← Nederland

ECLI:NL:PHR:2020:857

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05156 Datum 28 september 2020 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1 januari 1998 - 31 december 1998 Nr. Gerechtshof 15/01153 Nr. Rechtbank AWB 13/2905 en 13/2909 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van [X] tegen de Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] , belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2019 (hierna: het Hof). 1.2 In geschil is de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 1998. Tevens neem ik vandaag conclusie in de zaak met nummer 19/05155, van dezelfde belanghebbende, maar dan over de aanslag IB/PVV 1997. Er zijn tussen die twee procedures bepaalde onderlinge verschillen in het feitenverloop en in de beoordeling in feitelijke instanties. 1.3 Belanghebbende is per 2 januari 1997, volgens zijn opgave aan het Bevolkingsregister, geëmigreerd naar Polen. Hij is directeur en enig aandeelhouder van [A] Sp Z. o . o ., gevestigd in Polen (hierna: [A] ). [A] heeft overeenkomsten gesloten met Nederlandse tuinders waarin is bepaald dat [A] toekomstige oogsten van Nederlandse tuinders zal opkopen, die oogsten in het oogstseizoen met Poolse landarbeiders van het land zal halen en de gerealiseerde oogst zal aanbieden op de veiling in Nederland. Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden ten behoeve van [A] namens [B] B. V ., gevestigd te [R] (hierna: [B] ). Belanghebbende is bestuurder, enig werknemer en enig aandeelhouder van [B] . 1.4 In 1997 heeft belanghebbende meegedeeld dat zijn bij de Inspecteur geregistreerde (Poolse) adres onjuist was en dit gecorrigeerd in een ander (nieuw) adres, hierna aangeduid als: het Poolse adres. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 1998 gedaan naar een belastbaar inkomen van f 25.741, waarin zijn loon van [B] van f 25.000 is begrepen. 1.5 Vanwege vertraging in de afhandeling van de aangifte IB/PVV 1998 heeft de Inspecteur de belastingconsulent bij brief van 24 september 2001 verzocht in te stemmen met het verlengen van de termijn voor het opleggen van de aanslag tot uiterlijk 1 december 2002. De Inspecteur heeft van belanghebbende geen reactie op die brief ontvangen. 1.6 De Inspecteur heeft vervolgens op 10 december 2001 naar het Poolse adres een aangetekende brief verzonden, waarin hij heeft meegedeeld ter behoud van rechten de aanslag IB/PVV 1998 te zullen opleggen en het aangegeven inkomen te verhogen met f 424.565. Deze brief is onbestelbaar retour gekomen bij de Inspecteur. 1.7 Vervolgens heeft de Inspecteur met dagtekening 31 december 2001 de aanslag IB/PVV 1998 naar een belastbaar inkomen van f 450.306 vastgesteld. De Inspecteur heeft uiteengezet de aanslag op 11 december 2001 per aangetekende post te hebben verzonden aan belanghebbende op het Poolse adres. Ook deze aangetekende zending is onbestelbaar en met ongeopende envelop door de Inspecteur retour ontvangen. 1.8 Belanghebbende stelt de aan hem, bij aantekende brief van 11 december 2001, op zijn Poolse adres gezonden aanslag niet te hebben ontvangen, noch daarvan anderszins kennis te hebben verkregen in december 2001. Daarvan uitgaande stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de aanslag over 1998 is opgelegd buiten de driejaarstermijn van artikel 11, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zodat die aanslag dient te worden vernietigd. 1.9 In dit kader speelt de voorvraag of belanghebbende tijdig een bezwaarschrift tegen die aanslag heeft ingediend, zodat zijn bezwaar ontvankelijk is. Alleen dan kan worden toegekomen aan de inhoudelijke vraag of belanghebbende terecht een beroep heeft gedaan op nietigheid wegens termijnoverschrijding. 1.10 De gemachtigde van belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 13 februari 2002 bericht dat belanghebbende ter ore is gekomen dat aan hem een aanslag IB/PVV voor het jaar 1998 is opgelegd en dat bezwaar wordt gemaakt tegen deze (beweerdelijke) aanslag. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 23 april 2013 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. 1.11 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag IB/PVV 1998 tijdig aan het juiste adres (het Poolse adres) is gezonden. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende de bezwaartermijn overschreden. Anders dan in de zaak over de aanslag IB/PVV voor het jaar 1997 acht de Rechtbank de overschrijding van de termijn nu wel verschoonbaar. Ten tijde van het vaststellen en verzenden van de aanslag IB/PVV 1998 vond correspondentie met de gemachtigde van belanghebbende plaats over de aanslag IB/PVV 1997, waarvan door belanghebbende werd gesteld dat deze nimmer was ontvangen. Net als de aanslag IB/PVV 1997 kwam ook de aanslag IB/PVV 1998 onbestelbaar retour bij de Inspecteur. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Inspecteur niet behoorlijk gehandeld door de gemachtigde niet op de hoogte te stellen van het feit dat er niet alleen een aanslag over 1997 was opgelegd maar ook aanslagen over 1998. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Rechtbank. Vervolgens heeft de Rechtbank de zaak, op verzoek van partijen, inhoudelijk behandeld. 1.12 Bij het Hof was in geschil of (

  1. i)het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, (
  2. ii)de aanslag tijdig is opgelegd, (iii) de fiscale woonplaats van belanghebbende is gelegen in Nederland, en (
  3. iv)sprake is van een winstuitdeling en, zo ja, hoe hoog de uitdeling is en tegen welk tarief die belast is. 1.13 Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het Hof heeft overwogen dat gezien de omstandigheid dat de Inspecteur het aangetekend verzonden aanslagbiljet onbestelbaar en met ongeopende envelop retour heeft ontvangen, het op zijn weg lag navraag over de postbezorging te doen en eventueel stappen te ondernemen om de aanslag alsnog ter kennis van belanghebbende te brengen. Vaststaat dat de Inspecteur geen navraag heeft gedaan. De Inspecteur heeft ook volgens het Hof het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 1.14 Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat de aanslag IB/PVV 1998 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt op 11 december 2001 door toezending aan het juiste adres (het Poolse adres), zodat deze binnen de aanslagtermijn is opgelegd. 1.15 Inhoudelijk heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende een voldoende sterke band met Nederland had om te oordelen dat hij in het jaar 1998 op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in Nederland woonde. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is naar het oordeel van het Hof van onvoldoende gewicht ten opzichte van hetgeen de Inspecteur heeft ingebracht. Aan toepassing van verdragsartikelen van het Belastingverdrag Nederland-Polen 1979 ter bepaling van het land dat voor verdragstoepassing als woonland geldt, wordt niet toegekomen omdat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit zou volgen dat hij tevens een woonplaats in Polen had. 1.16 Verder heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op het feit dat belanghebbende voor een totaalbedrag van f 2.654.104 aan contant geld heeft opgenomen van de bankrekening van [B] , belanghebbende niet het door de Inspecteur gestelde en op de contante opnamen van in totaal f 2.654.104 gebaseerde rechtsvermoeden heeft ontzenuwd dat belanghebbende in 1998 ten gunste van hemzelf een bedrag van f 424.565 aan [B] heeft onttrokken en als inkomen heeft genoten. 1.17 Op basis daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur bij de aanslagregeling – naast het niet bestreden loon van f 25.741 – terecht een inkomen van f 424.565 in de heffing heeft betrokken. Nu hierbij sprake is van het onttrekken van gelden door belanghebbende – als aandeelhouder – aan [B] , zijn deze onttrekkingen naar het oordeel van het Hof als inkomen uit aanmerkelijk belang belast tegen een tarief van 25%. 1.18 Belanghebbende komt thans in cassatie op tegen de hiervoor vermelde oordelen van het Hof. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatsecretaris) heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. 1.19 De opbouw van deze conclusie is verder als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. Onderdeel 4 en 5 omvatten een overzicht van de relevante wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur voor de drie cassatiemiddelen van belanghebbende. In onderdeel 6 worden de middelen beoordeeld; gevolgd door de conclusie in onderdeel 7. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 2.1 Het Hof heeft de feiten als volgt vastgesteld: 2.1. Belanghebbende heeft bij het Bevolkingsregister van de gemeente [S] opgaaf gedaan van zijn vertrek uit Nederland en emigratie naar Polen per 2 januari 1997. Volgens het bevolkingsregister was zijn laatste woonadres [a-straat 1] te [S] (…). In 1997 heeft belanghebbende meegedeeld dat zijn bij de Inspecteur geregistreerde (Poolse) adres onjuist was en dat gecorrigeerd in: (…) (hierna: het Poolse adres). 2.2. Belanghebbende heeft op 13 februari 1995 opgericht [A] Sp Z. o . o ., gevestigd te [T] , Polen (hierna: [A] ), waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is. [A] heeft overeenkomsten gesloten met Nederlandse tuinders waarin is bepaald dat [A] toekomstige oogsten van Nederlandse tuinders zal opkopen, waarna [A] in het oogstseizoen met Poolse landarbeiders de oogst van het land zal halen en de gerealiseerde oogst zal aanbieden aan de veiling in Nederland. Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden ten behoeve van [A] namens [B] B. V ., gevestigd (…) te [B] (hierna: [B] ). Sinds de oprichting op 24 juli 1992 is belanghebbende bestuurder, enig werknemer en enig aandeelhouder van [B] . 2.3. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 1998 gedaan naar een belastbaar inkomen van f 25.741, waarin een loon van [B] van f 25.000 is begrepen. Deze aangifte is op 28 februari 2000 bij de Inspecteur binnengekomen. Op het aangiftebiljet is in het vakje “stempel en beconnummer belastingconsulent” een stempel van [L] , accountants en belastingadviseurs te [RR] (hierna: de belastingconsulent) gezet. 2.4.1. De Inspecteur heeft onderzoek verricht naar de woonplaats van belanghebbende in de periode 2 januari 1997 tot en met augustus 2000, waarvan op 18 november 2002 een rapport (hierna: het woonplaatsrapport) is opgesteld. In het woonplaatsrapport is als conclusie over de woonplaats van belanghebbende opgenomen: “Uit de reeks van geselecteerde criteria en de vastgestelde feiten, welke blijken uit verklaringen en bijlagen, zijn wij tot de conclusie gekomen dat [belanghebbende] zijn woonplaats in ieder geval tot de datum van overlijden (05-08-2000) van [D] had op het adres de [a-straat 1] te [QQ] .” 2.4.2. De conclusie dat belanghebbende zijn (fiscale) woonplaats in ieder geval tot de datum van overlijden van voornoemde [D] (hierna: [D] ) had op het adres [a-straat 1] , is gebaseerd op onder meer de volgende in het woonplaatsrapport vermelde feiten en omstandigheden (kort samengevat): (
  4. i)belanghebbende heeft bij het aanvragen van zowel een paspoort (op 27 april 1998) als een rijbewijs (op 6 januari 2000) (mede) het Nederlandse adres (…) te [B] (hierna: [a-straat 2] ) opgegeven; (
  5. ii)de verklaring van [...] (zoon van [D] .) dat belanghebbende de bovenverdieping van de woning van zijn moeder op het adres [a-straat 1] huurde voor f 200 per maand en bewoonde (maar niet vast), dat belanghebbende een kantoor had ingericht op [a-straat 2] , en dat [a-straat 2] tegenover [a-straat 1] ligt; (iii) de verklaring van [...] (dochter van [D] .) dat belanghebbende boven bij haar moeder woonde en haar moeder toen deze dement werd, in de gaten hield; (
  6. iv)de post van de verzekeringsmaatschappij ZLM verzekeringen werd verstuurd naar [a-straat 1] ; belanghebbende heeft een verzekering kantoorinventaris op adres [a-straat 1] gewijzigd in [a-straat 2] per 1 december 1998; er is een reisbagage verzekering ten name van belanghebbende op het adres [a-straat 1] ; (
  7. v)belanghebbende heeft regelmatig vliegreizen geboekt bij Reisbureau [H] te [S] ; de reizen vingen alle aan in Nederland, met uitzondering van één vanuit Brussel; (
  8. vi)de ex-vrouw van belanghebbende en hun kinderen woonden in Nederland. De kinderen bezochten belanghebbende regelmatig op het adres [a-straat 1] Bij de aankoop van een bromfiets voor zijn zoon heeft belanghebbende als adres [a-straat 1] opgegeven; (vii) er kwam regelmatig post van de Makro en van de Wehkamp voor belanghebbende op het adres [a-straat 1] Bij Wehkamp is tot 12 februari 2001 als adres van belanghebbende [a-straat 1] geregistreerd; (viii) belanghebbende is directeur van [B] , [B] is in Nederland gevestigd op het adres [a-straat 2] .; (
  9. ix)de Postbank heeft verklaard dat belanghebbende sinds december 1994 een girorekening heeft, die staat ten zijne name op [a-straat 1] ; per 23 oktober 2000 luidt het adres [a-straat 2] . (
  10. x)in de telefoongids van KPN komt belanghebbende zowel onder eigen naam als onder de naam van [B] voor. In een Pools telefoonboek staat bij de plaats [T] wel de vennootschap [A] , maar is de naam [belanghebbende] niet te vinden onder de letter [.] of de letter [.] ; (
  11. xi)in het jaar 1999 heeft belanghebbende op 6 dagen een taalcursus Pools gevolgd in [V] ; op het aanmeldingsformulier heeft hij [a-straat 1] als zijn privéadres opgegeven; (xii) bij een huisbezoek aan een apotheek te Breugel heeft de eigenaresse de belastingdienst laten zien dat belanghebbende in haar administratie voorkomt op het adres [a-straat 1] ; (xiii) op 19 april 2000 heeft belanghebbende een bril gekocht in [S] ; de factuur vermeldt het adres [a-straat 2] ; (ixx) een ziektekostenverzekeraar heeft verklaard dat belanghebbende woonachtig is op [a-straat 1] , dat post nimmer retour is gezonden en dat premies zijn voldaan. In de algemene voorwaarden is vastgelegd dat de verzekering eindigt indien de aanwezigheid van een verzekerde buiten Nederland langer als tijdelijk in het buitenland is aan te merken; (
  12. xx)bij het in reparatie geven van een auto in Polen in verband met pech op 3 februari 1998 heeft belanghebbende als adres [a-straat 1] doorgegeven; de auto had een Pools kenteken en was gekocht bij een garage te [S] ; de auto was uitgerust met een LPG-tank; in Polen waren zeer beperkte mogelijkheden om deze brandstof te verkrijgen. 2.5.1. Met ingang van 11 december 2000 is bij [B] een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting over de jaren 1996 tot en met 2000 van [B] . Van dit onderzoek is het rapport van 20 december 2004 (hierna: het controlerapport) opgemaakt, dat tot de stukken behoort. 2.5.2. Het controlerapport vermeldt over de ondernemingsactiviteiten van [B] het volgende: “ [B] BV stelt dat de ondernemingsactiviteiten hoofdzakelijk bestaan uit bemiddelingswerkzaamheden in de tuinbouw: (…) 2.5.3. In het controlerapport is voorts, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: ”4.1 Opnamen en stortingen in de jaren 1998 tot en met 2000 worden door [A] en [K] geldbedragen op Raborekeningnummer (…) van [B] BV gestort. Deze stortingen vonden plaats middels overmaking vanaf een buitenlandse bankrekening. Bij deze overmaking stond de naam [A] en [K] vermeld. [B] BV boekt deze ontvangen bedragen op de grootboekrekening 2005 Kruisposten Polen. De door [A] en [K] gestorte bedragen in de jaren 1998 tot en met 2000 bedragen: 1998 f 2.654.104 Gestort door [A] . Vanaf 17 juli 1998 1999 f 6.689.467 Gestort door [K] , met uitzondering van de periode tot en met 8 maart 1999. Namelijk tot en met die datum zijn de bedragen gestort door [A] . 2000 f 7.871.878 Gestort door [K] (…) De betreffende stortingen werden binnen een aantal dagen, weer volledig contant bij de Rabobank opgenomen. In het grootboek werd dan als omschrijving het weeknummer vermeld. De opgenomen bedragen zijn gelijk aan de gestorte bedragen. In het gesprek van 6 november 2002 heeft [belanghebbende] medegedeeld dat hij de enige gemachtigde is om gelden op te nemen van de bankrekeningen van [B] BV. (…) Contante opnamen. Als onderbouwing heeft [B] BV alleen de bankafschriften van de Raborekening alsmede de omschrijving in het grootboek aan ons verstrekt. Hetgeen niet als onderbouwing is te beschouwen. Er is geen enkele informatie, administratie alsmede een loon-personeelsadministratie beschikbaar gesteld, waaruit kan worden vastgesteld dat de opgenomen bedragen zijn betaald aan Poolse werknemers van [A] . (…) Uitdeling: De contante opnamen over de jaren 1998 tot en met 2000, worden aangemerkt als een onttrekking voor [B] BV. [B] BV heeft de zakelijkheid van de contante opnamen voor [B] BV niet aangetoond. [B] BV is verarmd door de opnamens door [belanghebbende]. De contante opnamen over de jaren 1998 tot en met 2000, worden aangemerkt als een uitdeling aan [belanghebbende]. Omdat [belanghebbende] gemachtigd was tot het doen van deze contante opnamens. De opgenomen bedragen worden dan ook aan hem toegerekend. [Belanghebbende] is directeur/grootaandeelhouder en heeft de opnamen ook als aandeelhouder verkregen en bewust aanvaard. Zowel [B] BV als [belanghebbende] zijn zich bewust dat [belanghebbende] bevoordeeld is. Namelijk hij ontvangt geld, waar geen enkele zakelijke transactie tegenover staat. Correctie vennootschapsbelasting 1998 = f 2.654.104 Correctie vennootschapsbelasting 1999 = f 6.689.467 Correctie vennootschapsbelasting 2000 = f 7.871.878 (...) ” 2.6.1. Vanwege vertraging in de afhandeling van de aangifte IB/PVV 1998 heeft de Inspecteur de belastingconsulent bij brief van 24 september 2001 verzocht in te stemmen met het verlengen van de termijn voor het opleggen van de aanslag tot uiterlijk 1 december 2002. 2.6.2. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij aangetekend verzonden brief van 10 december 2001, gericht aan het Poolse adres het volgende meegedeeld: “Bij brief van 24 september 2001 gericht aan [L] te [RR] is door mij gevraagd aan uw belastingconsulent om met mij overeen te komen dat de termijn voor het opleggen van de aanslag werd verlengd tot uiterlijk 2002. Door uw belastingconsulent is mij telefonisch meegedeeld dat hij de brief aan u ter beantwoording heeft doorgezonden. Ik heb vervolgens geen bericht terugontvangen. De aanslag wordt nu ter behoud van rechten opgelegd. Bij de aanslagregeling houd ik rekening met de stand van zaken van het lopend onderzoek bij [B] Bij dit onderzoek is gebleken dat door u contante opnamen zijn gedaan tot een totaalbedrag van f 424.565 in 1998. Er is tot op heden geen verklaring gegeven over de zakelijke bestemming van deze opnamen. Gelet op deze feiten verhoog ik ter behoud van rechten het door u aangegeven inkomen met f 424.565.” Voornoemde brief van 10 december 2001 is onbestelbaar retour gekomen bij de Inspecteur. 2.7. De Inspecteur heeft vervolgens de aanslag naar een belastbaar inkomen van f 450.306 (zijnde f 25.741 (zie 2.3) + f 424.565) vastgesteld. Het daarvan opgemaakte aanslagbiljet heeft als dagtekening 31 december 2001 en is geadresseerd aan het Poolse adres. De Inspecteur heeft uiteengezet de aanslag op 11 december 2001 bij aangetekende post te hebben verzonden aan belanghebbende op het Poolse adres. Die aangetekende zending is op 16 januari 2002 onbestelbaar en met ongeopende envelop retour ontvangen door de Inspecteur. Tot de stukken behoren een kopie van de retour ontvangen envelop en van het aanslagbiljet. De envelop is blijkens het poststempel op 11 december 2001 in [P] ter post bezorgd en is verder voorzien van een sticker “Aangetekend” en van het verzendbewijs voor aangetekende verzending, beide met hetzelfde barcodenummer. Bij het geschrift, met dagtekening 31 januari 2002, aangeduid met “Mededeling” is aan belanghebbende een acceptgiro ter betaling van de aanslag gestuurd aan het Poolse adres. 2.8. Bij brief van 13 februari 2002 bericht [C] , verbonden aan [G] Advocaten en Belastingadviseurs te [Q] , als belanghebbendes advocaat- gemachtigde (hierna: de gemachtigde), de Inspecteur dat belanghebbende ter ore is gekomen dat aan hem een aanslag inkomstenbelasting 1998 is opgelegd, dat bezwaar wordt gemaakt tegen deze (beweerdelijke) aanslag, alsmede verzocht om toezending van alle op de aanslag betrekking hebbende stukken. Deze brief heeft de Inspecteur op 15 februari 2002 ontvangen. 2.9. Bij de uitspraak van de Inspecteur is het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. 2.10. In de onder 1.4 genoemde gegevens hebben de Poolse belastingautoriteiten meegedeeld dat belanghebbende in Polen een aangiftebiljet voor het jaar 1997 heeft ingediend, waarin enkel aangifte is gedaan van (een bedrag van 137,42 PLN als inkomsten van) de opbrengst van 1% van de aandelen in “ [E] ” S C, en dat voor de jaren 1998 tot en met 2001 door belanghebbende geen aangiften zijn gedaan. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2.2 De Rechtbank heeft – voor zover in cassatie van belang - als volgt geoordeeld: Ontvankelijkheid bezwaren 4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de bezwaren tijdig zijn ingediend omdat hij pas op 31 januari 2002 - door de in 2.7 vermelde ‘Mededeling ' - op de hoogte is geraakt van het bestaan van de aanslagen. 4.2. De inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft gesteld dat de aanslagen op de juiste wijze zijn bekend gemaakt. De inspecteur heeft daarvoor aangevoerd dat de aanslagbiljetten op 11 december 2001 naar het door belanghebbende opgegeven adres (tevens het adres op het aanslagbiljet) zijn verstuurd en dat de envelop ook is aangeboden op dat adres. De envelop is (evenals de in de in 2.6 bedoelde brief) ongeopend retour ontvangen. De inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een kopie overgelegd van een envelop met daarop vermeldingen van de aangetekende verzending. Daarop bevinden zich ook vermeldingen van de Poolse postdienst waaruit valt op te maken dat die envelop is aangeboden op het genoemde adres en van de retourzending van de envelop naar Nederland. Belanghebbende heeft tijdens de inzage in de stukken op 26 september 2012 de originelen gezien, zo voert de inspecteur nog aan. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met het overleggen van de kopie van de envelop aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen tijdig aan het juiste adres zijn gezonden. Belanghebbende heeft weliswaar aangevoerd dat aan die envelop niet is te zien dat daar de aanslagen in hebben gezeten, maar de rechtbank heeft geen reden eraan te twijfelen dat de envelop die aanslagen bevatte. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de dagtekening van de aanslagen later is dan de datum van de verzending van de envelop geeft geen aanleiding tot een ander oordeel nu van algemene bekendheid is dat - zoals de inspecteur ter zitting heeft gesteld - de Belastingdienst regelmatig aanslagen verzendt vóór de datum van de dagtekening van de aanslag. De rechtbank neemt bij haar oordeel mede in overweging dat niet aannemelijk is geworden dat er andere stukken van de belastingdienst in december 2001 naar belanghebbende zijn verzonden dan deze aanslagen. De conclusie is dat de aanslagen op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt door toezending aan het juiste adres (artikel 3:41 van de Awb) en dat daarmee de bezwaartermijn is aangevangen op de dag na die van de dagtekening, dus 1 januari 2002 (art. 6:8 van de Awb in verbinding met artikel 22j van de AWR). Aangezien het bezwaarschrift eerst op 15 februari 2002 is ontvangen door de belastingdienst en niet gesteld is dat het bezwaarschrift vóór de dagtekening van 13 februari 2002 ter post is bezorgd, is sprake van overschrijding van de bezwaartermijn. De omstandigheid dat de aanslag niet (ook) naar de gemachtigde van belanghebbende is gestuurd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Geen wettelijke bepaling verplicht de Inspecteur het aanslagbiljet uit te reiken of toe te zenden aan de gemachtigde van belanghebbende, dan wel aan deze een afschrift toe te zenden en belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft verzocht om dat wel te doen (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7094, BNB 2003/204, r.o. 3.3; hierna: het arrest BNB 2003/204). 4.4.1. Voor dat geval heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de inspecteur een kopie van de aanslagen aan de gemachtigde had moeten zenden dan wel hem op de hoogte had moeten stellen van het opleggen van de aanslagen 4.4.2. Uit de stukken blijkt dat [I] van [G] aanwezig was bij het inleidend gesprek voor het boekenonderzoek op 11 december 2000 en dat de inspecteur met genoemde gemachtigde vanaf 18 december 2001 heeft gecorrespondeerd over de aanslag ib/pvv 1997 waarbij de gemachtigde een machtiging heeft overgelegd die zag op de behandeling van de fiscale aangelegenheden van belanghebbende in de ruimste zin. Vaststaat dat de aanslag over 1997 naar Polen was gezonden en onbestelbaar retour was gekomen, net zoals het geval was met de aanslagen over 1998. Nu de correspondentie met de gemachtigde betrekking had op de stelling van belanghebbende dat de naar Polen gezonden aanslag over 1997 nimmer was ontvangen en de aanslagen over 1998 net als de aanslag over 1997 onbestelbaar retour gekomen waren, had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand gelegen dat de inspecteur de gemachtigde op de hoogte had gesteld van het feit dat er niet alleen een aanslag over 1997 was opgelegd maar ook aanslagen over 1998. Dat klemt te meer nu de aanslagen over 1998 waren vastgesteld en verzonden in dezelfde maand als de correspondentie met de gemachtigde over de aanslag 1997 begon. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet behoorlijk gehandeld door de gemachtigde deze informatie te onthouden. De rechtbank acht aannemelijk dat bij wel behoorlijk handelen door de inspecteur tijdig bezwaar zou zijn gemaakt. Nu voorts het bezwaarschrift is ingediend binnen twee weken nadat de gemachtigde op de hoogte is geraakt van de aanslag, acht de rechtbank de overschrijding van de termijn verschoonbaar. De bezwaren zijn ten onrechte niet- ontvankelijk verklaart. Reeds hierom zijn de beroepen gegrond. Voor dat geval hebben partijen de rechtbank verzocht de zaken niet terug te wijzen naar de inspecteur, maar inhoudelijk te behandelen. De rechtbank zal dat dan ook doen. Aanslagtermijn 4.5. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat de aanslagen zijn opgelegd buiten de aanslagtermijn. Uit hetgeen hiervoor in 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt immers dat de aanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt op 11 december 2001, derhalve binnen de aanslagtermijn. De aanslagen 4.6 Vast staat dat belanghebbende in het jaar 1998 grote sommen geld in contanten heeft opgenomen van de bankrekening van [B] ; het gaat om een bedrag van ƒ 2.654.104. De bewijslast dat belanghebbende inkomen niet heeft aangegeven rust op de inspecteur, maar gegeven de grote sommen geld die belanghebbende heeft opgenomen ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om een voldoende verantwoording te geven voor de bestemming van de opgenomen gelden. 4.6.1. Belanghebbende heeft - zakelijk weergegeven - gesteld dat het bedrag in contanten is opgenomen om Poolse werknemers te betalen voor hun werkzaamheden in het kader van de in 2.10.2 en 2.10.3. omschreven dienstverrichting door [B] . Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling bescheiden overgelegd, waaronder “werkbriefjes” voorzien van een “objectnummer”, namen en bedragen, alsmede uitbetaallijsten met dezelfde namen en bedragen en handtekeningen voor ontvangst. Tot die bescheiden behoren eveneens wekelijkse overzichten van de nodige aantallen bankbiljetten per “object”. Deze totalen stemmen overeen met de bedragen op de bankafschriften die zien op de contante opnames met betrekking tot die weken. De voornoemde bescheiden zijn echter zeer fragmentarisch en zien op andere jaren dan 1998. 4.6.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende wel een mogelijke verklaring gegeven wat betreft de bestemming van de contante opnames, maar is de onderbouwing - zeker nu bescheiden die betrekking hebben op het jaar 1998 ontbreken - onvoldoende om de opname van het gehele bedrag te verklaren. De rechtbank acht wel aannemelijk dat belanghebbende gelden heeft opgenomen om Poolse werknemers te betalen, maar dat het gehele bedrag daarvoor is gebruikt is zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk. 4.6.3 Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat een op zichzelf aanzienlijk bedrag aan contanten door belanghebbende en ten gunste van hem zelf aan [B] is onttrokken, dat belanghebbende en [B] zich daarvan bewust zijn geweest en dat belanghebbende dat heeft gedaan in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [B] . Nu vaststaat dat belanghebbende niet een bedrag in verband met de contante opnamen heeft opgenomen in zijn aangifte, acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een gebrek in de aangifte die ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel op zichzelf beschouwd als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zich van dit laatste bewust is geweest. Dit betekent dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het standpunt van belanghebbende dat hij in het jaar 1998 niet in Nederland maar in Polen woonde, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in dat geval had hij de inkomsten in de aangifte moeten opnemen, aangezien het belastingverdrag met Polen bepaalt dat Nederland belasting kan heffen over onttrekkingen als deze - zij het bij inwoners van Polen naar een verlaagd ( 15%) tarief. 4.7. Nu sprake is van zogenoemde omkering van de bewijslast moet het beroep ongegrond worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag onjuist is. Zoals volgt uit hetgeen in 4.6.2. is overwogen, heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat in de uitspraak het inkomen onjuist is of te hoog is vastgesteld. Daaraan kan belanghebbendes stelling dat aan [B] voor 1998 een naheffingsaanslag loonbelasting ter hoogte van ƒ 8.550.000 - gebaseerd op een netto loon van ƒ 5.700.000, dat is gebruteerd - is opgelegd, niet afdoen. Ook belanghebbendes beroep op het Belastingverdrag met Polen van 1979 leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft, in aanmerking genomen het gemotiveerde standpunt van de inspecteur dat belanghebbende in 1998 in Nederland woonde (zie 2.9), niet bewezen dat hij zijn woonplaats in Polen had en niet in Nederland. 4.8. De rechtbank dient dan nog te beoordelen of de inspecteur de aanslag in redelijkheid heeft kunnen opleggen. Deze vraag dient, gelet op de bevindingen van het boekenonderzoek, bevestigend te worden beantwoord wat betreft het inkomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een inkomen van ƒ 424.565 - naast het niet bestreden loon van ƒ 25.741 – in de heffing is betrokken, terwijl de contante opnamen ƒ 2.654.104 bedragen. In eerder vermeld rapport wordt ervan uitgegaan dat sprake is geweest van onttrekkingen door belanghebbende - als aandeelhouder - aan [B] . Dat lijkt de rechtbank een redelijk uitgangspunt. Dit betekent dat het bijzondere tarief van 25% van toepassing is op dit bedrag van ƒ 424.565. In zoverre is de aanslag ib/pvv dan ook te hoog opgelegd. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2.3 De geschilomschrijving bij het Hof luidde: 3.1. Na de verklaring van de Inspecteur, ter derde zitting, de aanslag WAZ te laten vervallen, is in geschil het antwoord op de volgende vragen: I. Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? II. Zo neen, is de aanslag tijdig opgelegd? III. Zo ja, is de (fiscale) woonplaats van belanghebbende gelegen in Nederland? IV. Is sprake van een winstuitdeling en zo ja, hoe hoog is de uitdeling en tegen welk tarief is de uitdeling belast? 2.4 Het Hof heeft – voor zover in cassatie van belang – geoordeeld: Vraag I. Ontvankelijkheid van het bezwaar 4.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij betoogt dat bij belanghebbende en de belastingconsulent bekend was, dat de aanslag voor 1 januari 2002 moest worden opgelegd en dat het op de weg van belanghebbende lag maatregelen te treffen ter verbetering van de postontvangst om de aanslag op het Poolse adres te kunnen ontvangen. Belanghebbende wist in december 2001 immers ook dat de aanslag IB/PVV 1997 hem niet had bereikt, getuige de brief van de gemachtigde van 18 december 2001, overgelegd in de beroepsprocedure tegen die aanslag. Belanghebbende handhaaft zijn standpunt dat zijn bezwaarschrift ontvankelijk is. 4.2. De Rechtbank heeft over dit geschilpunt, voor zover van belang, overwogen: (…) 4.3. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden terecht heeft beslist dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en het Hof maakt die gronden tot de zijne. 4.4. Het Hof voegt hieraan, ten overvloede, het volgende toe. Nu de aanslag aangetekend is verzonden en door de Inspecteur als onbestelbaar gestempeld en met ongeopende envelop retour is ontvangen, lag het op de weg van de Inspecteur bij PTT Post navraag te doen of het poststuk op regelmatige wijze aan het Poolse adres is aangeboden. Uit navraag kan immers blijken of in het geval bij aanbieding van het poststuk niemand thuis werd getroffen, een kennisgeving van de zending met een afhaalbericht van een postkantoor is achtergelaten. Vaststaat dat de Inspecteur geen navraag over de postbezorging heeft gedaan. Gelet op de retourontvangst van de postzending acht het Hof het echter niet overbodig de juist door de aangetekende verzending geschapen mogelijkheid van navraag naar de postbezorging te benutten. Met de retourontvangst van de ongeopende envelop was het de Inspecteur immers bekend dat de aanslag belanghebbende niet had bereikt. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in acht te nemen dat een belastingplichtige binnen een redelijke termijn zijn belastingafrekening ontvangt. Hiermee is niet te rijmen dat de Inspecteur, nadat hem met de retourontvangst van het aanslagbiljet duidelijk is geworden dat belanghebbende niet bekend is geraakt met de aanslag, en zonder navraag te doen over de bezorging van de aangetekende postzending, geen stappen onderneemt de aanslag alsnog ter kennis van belanghebbende te brengen. Belanghebbende kan in dat verband niet worden tegengeworpen dat pas nadat hem ter ore is gekomen dat de aanslag is opgelegd, zo spoedig mogelijk, bezwaar maakt. Het Hof acht de termijnoverschrijding verschoonbaar. 4.5. Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is aan belanghebbende. Vraag II. Aanslagtermijn 4.6. Belanghebbende herhaalt zijn in eerste aanleg aangevoerde stellingen, dat de aanslag niet in de retour ontvangen envelop van de aangetekende postzending is verzonden en dat de aanslag niet voor 1 januari 2002 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Over dit geschilpunt heeft de Rechtbank, voor zover van belang, overwogen: “4.5. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat de aanslagen zijn opgelegd buiten de aanslagtermijn. Uit hetgeen hiervoor in 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt immers dat de aanslagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt op 11 december 2001, derhalve binnen de aanslagtermijn.” 4.7. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden terecht heeft beslist dat de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt door toezending aan het juiste adres en het Hof maakt deze gronden tot de zijne. 4.8. Het Hof voegt hieraan toe, dat het geen reden ziet om af te wijken van de regel dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet aan het juiste Poolse adres de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Dat de zending belanghebbende niet heeft bereikt is in het onderhavige geval niet te wijten aan een fout van de Inspecteur, hij heeft de juiste adressering gehanteerd (vgl. HR 6 december 1989, nr. 25909, BNB 1990/177). 4.9. Het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is aan de Inspecteur. Vraag III. Is de (fiscale) woonplaats van belanghebbende gelegen in Nederland? 4.10. In artikel 1, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) is bepaald dat een natuurlijk persoon die in Nederland woont, binnenlands belastingplichtig is. 4.11. Op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt naar omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats in Nederland heeft indien tussen deze persoon en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie HR 22 december 1971, nr. 16650, BNB 1973/120 en HR 4 maart 2011, nr. 10/04026, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, BNB 2011/127). 4.12. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende (tot en met begin augustus 2000) in Nederland woont en geen woonplaats elders heeft. Hiervoor verwijst de Inspecteur naar de bevindingen vastgelegd in het woonplaatsrapport (zie 2.4). 4.13. Belanghebbende betwist in het onderhavige jaar in Nederland te wonen en stelt met ingang van 2 januari 1997 in Polen te wonen. Belanghebbende voert aan dat hij naar Polen is verhuisd, omdat hij daar een nieuwe relatie kreeg. Hij heeft in Polen een mooi huis gekocht en leefde daar het overgrote gedeelte van het jaar. Belanghebbende heeft overgelegd een verklaring van zijn Poolse partner en van haar dochter over zijn verblijf aldaar gedurende de kerstperiode, zomervakantie en begin van het schooljaar. Vanaf 1995 heeft hij een Poolse permanente verblijfsvergunning. Belanghebbende voert verder aan dat hij in Polen naar de dokter ging, zich daar regelmatig liet bloedprikken en in Polen een gebitsprothese heeft gekregen. Van deze medische behandelingen heeft hij geen bewijsstukken meer beschikbaar. Belanghebbende beklaagt zich over zijn bijna onmogelijk bewijspositie, omdat de Inspecteur de bezwaarprocedure ruim tien jaar stil heeft laten liggen en hij niet meer over stukken als tegenbewijs beschikt. Belanghebbende stelt dat het woonplaatsrapport selectief de feiten weergeeft en interpreteert. In dat verband wijst hij op de adresgegevens bij het aanvragen van een nieuw paspoort; volgens hem is het verplicht een correspondentieadres in Nederland op te geven en het daarbij vermelde Nederlandse postadres wordt voorafgegaan met “p/a”. Bij de aanvraag voor een nieuw rijbewijs merkt belanghebbende op dat als eerste zijn Poolse woonadres is vermeld en daarna als tijdelijk adres het correspondentieadres van [B] . Verder betwist belanghebbende in 1997 huur te hebben betaald voor enige woonruimte en stelt dat de factuur voor huur van 18 april 1997 de jaarhuur 1996 voor de kantoorruimte van [B] betreft. Uit de verklaring van de dochter van [D] ., dat belanghebbende een tijdje boven haar moeder woonde, blijkt niet gedurende welke periode dit was. Belanghebbende betwist dat hij gedurende het jaar 1998 op [a-straat 1] heeft gewoond, hij woonde toen in Polen. Belanghebbende bevestigt dat hij op [a-straat 1] verbleef, als hij in Nederland voor zijn werk was. Belanghebbende betwist het merendeel van de verzekeringen, waarvan de Inspecteur betoogt dat hij deze heeft lopen. Belanghebbende bestrijdt dat boekingen bij een reisbureau in Nederland - waarbij ook sprake is van vluchten van Amsterdam naar Polen - alsook de aanvang van de reizen in Nederland iets zeggen over zijn woonplaats. Belanghebbende betwist dat uit de woonplaats in Nederland van zijn ex-vrouw en hun kinderen is af te leiden waar hij woont, hij woont immers niet meer samen met zijn ex-vrouw. Uit de omstandigheid dat de overige familie van belanghebbende in Nederland woont, is volgens belanghebbende evenmin te concluderen dat hij in Nederland woont. 4.14. Het Hof komt tot het oordeel, op grond van de volgende feiten en omstandigheden, waar nodig in hun onderlinge verband bezien, dat belanghebbende een voldoende sterke band met Nederland had om te oordelen dat hij in het jaar 1997 [AG: bedoeld zal zijn 1998] op grond van artikel 4 AWR in Nederland woonde: a. belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit; b. belanghebbende heeft de beschikking over woonruimte aan het adres [a-straat 1] , die geschikt is voor duurzame bewoning. Na zijn uitschrijving per 2 januari 1997 heeft belanghebbende de woonruimte behouden van zijn laatste woonadres volgens het bevolkingsregister. De zoon en dochter van [D] hebben beiden verklaard dat belanghebbende boven hun moeder woonde. c. belanghebbende heeft premies betaald voor en was verzekerd tegen ziektekosten bij een Nederlandse zorgverzekeraar en heeft in Nederland gevestigde zorgverleners bezocht; d. belanghebbende beschikte in Nederland over een girorekening bij de Postbank; e. belanghebbende heeft zakelijke belangen in Nederland, hij is directeur en enig aandeelhouder van [B] , die in Nederland is gevestigd; f. in de telefoongids van KPN komt belanghebbende onder zijn eigen naam voor; g. belanghebbende heeft jonge kinderen (pubers), die in Nederland wonen. Het Hof is van oordeel dat al hetgeen belanghebbende met betrekking tot waar hij woont, heeft aangevoerd, in onderlinge samenhang bezien, van onvoldoende gewicht is ten opzichte van hetgeen de Inspecteur over de woonplaats in Nederland van belanghebbende heeft ingebracht. Dit leidt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende in de onderhavige jaren zijn woonplaats in Nederland heeft. 4.15. Vervolgens moet beoordeeld worden of belanghebbende eveneens een woonplaats buiten Nederland, in dit geval Polen, heeft, waarvoor belanghebbende de bewijslast heeft. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag zal vervolgens aan de hand van de bepalingen van het Belastingverdrag Nederland - Polen van 20 september 1979 (hierna: het Verdrag) moeten worden beslist in welk land belanghebbende geacht wordt woonachtig te zijn. Het Hof is van oordeel dat het, gelet op alle feiten en omstandigheden, niet aannemelijk is dat belanghebbende in de onderhavige jaren fiscaal inwoner is geweest van een ander land dan Nederland. Hetgeen belanghebbende in dat verband heeft aangedragen, wordt niet door objectieve en verifieerbare gegevens ondersteund, zoals bijvoorbeeld een eigendomsbewijs van de Poolse woning en voor die woning op naam van belanghebbende afgesloten (en nog bestaande) energiecontracten, verzekeringen of betaalde Poolse belastingen. Het Hof acht hierbij van belang dat belanghebbende ter derde zitting heeft verklaard, dat die woning nog steeds in zijn bezit is. Verder zijn de door belanghebbende overgelegde verklaringen van zijn Poolse partner en haar dochter, recent, op 11 oktober 2017 opgesteld en overigens niet voldoende specifiek. Bovendien wordt hierin verklaard dat belanghebbende tijdens vakanties, katholieke feestdagen, Oudjaarsavond, de eerste communie en eerste schooldag van de dochter in Polen aanwezig was, hetgeen eerder een aanwijzing is voor een tijdelijk verblijf en niet van een duurzaam verblijf, en er wordt in die verklaringen niets vermeld over verblijf buiten deze specifieke data vanaf 1997 en in 1998. Evenmin volgt uit de verklaring dat belanghebbende bekend is bij allerlei personen en instanties in Polen dat daarvan al vanaf begin 1997 en in 1998 sprake was. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit zou volgen dat hij een woonplaats in Polen heeft. Daarom acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende naar buitenlands nationaal recht zijn woonplaats in dat andere land heeft. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan toepassing van verdragsartikelen van het Verdrag ter bepaling van het land dat voor verdragstoepassing als woonland geldt. Het Hof neemt bij het vorenstaande mede in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de Poolse autoriteiten belanghebbende voor de toepassing van het belastingverdrag als inwoner van Polen beschouwen. Uit een door de Inspecteur gedaan verzoek om uitwisseling van inlichtingen hebben de Poolse autoriteiten onder meer bericht dat belanghebbende voor de jaren 1998 tot en met 2001 geen aangiften heeft gedaan (zie 2.10). 4.16. Met betrekking tot de derde in geschil zijnde vraag is het gelijk aan de Inspecteur. Vraag IV Winstuitdeling 4.17. De bewijslast dat belanghebbende inkomen niet heeft aangegeven rust op de Inspecteur. De Inspecteur voert daartoe aan dat bij de onderhavige aanslagregeling een voorlopige correctie van f 424.565 is aangebracht vooruitlopend op de resultaten van het boekenonderzoek bij [B] . Bij dat onderzoek is vastgesteld dat belanghebbende in het jaar 1998 grote sommen geld in contanten heeft opgenomen van de Rabobankrekening van [B] ; het betreft een bedrag van f 2.654.104. Verder is daarbij vastgesteld dat voor de gegeven verklaring dat de contant opgenomen gelden volledig zijn aangewend voor loonbetalingen geen administratie en bewijzen voor de zakelijke aanwending zijn overgelegd. Verder is bij dat onderzoek van de aan belanghebbende betaalde autokostenvergoeding van f 29.708 geen informatie verstrekt om de zakelijkheid daarvan vast te stellen. De Inspecteur is van mening dat het in de gegeven omstandigheden aan belanghebbende is om een rechtsvermoeden te weerleggen dat hij niet ten minste tot een bedrag van f 424.565 heeft onttrokken aan [B] . [B] beschikte ook over winstreserves waaruit een winstuitdeling kon worden gedaan en zowel [B] als belanghebbende zijn zich bewust geweest van die onttrekking, aldus de Inspecteur. 4.18. Belanghebbende heeft - zakelijk weergegeven - gesteld dat het bedrag in contanten is opgenomen om Poolse landarbeiders te betalen voor hun werkzaamheden in het kader van de in 2.5 omschreven dienstverrichting door [B] . Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling van een aantal weken in de jaren 1997, 1999 en 2000 bescheiden overgelegd, waaronder “werkbriefjes” voorzien van een “objectnummer”, namen en bedragen, alsmede uitbetaallijsten met dezelfde namen en bedragen en handtekeningen voor ontvangst. Tot die bescheiden behoren eveneens wekelijkse overzichten van de nodige aantallen bankbiljetten per “object”. Deze totalen stemmen overeen met de bedragen op de bankafschriften die zien op de contante opnames met betrekking tot die weken. De voornoemde bescheiden zijn echter zeer fragmentarisch en zien op andere jaren dan 1998. 4.19. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende wel een aanzet tot een verklaring heeft gegeven wat betreft de bestemming van de contante opnamen, maar is de onderbouwing - zeker nu bescheiden die betrekking hebben op het jaar 1998 ontbreken - onvoldoende om de opname van het volledige bedrag van f 2.654.104 of een gedeelte daarvan te verklaren. Gelet op het feit dat belanghebbende voor dat totaalbedrag aan contant geld heeft opgenomen van de Rabobankrekening van [B] ontzenuwt belanghebbende hiermee naar het oordeel van het Hof niet het door de Inspecteur gestelde en op de contante opnamen van in totaal f 2.654.104 gebaseerde rechtsvermoeden dat belanghebbende in 1998 ten gunste van hemzelf een bedrag van f 424.565 aan [B] heeft onttrokken en als inkomen heeft genoten. 4.20. De stelling van belanghebbende, dat aan [B] voor 1998 een naheffingsaanslag loonbelasting ter hoogte van f 8.550.000 - gebaseerd op een netto loon van f 5.700.000, dat is gebruteerd - is opgelegd, kan aan hetgeen onder 4.19 is overwogen niet afdoen. 4.21. Het vorenstaande brengt met zich mee dat naar het oordeel van het Hof de Inspecteur bij de aanslagregeling – naast het niet bestreden loon van f 25.741 – terecht een inkomen van f 424.565 in de heffing heeft betrokken. Nu hierbij sprake is van het onttrekken van gelden door belanghebbende - als aandeelhouder - aan [B] , zijn deze onttrekkingen als inkomen belast tegen een tarief van 25%. De Rechtbank heeft de aanslag al in zoverre verminderd. 4.22. Het gelijk met betrekking tot de vierde in geschil zijnde vraag is aan de Inspecteur. Door belanghebbende gedaan bewijsaanbod 4.24. In zijn pleitnota van 24 november 2017 en de daarop betrekking hebbende bijlagen wordt door belanghebbende op diverse plaatsen het aanbod gedaan desgewenst nader bewijs te leveren, in het bijzonder getuigen te (doen) laten horen. Het Hof heeft geen aanleiding gezien om nader bewijs van belanghebbende te verlangen. Het Hof wijst er voorts op dat belanghebbende in alle uitnodigingen voor de zitting erop is gewezen dat hij getuigen en/of deskundigen mag meenemen naar de zitting of kan oproepen om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende heeft hiervan, behoudens het nadere onderzoek ter zitting, toen hij zijn zoon naar de zitting heeft meegenomen, geen gebruik gemaakt. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatsecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en het incidentele beroep in cassatie schriftelijk beantwoord. 3.2 Het eerste middel van belanghebbende luidt: Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, en in het algemeen van de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in navolging van de rechtbank in r. o .'s 4.2, 4.3 en 4.7 ten onrechte overweegt dat de aanslag op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende bekend is gemaakt op grond waarvan het Hof concludeert dat de bezwaartermijn is overschreden en in r. o . 4.8 concludeert dat de aanslag binnen de aanslagtermijn van 3 jaar is vastgesteld. Deze oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn zij onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 3.3 Belanghebbende heeft bij het eerste middel toegelicht: 1.1 Bekendmaking van een aanslag geschiedt door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. In het onderhavige geval is de aanslag (aangetekend) verzonden. Ontvangst of aanbieding van de aanslag wordt daarmee vermoed. Dit vermoeden van ontvangst kan worden ontzenuwd, maar vast staat in dit geval dat de aanslag niet op het juiste adres is ontvangen doordat aanbieding op dat adres niet is gelukt. Van ontvangst op of aanbieding aan het adres van belanghebbende van de aanslag is derhalve geen sprake geweest. Nu dit niet het gevolg is van aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden en het Hof daaromtrent ook niets overweegt, is de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. 1.2 Aldus vangt de bezwaartermijn aan op de dag van ontvangst door de belanghebbende of diens gemachtigde van het aanslagbiljet of een afschrift daarvan. In dit geval vangt de bezwaartermijn derhalve aan op 13 februari 2002, zodat, anders dan het Hof oordeelt, geen sprake is van overschrijding van de bezwaartermijn. 1.3 Een en ander geldt ook voor wat betreft de aanslagtermijn nu in dat kader dezelfde maatstaven gelden met betrekking tot de bekendmaking van de aanslag als in het kader van de bezwaartermijn. Voor de toepassing van artikel 5 in verbinding met artikel 11, lid 3 AWR komt de datum van bekendmaking, in dit geval 13 februari 2002, in de plaats van de dagtekening van het aanslagbiljet. 1.4 Nu de bevoegdheid tot vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1998 per 31 december 2001 is komen te vervallen, dient deze buiten de heffingstermijn vastgestelde aanslag te worden vernietigd. 3.4 Het tweede middel van belanghebbende luidt: Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, en in het algemeen van de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in r. o . 4.14 ten onrechte overweegt dat al hetgeen belanghebbende met betrekking tot waar hij woont heeft aangevoerd, in onderlinge samenhang bezien, van onvoldoende gewicht is ten opzichte van hetgeen de Inspecteur over de woonplaats in Nederland van belanghebbende heeft ingebracht op grond waarvan het Hof concludeert dat belanghebbende in 1998 zijn woonplaats in Nederland heeft. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 3.5 Belanghebbende licht het tweede middel als volgt toe: 2.1 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende op grond van artikel 1, lid 1 Wet IB 1964 binnenlands belastingplichtig is omdat belanghebbende naar mening van de inspecteur zijn (fiscale) woonplaats op grond van artikel 4 AWR in Nederland zou hebben. De bewijslast te dien aanzien ligt derhalve bij de inspecteur. 2.2 Te dien aanzien verwijst de inspecteur naar de bevindingen vastgelegd in het woonplaatsrapport zoals weergegeven in r. o . 2.4.2. Geen van de daar genoemde feiten en omstandigheden zien evenwel (expliciet dan wel impliciet) op het volledige jaar 1998. De inspecteur kan met het stellen en aannemelijk maken van deze feiten en omstandigheden dan ook niet aan de op hem in dezen rustende bewijslast ten aanzien van 1998 hebben voldaan. 2.3 Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het op die feiten en omstandigheden gebaseerde oordeel van het Hof dan ook onjuist dan wel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. De door het Hof daarbij opgesomde feiten en omstandigheden zien evenmin op het jaar 1998 en zijn ook anderszins ongedateerd, zodat ook daarin geen concludente motivering kan zijn gelegen voor wat betreft het oordeel van het Hof voor het jaar 1998. 2.4 Dit klemt temeer nu onweersproken vaststaat dat belanghebbende zich in een onmogelijke bewijspositie bevindt, doordat de inspecteur de bezwaarprocedure ruim tien jaar stil heeft laten liggen en belanghebbende daardoor niet meer over alle stukken als tegenbewijs beschikt. Het Hof gaat op deze stelling niet in en wijst zelfs het in dat kader door belanghebbende gedane (getuigen)bewijsaanbod van de hand omdat het Hof geen aanleiding heeft gezien nader bewijs van belanghebbende te verlangen. Onder verwijzing naar het hierboven te dien aanzien aangevoerde, is dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van het oordeel van het Hof dat hetgeen belanghebbende met betrekking tot zijn woonplaats heeft aangevoerd van onvoldoende gewicht is ten opzichte van de stellingen van de inspecteur. 2.5 Dat belanghebbende van eerdere mogelijkheden tot getuigenbewijs geen gebruik heeft gemaakt, vindt, onder meer, zijn oorzaak in het feit dat in bezwaar geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgehad terwijl ook in hoger beroep de ontvankelijkheidsvraag terzake van het bezwaar open stond. Overigens is dit onvoldoende om het aanbod af te wijzen. Van enige belangenafweging te dien aanzien door het Hof blijkt niet uit de motivering van de uitspraak 2.6 Ook de afwijzing van het door belanghebbende gedane bewijsaanbod getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 3.6 Het derde middel van belanghebbende luidt: Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, en in het algemeen van de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in r. o . 4.19 ten onrechte overweegt dat een bedrag van HFL. 424.565 aan belanghebbende ten gunste is gekomen en tot zijn belastbaar inkomen dient te worden gerekend. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 3.7 Belanghebbende licht het derde middel als volgt toe: 3.1 Dit oordeel van het Hof is gebaseerd op het onjuiste althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerde, hierboven onder middel II bestreden, oordeel van het Hof, dat belanghebbende zijn fiscale woonplaats in 1998 in Nederland zou hebben. Verwezen zij hier te dien aanzien naar hetgeen ter toelichting op middel II daartoe is aangevoerd, hetgeen als hier integraal herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. 3.2 Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat winst uit aanmerkelijk belang van HFL. 424.565 belast tegen het tarief van 25% onderdeel uitmaakt van het belastbaar inkomen van belanghebbende, getuigt derhalve al evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 3.3 Daar komt bij dat de bewijslast van de stelling van de inspecteur dat belanghebbende enig bedrag als winstuitdeling als inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten, op de inspecteur rust. De inspecteur volstaat evenwel met een rechtsvermoeden dat kennelijk door belanghebbende weerlegd zou dienen te worden. De inspecteur voldoet derhalve, ook naar eigen zeggen, niet aan de op hem rustende bewijslast. Het oordeel van het Hof dat desalniettemin een bedrag van HFL. 424.565 ten gunste van belanghebbende zou zijn gekomen is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de inspecteur kan volstaan met het formuleren van een rechtsvermoeden dat door belanghebbende weerlegd moet worden en is aldus onjuist, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 3.8 In zijn verweerschrift stelt de Staatssecretaris dat het door belanghebbende ingestelde beroep niet tot cassatie van de bestreden uitspraak zal kunnen leiden. 3.9 Voor het geval het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond is, heeft de Staatssecretaris incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Daartoe voert de Staatssecretaris twee middelen aan. Het eerste middel luidt: Schending van het recht, met name van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen. 3.10 Ter toelichting merkt de Staatssecretaris op: In r. o . 4.3 neemt het Hof het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verschoonbaarheid over. In hoger beroep heeft de inspecteur aangevoerd (zie pagina 3 van het verweerschrift in hoger beroep) dat belanghebbende eind 2001 zowel op de hoogte was van het feit dat de aanslag 1998 nog voor het einde van het jaar zou worden opgelegd en was hij tevens op de hoogte van het feit dat eerdere aanslagen niet op het door hem opgegeven adres in Polen waren aangekomen (zie bijlage 6 bij het verweerschrift in hoger beroep). Desondanks heeft belanghebbende geen ander (post)adres opgegeven, dan wel verzocht om de aanslagen naar het adres van zijn gemachtigde te sturen. Het gaat naar mijn opvatting te ver om onder deze omstandigheden te oordelen dat de inspecteur niet behoorlijk heeft gehandeld door de aangifte van 1998 naar het door belanghebbende gehandhaafde adres te versturen. In r. o 4.4 voegt het Hof nog een overweging toe aan het oordeel van de rechtbank. De eisen welke het Hof in deze rechtsoverweging aan de inspecteur stelt ingeval van een aangetekende verzending van het aanslagbiljet, vinden geen steun in het recht. Naar mijn mening is de inspecteur niet gehouden om navraag te doen bij PTT Post (thans Post NL) indien hij een aanslagbiljet onbestelbaar retour ontvangt (nog daargelaten of PTT Post over informatie zou beschikken over de bezorging van aangetekende post in Polen) en stappen dient te ondernemen om de aanslag alsnog ter kennis van belastingplichtige te brengen. De opvatting van het Hof komt erop neer dat aan het aangetekend verzenden van stukken, hogere eisen worden gesteld dan aan een normale verzending. Dit terwijl met het aangetekend verzenden juist een hogere zorgvuldigheid wordt beoogd. Bovendien is het oordeel van het Hof innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds neemt haalt het Hof (r. o . 4.2.) de overweging van de Rechtbank aan, dat de inspecteur ter zitting van de Rechtbank een kopie heeft overgelegd van een envelop met daarop vermeldingen van de aangetekende verzending, waaronder vermeldingen van de Poolse postdienst waaruit valt op te maken dat die envelop is aangeboden op het genoemde adres. Maar anderzijds werpt het Hof de inspecteur tegen (r. o . 4.4) dat hij geen navraag heeft over de bezorging van de postzending. Gelet op de kennelijk door het Hof overgenomen vaststelling van de Rechtbank dat de postzending is aangeboden op het Poolse adres, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom de inspecteur gehouden was navraag over de bezorging te doen. 3.11 Het tweede middel van de Staatssecretaris luidt: Schending van het recht, met name van artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof in zijn uitspraak ten onrechte niet [toevoeging AG: is] ingegaan op de stelling van de inspecteur (zie punt 4.2 van het verweerschrift in hoger beroep) dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 3.12 Het tweede middel is als volgt toegelicht: Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 25.741 (zie r. o . 2.3). Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende daarnaast een inkomen heeft genoten van fl. 424.565. De volgens de aangifte verschuldigde belasting is derhalve, zowel absoluut als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. In de aard van de correctie (contante opname in de vorm van een uitdeling) ligt reeds besloten dat belanghebbende zich hiervan ten tijde van het doen van aangifte bewust moet zijn geweest. Door deze stelling niet te behandelen is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Gelet op de vastgestelde feiten en de aangebrachte correctie is er voldoende feitelijke grondslag voor de Hoge Raad om deze fout te herstellen en te oordelen dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de bewijslast is verzwaard. 4Ontvankelijkheid van het bezwaar (eerste middel) Wetgeving 4.1 Artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 4.2 Artikel 6:7 van de Awb luidt: De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. 4.3 Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt: De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 4.4 Artikel 6:9 van de Awb luidt: 1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. 2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 4.5 Artikel 6:11 van de Awb luidt: Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 4.6 Artikel 11, derde en vierde lid, van de AWR luidden destijds: 3. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. 4. Voor de toepassing van het derde lid wordt belastingschuld, waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt. 4.7 Artikel 22j van de AWR luidt: In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan: a. met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, dan wel b. (…) 4.8 Artikel 25, derde lid, van de AWR luidt: Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover het bezwaar is gericht tegen een vergrijpboete. Wetsgeschiedenis 4.9 In de memorie van toelichting bij de Algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht) is het volgende bij artikel 6:11 (aangeduid met artikel 6.2.5) van de Awb opgemerkt: Artikel 6.2.5 (…) Voor het slagen van een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding geldt primair als eis dat de indiener van het tardieve bezwaarschrift of beroepschrift ten genoege van het betrokken orgaan diende aan te tonen dat hij het geschrift had ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. (…) Artikel 6.2.5 ziet niet alleen op gevallen waarin de betrokkene ten gevolge van bijzondere omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, niet tijdig van zijn rechtsmiddel gebruik heeft kunnen maken. Zo'n geval doet zich bij voorbeeld voor indien de belanghebbende door een ernstig ongeval enige tijd is uitgeschakeld of wanneer de geestestoestand van betrokkene dusdanig is dat hij niet in staat geacht kan worden zijn belangen voldoende te behartigen (zie bij voorbeeld CRvB 27 februari 1976, AB 1976, 188, gerechtshof Den Haag 27 juli 1973, BNB 1974/153, en CRvB 11 oktober 1982, RSV 1983, 9). Daarnaast heeft dit artikel ook betekenis voor gevallen waarin de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is gaan lopen zonder dat de belanghebbende voldoende op de hoogte is gesteld van zijn bevoegdheden op dat punt. Dit kan zich op verschillende manieren voordoen. Bij voorbeeld wanneer de betrokkene onjuist is ingelicht over zijn beroepsmogelijkheden: CBB 27 november 1979, AB 1981, 274 (beroep op de Tariefcommissie in plaats van op het College van Beroep voor het bedrijfsleven) en CBB 2 maart 1984, AB 1984, 475, m.n. (beroep op de Afdeling rechtspraak in plaats van op het College van Beroep voor het bedrijfsleven). In verband met de gecompliceerdheid van het stelsel van rechtsbescherming is in artikel 3.5.5 bepaald dat het bestuursorgaan bij het bekend maken van een besluit moet meedelen welke mogelijkheid voor het beroep of bezwaar bestaat (zie ook artikel 6.3.17, vijfde lid, en artikel 6.4.17, zesde lid, voor de beslissingen op bezwaar en in administratief beroep). Indien verzuimd is die mededeling te doen of indien daarbij fouten zijn gemaakt zal - zeker nu die mededelingsplicht wettelijk wordt voorgeschreven - de belanghebbende veelal niet weten dat er (reeds) sprake is van een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep. Bemerkt hij dat eerst later, dan zal een termijnoverschrijding verschoonbaar kunnen zijn. Een en ander zal overigens mede afhangen van de deskundigheid die de belanghebbende bezit. Indien het om een grote organisatie gaat die regelmatig op het desbetreffende rechtsgebied procedeert, zal men een grotere mate van deskundigheid kunnen verwachten dan indien het een particulier betreft die voor het eerst met een dergelijk besluit geconfronteerd wordt. Ook anderszins kan door het ontbreken van een mededeling van de kant van het bestuur onwetendheid ontstaan. (…) In de hier genoemde gevallen hangt het accepteren van een termijnoverschrijding samen met het feit dat het bestuur niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen. De rechtsonzekerheid die ontstaat doordat een besluit ook na het verstrijken van de normale termijn niet onaantastbaar blijkt te zijn, heeft het bestuur dan aan zichzelf te wijten. (…) Er zij nog op gewezen, dat een termijnoverschrijding in het algemeen niet verschoonbaar is indien het bestuur aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. Indien bijvoorbeeld overeenkomstig artikel 3.5.3 of 3.5.4 een mededeling in een nieuwsblad is opgenomen, moeten belanghebbenden geacht worden op de hoogte te zijn. Zij zullen zich dan dus niet op het onderhavige artikel kunnen beroepen, ook al hebben zij de mededeling niet opgemerkt. Slechts in geval van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, zoals hierboven zijn genoemd, zal dat anders kunnen zijn. Nadat de belanghebbende van het bestaan van een rechtsmiddel op de hoogte is gekomen, zal hij zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kan worden in beroep moeten gaan of bezwaar moeten maken. Hij mag er dus niet van uitgaan dat hem daarvoor alsnog een volle termijn ter beschikking staat. Jurisprudentie Bekendmaking aanslag en aanvang bezwaartermijn 4.10 In zijn arrest van 15 maart 2000 heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld over de aanvang van de bezwaartermijn indien de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt: 3.4. In artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (tekst 1996; hierna: Awb) is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:8, lid 1, Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Indien de belanghebbende met vertraging kennis neemt van een aanslag of van het feit dat een aanslag is opgelegd, en daardoor pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift indient, kan het bezwaar slechts met toepassing van artikel 6:11 Awb ontvankelijk zijn. Indien evenwel de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (vergelijk HR 12 april 1978, nr. 18686, BNB 1978/128 en HR 25 augustus 1982, nr. 21315, BNB 1982/259); het aanslagbiljet moet in dat geval worden geacht de voorafgaande dag aan de belanghebbende te zijn toegezonden. 4.11 In dezelfde zin oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 2005: 3.2. Blijkens het bepaalde in artikel 22j van de AWR is de dag van dagtekening van een aanslagbiljet niet van belang indien deze is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Onder bekendmaking in voormelde zin moet blijkens het bepaalde in artikel 3:41 Awb worden verstaan de toezending of uitreiking van het besluit - in dit geval het aanslagbiljet - aan de belanghebbende. 3.3. Uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat belanghebbende op 16 maart 2000 op een daarvoor door de belastingdienst aangegeven wijze die dienst in kennis heeft gesteld van het feit dat haar adres met ingang van 15 oktober 1998 was gewijzigd van Postbus 002, te Z, in a-straat 1, te Z. Na ontvangst van deze kennisgeving behoorde de Inspecteur c.q. de Ontvanger ter voldoening aan het in artikel 3:41 Awb omschreven bekendmakingsvereiste stukken die aan belanghebbende werden gericht, te verzenden naar of uit te reiken op het aan hem opgegeven nieuwe adres van belanghebbende. Niet van belang in dit verband is hoeveel tijd belanghebbende heeft laten verstrijken vanaf het moment van de adreswijziging tot het moment van haar mededeling van de adreswijziging aan de belastingdienst. Naar door het Hof is vastgesteld, is het in geding zijnde aanslagbiljet na 16 maart 2000 toegezonden aan belanghebbende, echter niet naar haar toenmalige adres a-straat 1 te Z, doch naar Postbus 002, Z. Uit het vorenstaande volgt dat de onderhavige aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Nu bijgevolg in dit geval niet een dag van bekendmaking als bedoeld in artikel 22j van de AWR is aan te wijzen, is 's Hofs oordeel dat de termijn voor het maken van bezwaar aanving op de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet onjuist. 3.5. Indien een aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, vangt in een geval als het onderhavige de bezwaartermijn pas aan op de dag waarop de belanghebbende het aanslagbiljet onder ogen heeft gekregen dan wel op de dag waarop het aanslagbiljet of een kopie daarvan na doorzending of herhaalde toezending door de belanghebbende is ontvangen op zijn actuele adres (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34999, BNB 2000/220). 's Hofs uitspraak bevat geen vaststelling omtrent de dag van vorenbedoelde kennisneming dan wel ontvangst op het hiervoor bedoelde adres. Nu evenwel belanghebbende voor het Hof heeft gesteld dat zij het aanslagbiljet op 30 juni 2000 heeft ontvangen en de Inspecteur voor het Hof slechts heeft gesteld dat de ontvangstdatum niet vaststaat, is een overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar niet komen vast te staan. De Inspecteur heeft belanghebbende derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Ook zijn uitspraak kan niet in stand blijven. De Inspecteur zal na vernietiging van zijn uitspraak opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen. 4.12 Ook in zijn arrest van 17 april 2015 oordeelde de Hoge Raad in dezelfde zin over de aanvang van de beroepstermijn indien de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt: 2.3.1. (…) In een geval als het onderhavige, waarin de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn van zes weken pas aan op de dag waarop (de gemachtigde van
  13. de)belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen (vgl. HR 15 april 2005, nr. 40279, ECLI:NL:HR:2005:AT3985, BNB 2005/251). In een zodanig geval geldt niet de bij toepassing van artikel 6:11 Awb te stellen eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld. Het Hof heeft dit miskend. 4.13 Bekendmaking van de aanslag heeft niet op de voorgeschreven wijze plaatsgevonden indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst. Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld in zijn arrest van 5 maart 2004: 3.2. Middel 1 richt zich voor het overige tegen 's Hofs oordeel dat door de toezending van het aanslagbiljet aan belanghebbende de aanslag op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger, en wel, zulks in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Als de bekendmaking niet kan geschieden door toezending of uitreiking kan, op grond van artikel 3:41, lid 2, van laatstgenoemde wet, de bekendmaking ook geschieden op een andere geschikte wijze. Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. In het onderhavige geval ligt in 's Hofs - op zichzelf in cassatie niet bestreden - oordeel dat de verzending op de juiste wijze is uitgevoerd nu het door de Inspecteur (bedoeld zal zijn: de Ontvanger) gehanteerde adres kort voor de toezending feitelijk juist was en belanghebbende is verhuisd zonder dit door te geven, besloten het oordeel dat de omstandigheid dat het aanslagbiljet belanghebbende niet heeft bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Daarvan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat met de toezending van het aanslagbiljet de bekendmaking van de aanslag heeft plaatsgevonden. Middel 1 faalt derhalve ook voor het overige. 4.14 In zijn arrest van 15 december 2006 gaat de Hoge Raad in op de bewijslastverdeling voor de ontvangst van een per post verzonden aanmaning voor betaling van een opgelegde verzuimboete: 3.2.1. Voor oplegging van de verzuimboete van artikel 67a AWR is geen plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is slechts anders indien zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden. 3.2.2. In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36898, BNB 2003/14, onderdeel 3.2.4). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert. 3.2.3. Indien niet aannemelijk wordt dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en evenmin dat de aanmaning hem anderszins heeft bereikt, dan ligt het op de weg van de inspecteur - in voorkomend geval - aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden. 4.15 Dezelfde bewijslastverdeling geldt ook – naar belanghebbende heeft aangevoerd, maar hier niet direct speelt – voor het verschuldigd worden van invorderingsrente. Dit oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 11 oktober 2019: 2.4.1 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. In artikel 28, lid 1, Invorderingswet 1990 is bepaald dat, bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende betalingstermijn, aan de belastingschuldige invorderingsrente in rekening wordt gebracht. In het door het Hof aangehaalde arrest van 15 december 2006, rechtsoverweging 3.2.1, is geoordeeld dat voor het opleggen van een verzuimboete geen plaats is als een aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden en de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt. Dit is alleen anders als het niet ontvangen van die aanmaning het gevolg is van aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheden. Hetzelfde heeft te gelden voor het verschuldigd worden van invorderingsrente als bedoeld in artikel 28, lid 1, Invorderingswet 1990 (vgl. HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5917, en HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4156). 2.4.2 Het oordeel van het Hof komt erop neer dat voor het in rekening brengen van invorderingsrente in dit geval geen plaats is, omdat belanghebbende erin is geslaagd het vermoeden van ontvangst van de aanslag te ontzenuwen en de Ontvanger er vervolgens niet in is geslaagd feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de aanslag de belastingschuldige toch heeft bereikt dan wel dat het niet ontvangen het gevolg is van aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het behoefde geen nadere motivering. Anders dan het middel voorstaat, is de rechter niet gehouden een eigen onderzoek in te stellen naar de door de Ontvanger in dit verband gestelde en aannemelijk te maken feiten. (…) 4.16 Bij arrest van 12 januari 2007 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de inspecteur de bewijslast draagt van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de bezwaar- dan wel beroepstermijn: 3.5. (…) De inspecteur draagt de bewijslast van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de (bezwaar- dan wel) beroepstermijn. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, ligt de bewijslast dat zulks wel het geval is geweest derhalve op de inspecteur. (…) 4.17 In zijn arrest van 23 november 2007 heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de omstandigheid dat geen boete in het geding is, niet afdoet aan de toepasselijkheid van de hiervoor in 4.16 weergegeven bewijslast regel: 3.3. Belanghebbende, die volgens de gemeentelijke basisadministratie op 29 oktober 2003 is verhuisd, heeft voor het Hof gemotiveerd gesteld dat hij geen aanslagbiljet heeft ontvangen en heeft betwist dat het aanslagbiljet op 28 oktober 2003 aan het juiste (toen nog: het oude) adres is verzonden. Het Hof heeft de juistheid van deze betwisting in het midden gelaten op de grond dat de bewijslast dienaangaande niet op de Inspecteur rust nu geen boete in het geding is. Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de inspecteur de bewijslast draagt van feiten die bepalend zijn voor de aanvang van de bezwaar- (dan wel beroeps)termijn (HR 12 januari 2007, nr. 42739, BNB 2007/99). De omstandigheid dat geen boete in het geding is, doet aan de toepasselijkheid van voormelde regel niet af. Het middel slaagt in zoverre. 3.4. Het Hof heeft ook belanghebbendes beroep op artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbende zorg had moeten dragen voor het tijdig doorgeven van de adreswijziging aan de Inspecteur dan wel gebruik had moeten maken van de gratis verhuisservice van de TPG. Dit oordeel is in zoverre onjuist dat een belastingplichtige ervan mag uitgaan dat een adreswijziging die hij doorgeeft aan de gemeentelijke basisadministratie, tevens bekend wordt bij de Belastingdienst, waarvan de adresbestanden immers zijn gekoppeld aan de gemeentelijke basisadministratie. Blijkens het verweerschrift dat de Inspecteur bij het Hof heeft ingediend, heeft deze koppeling in het onderhavige geval ertoe geleid dat de Inspecteur op 30 oktober 2003 bekend geworden is met de adreswijziging. 3.6.1. Daarbij kan het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval de bezwaartermijn is overschreden, in het midden blijven. Immers, ook indien dat zo zou zijn, heeft het volgende te gelden. 3.6.2. Belanghebbende heeft voor het Hof gemotiveerd gesteld dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding voor het Hof blijkt niet dat de Inspecteur die stelling heeft betwist, zodat de Hoge Raad belanghebbendes stelling voor juist houdt. 3.6.3. Van belanghebbende kon (mede op grond van het hiervoor in 3.4 overwogene) redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij, om te voorkomen dat zendingen van de Belastingdienst hem niet zouden bereiken, meer deed dan hij heeft gedaan, te weten het doorgeven van zijn adreswijziging aan de gemeentelijke basisadministratie daags na zijn verhuizing, derhalve binnen de in de wet daarvoor gestelde termijn van vijf dagen (artikel 66 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens). Aanvullende maatregelen zouden uitsluitend doelmatig kunnen zijn geweest met het oog op de eventualiteit dat de Belastingdienst juist daags voor zijn verhuizing, dan wel op de dag van zijn verhuizing, stukken naar hem zou afzenden. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet van feiten en omstandigheden die zouden meebrengen dat belanghebbende op een of ander bedacht hoefde te zijn. 3.6.4. Nu niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende, voor hij de op 23 januari 2004 gedagtekende aanmaning ontving, al anderszins bekend was geworden met de aanslag, en zijn bezwaar daartegen op 5 februari 2004 bij de Inspecteur is ingekomen, kan - mede op grond van het hiervoor in 3.6.2 en 3.6.3 overwogene - redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. 3.6.5. De Inspecteur heeft het bezwaar derhalve ten onrechte wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Zijn uitspraak kan niet in stand blijven. De Inspecteur zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen. 4.18 In zijn arrest van 29 juni 2012 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het feit dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, geen grond is voor vernietiging van de aanslag: 3.3.1. Het oordeel van het Hof dat de aanslag niet op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt in de zin van artikel 3:41 van de Awb, wordt in cassatie niet bestreden. Het middel verwijt het Hof dat het aan dat oordeel ten onrechte de slotsom heeft verbonden dat de aanslag niet tot stand is gekomen. 3.3.2. Het middel betoogt terecht dat bekendmaking van een besluit geen voorwaarde is voor de totstandkoming daarvan. Op grond van artikel 3:40 van de Awb is bekendmaking slechts een voorwaarde voor de inwerkingtreding van een besluit, nadat het tot stand is gekomen. 3.3.3. De enkele omstandigheid dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is geen grond voor vernietiging van die aanslag en geeft evenmin grond om aan te nemen dat die aanslag van rechtswege nietig is (vgl. HR 25 november 2005, nr. 39529, LJN AU6887, BNB 2006/43). 3.3.4. Wel leidt die omstandigheid ertoe dat de bezwaartermijn pas aanvangt op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (zie HR 15 maart 2000, nr. 34999, LJN AA5141, BNB 2000/220). 4.19 De Hoge Raad oordeelde op 18 april 2014 dat een aanslag niet is vastgesteld binnen de daarvoor geldende termijn, zoals bedoeld in artikel 11, derde lid, van de AWR, indien het aanslagbiljet weliswaar voor het verstrijken van die termijn is gedagtekend, maar de aanslag niet binnen die termijn op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt: 3.3.2. Ingevolge artikel 11, lid 3, AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag - behoudens in het hier niet aan de orde zijnde geval dat uitstel is verleend voor het doen van aangifte - door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 5 AWR bepaalt dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de aanslag. Indien voor de toepassing van de in artikel 11, lid 3, AWR voorziene termijn onverkort zou worden vastgehouden aan de dagtekening van het aanslagbiljet, ook in gevallen waarin de aanslag op die datum nog niet is bekendgemaakt, zou tekort worden gedaan aan de strekking van deze aanslagtermijn. Die termijn strekt er namelijk toe om aan belastingplichtigen een waarborg te bieden dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening ontvangen (zie Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, blz. 15). De wetsgeschiedenis van artikel 5 AWR sluit hierbij in zoverre aan dat daaruit blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van die bepaling is uitgegaan van de veronderstelling dat aanslagbiljetten geen eerdere dagtekening dragen dan die van het tijdstip van uitreiking (zie Kamerstukken II 1955/56, 4080, nr. 5, blz. 5, Artikel 5). Daarbij zal niet alleen zijn gedacht aan uitreiking door de Belastingdienst zelf, maar in het bijzonder ook aan uitreiking door tussenkomst van de posterijen (zie met betrekking tot de uitreiking van aangiftebiljetten Kamerstukken II 1955/56, 4080, nr. 5, blz. 5, Artikel 6, lid 1). In het licht hiervan dient te worden aangenomen dat de regel dat de dagtekening van het aanslagbiljet beslissend is, niet onverkort kan gelden bij de toepassing van artikel 11, lid 3, AWR. In zijn arresten van 6 december 1989, nrs. 25888 en 25909, BNB 1990/176 en BNB 1990/177, heeft de Hoge Raad een uitzondering op deze regel aanvaard voor het geval de terpostbezorging van het aanslagbiljet plaatsvindt na de dagtekening ervan. In overeenstemming met de hiervoor beschreven strekking van de aanslagtermijn dient – meer in het algemeen – te worden aangenomen dat de eerder bedoelde regel uitzondering lijdt indien de aanslag pas na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Voor de toepassing van artikel 5 in verbinding met artikel 11, lid 3, AWR komt de datum van bekendmaking dan in de plaats van de dagtekening van het aanslagbiljet. Het gevolg van dit een en ander is dat de aanslag niet is vastgesteld binnen de daarvoor geldende termijn, zoals bedoeld in van artikel 11, lid 3, AWR, indien het aanslagbiljet weliswaar voor het verstrijken van die termijn is gedagtekend, maar de aanslag niet binnen die termijn op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De bewijslast met betrekking tot (het tijdstip van) de bekendmaking van de aanslag rust bij de inspecteur. 3.3.3. Bekendmaking van een aanslag zal doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, Awb plaatsvinden door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. 3.3.4. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Die regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. HR 5 maart 2004, nr. 39245, ECLI:NL:HR:2004:AO5064, BNB 2004/200, met betrekking tot de bezwaartermijn, en HR 6 december 1989, nr. 25909, BNB 1990/177, met betrekking tot de toepassing van artikel 5 AWR in het kader van de aanslagtermijn). 3.3.5. Indien de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is aan de strekking van de regels over bekendmaking van besluiten niettemin voldaan indien de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger het aanslagbiljet of een afschrift daarvan ontvangt. Voor de toepassing van artikel 5 AWR moet het aanslagbiljet dan worden geacht de voorafgaande dag aan de belanghebbende te zijn toegezonden (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141, BNB 2000/220, met betrekking tot de bezwaartermijn). De stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten die deze uitzondering rechtvaardigen, rusten bij de inspecteur. 3.3.6. Het hiervoor overwogene houdt in dat de Hoge Raad in gevallen waarin een aanslag na de dagtekening van het aanslagbiljet bekend is gemaakt, in het kader van de aanslagtermijn thans dezelfde maatstaven met betrekking tot de bekendmaking van die aanslag hanteert als in het kader van de bezwaartermijn. In gevallen waarin de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt doordat sprake is van een aan de Belastingdienst te wijten onjuiste adressering van het aanslagbiljet, aanvaardt de Hoge Raad als gevolg daarvan niet langer dat de aanslagtermijn reeds in acht is genomen indien de belastingplichtige binnen die termijn op de hoogte was van de verzending van het aanslagbiljet. Met de enkele kennisneming van die verzending aan een verkeerd adres is immers niet gewaarborgd dat de belastingplichtige binnen een redelijke termijn zijn belastingafrekening ontvangt, en wordt dus onvoldoende recht gedaan aan de hiervoor in 3.3.2 vermelde strekking van de aanslagtermijn. De Hoge Raad komt in zoverre terug van zijn arrest van 6 december 1989, nr. 25909, BNB 1990/177. 3.3.7. Het hiervoor overwogene geldt eveneens voor de navorderings- en naheffingstermijnen. 4.20 In zijn arrest van 29 mei 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien als gevolg van een onjuiste adressering het poststuk de geadresseerde niet bereikt maar aan het verzendadres wordt geretourneerd, aan de verzending een einde is gekomen: 2.1. Blijkens een door de Griffier van het Hof op de uitspraak gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak per aangetekende post aan partijen verzonden op 8 januari 2014. Aan het slot van die uitspraak is tevens vermeld dat daartegen beroep in cassatie kan worden ingesteld. Daarbij is het juiste postbusadres van de Hoge Raad vermeld. 2.2. Voorts kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbendes gemachtigde heeft op 17 februari 2014 per aangetekende post een beroepschrift in cassatie verzonden aan de Hoge Raad, met vermelding van een postbusadres dat niet volledig overeenkomt met het postbusadres van de Hoge Raad. Op 19 februari 2014 is dit poststuk door PostNL vanwege een onjuiste adressering geretourneerd aan de gemachtigde, die het poststuk op 20 februari 2014 heeft ontvangen. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde het beroepschrift nogmaals per fax en per aangetekende post verzonden aan het postbusadres van de Hoge Raad, ditmaal met een correcte adressering. Laatstbedoeld poststuk is op 21 februari 2014 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. 2.3. In geval van indiening van een bezwaar- of beroepschrift per post ligt het op de weg van de indiener om het geheel van handelingen te verrichten dat noodzakelijk is om het desbetreffende poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken, waaronder het zorg dragen voor een correcte adressering. Voorts geldt dat indien als gevolg van een onjuiste adressering het poststuk de geadresseerde niet bereikt maar aan het verzendadres wordt geretourneerd, aan de verzending een einde is gekomen (vgl. HR 14 oktober 2011, nr. 11/01261, ECLI:NL:HR:2011:BT7470, BNB 2012/87, en ABRvS 9 april 2008, nr. 200707825/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC9038, AB 2008/185). 2.4. Het hiervoor in 2.1 tot en met 2.3 overwogene laat geen andere conclusie toe dan dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Aangezien aan het slot van 's Hofs uitspraak het correcte postbusadres van de Hoge Raad is vermeld, is er geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. 4.21 In zijn arrest van 5 juli 2019 heeft de Hoge Raad de uitgangspunten voor de verdeling van de bewijslast bij termijnoverschrijding nog eens op een rij gezet: 2.4.1. Op grond van artikel 22j, aanhef en letter a, AWR vangt de termijn voor het maken van bezwaar tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking aan op de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet onderscheidenlijk het afschrift van de beschikking. Dit is anders indien de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 2.4.2. In gevallen waarin een of meer besluiten zijn bekendgemaakt door toezending van een aanslagbiljet aan de belanghebbende, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de daarin vervatte besluiten zijn bekendgemaakt (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, rechtsoverweging 3.2). Indien de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, is het aan de inspecteur om die verzending aannemelijk te maken. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een schriftelijk besluit hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen (vgl. CBB 12 januari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:16, rechtsoverweging 6). 2.4.3. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring wegens die termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb). De belanghebbende die een beroep op deze regel doet, draagt de bewijslast van de feitelijke stellingen die hij aan dit beroep ten grondslag legt (vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469, rechtsoverweging 3.4). 2.4.4. Indien vaststaat dat een schriftelijk besluit van de inspecteur op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt door terpostbezorging, de belanghebbende daartegen na afloop van de wettelijke termijn bezwaar maakt en ter rechtvaardiging van die termijnoverschrijding aanvoert dat hij dit besluit niet heeft ontvangen, is het volgende van belang. De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Wanneer de belanghebbende aldus een beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb, is het voldoende dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst of die aanbieding (vgl. ABRvS 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617, rechtsoverweging 2.3, CRvB 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9413, rechtsoverweging 4.2, en HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, rechtsoverweging 3.2.2). 4.22 Voor ‘terpostbezorging’ is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld op 7 februari 2020: 2.5.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat bij gemotiveerde betwisting door belanghebbende de enkele blote stelling van de Inspecteur dat het aanslagbiljet op 19 juni 2014 is verzonden, nadere onderbouwing behoefde, en dat die onderbouwing ontbreekt. De Inspecteur heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard: “De UTB heb ik in de loop van de dag, conform de gebruikelijke postbezorging, intern afgegeven voor verzending per post. De gebruikelijke postverwerking is intern in een werkbeschrijving opgenomen. Voor uw informatie voeg ik een print van die beschrijving bij als bijlage 3. (…) Ik verklaar (…) dat verzending van post altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor) en dit nooit pas na dagtekening gebeurt. (…) Het oordeel dat ik niet aannemelijk maak dat ik op 19 juni 2014 deze UTB heb verzonden, is ongehoord, niet gepast en ook niet verder gemotiveerd.” (…) 2.5.3 Het oordeel dat het aanslagbiljet aan belanghebbende is verzonden op de laatste dag vóór het verstrijken van de termijn van drie jaren, heeft het Hof gebaseerd op de hiervoor geciteerde verklaringen van de Inspecteur en de hiervoor bedoelde werkinstructie. Het Hof heeft zich gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting indien het ervan is uitgegaan dat voor ‘terpostbezorging’ zoals bedoeld hiervoor in 2.4.3 voldoende is dat de inspecteur of de ontvanger een poststuk intern afgeeft voor verzending per post. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, namelijk dat voor ‘terpostbezorging’ is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf, in dit geval volgens de werkinstructie: PostNL, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk de vaststelling dat aanbieding van post aan PostNL door medewerkers van de Belastingdienst/Douane altijd plaatsvindt op de datum van dagtekening (en soms zelfs een dag ervoor) en nooit daarna. Uit de hiervoor bedoelde verklaringen en werkinstructie kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat poststukken die de inspecteur of de ontvanger in de loop van de dag intern afgeeft voor verzending per post, ook altijd daadwerkelijk op die dag, althans altijd uiterlijk op de datum van dagtekening en nooit erna, door medewerkers van de Belastingdienst/Douane worden aangeboden aan PostNL. Daarom is evenmin begrijpelijk het op die vaststelling voortbouwende oordeel van het Hof dat het onderhavige aanslagbiljet ter post is bezorgd op de datum van dagtekening ervan, in dit geval 19 juni 2014. Middel I slaagt daarom in zoverre. Aangetekende verzending 4.23 Hierna ga ik in op een aantal arresten die specifiek zien op per aangetekende post verzonden stukken. 4.24 In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2005 had het Hof het beroep van de betreffende belanghebbende wegens niet betaling van het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof niet voldoende was gemotiveerd, omdat uit de uitspraak niet bleek of het Hof tevens bij TPG Post navraag had gedaan of de aangetekend verzonden nota griffierecht op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift was aangeboden: 3. Beoordeling van de middelen Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat zij niet op de verschuldigdheid van griffierecht is gewezen. Het Hof heeft dit oordeel doen steunen op de overweging dat blijkens een zich in het dossier bevindend afschrift van de nota griffierecht de griffier belanghebbende bij op 17 september 2002 aangetekend verzonden nota op de verschuldigdheid van € 218 griffierecht heeft gewezen. Middel 1, dat zich richt tegen de motivering van het hiervóór genoemde oordeel, wordt terecht aangevoerd. 's Hofs oordeel is niet voldoende gemotiveerd, nu uit de uitspraak niet blijkt dat het Hof tevens bij TPG Post navraag heeft gedaan of het stuk op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift is aangeboden. (…) 4.25 In de inhoudsindicatie bij het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2005 op rechtspraak.nl wordt verwezen naar BNB 1999/55. In dat arrest van 9 december 1998 oordeelde de Hoge Raad het volgende: 3.1. Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat de nota griffierecht nooit zou zijn ontvangen. Het Hof heeft dit oordeel doen steunen op de overweging dat uit onderzoek ter griffie en bij de dienst Financieel Economische Zaken van het arrondissement Amsterdam is gebleken dat de indiener van het beroepschrift door middel van een op 17 januari 1997 - aan het adres a-straat 1, Z, onder nummer 111 - verzonden aangetekende postzending is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht; dat, nu de per aangetekende post verzonden zending niet aan de griffier is geretourneerd, de geadresseerde het stuk in ontvangst moet hebben genomen. De klacht, die zich richt tegen de motivering van het hiervóór genoemde oordeel, wordt terecht aangevoerd. 's Hofs oordeel is niet voldoende gemotiveerd, nu uit de uitspraak niet blijkt dat het Hof tevens bij PTT Post navraag heeft gedaan of het stuk op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift is aangeboden. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 4.26 Ook in zijn arrest van 3 april 2009 oordeelde de Hoge Raad dat het op de weg van het Hof lag om bij TNT Post navraag te doen of de aangetekend verzonden aanmaning voor betaling van de nota griffierecht op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift is aangeboden: 3.1. Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat zij niet op de verschuldigdheid van griffierechten is gewezen. Het Hof heeft dit oordeel doen steunen op de overweging dat niet aannemelijk is dat de nota griffierecht van 7 mei 2007 en de aanmaning van 12 juni 2007 belanghebbende niet zouden hebben bereikt, nu twee andere brieven van de griffier van het Hof, welke zijn gedateerd 1 mei 2007 en 27 juni 2007, en gericht aan dezelfde gemachtigde op hetzelfde postbusadres als de hiervoor genoemde brieven, belanghebbende wel hebben bereikt. 3.2. Het middel klaagt terecht erover dat deze motivering ontoereikend is. Nu de brief van 12 juni 2007, waarbij de ingevolge artikel 8:41, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht vereiste mededeling is gedaan, aangetekend is verzonden - de brief van 7 mei 2007, die niet aangetekend is verzonden, bevatte niet de wettelijk voorgeschreven termijnstelling van vier weken - lag het op de weg van het Hof om ter beoordeling van de gegrondheid van de door belanghebbende jegens het Hof geuite grief bij TNT Post navraag te doen of het stuk op regelmatige wijze aan het adres van de indiener van het beroepschrift is aangeboden (vgl. HR 20 mei 2005, nr. 40507, BNB 2005/288). De omstandigheid dat enkele gelijk geadresseerde, als gewone brief verzonden stukken, bleken te zijn aangekomen, maakte het niet overbodig de door de aangetekende verzending geschapen mogelijkheid van navraag te benutten, te minder daar de wijze van bezorging van een aangetekende brief niet overeenkomt met die van gewone brieven. 4.27 In zijn arrest van 10 juli 2015 gaat de Hoge Raad in op de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de ontvangst van een afhaalbericht van per aangetekende post verzonden stukken: 2.1. De Rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij het ter zake daarvan verschuldigde griffierecht niet heeft betaald. In de bestreden uitspraak heeft de Rechtbank verworpen de door belanghebbende in haar verzetschrift aangevoerde klacht dat zij de per aangetekende post verzonden nota griffierecht niet heeft ontvangen. De Rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd
  14. i)dat de nota griffierecht door een medewerker van PostNL is aangeboden op het adres van belanghebbendes gemachtigde,
  15. ii)dat aldaar op het moment van aanbieding niemand aanwezig was, iii) dat de medewerker van PostNL op dat adres een afhaalbericht heeft achtergelaten,
  16. iv)dat belanghebbendes gemachtigde de nota niet heeft afgehaald, en v ) dat deze laatste omstandigheid voor rekening en risico van belanghebbende komt. 2.2.1. De klacht richt zich tegen het oordeel dat de medewerker van PostNL op het adres van belanghebbendes gemachtigde een afhaalbericht heeft achtergelaten. Volgens de klacht berust dit oordeel op een aanname en niet op een feitelijke vaststelling. 2.2.2. Aangezien belanghebbende in verzet heeft aangevoerd dat zij de per aangetekende post verzonden nota griffierecht niet heeft ontvangen, had de Rechtbank ter beoordeling van de gegrondheid van deze stelling bij PostNL een onderzoek moeten instellen of de nota griffierecht op regelmatige wijze op het adres van belanghebbendes gemachtigde is aangeboden (zie HR 3 april 2009, nr. 08/00645, ECLI:NL:HR:2009:BH9194, BNB 2009/138). Uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding blijkt niet dat de Rechtbank dat onderzoek bij PostNL heeft uitgevoerd. Indien zij van oordeel was dat zij niet tot een dergelijk onderzoek was gehouden, berust dat oordeel, gelet op het hiervoor overwogene, op een onjuiste rechtsopvatting. Indien de Rechtbank is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting behoefde het door de klacht bestreden oordeel – dat ook niet zonder meer wordt gedragen door de zich in het dossier bevindende bescheiden - nadere motivering, die ontbreekt. De klacht slaagt derhalve. 2.3. Gelet op het hiervoor in 2.2.2 overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de gegrondheid van het verzet. Daarbij dient het volgende in acht te worden genomen. Indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten (vgl. ook ABRvS 3 april 2012, nr. 201106007/1/V1, ECLI:NL:RVS:2012:BW1458, JB 2012/126). 4.28 In het arrest van 3 april 2012, waarnaar de Hoge Raad in het hiervoor opgenomen arrest verwijst, oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State als volgt: 2.4.2. Indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. (…) 4.29 Zie ook het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2014: 1.1. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 1.2. Indien een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL (voorheen: TNT Post) op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. 1.3. Niet in geschil is dat het CBR op 23 november 2009 een poststuk aangetekend heeft verzonden naar het juiste adres van [appellant]. Er bestaat, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, geen aanleiding eraan te twijfelen dat dit poststuk het besluit van 23 november 2009 betreft, daar niet aannemelijk is dat het CBR op voormelde datum andere stukken aan [appellant] heeft gestuurd. Dat het CBR, zoals [appellant] stelt, aan hem op 23 november 2009 een uitnodiging voor deelname aan een bloedonderzoek kan hebben verzonden, is niet aannemelijk, reeds omdat het CBR hem bij brief van 27 augustus 2009 heeft meegedeeld dat hij uiterlijk 10 september 2009 bloed moest laten afnemen en anders sprake was van het niet verlenen van medewerking aan het onderzoek naar de geschiktheid. Aldus is het besluit van 23 november 2009 op regelmatige wijze door TNT Post aan het adres van de belanghebbende aangeboden. Het CBR heeft dat besluit als onbestelbaar retour ontvangen. Uit de aantekeningen van TNT Post op de enveloppe bij het besluit blijkt dat TNT Post bij de aanbieding van het poststuk op het adres van [appellant] op 24 november 2009 "geen gehoor" kreeg en dat het stuk vervolgens niet is afgehaald bij het kantoor van TNT Post. Daaruit mag worden afgeleid dat de postbesteller bij zijn poging het stuk aan te bieden, zoals het hoort, een afhaalbericht aan het adres van [appellant] heeft achtergelaten. [appellant] heeft met zijn enkele stelling dat hij geen afhaalbericht heeft aangetroffen geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Dat volgens [appellant] zijn verklaring dat hij geen afhaalbericht heeft aangetroffen niet ongeloofwaardig is, kan hem, wat daarvan overigens ook zij, niet baten. Dat is niet het beoordelingscriterium bij aangetekend verzonden stukken. De jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarnaar [appellant] in dat verband heeft verwezen, ziet op stukken die niet aangetekend waren verzonden. 1.4. Gelet op het voorgaande dient ervan te worden uitgegaan dat het besluit van 23 november 2009 op de voorgeschreven wijze aan [appellant] is bekend gemaakt. Dat, als gesteld door [appellant], het CBR het besluit van 23 november 2009 niet tevens per gewone post heeft verstuurd, ook niet nadat het het CBR bekend was dat hij het aangetekende stuk niet had ontvangen, kan niet leiden tot het door hem daarmee beoogde doel. Verzending tevens per gewone post is niet vereist. Nu [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest ten aanzien van de te late indiening van zijn bezwaar, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het CBR het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 4.30 Over de gevolgen indien geen afhaalbericht is achtergelaten oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 januari 2016: 4. Vast staat dat de stichting het besluit van 5 augustus 2014 aangetekend heeft verzonden naar het oude kantooradres van de advocaat van [appellant]. Ter zitting heeft de stichting meegedeeld het besluit op 18 augustus 2014 retour te hebben ontvangen. Op het daarbij gevoegde reçu is door PostNL aangekruist: ‘Onvolledig/foutief adres en/of postcode’ en daarop is aangetekend ‘woont hier niet meer waarschijnlijk verhuisd [c-straat 1] ‘. Gelet hierop acht de Afdeling aannemelijk dat PostNL op het oude kantooradres van de advocaat van [appellant] geen afhaalbericht heeft achtergelaten. Ter zitting is gebleken dat de stichting deze conclusie deelt. Nu PostNL geen afhaalbericht heeft achtergelaten op het oude kantooradres van de advocaat van [appellant], is de aangetekende verzending van het besluit van 5 augustus 2014 niet voltooid. Het besluit is daarom niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de beroepstermijn niet op 6 augustus 2014 is aangevangen. Niet in geschil is dat de stichting het besluit van 5 augustus 2014 per e-mail van 11 november 2014 aan de advocaat van [appellant] heeft gezonden en dat [appellant] daardoor van het besluit op de hoogte is geraakt. Nu het beroepschrift van [appellant] blijkens een daarop aangebracht stempel op 25 november 2014 bij de rechtbank is ingekomen, heeft hij tijdig beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ten onrechte wegens termijnoverschrijving niet-ontvankelijk verklaard. 4.31 Inzake het in de hiervoor aangehaalde rechtspraak terugkerende vaste uitgangspunt bij aangetekend verzonden stukken, wijs ik ook op het arrest van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2017: 4.3. Anders dan het college en de rechtbank hebben overwogen dient, indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, door de verzender te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden (vergelijk de uitspraken van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499 en 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4046). 4.4. Het college heeft de verzonden brief niet retour ontvangen en ook van PostNL geen bericht ontvangen dat de aangetekende zending niet kon worden bezorgd dan wel niet is afgehaald. Een medewerker van het college heeft, nadat appellanten bezwaar hadden gemaakt, contact gehad met PostNL, waarbij werd medegedeeld dat gegevens over aangetekende verzending na het verstrijken van één jaar verwijderd worden uit het registratiesysteem van PostNL. Uit het onderzoek van het college blijkt derhalve niet, dat het stuk aan het adres van appellanten is aangeboden. 4.5. Uit de in 1.3 genoemde briefwisseling kan evenmin worden afgeleid dat appellanten het terugvorderingsbesluit hebben ontvangen, nu deze uitsluitend verband hield met de hoogte van de beslagvrije voet, het college bij de inhoudingen en in de brief van 29 augustus 2014 niet expliciet heeft verwezen naar het terugvorderingsbesluit, en appellanten dat in de brief van 18 juni 2014 ook niet hebben gedaan. 4.6. Nu niet kan worden geoordeeld dat appellanten het terugvorderingsbesluit hebben ontvangen, kan redelijkerwijs ook niet worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege had moeten blijven. 4.7. Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb. Nu het college het bezwaar niet inhoudelijk heeft behandeld, ziet de Raad geen mogelijkheid het geschil definitief te beslechten. Het college zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. 4.32 Tot slot wijs ik nog op een arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010 over de bekendmaking van een beschikking tot aansprakelijkstelling: 4.2.1 Middelonderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de beschikking houdende aansprakelijkstelling rechtsgeldig aan [F] is bekendgemaakt. Het onderdeel betoogt dat van een bekendmaking in de zin van art. 49 lid 2 Iw 1990 geen sprake kan zijn indien de Ontvanger de beschikking onbestelbaar retour ontvangt, zonder dat de geadresseerde een verwijt kan worden gemaakt van de - aan de Ontvanger kenbare - onbestelbaarheid. 4.2.2 Op de bekendmaking van een beschikking tot aansprakelijkstelling als de onderhavige is art. 49 lid 2 Iw 1990, zoals destijds geldend, van toepassing. Nu vaststaat dat de tot [F] gerichte kennisgeving van de beschikking overeenkomstig die bepaling aangetekend en naar het juiste adres van [F] is verzonden, heeft rechtsgeldige bekendmaking plaatsgevonden. De in 4.2.1 vermelde omstandigheden doen aan die rechtsgeldigheid niet af. Het onderdeel faalt. Literatuur 4.33 De redactie van Vakstudie-Nieuws heeft bij het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009 het volgende opgemerkt: Heden ten dage is het vrij simpel om aangetekend verzonden poststukken te volgen via het 'track & trace'-systeem van TNT-post. Als de afzender zeker wil weten dat het door hem aangetekend verzonden poststuk is afgeleverd en of de geadresseerde daarvoor heeft getekend, kan hij voor zendingen met handtekening voor ontvangst, z

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.