PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/03147 Zitting 27 oktober 2020 (bij vervroeging) CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. Bij arrest van 21 juni 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 maart 2014 waarbij hij bij verstek wegens “verduistering, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en waarbij is beslist op de vordering van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte buiten de wettelijke termijn het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangetekend en dat er geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen of excuseren, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat het ervan uitgaat dat de verdachte op 13 april 2015 bekend is geworden met de bij verstek gewezen einduitspraak in de strafzaak toen aan hem de mededeling uitspraak in de ontnemingszaak werd uitgereikt, terwijl hij vervolgens niet binnen de gestelde termijn van veertien dagen hoger beroep heeft ingesteld. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat de verdachte “op 13 april 2015 niet op de hoogte is gesteld van de beslissing in de strafzaak” toen aan hem in persoon de “mededeling uitspraak” in de bij de strafzaak behorende ontnemingszaak is uitgereikt, nu in dit stuk geen informatie werd gegeven over de uitspraak in de onderliggende strafzaak. Daarmee kon van de verdachte niet worden verlangd dat hij binnen veertien dagen na voormelde datum hoger beroep zou aantekenen tegen het vonnis van de politierechter van 14 maart 2014. De discussie over de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep, is in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 21 juni 2019 als volgt zakelijk weergegeven: “De voorzitter deelt mondeling mee de korte inhoud van de stukken van de zaak. Zij merkt daarbij op: Bij de bestudering van deze zaak werd het hof bekend met de omstandigheid dat de ontnemingszaak tegen verdachte, welke zaak hoort bij deze strafzaak, op 29 april 2015 onherroepelijk is geworden. Dit naar aanleiding van een opmerking ter zitting van de verdediging. Hierop heeft het hof het dossier inhoudende ook de betekeningsstukken in die zaak bij de rechtbank opgevraagd. Deze stukken heeft het hof gisteren ontvangen. Uit de stukken blijkt dat de politierechter op 27 februari 2015, bij verstek, het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op € 51.015,24. De mededeling uitspraak is vervolgens op 13 april 2015 om 14.49 uur in persoon aan verdachte uitgereikt. In die betekeningstukken wordt het vonnis in de hoofdzaak ook genoemd. Opmerking griffier: de griffier verstrekt een kopie van de stukken aan de raadsvrouw en de advocaat-generaal, welke stukken ook aan dit proces-verbaal zijn gehecht. Op vragen van de voorzitter verklaart verdachte: Ik heb die stukken inderdaad opgehaald bij het postkantoor. U houdt mij voor dat in die stukken ook wordt gerefereerd aan de uitspraak in de hoofdzaak. De voorzitter deelt mee dat het hof de raadsvrouw in de gelegenheid wil stellen om de stukken te lezen en overleg te plegen met verdachte. De raadsvrouw reageert: Wij zijn ervan uitgegaan dat de ontneming onherroepelijk was. De voorzitter merkt op dat in de mededeling uitspraak melding wordt gemaakt van de veroordeling in de strafzaak en dat het daarom de vraag is of verdachte niet vanaf dat moment binnen veertien dagen hoger beroep had moeten instellen. De raadsvrouw reageert: Mijn cliënt dacht dat de ontneming te maken had met het faillissement. Het is voor cliënt de eerste keer dat hij met justitie in aanraking komt. Ik vind deze stukken niet hetzelfde als een vonnis. De voorzitter merkt op dat het inderdaad niet gaat om de betekening van het vonnis, maar dat er in de betekeningsstukken wel met zoveel woorden wordt gewezen op het vonnis. In die stukken staat onder meer dat de politierechter verdachte in de strafzaak bij vonnis van 14 maart 2014 heeft veroordeeld ter zake van verduistering, meermalen gepleegd.Op vragen van de voorzitter verklaart verdachte: Ik heb volgens mij binnen een week twee poststukken opgehaald bij het postkantoor. Toen ik de stukken met mijn advocaat besprak was die veertiendagentermijn al verstreken. Nadat de beslissing in de hoofdzaak aan mij was uitgereikt hebben wij hoger beroep ingesteld. […] De jongste raadsheer merkt op dat de betekening van de mededeling uitspraak in de ontnemingszaak op 13 april 2015 heeft plaatsgevonden en dat verdachte op 26 mei 2015 hoger beroep heeft ingesteld in de hoofdzaak. De voorzitter vraagt de advocaat-generaal en de raadsvrouw om zich uit te laten over de ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep. De advocaat-generaal reageert: De ontnemingsbeslissing is op 13 april 2015 aan verdachte overhandigd. De stukken zijn aan hem betekend en in die stukken wordt melding gemaakt van de uitspraak in de strafzaak. De termijn voor het instellen van hoger beroep begint ook als er zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat verdachte op de hoogte is van de einduitspraak. Nu in de mededeling uitspraak in de ontnemingszaak melding wordt gemaakt van de einduitspraak in de strafzaak is sprake van zo’n omstandigheid. Deze informatie moet voor verdachte reden zijn om onmiddellijk te informeren naar deze uitspraak. Verdachte heeft pas weken later hoger beroep ingesteld. Dat is te laat. De consequentie hiervan is dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep. […] De raadsvrouw voert aan: Het is wat tardief om dit nu aan te kaarten. In deze zaak hebben wij al een heel traject achter de rug. Er is ook nader onderzoek gedaan. Uw hof kan wel zeggen dat cliënt op de hoogte had kunnen zijn van de strafzaak, maar er zijn meerdere belangen. Op basis van de aanvullende stukken kun je je afvragen of het vonnis in eerste aanleg wel zo passend is. Inmiddels zijn wij twee jaar verder. Moet de behandeling dan dit stadium afketsen op dit formele punt? Ik denk dat ook moet worden gekeken naar de redelijkheid. Ik snap het probleem, maar ik heb het zelf niet gezien. Ik vraag uw hof om deze kwestie anders uit te leggen. Cliënt wist niet dat er een veroordelend vonnis lag. Hij heeft wel een heel groot belang bij de behandeling van deze zaak. Het voelt niet heel redelijk om nu te zeggen dat cliënt eerder hoger beroep had moeten instellen. Ik wil u vragen om redelijk te zijn. De advocaat-generaal reageert: Het gaat om termijnen van openbare orde en die zijn heel hard. Bij de beoordeling daarvan komt de redelijkheid niet aan de orde. Er kan hoogstens sprake zijn van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, maar daar is geen beroep op gedaan. De verdachte reageert: Als ik in die stukken werd geconfronteerd met een ontnemingsvordering van ruim € 50.000,- dan kan ik mij goed voorstellen dat ik niet verder dan pagina 1 heb gebladerd. U houdt mij voor dat de uitspraak in de hoofzaak op pagina 1 staat vermeld. Ik heb pas kennisgenomen van de uitspraak in de strafzaak toen deze aan mij werd betekend. Als ik eerder kennis had genomen van de uitspraak, dan had ik meteen actie ondernomen. Ik dacht ook dat het ontnemingsbedrag zag op de aangekondigde vordering van € 80.000,- in de faillissementszaak. Ik was blij met dat lagere bedrag. De voorzitter merkt op dat het hof niet beschikt over de betekeningsstukken van het vonnis in de strafzaak. De verdachte reageert: Ik heb direct na de betekening hoger beroep ingesteld.” 7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2019 blijkt dat de voorzitter als beslissing van het hof vervolgens het volgende heeft medegedeeld: “Het hof heeft zich beraden op de situatie zoals die is ontstaan. Na aanhouding van het onderzoek op 10 mei 2017 zijn er, ook naar aanleiding van hetgeen op de vorige zitting is gezegd, stukken aan het dossier toegevoegd. Het hof heeft naar aanleiding van die toegevoegde stukken de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep nader beschouwd. De termijnen van openbare orde zijn harde termijnen. Het behoort duidelijk te zijn wanneer zaken zijn geëindigd. De wet is daar duidelijk in. Het hof stelt vast dat, zoals besproken, verdachte door de politierechter is veroordeeld tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De mededeling uitspraak in de ontnemingszaak is op 13 april 2015 aan verdachte in persoon betekend. Uit de tekst van de in persoon uitgereikte ontnemingsbeslissing volgt onder meer dat verdachte bij vonnis van 14 maart 2014 door de politierechter is veroordeeld ter zake van verduistering, meermalen gepleegd. Tegen dit vonnis richt zich het hoger beroep. Ingevolge artikel 408 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering moet hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is. Verdachte was door betekening in persoon van de uitspraak van het ontnemingsvonnis ook bekend met het onderliggend vonnis in de hoofdzaak van 14 maart 2014 en kon aldus gedurende veertien dagen na 13 april 2015 hoger beroep instellen, maar heeft dat niet gedaan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen of excuseren. Dit betekent dat we de zaak niet verder gaan behandelen. De zaak is onherroepelijk geworden. Verdachte zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. U ontvangt een zakelijke weergave van deze beslissing nog op schrift.” 8. Aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 21 juni 2019 zijn afschriften gehecht van stukken uit het ontnemingsdossier van de verdachte, waaronder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.