel verschuift het moment van heffing van het toekennen van de aanspraak naar het verstrekken van de uitkering. De uitkering die plaatsvindt op grond van de vrijgestelde aanspraak van artikel 11, lid 1, onderdeel h, van de Wet LB, is dan ook belast, zij het niet voor het volledige bedrag. Als gezegd (zie 3.42), stelt artikel 11, lid 1, onderdeel m, van de Wet LB (tekst 2010) de eenmalige uitkering ter zake van het overlijden van een werknemer vrij tot een bedrag van – kort gezegd – drie maandlonen. Voor zover de eenmalige uitkering dit bedrag overtreft, is het meerdere belast volgens artikel 10, lid 4, van de Wet LB. 3.48 Ogenschijnlijk bevreemdt het wanneer een uitkering ter zake van het overlijden van een werknemer, die berust op een ongevallenverzekering van de werkgever, naar algemene maatschappelijke opvattingen geen beloningsvoordeel zou zijn. In dat geval is namelijk het gehele bedrag daarvan vrijgesteld volgens artikel 11, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet LB; dan zou de beperktere vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel m, van de Wet LB tot een bedrag van drie maandlonen voor diezelfde uitkering zinledig zijn. Dit pleit ervoor dat de aanspraak op een overlijdensuitkering naar algemene maatschappelijke opvattingen zou worden ervaren als een beloningsvoordeel. 3.49 De aanvankelijke bevreemding lost evenwel op wanneer wordt bedacht dat artikel 11, lid 1, onderdeel m, van de Wet LB ziet op overlijdensuitkeringen ongeacht de toedracht ervan. Met een beperkte vrijstelling voor alle overlijdensuitkeringen als algemene regel is namelijk niet onverenigbaar dat overlijdensuitkeringen ter zake van een ongeval zouden delen in een volledige vrijstelling als bijzondere regel. Aldus bezien doet het geen afbreuk aan artikel 11, lid 1, onderdeel m, van de Wet LB als een overlijdensuitkering ter zake van een ongeval zou zijn vrijgesteld volgens artikel 11, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet LB. 3.50 Bovendien onderscheidt een ongevallenverzekering die recht geeft op een uitkering aan de nabestaanden van een werknemer ter zake van diens overlijden, zich in zoverre van andere verzekeringen die hetzelfde recht geven, dat de ongevallenverzekering een zuivere risicoverzekering is. In essentie verzekert een dergelijke polis het risico van het intreden van het ongeval – met een noodlottig gevolg – en niet het lijf van de verzekerde. Daarom pleegt een dergelijke verzekering ook niet als levensverzekering te worden aangemerkt. Na ommekomst van de termijn waarvoor de premie is voldaan, bijvoorbeeld een jaar, dekt de polis het risico in principe niet meer en heeft deze ook geen (afkoop)waarde. Anders dan bij een levensverzekering wordt niet een kapitaal (premiereserve) gevormd dat bij het al dan niet op een bepaald moment in leven zijn tot uitkering komt. De premie voor een ongevallenverzekering omvat in principe dus slechts een kosten- en een risicodeel en niet een spaardeel. Immers, het risicodeel van de premie dient ter dekking van de uitkeringen uit de ongevallenverzekering voor onzekere gebeurtenissen. Bij levensverzekeringen bouwt het spaardeel van de premie met de daarop te verkrijgen rente een kapitaal (premiereserve) op ter dekking van de uitkering en overweegt dus dit deel. 3.51 De in geval van een overlijdensverzekering uit het bruto of netto loon afgezonderde premie plus de daarop verkregen rente komt in feite ten laste van het vermogen van de werknemer. De nabestaande die uit deze verzekering een uitkering verkrijgt, geniet dus een voordeel dat materieel gesproken door de werknemer is ‘klaar gezet’ uit zijn loon. De uitkering is dus in hoofdzaak een vorm van uitgesteld loon. In geval van een verzekering van overlijden door ongeval ligt de zaak anders: de nabestaande verkrijgt de uitkering in beginsel louter doordat de werknemer de laatste jaarpremie heeft voldaan, een bedrag dat als gevolg van de geringe kans op intreden van het risico klein is in verhouding tot de uitkering. De uitkering is niet een vorm van uitgesteld loon, maar is de uitkomst van een soort poolcontract en komt voort uit de stortingen door een groot aantal contractanten. Het gaat hier zo te zeggen om een ‘windfall profit’. Ook de niet verzekeringstechnisch geschoolde burger ervaart dit zo. Doordat de werkgever van de overledene de verzekering is aangegaan, bestaat tussen de uitkering en de dienstbetrekking een ‘conditio sine qua non’ verband. Gelet op het geschetste onderscheid tussen een ongevallenverzekering met een overlijdensuitkering en andere verzekeringen met een overlijdensuitkering, acht ik het echter plausibel dat een overlijdensuitkering uit een ongevallenverzekering niet naar algemene maatschappelijke opvattingen wordt ervaren als een beloningsvoordeel. 3.52 Uit het vorenstaande volgt dat enige argumenten kunnen worden gevonden voor de gedachte dat de onderhavige uitkering niet als beloningsvoordeel kan worden aangemerkt. Maar de vraag of sprake is van een ‘vergoeding’ in de zin der wet, is nog niet beantwoord. Is hier sprake van een compensatie door de werkgever van kosten die de werknemer voldoet en die voor rekening van de werkgever horen te blijven? En moet dan wellicht onderscheid worden gemaakt tussen de zuivere smartengelduitkering en gevallen waarin de uitkering strekt ter dekking van gederfde inkomsten waarmee de kosten van levensonderhoud worden bestreden? 3.53 Hierbij merk ik op dat in het in 3.34 genoemde HR BNB 2015/110 een ‘vergoeding’ werd aangenomen. In dat arrest was sprake van een financieel nadeel dat de politiefunctionaris leed doordat hij zijn recht op schadevergoeding in feite niet kon verhalen op degene die dit had veroorzaakt. In gevallen als het onderhavige is echter geen sprake van een concrete financiële schade, en voor zover al aan een min of meer als (pre)pensioen bedoelde uitkering kan worden gedacht, geldt dat dit een materie is die volstrekt buiten het kader van deze regeling ligt. Zo in gevallen als het onderhavige al valt te spreken van een betaling van compensatoire aard, geldt bovendien dat deze betaling niet afkomstig is van de werkgever. De wet is helder: de verkrijging van een aanspraak is belastbaar loon; mocht deze echter zijn vrijgesteld, dan is de uitkering daaruit belast. Beoordeling van het middel 3.54 Naar het oordeel van het Hof is de vrijstelling voor vergoedingen en verstrekkingen die niet naar algemene maatschappelijke opvattingen worden ervaren als beloningsvoordeel, niet van toepassing op de uitkering. Het Hof acht redengevend voor dit oordeel dat de aard van het recht op de uitkering niet in een te ver verwijderd verband staat met de dienstbetrekking van de zuster en dat het bedrag van de uitkering aanzienlijk is, terwijl het Hof in het midden laat welk belang dit recht heeft voor de directe bedrijfsvoering van de werkgever. 3.55 Het tweede middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft beoordeeld of het bedrag van de uitkering aanzienlijk is. In zoverre is het middel mijns inziens terecht voorgesteld. Immers, voor de toepassing van artikel 11, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet LB is niet zozeer van belang of dit bedrag aanzienlijk is maar veeleer of het privévoordeel dat de aanspraak op de uitkering behelst voor de werknemer aanzienlijk is. Deze aanspraak betekent mijns inziens niet een kwantitatief, maar een kwalitatief privévoordeel voor de werknemer (zie 3.38-3.39). 3.56 Tevens betoogt het tweede middel dat het Hof ten onrechte heeft beoordeeld of de aard van het recht op de uitkering in een te ver verwijderd verband staat met de dienstbetrekking van de zuster. Ook in zoverre is het middel mijns inziens terecht voorgesteld. Het is niet het verband tussen de vergoeding of verstrekking en de dienstbetrekking dat beslist of er naar algemene maatschappelijke opvattingen een beloningsvoordeel is. Dat verband beslist of een voordeel is verkregen uit dienstbetrekking of niet. Voor de daaropvolgende vraag of het voordeel (ook) naar algemene maatschappelijke opvattingen een beloningsvoordeel is, is daarentegen van belang de verhouding tussen het privébelang van de werknemer en het zakelijke belang van de werkgever (zie 3.30-3.31). In verband hiermee heeft het Hof mijns inziens niet in het midden mogen laten welk belang het recht op de uitkering heeft voor de werkgever. Voor zover het tweede middel hierover klaagt, acht ik het eveneens terecht. 3.57 Daarnaast betoogt het tweede middel dat de uitkering niet naar algemene maatschappelijke opvattingen wordt ervaren als een beloningsvoordeel. Voor zover belanghebbende dit betoog erop doet steunen dat de uitkering niet is bedoeld als arbeidsbeloning maar als vergoeding van immateriële schade, meen ik dat het betoog ten onrechte van belang acht met welke intentie de werkgever van de zuster heeft gehandeld bij het toekennen van de aanspraak op de uitkering of het doen toekomen van de uitkering (zie 3.29). Naar ik meen, is evenmin van belang of de uitkering berust op een eenzijdig recht. 3.58 Hoewel deels terecht voorgesteld, meen ik dat het tweede middel niet tot cassatie leidt. De vrijstelling voor vergoedingen die niet naar algemene maatschappelijke opvattingen worden ervaren als een beloningsvoordeel, veronderstelt dat sprake is van een vergoeding (zie 3.26). In dit geval, waar concrete financiële schade zich niet voordoet, kan mijns inziens niet worden gesproken van een vergoeding (zie 3.53). Daarbij komt dat de uitkering afkomstig is van de verzekeringsmaatschappij (zie 3.53), en niet van de werkgever (zie 3.27). Daarom acht ik de gronden die het Hof heeft gebezigd voor het oordeel dat het tweede middel bestrijdt, onjuist maar het oordeel zelf juist. 4Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen. De inspecteur van de Belastingdienst / Kantoor Arnhem. De rechtbank Gelderland. Rechtbank Gelderland 9 oktober 2018, nr. AWB 17/3391, ECLI:NL:RBGEL:2018:4322, FutD 2018-2670 met annotatie van de redactie, NLF 2018/2435 met annotatie van Verberk, NTFR 2018/4277 met annotatie Dijkstra, V-N 2019/8.21.7. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, nr. 18/01070, ECLI:NL:GHARL:2020:790, FutD 2020-0367 met annotatie van de redactie, NLF 2020/0483 met annotatie van Werger en NTFR 2020/592 met annotatie van Werger. De staatssecretaris van Financiën. Rechtbank Gelderland 9 oktober 2018, nr. AWB 17/3391, ECLI:NL:RBGEL:2018:4322, r.o. 17. Volledigheidshalve merk ik op dat de Rechtbank ter zitting het beroep van belanghebbende gelijktijdig heeft behandeld met de beroepen van vier andere nabestaanden van de zuster. Deze beroepen zijn onder gelijkluidende overwegingen ongegrond verklaard. Zie Rechtbank Gelderland 9 oktober 2018, nrs. AWB 17/3389, 17/3390, 17/3392 en 17/3393, ECLI:NL:RBGEL:2018:4319, ECLI:NL:RBGEL:2018:4320, ECLI:NL:RBGEL:2018:4321 en ECLI:NL:RBGEL:2018:4323. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, nr. 18/01070, ECLI:NL:GHARL:2020:790, r.o. 3.1-3.2. Voor de goede orde merk ik op dat hoger beroep niet is ingesteld tegen de uitspraken op de beroepen van de andere nabestaanden van de zuster. Het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting bij het Hof vermeldt dat met de Inspecteur is overeengekomen dat de uitspraak van het Hof zal doorwerken naar deze andere nabestaanden. Zie het proces-verbaal van het Hof, p. 1. Hoewel de processtukken in cassatie het niet vermelden, vermoed ik dat de Inspecteur bereid is geweest hetzelfde overeen te komen voor het arrest van de Hoge Raad in deze zaak. Idem, r.o. 4.3. Idem, r.o. 4.9. In deze zaak vinden artikel 39c van de Wet LB en artikel 10a.8 van de Wet IB 2001 toepassing. Als gevolg daarvan is artikel 10, lid 1, van de Wet LB, zoals het luidde op 31 december 2010, van belang voor deze zaak. Zie voetnoot 39. Zie Hoge Raad 20 november 2015, nr. 15/00199, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2015:3310, BNB 2016/44 met annotatie Spek, FED 2016/4 met annotatie Bentohami, FutD 2015-2795 met annotatie van de redactie, NTFR 2015/3000 met annotatie Schouten, V-N 2015/61.16 met annotatie van de redactie. Zie onderdeel 6.9 van de conclusie van mijn hand van 28 juli 2015, nr. 15/00199, ECLI:NL:PHR:2015:1696, FutD 2015-2159, NTFR 2015/2759 met annotatie Schouten. Zie over de leer van de redelijke toerekening nader de conclusie van mijn hand van 17 juni 2014, nr. 13/03776, ECLI:NL:PHR:2014:1732, FutD 2014-2129, V‑N 2015/4.15 met annotatie van de redactie, onderdelen 4.5 tot en met 4.7 en de in die onderdelen aangehaalde literatuur. Hoge Raad 29 juni 1983, nr. 21.435, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:PHR:1983:AW9439, BNB 1984/2 met annotatie Van Dijck, FED 1984/2607 met annotatie Sneep, V-N 1983/1482, 10 met annotatie van de redactie. Zie ook Hoge Raad 31 maart 2017, nr. 16/01727, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2017:529, BNB 2017/135 met annotatie Mertens, FED 2017/96 met annotatie De Kort, FutD 2017-0771 met annotatie van de redactie, NLF 2017/0784 met annotatie Spauwen, NTFR 2017/831 met annotatie Schouten, V-N 2017/18.10 met annotatie van de redactie. Ook valt te denken aan een rechtspositionele regeling. Zie Hoge Raad 3 november 1993, nr. 29.466, ECLI:NL:HR:1993:BH9099, BNB 1994/22 met annotatie Van Dijck, FED 1994/174 met annotatie Pruiksma, V-N 1993/3678, 5 met annotatie van de redactie en Hoge Raad 31 maart 2017, nr. 16/04052, ECLI:NL:HR:2017:536, BNB 2017/136 met annotatie Mertens, FED 2017/97 met annotatie De Kort, FutD 2017-0771 met annotatie van de redactie, NTFR 2017/832 met annotatie Schouten, V-N 2017/18.11 met annotatie van de redactie. Hoge Raad 21 februari 2001, nr. 35.796, ECLI:NL:HR:2001:BI7666, BNB 2001/150, FED 2002/82 met annotatie Alkemade, V-N 2001/15.13 met annotatie van de redactie. Vergelijk reeds Hoge Raad 12 maart 1969, nr. 16.081, ECLI:NL:HR:1969:AX5877, BNB 1969/102 met annotatie Hollander. Hoge Raad 6 juni 1956, 12.814, ECLI:NL:HR:1956:AY2097, BNB 1956/232. Hoge Raad 18 juni 1969, 16.095, ECLI:NL:HR:1969:AX5861, BNB 1969/221 met annotatie Van Soest. Hoge Raad 8 februari 2008, nr. 43.514, na conclusie A-G Van Ballegooijen, ECLI:NL:HR:2008:BB3896, BNB 2008/82 met annotatie Zwemmer, FED 2009/23 met annotatie Weerepas, FutD 2008-0275, V-N 2008/9.18 met annotatie van de redactie. Idem. Zie onderdeel 3.13 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen van 8 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB3896. In deze zin: Mertens in punt 10 van zijn annotatie van HR BNB 2011/276 (zie voetnoot 29). Hoge Raad 6 november 1991, nr. 27.498, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1991:ZC4767, BNB 1992/57 met annotatie Brunt, V-N 1991/3383, 15 met annotatie van de redactie. Hoge Raad 24 juni 2011, nr. 10/02286, ECLI:NL:HR:2011BO5996 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BO5996), na conclusie A-G Van Ballegooijen, BNB 2011/276 met annotatie Mertens, FED 2011/77 met annotatie Dankaart, FutD 2011-1488, V-N 2011/32.16 met annotatie van de redactie. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, nr. 18/01070, ECLI:NL:GHARL:2020:790, r.o. 2.3-2.5. Idem, r.o. 4.4. Hoge Raad 25 november 2011, nr. 10/03216, na conclusie A-G Van Ballegooijen, ECLI:NL:HR:2011:BQ6118, BNB 2012/151 met annotatie Mertens, FED 2012/39 met annotatie Dankaart, FutD 2011-2882, NTFR 2011/2658 met annotatie De Haan, V-N 2011/62.17 met annotatie van de redactie. Overigens gaat het inderdaad om loon uit vroegere dienstbetrekking. Vergelijk Hoge Raad 11 juli 2003, nr. 43.211, ECLI:NL:HR:2003:AH9766, BNB 2003/310, FED 2003/390, NTFR 2003/1202 met annotatie Van Waaijen, V-N 2003/39.15 met annotatie van de redactie. Zie artikel V, onderdelen B en E, van de Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2010), Stb. 2009, 611. Zie artikel Vbis van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, nr. 18/01070, ECLI:NL:GHARL:2020:790, r.o. 4.6. Zie artikel III, onderdeel KK, van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, nr. 18/01070, ECLI:NL:GHARL:2020:790, r.o. 4.6. Het brengt tevens met zich dat artikel 10, lid 1, van de Wet LB zoals dit artikellid luidde op 31 december 2010, tot maatstaf dient voor het antwoord op de vraag of de uitkering kan worden aangemerkt als te zijn verkregen uit een dienstbetrekking. Immers, de optie van artikel 10a.8 van de Wet IB 2001 strekt zich mede uit tot dat artikellid. Daarom is de in 2010 geldende tekst van artikel 10, lid 1, van de Wet LB aangehaald in onderdeel 3.5. Zie onderdelen 4.24-4.26 van de conclusie van mijn hand van 9 november 2016, nr. 16/01727, ECLI:NL:PHR:2016:1130, FutD 2016-2818, NLF 2016/0635 met annotatie Kawka, NTFR 2017/246 met annotatie Oardi, V-N 2017/3.13 met annotatie van de redactie. Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3 (MvT), p. 5. Idem, p. 28. In het citaat zijn de gedachtestreepjes door mij toegevoegd. Idem, p. 34. Idem, p. 5-6. Hoge Raad 8 februari 2008, nr. 43.514, na conclusie A-G Van Ballegooijen, ECLI:NL:HR:2008:BB3896, BNB 2008/82 met annotatie Zwemmer, FED 2009/23 met annotatie Weerepas, FutD 2008-0275, V-N 2008/9.18 met annotatie van de redactie. Hoge Raad 30 januari 2015, nr. 13/03776, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2015:141, BNB 2015/110 met annotatie Mertens, FutD 2015-0237 met annotatie van de redactie, NTFR 2015/557 met annotatie Van Mulbregt, V-N 2015/8.13 met annotatie van de redactie. Ter illustratie: belanghebbende verwijst in het beroepschrift in cassatie naar een overgelegde premienota van de werkgever van de zuster die een bedrag van USD 4.013 vermeldt als verschuldigde premie ter zake van de reis- en ongevallenverzekering van alle bij de werkgever werkzame werknemers voor een periode van drie jaren, dus ongeveer USD 110 per maand. Van die premie maakt het gedeelte dat feitelijk ziet op (de uitkering uit) de overlijdensrisicoverzekering, slechts een klein deel uit. Zie het beroepschrift in cassatie, p. 4. Overigens berust een eenmalige overlijdensuitkering tot dit bedrag rechtstreeks op de wet en niet op enig derdenbeding ten behoeve van de nabestaanden van een werknemer. Zie Hoge Raad 11 april 2001, nr. 35.916, ECLI:NL:HR:2001:AB0984, BNB 2001/243 met annotatie Van Vijfeijken, FED 2001/265, FutD 2001-0724, NTFR 2001/598 met annotatie van de redactie, V-N 2001/24.27 met annotatie van de redactie. Weerepas, in: Cursus Belastingrecht LB.2.2.2.d (online geraadpleegd op 31 augustus 2020). Overigens is de aanspraak op de eenmalige overlijdensuitkering van artikel 6:674, lid 2, BW vrijgesteld tot hetzelfde bedrag op de voet van artikel 11, lid 1, onderdeel i, van de Wet LB (tekst 2010). (Ook) de eenmalige overlijdensuitkering van artikel 6:674, lid 2, BW is bestemd om de nagelaten betrekkingen enige tijd te gunnen zich aan te passen aan de na het overlijden ontstane financiële situatie. Zie Hoge Raad 9 september 1987, nr. 24.821, ECLI:NL:HR:1987:AW7594, BNB 1987/311 met annotatie Van Dijck, FED 1988/12 met annotatie Sprey, V-N 1987/2268, 18 met annotatie van de redactie. De overgangsrechtelijke opties van artikel 39c van de Wet LB en artikel 10a.8 van de Wet IB 2001 strekken zich niet uit tot artikel 11, lid 1, onderdeel h, van de Wet LB, zodat de in 2014 geldende tekst van die bepaling van toepassing is in deze zaak. Volledigheidshalve: deze opties zien – via artikel 12.7 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 – nog op artikel 44 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals het luidde op 31 december 2010, dat tot de vrije verstrekkingen rekent de aanspraak op een ongevallenverzekering die uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking. Ik laat deze bepaling hier rusten, omdat het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat de reis- en ongevallenverzekering als aanspraak is vrijgesteld op de voet van artikel 11, lid 1, onderdeel h, van de Wet LB. Vergelijk Hoge Raad 25 november 2011, nr. 10/03216, na conclusie A-G Van Ballegooijen, ECLI:NL:HR:2011:BQ6118, BNB 2012/151 met annotatie Mertens, FED 2012/39 met annotatie Dankaart, FutD 2011-2882, NTFR 2011/2658 met annotatie De Haan, V-N 2011/62.17 met annotatie van de redactie. Zie ook Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 80. De in 2010 geldende tekst van artikel 11, lid 1, onderdeel m, van de Wet LB is van toepassing in deze zaak, omdat artikel 39c van de Wet LB en artikel 10a.8 van de Wet IB 2001 zich (wél) uitstrekken tot die bepaling. Vergelijk W.J.M. van Veen, De levensverzekering (diss.), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 3. Overigens kan bij sommige levensverzekeringen de premie een groot risicodeel omvatten. Zie hierover onder meer Niessen, Levensverzekering en fiscus (FED Fiscale Studieserie nr. 12), Deventer: Uitgeverij FED 1997 (tweede druk), p. 23. Zie hierover Niessen, ‘Kapitaal- en lijfrenteverzekeringen vanaf 2001’, WFR 2000/589, onderdeel 4. Afhankelijk van de condities van de verzekering zal de uitkering wel deels een risicodeel omvatten. De looptijd van de verzekering kan de hoogte van de premie wel beïnvloeden. In de inkomstenbelasting onbelast, zie Niessen, Levensverzekering en fiscus (FED Fiscale Studieserie nr. 12), Deventer: Uitgeverij FED 1997 (tweede druk), p. 86-87, tenzij als loon, zie Resolutie 24 februari 1969, BNB 1969/78. Aldus ook Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a (MvA), p. 80 waarbij echter het voorschrift van artikel 15, onderdeel b, van de Wet LB dat uitkeringen die naar maatschappelijke opvatting niet als beloningsvoordeel worden ervaren, als vrije vergoeding worden aangemerkt, niet in ogenschouw werd genomen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, nr. 18/01070, ECLI:NL:GHARL:2020:790, r.o. 4.9. Hoewel de werkgever een verstrekking als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel b, van de Wet LB (tekst 2010) heeft toegekend aan de werknemer met het sluiten van de reis- en ongevallenverzekering (inclusief overlijdensrisicodeel), is in cassatie slechts aan de orde of de uitkering die nadien is opgekomen uit deze verzekering en door de verzekeringsmaatschappij is betaald aan belanghebbende, terecht is betrokken in de heffing.