PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/04796 Zitting 16 oktober 2020 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak van [eiser] tegen Staat der Nederlanden In dit kort geding verzet eiser zich tegen de beslissing om een strafvonnis van een Engelse rechter in Nederland ten uitvoer te leggen. Het cassatiemiddel heeft betrekking op de uitleg van verscheidene bepalingen in het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het gerechtshof Den Haag heeft vastgesteld in zijn arrest van 27 augustus 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2216) onder 1 – 13. Deze feiten houden, enigszins verkort weergegeven, het volgende in: (
(1997)een uitleg zoals het hof daaraan heeft gegeven niet uitsluiten en dat het Explanatory report de rechter niet bindt. Om deze laatste redenen bereik ik de volgende slotsom. 3Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. . 94.2.2.1.5: Zie voor de verdragsgegevens: alinea 2.3 hierna. Zie prod. 1 bij het verweerschrift van de Staat in eerste aanleg. De cassatietermijn in kort geding bedraagt acht weken; zie art. 402 lid 2 in verbinding met art. 339 lid 2 Rv. Zie ook: H. Sanders, ‘Overdracht en overname van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke beslissingen’, in: R. van Elst en E. van Sliedregt, Internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer, 2015, blz. 425 e.v.; J.A.W. Lensing, in: Handboek Strafzaken, par. 94.2; Wetboek van Strafvordering / IISS (te raadplegen via Kluwers navigator archief), par. V.2.9 (J.W. Ouwerkerk en H.G. van der Wilt). Verdrag van ‘s-Gravenhage van 28 mei 1970, Trb. 1971, 137; zie ook Trb. 1972, 15 (met rapport explicatif); Trb. 1987,162; Trb. 2009, 35 en Trb. 2012,
- Dit verdrag is voor Nederland in werking getreden. Het Verenigd Koninkrijk is geen partij bij dit verdrag. Verdrag van Straatsburg van 21 maart 1983, Trb. 1983, 74; zie ook Trb. 1987, 163; coe.int, European Treaty Series no.
- Zie ter introductie: Tekst & Commentaar Internationaal Strafrecht, VOGP, inleidende opmerkingen, aant. 1 - 7 (Glerum). Zie art. 3, lid 1 onder d, VOGP. De problematiek van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling is in dit geding niet aan de orde. Zie daarover: HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9852, NJ 2012/129, met vermelding van vindplaatsen in de daaraan voorafgaande conclusie. Trb. 1998, 64; zie ook Trb. 1998, 202; coe.int, European Treaty Series no. 167; toelichtende nota in Kamerstukken II 2001/02, 28 316 (R 1717), nr.
- Zie voorts: Tekst & Commentaar Internationaal Strafrecht, Aanvullend Protocol bij het VOGP, inleidende opmerkingen, aant. 1 - 7 (Glerum). De veroordeelde kan zowel de Staat van veroordeling als de Staat waarvan hij onderdaan is verzoeken om overdracht van de tenuitvoerlegging, maar heeft zelf geen recht op een overdracht: zie bijv. HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9630, NJ 2011/337 m.nt. N. Keijzer. De officiële verdragstalen zijn Engels en Frans. De tekst luidt: ‘a certified copy of the judgment and the law on which it is based’, respectievelijk: ‘une copie certifiée conforme du jugement et des dispositions légales appliquées’. In de officiële verdragstalen: "judgment" means a decision or order of a court imposing a sentence’, respectievelijk: “jugement” désigne une decision de justice prononçant une condamnation’. Verdrag van Wenen van 23 mei 1969, Trb. 1972, 51; zie ook Trb. 1985,
- Zie voor het beroep op de op de voorbereidende werkzaamheden (‘travaux préparatoires’) van een verdrag onder meer: HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:956 (https://www.navigator.nl/document/idd4fee1196ff944f8b25c6dd563e195db?anchor=id-51fece9f-5684-44a1-9202-8e183b51aec7), NJ 2020/280, m.nt. L. Strikwerda (rov. 3.1.3). Explanatory report, blz.
- te raadplegen via coe.int. Vgl. D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen: een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht, diss: Utrecht,
- Op blz.192 schrijft zij over de in de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen gebruikte term ‘rechterlijke beslissing’ dat deze ruime omschrijving is opgenomen in verband met het VOGP, omdat dit verdrag niet vereist dat de sanctie door de (gewone) strafrechter is opgelegd. Zie ook: Kamerstukken II 1983/84, 18 129, nr. 3, blz.
- In een Crown Court naar Engels recht wordt bij een ontkennende verdachte van een misdrijf een jury van burgers gevormd. Deze oordeelt uitsluitend over schuld of onschuld (guilty or not guilty). Vervolgens bepaalt een rechter de straf. Zie voor een beknopt rechtsvergelijkend overzicht: Th.A. de Roos, Is de invoering van lekenrechtspraak in de Nederlandse strafrechtspleging gewenst?, uitgave Universiteit van Tilburg, 2006, par. 3.c. Vgl. J.A.W. Lensing, in Handboek Strafzaken, aant. 94.2.2.1.3: “Al naar gelang de staat van veroordeling, kunnen de (afschriften van) de rechterlijke beslissingen een verschillende vorm hebben. Met name beslissingen van rechters uit Anglo-Amerikaanse staten zijn soms erg kort en bevatten een beperkt aantal vermeldingen, die vaak méér het karakter hebben van een aantekening in een register.” In gelijke zin: memorie van grieven par. 2.
- Anders: de memorie van antwoord blz.
- HR 21 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1576, NJ 2003/185, rov. 3.
- Procesinleiding blz.
- EHRM 16 november 2010 (appl.no. 926/05), EHRC 2011/19 m.nt. Th.A. de Roos. Procesinleiding onder 1.
- Schriftelijke toelichting namens de Staat, onder 2.14 – 2.
- Eiser verwijst daarbij naar art. 21 EVIG. Bedoeld is: HR 20 november 2007 (i.h.b. rov. 3.8.2), ECLI:NL:HR:2007:BA7927, NJ 2008/59 m.nt. A.H. Klip, en overeenkomstige toepassing van art. 45 lid 2 en art. 46 – 47 WOTS. Dat onderschrijf ik. Art. 3, lid 1 onder b, VOGP stelt de voorwaarde dat het vonnis, ten aanzien waarvan overname van executie wordt verzocht, onherroepelijk is. Indien in Engeland nog beroep mogelijk zou zijn tegen het vonnis van de Crown Court zou dat een zelfstandige weigeringsgrond zijn. Voorzieningenrechter Den Haag 21 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13359, rov. 1.4: “Hoewel de bepalingen uitgaan van een onttrekking aan de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke veroordeling – hetgeen lijkt te impliceren dat de onttrekking pas na wetenschap van die (onherroepelijke) veroordeling kan plaatsvinden – moet er op grond van het door partijen aangehaalde arrest van de Hoge Raad (HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7927) van worden uitgegaan dat de bepalingen ook van toepassing (kunnen) zijn indien de veroordeelde tijdens het strafproces, derhalve vóór zijn veroordeling, is gevlucht. Uit niets blijkt dat de toepassing van de beide bepalingen verder kan worden uitgebreid.” Trb. 2019, 144; coe.int, European Treaty Series no. 222; toelichtende nota in Kamerstukken I / II 2019/20, 35 346 (R2141), nr. A / 1.