ECLI:NL:PHR:2021:1006
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/02288 Zitting 2 november 2021 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, hierna: de verdachte.
Inleiding De verdachte is bij arrest van 14 juli 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel 3. Het middel bevat twee klachten over de bewijsvoering. Ten eerste wordt geklaagd dat de bewijsmiddelen niet, althans onvoldoende redengevend zijn voor het bewezenverklaarde, te weten het opzettelijk onttrekken van een personenauto aan het daarop gelegd beslag. Ten tweede wordt geklaagd dat het hof met de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de toelichting leid ik met betrekking tot de tweede klacht af dat de steller van het middel meer in het bijzonder meent dat het hof er bij zijn motivering van de verwerping van een door de raadsman gevoerd verweer ten onrechte van uitgaat dat de conservatoire beslaglegging illusoir zou zijn indien de wettelijke vereisten dienen te worden afgerond alvorens van een beslag sprake is.
Ik doe aangifte namens de benadeelde [A] . Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van verduistering. Ik ben werkzaam bij het deurwaarderskantoor [A] te [plaats] . Mijn functie is toegevoegd gerechtsdeurwaarder. In mijn functie als deurwaarder ben ik op 19 oktober 2016 naar het adres [a-straat 1] te [plaats] gegaan om beslag te leggen op de inboedel en de personenauto, een Volvo, type S80, kleur blauw en voorzien van het kenteken [kenteken] .
Toen ik daar aankwam, omstreeks 08:15 uur, deed er een man open. Ik legitimeerde mij als deurwaarder en vroeg aan hem of hij [betrokkene 2] was. De man bevestigde dit en ik deelde hem het doel van mijn komst mede. Ik vertelde hem dat ik beslag kwam leggen op de inboedel en de auto in verband met een uitspraak van de voorzieningenrechter te Utrecht.
Hij kon niet voor zijn vriend in staan die in de woning aanwezig was.
Toen ik de woning instapte, zag ik dat er inderdaad nog een persoon in de woning aanwezig was. Deze man zat op de bank in de woonkamer achter een laptop. Ik hoorde de kale man in de Nederlandse taal zeggen dat alles in de woning van hem was en dat ik niets op mocht schrijven in verband met het beslag wat ik ten uitvoer wilde leggen.
Ik hoorde de kale man zeggen dat ik niks op mocht schrijven omdat hij de eigenaar van de spullen in de woning was en ik diende hem te geloven. Ik merkte dat het gedrag van [betrokkene 2] steeds zenuwachtiger werd. De kale man werd steeds stelliger naar mij dat ik veel dingen moest. Ik hoorde hem steeds zeggen: "jij moet dit en jij moet dat".
Ik ben vervolgens de woning uitgegaan en heb dit ook aangegeven aan beide mannen.
Ik pakte de lift en drukte het knopje in de lift in van de begane grond en zag dat er bij het complex ook een parkeergarage zat.
Toen ik de parkeergarage in kwam, zag ik de eerder genoemde blauwe Volvo staan op parkeerplaats voorzien van het nummer [001] .
Ik heb omstreeks 08:35 uur contact opgenomen met de politie en vervolgens is de hulpofficier van justitie met dienstnummer [002] ter plaatse gekomen. Ik heb opnieuw aangebeld bij de woning en deze werd weer door [betrokkene 2] geopend. De hulpofficier is samen met mij meegelopen en we zijn samen de woning ingegaan.
Toen we in de woning waren, hoorde ik [betrokkene 2] zeggen dat zijn vriend was weggegaan om even tot rust te komen. Hij was dus niet meer aanwezig in de woning. De hulpofficier van justitie en ik zijn de man niet tegengekomen toen we naar de woning toe gingen. Ik heb vervolgens van alle spullen in de woning foto's gemaakt.
Ik heb aan [betrokkene 2] aangegeven dat ik naar de parkeergarage ging om de auto af laten slepen. Ik hoorde dat [betrokkene 2] tegen mij zei: "Ik heb toch al gezegd dat auto er niet staat". Ik zei dat ik net daarvoor een foto met mijn mobiele telefoon van de auto had gemaakt in de parkeergarage en toonde hem dan ook deze foto op mijn mobiel. [betrokkene 2] gaf daar geen reactie op. Ik vertelde hem dat als de auto er nu niet meer was, dat hij zich dan schuldig maakte aan onttrekking van beslag. Wij, de hulpofficier van justitie en ik, zijn naar buiten gegaan omstreeks 09:00 uur en hebben gewacht tot de berger van de auto kwam.
Toen we in de parkeergarage aankwamen omstreeks 09:20 uur stond de auto niet meer op de parkeerplaats voorzien van het nummer [001] .
Ik heb nog verder in de garage gekeken of de auto mogelijk verplaatst was maar deze is niet meer aangetroffen. [betrokkene 2] was wel buiten het appartementencomplex voor de berger er was om te zien hoe het verder zou gaan. Aan hem heb ik een paar keer naar de autosleutels gevraagd. Maar hij zei dat hij de autosleutels niet had.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Heden, de negentiende oktober tweeduizend zestien;
Heb ik, [betrokkene 1] , als toegevoegd gerechtsdeurwaarder, uit kracht van de grosse van de beschikking op 14 oktober 2016 door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, mij begeven naar en bevonden te [plaats] om 08.15 uur alwaar woonachtig is de gerekwireerde, [betrokkene 2] , teneinde tot nadere beslaglegging roerende zaken over te gaan.
Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , waren vandaag 21 oktober 2016 belast met noodhulp in het gebied Maas & Rotte te Rotterdam.
Omstreeks 02.00 uur kregen wij, verbalisanten, de melding van de meldkamer de opdracht ter plaatste te gaan aan de [b-straat] te [plaats] ter hoogte van [b-straat 1] . Daar zou [verdachte] woonachtig zijn. Deze persoon zou genoemd zijn als verdachte in een diefstal, heling c.q. verduistering van een personenauto.
Wij, verbalisanten, kregen de opdracht om onderzoek in de omgeving te doen naar de personenauto. Het strafbare feit zou gepleegd zijn in [plaats] op 20 oktober 2016.
Het zou gaan om de volgende soort en type personenauto:
Kenteken : [kenteken] Merk : Volvo Type : S80 Kleur : Blauw Toen wij, verbalisanten, op de [c-straat] te [plaats] reden zagen wij, verbalisanten, de desbetreffende personenauto uit de [b-straat] rijden. Wij, verbalisanten, zagen dat de personenauto de [c-straat] op reed in de richting van de [d-straat] . Wij, verbalisanten, zagen dat er één persoon (bestuurder) in de personenauto zat.
Wij, verbalisanten, hielden de bestuurder, tevens verdachte, staande op de [d-straat] . Ik, verbalisant [verbalisant 3] , herkende de verdachte ambtshalve als: [verdachte] Geboren [geboortedatum] -1958 te [geboorteplaats] Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , hebben de verdachte aangehouden voor verduistering c.q. heling van de personenauto.
Ik ben aangehouden door de politie in [plaats] . Er werd mij medegedeeld dat ik werd verdacht van diefstal van de auto waarin ik reed.
Vlak voordat ik werd aangehouden reed ik in een personenauto van het merk Volvo S80. Die auto is eigendom van [betrokkene 2] . Hij woont in [plaats] op de [a-straat] .
Afgelopen woensdag op donderdag ben ik bij [betrokkene 2] blijven slapen. In de ochtend sprak ik met [betrokkene 2] over de schuld die hij bij mij had. Niet lang daarna werd er aangebeld. [betrokkene 2] opende de deur. Ik zag dat er een man naar binnen kwam. Hij stelde zich voor als gerechtsdeurwaarder. Ik hoorde dat hij tegen [betrokkene 2] vertelde dat hij een belastingschuld had van 220.000 en dat hij goederen kwam registeren.
Ik vertelde de deurwaarder dat er spullen van mij in het huis stonden.
Nadat de deurwaarder de woning van [betrokkene 2] is uitgegaan, ben ik met de auto, een Volvo, blauw, met kenteken [kenteken] naar [plaats] gegaan.
Hij stond beneden in de parkeergarage.
Ik zei tegen de deurwaarder dat hij geen beslag kon leggen op de gehele inboedel, omdat er spullen van mij bij [betrokkene 2] in huis stonden.
V : vraag aan de verdachte A: antwoord van de verdachte O: opmerking van de verbalisant V: Wanneer kwam de deurwaarder naar uw huis?
A: Op een woensdagmorgen omstreeks 08.15 uur. Ik denk dat het de 19e oktober 2016 moet zijn geweest.
V: Toen u de deur opendeed voor de deurwaarder, wat zei de deurwaarder tegen u?
A: Ik ben deurwaarder en ik kom beslag leggen.
V: Nadat de deurwaarder gezegd had dat hij beslag kwam leggen, is hij toen mee naar binnen gegaan?
A: Ja.
V: Wie waren er toen in uw woning aanwezig?
A: [verdachte] was er en een vrouw die lag te slapen. [verdachte] zat in de woonkamer.
V: Wat is er toen gebeurd?
A: De deurwaarder kwam de woonkamer binnen en vertelde dat er beslag werd gelegd op de inboedel en de Volvo. Ik hoorde dat [verdachte] hierop luidruchtig reageerde en de deurwaarder vertelde dat hij niets te zoeken had bij mij.”
Het hof verwerpt daarom eveneens het meer subsidiaire verweer.”
Het tweede middel 19. Vanwege het voorgaande hoeft het tweede middel niet te worden besproken. Indien de Hoge Raad over het eerste middel anders mocht oordelen, ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.
Slotsom 20. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel hoeft niet te worden besproken.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 198 Sr, aant. 1 (online, bijgewerkt 26 maart 2018), alwaar onder meer wordt verwezen naar HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0176, NJ 1995/622.
K.K. Lindenberg, in: T&C Strafrecht, art. 198 Sr, aant. 9a (online, bijgewerkt 1 februari 2021), alwaar onder meer wordt verwezen naar HR 23 mei 1910, W 9041, en de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen, ECLI:NL:PHR:2019:1416, voorafgaand aan HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:125.
A.W. Jongbloed, Executierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 54. Zie ook A. Steneker, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 268.
Zie Stb. 2020, 177 (wet) en Stb. 2020, 277 (inwerkingtreding).
A. Steneker, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 268. Zie ook S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag: Sdu 2018, p. 446.
R. van Mil, ‘Het beslagmoment bij beslag op roerende zaken’, NJB 2011/174. In dit artikel staat een overzicht van de discussie in de literatuur over het moment waarop beslag wordt gelegd.