PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 18/00793 Zitting 16 juni 2020 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte.
(26)bewijsmiddelen zoals in het arrest genoemd.Gezien de omvang van de aanvulling volsta ik hier met een verwijzing daarnaar. 14. In het bestreden arrest heeft het hof daarnaast het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. In hoger beroep staat niet ter discussie dat coffeeshop [A] (of [A] ) in de tenlastegelegde periode kan worden aangemerkt als een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven Kort gezegd komt het er op neer dat de uitbaters van de coffeeshop zich niet aan de zogenaamde gedoogregels hielden. Verdachte runde samen met zijn broers de coffeeshop, ook in de tenlastegelegde periode. Op 27 november 2012 vonden er diverse doorzoekingen plaats, zowel in de coffeeshop als in verschillende panden die gebruik waren bij verdachte, zijn broers en/of medeverdachten. Er werden grote hoeveelheden drugs aangetroffen. In de coffeeshop zelf werd meer dan negen kilo hasj en meer dan acht kilo wiet aangetroffen. Uit onder meer de verklaringen van [betrokkene 1] en de afgeluisterde telefoongesprekken tussen [betrokkene 1] en de broer van verdachte [medeverdachte 1] , blijkt dat er sprake was van grootschalige handel in hasj die ook via de coffeeshop liep. [getuige] heeft verklaard dat hij gedurende vijf jaar wiet leverde aan de coffeeshop [A] , de ene keer was dat twee kilo en de andere keer was dat vijf kilo. In hoger beroep staat de discussie centraal of verdachte in de tenlastegelegde periode al dan niet heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht kan slechts sprake zijn, indien verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (vgl. Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264). Het opzet van verdachte moet zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat verdachte als deelnemer kan worden aangemerkt. Verdachte heeft immers structureel werkzaamheden verricht in een coffeeshop waarin stelselmatig de gedoogvoorwaarden werden overtreden, terwijl verdachte wist dat niet volgens de gedoogvoorwaarden werd gehandeld. Dit blijkt onder meer uit het volgende: Verdachte is als voormalig leidinggevende of baliemedewerker betrokken geweest bij coffeeshop [A] . Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij sinds 2000 als loketmedewerker in de coffeeshop werkt. Verdachte had een vast dienstverband en verrichtte baliewerkzaamheden. Op 5 oktober 2012 werd een nieuwe aanvraag bij de gemeente Utrecht ingediend. Hierop werd onder meer verdachte als leidinggevende opgevoerd. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij als loketmedewerker aan klanten verkocht en het geld in ontvangst nam. Hij deed het geld in zijn zak. De briefjes van 50 gingen in zijn zak en soms ook de briefjes van 20. Eén en ander is ook gebleken uit de camerabeelden. Verdachte stopte aldus geldbedragen in zijn eigen zak zonder dit op enige manier in de boeken te verantwoorden. Voorts volgt uit het dossier dat verdachte kon beschikken over geldbedragen die op basis van zijn legale inkomsten niet kunnen worden verantwoord. Daarnaast acht het hof voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van deelneming aan de criminele organisatie door verdachte van belang dat op zijn - niet door hemzelf bewoonde - GBA-adres hasjies, weed en vooraf gedraaide joints zijn aangetroffen. Ook wijst het hof op het verhoor van medeverdachte [betrokkene 1] (pagina 736 e.v.) waarin [betrokkene 1] onder meer heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de baas is van coffeeshop [A] en dat hij de spullen regelt met zijn broers. Als [betrokkene 1] wordt gevraagd welke broers dit zijn, noemt hij onder meer de naam van verdachte. Verder heeft [betrokkene 1] verklaard dat als Mimoun een tijdje op vakantie is, dat alle vijf de broers verantwoordelijk zijn. Verder bezigt het hof de aangetroffen briefjes in de woning boven de winkel tot het bewijs. Op deze briefjes staat de naam van verdachte. Op deze briefjes staat genoteerd: “17.500 voor weed gepakt, [verdachte] 16-12-2011” en “1.550 gram 5.200 e per kilo totaal 8.050. Betaald 15 december 2011 [verdachte] ”. Uit deze briefjes maakt het hof op dat door verdachte grote bedragen zijn uitgegeven voor de inkoop van veel meer dan 500 gram weed per keer. Het hof wijst voorts op het telefoongesprek op 19 juli 2012 tussen verdachte en [medeverdachte 3] . [verdachte] vraagt [medeverdachte 3] of hij dat ene van zeven heeft. [medeverdachte 3] heeft dat en [verdachte] vraagt hem of hij vandaag naar de shop gaat. [medeverdachte 3] zegt dat hij dat mag zeggen en vraagt hem wat hij nodig heeft, 2, 3 of 4. [verdachte] zegt dat hij maar moet kijken en dat hij morgen toch aan het werk is. [verdachte] vraagt hem langs te komen om wat te brengen. [medeverdachte 3] vraagt hem of het voor de shop is. Ook wijst het hof op het telefoongesprek op 24 juni 2012 tussen verdachte en [betrokkene 1] . [verdachte] vraagt [betrokkene 1] of er iemand in de shop is die naar [medeverdachte 1] of [betrokkene 1] vraagt. Na bevestiging hierop geeft [verdachte] aan “je moet hem 5 geven, je moet hem 5 ruggen geven, moet van eeuh [betrokkene 1] of [medeverdachte 1] ”. Het hof merkt op dat uit het dossier is gebleken dat met “ [medeverdachte 1] ” wordt bedoeld [medeverdachte 1] (zie bijvoorbeeld de verklaring van [betrokkene 4] op p. 1919). De raadsman heeft van dit laatste telefoongesprek en van de aangetroffen briefjes in de woning boven de winkel aangegeven dat dit buiten de tenlastegelegde periode valt. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat ook dit tot het bewijs kan worden gebezigd, nu daaruit kan worden afgeleid dat verdachte reeds voor de tenlastegelegde periode er van op de hoogte was dat de gedoogvoorwaarden voor de coffeeshop werden overtreden en verdachte daar (ook toen
- al)een aandeel in had. Ook in de tenlastegelegde periode is geconstateerd dat de gedoogvoorwaarden niet werden nageleefd, terwijl verdachte in de tenlastegelegde periode werkzaam was in de coffeeshop. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte in de tenlastegelegde periode wezenlijk anders heeft gehandeld dan in de periode van dit gesprek en ten tijde van de aangetroffen briefjes, terwijl verdachte hieromtrent niets heeft verklaard dan wel niets heeft willen verklaren. Als laatste wijst het hof op een telefoongesprek van 27 november 2012, de dag van de inval bij coffeeshop [A] , tussen verdachte en [betrokkene 3] . [betrokkene 3] zegt in dit gesprek onder meer “het enige wat [betrokkene 2] moet zeggen...” Hierop geeft verdachte als reactie: “hij moet zeggen dat het van hem is”. Het hof begrijpt dat met “ [betrokkene 2] ” wordt bedoeld “ [betrokkene 2] ”, een neef van verdachte die in het kader van de criminele organisatie betrokken is geweest bij het aanwezig hebben en verkopen van grote hoeveelheden hasj en/of hennep. Bij deze [betrokkene 2] is op 27 november 2012 96 kilo hasj in zijn woning aangetroffen. Uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, waardoor daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten ligt. Het handelen van verdachte levert deelneming aan een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht op.” 15. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat in coffeeshop [A] niet volgens de gedoogvoorwaarden werd gehandeld. De daartoe door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, namelijk (
- i)dat de verdachte in de coffeeshop werkzaam was als voormalig leidinggevende of baliemedewerker, (
- ii)dat de verdachte geld in eigen zak stopte zonder dit op enige manier in de boeken te verantwoorden, (iii) dat op het GBA-adres van de verdachte hasjiesj, wiet en vooraf gedraaide joints zijn aangetroffen, (
- iv)dat door de verdachte grote bedragen zijn uitgegeven voor de inkoop van veel meer dan 500 gram wiet per keer, (
- v)dat de verdachte heeft deelgenomen aan telefoongesprekken waaruit volgens het hof kan worden afgeleid dat de verdachte ook reeds voor de tenlastegelegde periode ervan op de hoogte was dat de gedoogvoorwaarden door de coffeeshop werden overtreden en dat de verdachte daar een aandeel in had en (
- vi)dat op 27 november 2012 een belastend telefoongesprek is gevoerd tussen de verdachte en een medeverdachte, zijn niet (zonder meer) redengevend voor de wetenschap van de verdachte van het overtreden van de gedoogvoorwaarden, aldus de steller van het middel. 16. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. 17. In cassatie staat niet ter discussie dat de verdachte de Opiumwet heeft overtreden door de grootschalige inkoop van (soft)drugs. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof uit de bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk afgeleid dat deze drugs niet alleen werden bewaard op zogenoemde ‘stashplaatsen’ maar dat ook in de coffeeshop een voorraad van meer dan de toegestane handelsvoorraad van 500 gram softdrugs aanwezig was en dat derhalve de gedoogvoorwaarden werden overtreden. Zo werd bij de doorzoeking op 27 november 2012 ruim negen kilo hasj en ruim acht kilo wiet in de coffeeshop aangetroffen en in beslag genomen (bewijsmiddel 2). 18. Overigens merk ik in dit verband nog op dat ook het aanhouden van een stash ten behoeve van het bevoorraden van de coffeeshop kan leiden tot het overtreden van de gedoogvoorwaarden. Het gaat dus niet alleen om de voorraad die ‘op de vloer’ van de coffeeshop zelf aanwezig is, maar eveneens om exploitatievoorraden elders dan in de coffeeshop. Jurisprudentie hierover citeer ik in een voetnoot. Uit de door het hof voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken kan worden afgeleid dat de bedoelde voorraden softdrugs (onder meer) voor exploitatie van de coffeeshop waren bestemd. 19. Uit de omstandigheid dat de verdachte zich bezighield met grootschalige inkoop van softdrugs heeft het hof dan ook niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte wist dat de gedoogvoorwaarden in de coffeeshop (op grote schaal) werden overtreden. 20. Daarbij komt dat de verdachte in de coffeeshop werkzaam was als één van de leidinggevenden en als baliemedewerker. In het licht van de hiervoor genoemde vaststellingen van het hof kan het de verdachte als baliemedewerker evenmin zijn ontgaan dat de coffeeshop waarin hij werkzaam was de gedoogvoorwaarden (op grote schaal) overtrad. De vaststelling van het hof met betrekking tot het telefoongesprek dat op 27 november 2012 heeft plaatsgevonden, komt daar nog eens bij. 21. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met de vaststellingen van het hof dat op het GBA-adres van de verdachte softdrugs, waaronder vooraf gedraaide joints, zijn aangetroffen en de omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn werkzaamheden in de coffeeshop ontvangen geldbedragen van klanten in eigen zak stopte zonder dit op enige manier in de boeken te verantwoorden, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat de verdachte wist dat de coffeeshop zich niet aan de gedoogvoorwaarden hield, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 22. Het eerste middel faalt. 23. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 24. Namens de verdachte is op 20 februari 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 januari 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Ik wijs er voorts ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn overschreden. Dit zal moeten leiden tot strafvermindering. 25. Het tweede middel slaagt. 26. Het eerste en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met inbegrip van de voorliggende zaak betreft dit de zaken met de rolnummers: 18/01230 P, 18/00790 P, 18/00791 P, 18/00792, 18/00793, 18/00794 P, 18/00795 P en 18/00914 P. Ik ga ervan uit dat het middel in de aanvullende schriftuur per abuis is genummerd als middel IV. Zie de aanvulling bewijsmiddelen d.d. 1 oktober 2018 bij het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 15 februari 2018. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu; HR 15 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, en HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336 m.nt. Schalken. Het punt kwam onder meer aan de orde in HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:25, een OM-cassatie. In die zaak had het gerechtshof het OM niet-ontvankelijk verklaard en daartoe onder meer overwogen: “Daarmee komt voor de beoordeling van de beslissing om ter zake van het tenlastegelegde tot vervolging over te gaan de vraag aan de orde of het buiten de verkoopruimte van de coffeeshop in stand houden van een voorraad hennep ter aanvulling van de tot 500 gram gemaximeerde verkoopvoorraad in die verkoopruimte (hierna ook: stash) een met de exploitatie van de gedoogde coffeeshop gepaard gaand strafbaar feit is. Gelet op de aan het antwoord op die vraag te verbinden betekenis voor de vervolgbaarheid van het daarin op zichzelf gelegen strafbaar handelen komt die vraag in feite neer op de vraag of een stash noodzakelijk is voor de exploitatie van een bestuurlijk gedoogde coffeeshop. Vaststaat dat de onderhavige coffeeshop over 2010 een jaaromzet bereikte van omstreeks € 900.000,-. Voorts staat vast dat het lokaal bestuur in Leiden het aanhouden van een stash beschouwt als inherent aan de exploitatie van een bestuurlijk gedoogde coffeeshop. Tot slot heeft de advocaat-generaal ter zitting van het hof het standpunt ingenomen dat het verdachte is die zelf heeft verkozen om een bestuurlijk gedoogde coffeeshop te exploiteren en zich daarmee zelf in de situatie heeft gebracht dat hij (kennelijk) is aangewezen op het ter aanvulling van zijn verkoopvoorraad onderhouden van een stash. Bij die stand van zaken beschouwt het hof de onderhavige stash als in 2010 kennelijk noodzakelijk voor de exploitatie van de bestuurlijk gedoogde coffeeshop [...].” De Hoge Raad overwoog: “De niet-ontvankelijkverklaring door het Hof van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van het tenlastegelegde berust in de kern op het kennelijke oordeel dat de verdachte aan de Aanwijzing "het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen" dat hij niet zou worden vervolgd ter zake van - kort gezegd - het in stand houden van een handelsvoorraad van 7465,70 gram hennep ten behoeve van de exploitatie van zijn coffeeshop. Dat oordeel is, in het bijzonder gelet op hetgeen in de Aanwijzing is bepaald omtrent het verbod tot het in stand houden van een handelsvoorraad van meer dan 500 gram, niet begrijpelijk.” Zie ook de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (ECLI:NL:PHR:2017:1501), onder 5.8: “Met de steller van het middel ben ik het eens dat deze passages uit de Aanwijzing Opiumwet bezwaarlijk anders kunnen worden uitgelegd dan dat strafrechtelijk kan worden opgetreden indien de handelsvoorraad van een gedoogde coffeeshop de 500 gram te boven gaat. Daarom kan het oordeel van het hof, dat erop is gebaseerd dat de verdachte aan de Aanwijzing Opiumwet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij voor het in 2010 aanhouden van een stash niet zou worden vervolgd, geen stand houden. De onder 5.7. aangehaalde passages uit de Aanwijzing Opiumwet staan eraan in de weg dat een handelsvoorraad die 500 gram te boven gaat – of deze nu in de coffeeshop of in een buiten de coffeeshop gelegen stash wordt bewaard – als inherent aan de exploitatie van de coffeeshop en daarmee als geaccepteerd strafbaar handelen moet worden beschouwd, zoals het hof in de kern heeft overwogen.” In een andere zaak, HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23, NJ 2016/129 m.nt. Reijntjes, komt deze kwestie ook aan de orde. Eveneens een OM-cassatie. Daarin overwoog de Hoge Raad onder meer: “3.2. Het gaat in cassatie, kort samengevat, om het volgende. De verdachte exploiteerde coffeeshops, te weten [...] in Leiden en [...] in Lisse. De gemeenten hadden exploitatievergunningen (Lisse) en verlofbeschikkingen (Leiden) verstrekt, die telkens werden verlengd. De verdachte streefde ernaar aan alle gedoogvoorwaarden, waaronder de zogenoemde AHOJG-criteria, te voldoen door de gedoogde voorraad in de coffeeshop van ten hoogste 500 gram hennepproducten niet te overstijgen. De coffeeshops genereerden hoge omzetten, hetgeen meebracht dat de voorraad van 500 gram meermalen per dag moest worden aangevuld. Daartoe beschikte de verdachte over voorraden op verschillende locaties buiten de coffeeshops. De omzet van de coffeeshops was aan de overheid (belastingdienst) bekend; de belasting werd betaald. Aan de verdachte was in het overleg tussen gemeente, politie, GGD en coffeeshophouders te kennen gegeven dat niet actief op "de achterdeur" zou worden gecontroleerd. De politie had de coffeeshophouders laten weten dat zij zich 'mak' moesten houden en niet met al te veel voorraad over straat moesten gaan. (…) 3.4.2. De overwegingen van het Hof houden niet in dat van de zijde van het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen, concrete toezeggingen zijn gedaan aan de verdachte van niet-vervolging ter zake van overtreding van de gedoogcriteria, meer in het bijzonder met betrekking tot het buiten de coffeeshops houden van exploitatievoorraden van (ruimschoots) meer dan 500 gram. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte, die wist dat het plaatselijke gezag bekend was met het bestaan van die exploitatievoorraden, aan het uitblijven van strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die situatie het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij te dier zake niet zou worden vervolgd. Daarmee heeft het Hof evenwel miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden in zijn algemeenheid niet op één lijn kan worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlating of gedraging als hiervoor in 3.3 bedoeld. Als zodanig kunnen evenmin worden aangemerkt opmerkingen van de zijde van de politie dat niet actief op 'de achterdeur' zou worden gecontroleerd en dat de coffeeshophouders zich 'mak' moesten houden en niet met al te veel voorraad over straat moesten gaan. Dit alles wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat bij het zogenoemde driehoeksoverleg, waarin het plaatselijke coffeeshopbeleid werd besproken, ook het openbaar ministerie was vertegenwoordigd.” Zie ook de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:2510.