ECLI:NL:PHR:2020:967
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/00790 Zitting 23 juni 2020 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 5 februari 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens (in de zaak met parketnummer 16-661930-15) 6. ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’; 8 en 11 ‘telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’; 9 en 12 ‘telkens: mishandeling’; (in de zaak met parketnummer 16-659508-16) 1. ‘smaadschrift, meermalen gepleegd’ en (in de zaak met parketnummer 16-659472-17) ‘opzettelijk bij geschrift zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd’, veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf. Het hof heeft voorts twee vorderingen van een benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel 3. Het eerste middel klaagt dat het hof de officier van justitie ten onrechte deels ontvankelijk heeft verklaard in de zaak met parketnummer 16-659508-16, terwijl het dossier geen klacht bevat, en onvoldoende blijkt dat aangeefster de wens tot vervolging had en tijdig kenbaar heeft gemaakt, zoals vereist in art. 66, eerste lid, Sr. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs verwerping van een verweer dat met het klachtvereiste verband houdt weer. Tevens maak ik enkele opmerkingen over het klachtvereiste.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, ’s hofs overweging in verband met klachtvereiste 4. Het hof heeft in de zaak met het betreffende parketnummer ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘1: hij op tijdstippen in de periode van 22 augustus 2015 tot en met 15 september 2015 in de gemeente Utrecht, (telkens) opzettelijk, middels een filmopname en/of meerdere afbeeldingen, de eer en de goede naam van [aangeefster] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte, (telkens) buiten medeweten en toestemming van die [aangeefster] , met voormeld doel een filmopname en/of (kleuren)afbeeldingen, te weten:
Aanleiding/melding Op 22 augustus 2015 werd door [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 1] te [plaats] , telefonisch gemeld dat haar ex-vriend, genaamd [verdachte] , naaktfoto’s van haar en een seksfilmpje op Facebook zou hebben geplaatst. [aangeefster] vertelde onder andere: dat haar ex is genaamd [verdachte] ; dat iedereen hem [verdachte] noemt; dat ze in het begin van hun relatie een keer seks hadden en dat ze dit hadden opgenomen op haar telefoon; dat zij hadden afgesproken om het daarna weer van haar telefoon af te halen; dat zij van dat seksfilmpje zelf screenshots heeft gemaakt; dat hij toen die naaktfoto’s van haar op haar Facebookpagina heeft gezet; dat hij weer een naaktfoto van haar van dat filmpje op zijn Facebookpagina had gezet; dat op die foto ook haar vagina te zien was; dat ze door wel 80 mensen erop is aangesproken dat er seksfilmpjes en naaktfoto’s van haar op Facebook staan.
V = vraag verbalisanten A = antwoord aangever O = opmerking verbalisanten V: Waarvan wil je precies aangifte doen?
A: Van smaad en laster. Van de filmpjes en foto’s die hij op Facebook heeft gezet.
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Tegen [verdachte] V: Wat is de reden dat je hiervan aangifte doet?
A: Omdat [verdachte] mij vernederd heeft, beschadigd heeft, omdat hij mij voor schut heelt gezet.
O: Je verklaarde ons tijdens het informatieve gesprek dat [verdachte] filmpjes heeft rondgestuurd op Internet, waarop jullie samen te zien zijn en jij seksuele handelingen bij [verdachte] verricht.
V: Waar heb jij die filmpjes gezien?
A: Op facebook en op mijn app. Op [verdachte] zijn facebook. Op facebook heet hij [verdachte] .
A: Heel veel mensen hebben mij benaderd. Echt heel veel. Heel veel mensen hebben ook gereageerd op die filmpjes.
O: Jij hebt screenshots van die seksfilmpjes doorgestuurd naar [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft die vervolgens naar mij, [verbalisant 3] , doorgestuurd.
O: We laten je nu een aantal van die screenshots zien. Ik laat je nu 3 foto’s zien.
V: Wie is er te zien op foto 1?
A: Dat ben ik met [verdachte] . Ik zie het geslachtsdeel van [verdachte] .
V : Wat is er te zien op foto 2?
A: Dat ben ik ook en de arm van [verdachte] . Dat zie ik aan zijn tatoeages.
V: Op blad 3 staan 2 foto’s. Wie staan daar op?
A: Dat ben ik en [verdachte] . Van [verdachte] is zijn geslachtsdeel en zijn arm te zien.
V: Hoe kom je aan die screenshots?
A: Ik heb die screenshots zelf gemaakt. Dat wat hij op zijn facebook had staan.
V: Wat stond er precies op facebook? Waren dat de filmpjes of alleen foto’s?
A: Twee keer echt filmpjes. Dat is een (1) filmpje. Dat is steeds hetzelfde filmpje. Hij heeft hier ook screenshots van op facebook geplaatst.
V: Wanneer zijn die filmpjes op facebook gezet?
A: Augustus 2015.
Ik heb als wijkagent van […] te Utrecht contact met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] . [aangeefster] heeft tijdens een van de gesprekken die ik met haar heb gehad verklaard dat [verdachte] seksfilmpjes en screenshots van deze seksfilmpjes op internet had geplaatst.
Op 8 december 2015 werd ik gebeld door [betrokkene 1] . Zij werkt voor het buurtteam Utrecht. In het telefoongesprek met [betrokkene 1] hoorde ik [betrokkene 1] zeggen dat ze een email had gekregen van [aangeefster] met daarin screenshots van dit seksfilmpje.
Diezelfde dag kreeg ik deze email doorgestuurd van [betrokkene 1] . Ik zag in de email inderdaad screenshots van een seksfilmpje. Ik herkende bovengenoemde [aangeefster] op deze screenshots.
Genoemde email heb ik uitgeprint en bij dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd.
En als bijlagen schermafdrukken van een telefoon waarop zichtbaar is
V = vraag A = antwoord O = opmerking V: [aangeefster] heeft verklaard dat haar vriend, [verdachte] , beelden van haar naar jou heeft verzonden. Wat kun jij hierover verklaren?
A: Als ze seks hadden ging hij het filmen. Dat had hij ook openbaar op Facebook gezet.
V: Wil je die beelden eens omschrijven?
A: Hij lag halfbloot. Je zag zijn geslachtsdeel. Daar had hij foto’s van genomen dat zij hem aan het pijpen was.
V: Hoeveel foto’s waren dat?
A: Hij maakte filmpjes en daar maakte hij screenshots van.
V: Wanneer was het dat je die beelden hebt ontvangen?
A: Toen hij het zei was het 4 september 2015.
V: Heb je een idee hoe vaak dat is gebeurd?
A: Ik heb zeker wel drie keer iets gezien.
V: Hoeveel verschillende filmpjes heb jij gezien?
A: Ik heb een filmpje gezien.
T.a.v. feit 1 onder parketnummer 16/659508-16:
Het was een turbulente relatie. Ik heb dat gedaan, ik ben fout geweest. Ik neem de schuld op me. Ik heb het filmpje waarop seksuele handelingen zijn te zien tussen mij een aangeefster op mijn Facebookaccount met de naam [verdachte] geplaatst. Daarna is het gedeeld door mensen uit Utrecht. Ik heb een openbare account.’ 6. Het hof heeft een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van dit feit wegens het ontbreken van een klacht als volgt samengevat en verworpen: ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van parketnummer 16-659508-16 De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wat betreft het ten laste gelegde onder parketnummer 16-659508-16 niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging, omdat het dossier geen klacht bevat en omdat onvoldoende blijkt dat aangeefster de wens tot vervolging heeft. Volgens de verdediging is daarvoor de handtekening onder de vordering van de benadeelde partij, tevens aangeefster, onvoldoende en daarnaast zijn het informatieve gesprek en de aangifte zeer oud.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat aangeefster eerst een informatief gesprek heeft gehad en daarna aangifte heeft gedaan, hetgeen blijk geeft van de wens tot vervolgen. Aangeefster heeft tijdens de aangifte aangegeven dat ze wilde dat verdachte gestraft wordt en ze heeft zich vervolgens gesteld als benadeelde partij.
Volgens de advocaat-generaal kan uit het voorgaande dan ook worden afgeleid dat aangeefster de bedoeling en de verwachting had dat een vervolging zou worden ingesteld. Het feit dat aangeefster meermalen door de politie is verzocht om alsnog een klacht in te dienen doet daaraan niet af, omdat dit samenhangt met de angst die aangeefster voor verdachte had, zoals uit het dossier blijkt, en het feit dat zij door hem onder druk is gezet om niet belastend tegen hem te verklaren.
De conclusie van de advocaat-generaal is dan ook dat het openbaar ministerie ontvankelijk is ter zake van het ten laste gelegde onder parketnummer 16-659508-16.
Oordeel van het hof Klachtvereiste Verdachte wordt onder parketnummer 16-659508-16 verweten dat hij in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 15 september 2015 opzettelijk seksueel getinte afbeeldingen en een filmpje van aangeefster [aangeefster] op zijn openbare Facebook-pagina heeft geplaatst.
Deze delictsomschrijving valt onder smaad (artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht) en krachtens het bepaalde in artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht betreft het een misdrijf dat niet kan worden vervolgd dan op klacht - bestaande uit een aangifte en een verzoek tot vervolging - van degene tegen wie het feit is gepleegd. De wetgever heeft aan de indiening van een klacht een termijn verbonden van drie maanden, welke termijn aanvangt op het moment dat de tot het indienen van een klacht gerechtigde kennis heeft gekregen van het gepleegde feit.
Feiten Het hof stelt vast dat aangeefster op 9 september 2015 een informatief gesprek heeft gehad met de politie en dat zij in dat gesprek heeft gezegd dat zij aangifte wenste te doen van het feit dat verdachte op 17 augustus 2015 voor het eerst een seksfilmpje van hem en aangeefster op zijn Facebook-pagina heeft gezet. Er is toen een afspraak gemaakt voor het doen van aangifte op 23 september 2015. Aangeefster heeft op 22 september 2015 laten weten af te zien van het doen van aangifte, omdat ze al een week geen last meer had van verdachte en dat verdachte aangeefster beloofd had dat hij haar niet meer zou vernederen op Facebook. Uit de stukken volgt dat aangeefster daarna op 19 november 2015 de politie per e-mail heeft laten weten dat ze haar aangifte van toen toch wilde doorzetten. Vervolgens heeft de politie met aangeefster de afspraak gemaakt om op 15 december 2015 de aangifte op te nemen. Tijdens die aangifte heeft aangeefster onder meer verklaard dat ze spijt had dat ze de aangifte van september niet door had laten gaan, dat ze aangifte tegen verdachte wil doen van de filmpjes en foto’s die hij op Facebook heeft gezet en dat ze wil dat hij een straf krijgt voor wat hij gedaan heeft, dat hij beseft wat hij heeft gedaan en het bij een volgende vriendin ook niet meer doet.
Op 22 april 2016 is aangeefster nog telefonisch gehoord omtrent de specifieke dagen waarop de afbeeldingen geplaatst zouden zijn. Volgens aangeefster heeft verdachte op 17 augustus 2015 voor het eerst een filmpje geplaatst en vervolgens zou verdachte op 22 augustus 2015 foto’s geplaatst hebben en nogmaals het filmpje en op 9 september 2015 had hij screenshots van het filmpje op Facebook gezet.
Klacht Naar het oordeel van het hof kan het informatieve gesprek dat het slachtoffer met de politie heeft gehad op 9 september 2015 niet worden aangemerkt als een klacht. Ten eerste is dit geen aangifte. Ten tweede kan uit de aard van het gesprek niet worden afgeleid dat op dat moment bij het slachtoffer de daadwerkelijke wens bestond dat verdachte zou worden vervolgd. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat op voornoemd gesprek geen daadwerkelijke aangifte is gevolgd en het slachtoffer gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij daarvan af heeft gezien.
Gelet op de inhoud van de schriftelijke aangifte op 15 december 2015, waarin aangeefster heeft verklaard dat verdachte moet worden gestraft en waarom, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat aangeefster ten tijde van het opmaken van deze aangifte wel de bedoeling had dat vervolging tegen verdachte zou worden ingesteld.
Klachttermijn Zowel de verdediging als de advocaat-generaal hebben erop gewezen dat een klacht tijdig dient te worden gedaan. Het hof stelt vast dat de tenlastegelegde feiten op verschillende dagen binnen de tenlastegelegde periode zijn gepleegd. Het hof leidt uit de verklaring van aangeefster af dat zij steeds snel na het plaatsen van de foto’s en filmpjes daarvan op de hoogte was. Dit betekent dat de klachttermijn in beginsel steeds negentig dagen na het gepleegde feit is verlopen.
Het hof stelt echter ook vast dat aangeefster al op 19 november 2015 de politie heeft laten weten aangifte te willen doen. Die aangifte is ook daadwerkelijk gevolgd. Op initiatief van de politie is echter na het bericht van aangeefster pas voor 15 december 2015 een afspraak gemaakt voor het feitelijk opnemen van de aangifte. Nu de politie blijkbaar pas op 15 december 2015 in de gelegenheid was de aangifte op te nemen, terwijl de politie aangeefster niet heeft gewezen op de klachttermijn, dient voor het bepalen van de tijdigheid van de klacht redelijkerwijze te worden uitgegaan van 19 november 2015. Dit betekent dat de klacht tijdig was voor die feiten die zijn gepleegd in de periode van negentig dagen voor 19 november 2015, dat is vanaf 22 augustus 2015.
Ontvankelijkheid ten aanzien van de vervolging Naar het oordeel van het hof heeft aangeefster daardoor ten aanzien van de gedragingen van verdachte die meer dan drie maanden voor 19 november 2015 zouden hebben plaatsgevonden niet tijdig op de bij de wet voorgeschreven wijze klacht gedaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte ten aanzien van de gedragingen die vallen in de periode tussen 15 augustus 2015 tot 22 augustus 2015. Voor de gedragingen vanaf 22 augustus 2015 is de officier van justitie wel ontvankelijk.’ Het klachtvereiste 7. De wettelijke regeling van de klacht is verdeeld over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Titel VII van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht bevat bepalingen die zien op het indienen en intrekken van de klacht ‘bij misdrijven alleen op klacht vervolgbaar’. In het Wetboek van Strafvordering zijn enkele bepalingen opgenomen in de Vierde afdeling van Titel I van het Tweede Boek. Die afdeling ziet op aangiften en klachten.
De schoonzoon van de directrice van de instelling waar het meisje verbleef had haar gedwongen ‘to follow him to his room, to undress and to have sexual intercourse with him’ (ov. 8). Het OM besloot de zaak niet te vervolgen; de vader diende daarop een klacht ex art. 12 Sv in. Die klacht leidde niet tot een bevel tot vervolging. Het gerechtshof ‘considered it doubtful whether a charge of rape could be proved’ (ov. 12). En volgens het hof had het meisje, dat de dag voordat het feit plaatsvond 16 jaar was geworden, zelf een klacht moeten indienen wilde een vervolging wegens art. 248ter Sr (oud) tot een veroordeling kunnen leiden; de wet stond niet toe dat haar vader namens haar een klacht indiende.
Het EHRM oordeelde dat noch het toenmalige art. 248ter Sr noch het toenmalige art. 239, tweede lid, Sr, het slachtoffer ‘practical and effective protection’ bood (ov. 30). De wettelijke regeling is rond die tijd aangepast.
Art. 65 Sr voorzag er nadien in dat een klacht kon worden ingediend door de wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken indien degene tegen wie het feit is begaan ‘aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht’. Daarmee was de tekortkoming in de wettelijke regeling die tot de veroordeling door het EHRM aanleiding had gegeven verholpen. De uitspraak van het EHRM herinnert er evenwel nog steeds aan dat belemmeringen van het recht tot vervolging van strafbare feiten die uit het klachtrecht voortvloeien tot een schending van mensenrechten van het slachtoffer kunnen leiden.
Bleichrodt liet voorts zien dat de wetgever begin deze eeuw de klachttermijn bij enkele zedendelicten heeft verlengd, en merkt daarbij op: ’De wetgever heeft daarbij niet de keuze gemaakt de klachttermijn als bedoeld in art. 66, eerste lid, Sr als zodanig af te schaffen’. Uw Raad kwam eveneens tot het oordeel dat het middel terecht was voorgesteld, overwegend ‘dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. Ingeval de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.’ (rov. 4.3.2).
2.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2017 en dat van 17 mei 2018 houdt telkens in dat aldaar is verschenen de raadsman van de verdachte, die heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De processen-verbaal houden niet in dat het verweer is gevoerd dat de aangever (…) zijn klacht niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden heeft ingediend, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zo een verweer niet is gevoerd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de klacht in het cassatiemiddel een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is, kan hierover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd.’ 15. Deze beslissing kan worden begrepen tegen de achtergrond van de ratio van de wettelijke regeling van de klachttermijn. De memorie van toelichting verwoordde die aldus: ‘Men moet niet aan een persoon tegen een ander een wettelijk zwaard in handen geven, waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken. Daarenboven eist het maatschappelijk belang eene spoedige vervolging der misdrijven, en het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte gerechtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden.’ Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat de begrenzing van de klachttermijn in belangrijke mate door belangen van de verdachte is ingegeven. Daarbij past dat bij afwezigheid van een verweer onduidelijkheid op dit punt niet tot cassatie leidt.
Bespreking van het middel 16. De steller van het middel meent dat geen klacht is ingediend en dat de mededeling van 19 november 2015 van aangeefster niet kan gelden als een uitdrukkelijke vervolgingswens. Uit de bewijsmiddelen zou voorts niet blijken wat de inhoud van de mededeling is geweest en ook ’s hofs vaststelling dat op initiatief van de politie pas op 15 december 2015 een afspraak is gemaakt blijkt, zo begrijp ik, volgens de steller van het middel niet uit de bewijsmiddelen. Daarbij vestigt de steller van het middel er de aandacht op dat aangeefster enkele dagen na 19 november 2015 aangifte heeft gedaan van de feiten 8 en 9 op dagvaarding met parketnummer 16-661930-15 en derhalve aanwezig was op het politiebureau ‘waar zij ook haar klacht had kunnen doen’. De steller van het middel voert voorts aan dat indien ervan uitgegaan zou worden dat het openbaar ministerie vanaf 22 augustus 2015 wel ontvankelijk is, niet dan wel onvoldoende uit de bewijsmiddelen blijkt op welke datum de feiten zijn gepleegd, waardoor de bewezenverklaring niet door de bewijsmiddelen wordt ondersteund.
Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat aangeefster op 21 november 2019 aangifte heeft gedaan van de feiten die (in de zaak met parketnummer 16-661930-15) sub 8 en 9 ten laste zijn gelegd, en dat zij op 25 november 2015 in vervolg daarop een aanvullende verklaring heeft afgelegd, integendeel. Uit die aangifte kan worden afgeleid dat aangeefster meer in het algemeen wilde dat de verdachte vervolgd werd wegens strafbare feiten waarvan zij het slachtoffer was. Voorts doet die aangifte er niet aan af dat de politie had aangegeven op 15 december 2015 haar op het onderhavige strafbare feit betrekking hebbende aangifte te willen opnemen. In ’s hofs oordeel dat voor het bepalen van de tijdigheid van de klacht redelijkerwijs dient te worden uitgegaan van 19 november 2015 is tot uitdrukking gebracht dat het verzuim van de politie om de aangifte op te nemen op de dag waarop aangeefster de wens daartoe heeft uitgesproken, niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wegens strafbare feiten die in de drie maanden voorafgaand aan 19 november 2015 zijn gepleegd.
Dat oordeel getuigt, tegen de achtergrond van de eerder besproken rechtspraak, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Het tweede middel 24. Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer dat de verdachte diende te worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 16-661930-15 onder 11 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig bewijs ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Ik doe aangifte van bedreiging met de dood. Bij mij bestond de overtuiging dat de verdachte genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. Tevens doe ik aangifte van mishandeling. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte pijn en letsel.
Al enige tijd word ik lastig gevallen, bedreigd en mishandeld door [verdachte] . In de nacht van 20 november 2015 op 21 november 2015 was ik samen met mijn vriendin [betrokkene 3] in Café [A] te Utrecht.
Die nacht op 21 november omstreeks 00.45 uur zag ik plotseling [verdachte] op mij af komen lopen. Hij begon meteen ruzie te maken en tegen me te schelden. Ik hoorde [verdachte] onder andere de volgende dingen roepen: “Ik laat je niet met rust. Ik wil je hier niet meer zien. Ik wil niet dat je uitgaat. Ik maak je kapot.”
Kort daarop liep ik samen met mijn vriendin [betrokkene 3] naar buiten. Toen we omstreeks 01.10 uur een steeg in liepen, kwam [verdachte] plotseling tevoorschijn in die steeg. Ik zag dat hij voor mij ging staan en weer van alles begon te roepen. Ik hoorde hem weer zeggen: “Je mag niet uit. Ik wil je hier niet zien. Ik heb twee pistolen en ik ga je kapot schieten.”
Ik voelde mij zeer bedreigd door deze woorden.
Ik wilde doorlopen maar plotseling zag en voelde ik dat [verdachte] mij een harde klap gaf. Hij deed dit met zijn rechter gebalde vuist. Vervolgens zag ik dat hij mij tackelde, waardoor ik op de grond viel. Als gevolg daarvan voelde ik een hevige pijn in mijn gezicht.
Als gevolg van de klap is mijn hoofd opgezwollen aan de linker zijde. Ook begint mijn oog blauw te worden.
Op 21 november 2015 omstreeks 01.10 uur ben ik getuige geweest van de mishandeling van mijn vriendin [aangeefster] bij café [A] te Utrecht.
Toen we een tijdje binnen waren, zag ik dat [verdachte] het café binnenkwam en op [aangeefster] afliep. Ik zag dat [verdachte] naar [aangeefster] toeliep en tegen haar begon te schreeuwen. Ik hoorde hem schreeuwen en ik weet nog dat hij haar bedreigde, maar ik weet niet meer precies wat hij op dat moment tegen haar zei.
Na ongeveer een half uurtje sloot het café, waarna [aangeefster] en ik nog naar het café [B] wilden gaan. Wij liepen in de richting van de Waterstraat via de Lange Elisabethstraat toen we opeens [verdachte] zagen staan in een steegje. Ik hoorde dat hij naar [aangeefster] schreeuwde en ik hoorde dat hij haar bedreigde. Ik hoorde dat hij schreeuwde: “Ik maak je kapot!”. Ik hoorde dat hij nog meer bedreigingen schreeuwde, maar ik weet niet meer wat hij precies gezegd heeft.
Ik hoorde dat [aangeefster] zei: “Ik wil niet met je praten, we lopen gewoon verder. Ik heb niks met jou, je moet me gewoon met rust laten!”
Opeens zag ik dat [verdachte] vol met kracht in het gezicht van [aangeefster] sloeg.
Gelijk hierna trapte hij haar hard tegen haar onderbenen, waardoor [aangeefster] hard ten val kwam. Ik heb [aangeefster] omhoog geholpen en ik zag dat haar oog gelijk dik begon te worden.
Het klopt dat we ruzie hadden. Ik was die avond in café [A] .
Ik doe aangifte van bedreiging met geweld tegen de ex-vriend van mijn dochter, [aangeefster] , gepleegd te Utrecht. Haar ex-vriend is genaamd [verdachte] .
Opmerking verbalisant: alle onderstaande berichten zijn door verbalisant gelezen en de tekst is letterlijk overgeschreven.
Op 21 november 2015 omstreeks 16.19 uur ontving ik op mijn mobiele telefoon weer berichten van [verdachte] .
In deze berichten schreef hij onder andere: * hen je duizend keer wat gevraagd nu lag ze weer gestrekt in de stad hoevaak wil je dat ik der na de grond la voor de laatste x zeg ik dit als zij weer uit gaar wacht ik jou op je bent makkelijk te vangen onthou dat [aangever] zeg het voor de allerlaatste x of je houd haar thuis of je ziet er een deze dagen nooit meer terug geloof dat maar hoe veel bonke moet ik er nog op geefe. [aangever] een x nog uit en ik kom jou op zoeken geloof me wat ik zeg ben het nu helemaal zat nu. * kijk goed wanneer je met […] (de hond) in het park loop * ben bereid om tien jaar te zitten voor [aangeefster] * deze keer ga je er op zoeken in het zieke huis * ik ga jou opknappen * luister vieze kk flikker ik ga jou knallen geloof me en zeg ma tegen je wijf dat ze goed om de heen kijk want haar. Rij ik van de scooter af morgen ochtend en mag je nog hindert keer aangiftes doen lafaard.
Ik voel mij bedreigd door de woorden van [verdachte] .’ 27. Het hof heeft een gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen: ‘Volgens de verdediging is enkel de aangifte met de screenshots onvoldoende voor een bewezenverklaring van bedreiging van [aangever] door verdachte, nu het betreffende nummer niet aan cliënt gelinkt kan worden en er uit de screenshots niet blijkt op welke datum deze zijn verstuurd.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de berichten die naar aangever [aangever] zijn gestuurd van verdachte afkomstig zijn. In dezelfde berichtenreeks van 21 november 2015 als die waarin [aangever] is bedreigd is immers rond 16:19 uur aan aangever verzonden: hen je duizend keer wat gevraagd nu lag ze weer gestrekt in de stad hoevaak wil je dat ik der na de grond la”, “hoeveel bonke moet ik er nog op geefe”.
De inhoud van deze berichten sluit aan bij hetgeen in de nacht van 20 op 21 november 2015 omstreeks 01:10 uur is voorgevallen tussen verdachte en [aangeefster] , de dochter van aangever [aangever] , waarbij verdachte [aangeefster] met een vuist heeft geslagen en haar heeft getackeld, waardoor zij op de grond viel.
Het hof verwerpt het verweer.’ 28. De steller van het middel voert aan dat ’s hofs bewijsoverweging niet wegneemt ‘dat de datum van de berichten niet uit de bewijsmiddelen blijkt’ en bovendien niet uitsluit ‘dat een ander dan verzoeker de berichten heeft verzonden’. Het voorval waaraan het gerechtshof refereert heeft volgens de steller blijkens de bewijsmiddelen op de openbare weg plaatsgevonden en is daarmee geen informatie waarover alleen de verdachte beschikt; daarbij zou uit het genoemde bericht niet blijken dat het daadwerkelijk betrekking heeft op genoemd incident of dat verdachte het heeft verzonden. Geklaagd wordt ook dat de bewezenverklaring enkel wordt ondersteund door de aangifte.
Het derde middel 31. Het derde middel behelst de klacht dat art. 63 Sr ten onrechte niet is toegepast. De verdediging zou aangevoerd hebben dat het artikel van toepassing is; het gerechtshof zou tot een hogere strafoplegging zijn gekomen dan de rechtbank zonder met het artikel rekening te hebben gehouden. Het gerechtshof zou daarmee onvoldoende duidelijk hebben gemaakt bij de strafoplegging rekening te hebben gehouden met eerdere veroordelingen en indien nodig toepassing te hebben gegeven aan de beperking die de samenloopregeling aan de cumulatie van straffen stelt.
Het vierde middel 35. Het vierde middel klaagt over overschrijding van de inzendingstermijn.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie over die verwijzing G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 79, nt. 66.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 2e druk, bewerkt door J.W. Smidt, deel 1, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 493.
Art. 64, eerste lid, Sr bepaalde aanvankelijk: ‘Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervolgbaar is, gepleegd is tegen iemand die den leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt of die, anders dan wegens verkwisting, onder curateele gesteld is, geschiedt de klachte door zijn wettigen vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.’ Zie Smidt, a.w., deel 1, p. 494.
Wet van 27 februari 1985, Stb. 115.
HR 2 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9479, NJ 1994/197 m.nt. Van Veen, rov. 6.2 HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0821, NJ 1998/661 m.nt. Schalken, rov. 5.5.
Vgl. ook HR 22 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9550, NJ 1997/546, rov. 5.5 en HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ4289, rov. 3.8.1.
Wet van 9 oktober 1991, Stb. 519.
Vgl. ook HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:762.
Smidt, a.w., deel 1, p. 498.
HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7555.
A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1925, deel 1, p, 473. Zie ook Kamerstukken II 1913/14, 286, p. 103 (toelichting op art. 167 ORO): ‘Bij vergelijking van deze bepaling en artikel 13 van het tegenwoordig Wetboek van Strafvordering valt op hoe de klachte omschreven wordt als “eene aangifte met verzoek tot vervolging”. Die toevoeging geschiedt, wijl enkele malen het openbaar ministerie niet ontvankelijk werd verklaard, omdat uit de klachte niet van het verlangen tot vervolging bleek’.
Ik merk daar nog bij op dat het hof 15 maanden gevangenisstraf heeft opgelegd en dat bij het bepalen van het toepasselijke strafmaximum in deze strafzaak op de voet van art. 57 Sr, nu van meerdaadse samenloop van misdrijven sprake is, dient te worden uitgegaan van art. 285a Sr, waarop een maximale gevangenisstraf van vier jaar staat.