PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01243 Datum 1 november 2021 Belastingkamer III Onderwerp/tijdvak IB / PVV 2017 en 2018 Nrs. Rechtbank AWB 20/3028 en 20/3029 CONCLUSIE R.E.C.M. Niessen in de zaak van [X] tegen de Staatssecretaris van Financiën Deze zaak is een van de zes die worden uitgeprocedeerd in een zogenoemde massaal-bezwaarprocedure. In geschil is of de vermogensrendementsheffing in 2017 en 2018 in strijd is met art. 1 EP en/of art. 14 EVRM. 1Procesverloop 1.1 Aan belanghebbende, [X] te [Z] , zijn aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 34.464 respectievelijk € 31.372. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen bij de Inspecteur. 1.2 De bezwaren van belanghebbende betreffen onder meer de vraag of – kort gezegd – de forfaitaire vermogensrendementsheffing in 2017 respectievelijk 2018 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP of artikel 14 EVRM. Voor zover deze bezwaren die vraag betreffen, zijn zij aangemerkt als massaal bezwaar volgens artikel 25c AWR. In zoverre zijn zij afgewezen bij afzonderlijke uitspraken van de Inspecteur. 1.3 Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de uitspraken van de Inspecteur. De beroepen van belanghebbende zijn één van zes beroepsprocedures die de Inspecteur en de Bond voor Belastingbetalers voeren als proefprocedure over de in punt 1.2 hiervoor bedoelde vraag. De Rechtbank heeft die beroepen ongegrond verklaard bij in één geschrift vervatte uitspraken. 1.4 Tegen de uitspraken van de Rechtbank heeft belanghebbende (sprong)beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep in cassatie is tijdig, met schriftelijk verlof van de Staatssecretaris en overigens regelmatig ingediend. De Staatssecretaris heeft zich verweerd. Belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft laten weten niet te zullen dupliceren. 2De feiten en het geding in (enige) feitelijke instantie De feiten 2.1 Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV 2017 en 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 40.119 respectievelijk € 40.271. 2017 2.2 Belanghebbende heeft de grondslag sparen en beleggen (box 3) over 2017 in de aangifte als volgt berekend: Bank- en spaartegoeden in Nederland € 807.895 Aandelen, obligaties e.d. € 1.983 Overige vorderingen en contant geld € 89.937 (rechten
(1131)a, en voorts R.H. Happé, Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming, Deventer: Kluwer 1996, blz. 289 en 301; P.G.M. Jansen, Beginselen van behoorlijk bestuur in het belastingrecht, Den Haag: Sdu 2013, blz. 21 en 28; T. Loenen, Het gelijkheidsbeginsel, Nijmegen: Ars Aequi 1998, blz. 20 e.v. Aldus de aanduiding in Wikipedia, en zie ook Conclusie van mijn hand van 4 februari 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:41,V-N 2016/13.9 met noot Redactie, FutD 2016-0425 met noot Redactie, NTFR 2016/743 met noot Rozendal, voetnoot
- Zie onder meer het artikel ‘De Europese begrotingsregels zijn achterhaald’ uit het FD van 6 september
- Zie Hoge Raad 14 juni 2019, nr. 17/05606, na conclusie A-G Ettema, ECLI:NL:HR:2019:816, FutD 2019-1585 met noot Redactie, V-N 2019/30.5 met noot Redactie, NLF 2019/1464 met noot Dusarduijn, NTFR 2019/1609 met noot Nieuwenhuizen, FED 2019/113 met noot Meussen, NTFRB 2019/24 met noot Bruijsten, r.o. 2.8, en Hoge Raad 14 juni 2019, nr. 18/00690, na conclusie A-G Ettema, ECLI:NL:HR:2019:817, FutD 2019-1585 met noot Redactie, NLF 2019/1465 met noot Dusarduijn, NTFR 2019/1609 met noot Nieuwenhuizen, NTFRB 2019/24 met noot Bruijsten, r.o. 4.
- Zie bijvoorbeeld Zie Hoge Raad 14 juni 2019, nr. 17/05606, na conclusie A-G Ettema, ECLI:NL:HR:2019:816, FutD 2019-1585 met noot Redactie, V-N 2019/30.5 met noot Redactie, NLF 2019/1464 met noot Dusarduijn, NTFR 2019/1609 met noot Nieuwenhuizen, FED 2019/113 met noot Meussen, NTFRB 2019/24 met noot Bruijsten, en Hoge Raad 14 juni 2019, nr. 18/00690, na conclusie A-G Ettema, ECLI:NL:HR:2019:817, FutD 2019-1585 met noot Redactie, NLF 2019/1465 met noot Dusarduijn, NTFR 2019/1609 met noot Nieuwenhuizen, NTFRB 2019/24 met noot Bruijsten, en Hoge Raad 12 juli 2019, nr. 18/04360, ECLI:NL:HR:2019:1179 , NLF 2019/1669 met noot Dusarduijn, en Hoge Raad 2 juli 2021, nr. 20/02453, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2021:1047, FutD 2021-2055 met noot Redactie, NTFR 2021/2161 met noot De Haan, V-N 2021/29.9 met noot Redactie, NLF 2021/1405 met noot Hoogwout, FED 2021/124 met noot Gerverdinck, BNB 2021/149 met noot Heithuis. Zie tevens de bespreking door L.G.M. Stevens in Inkomstenbelasting 2001, 3e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 861.
- Hoge Raad 10 juni 2016, nr. 14/05020, na conclusie van mijn hand, ECLI:NL:HR:2016:1129, V-N 2016/31.12 met noot Redactie, BNB 2016/177 met noot Heithuis, FED 2016/93 met noot Meussen, FutD 2016-1420 met noot Redactie, NTFRB 2016/28 met noot Bruijsten, NTFR 2016/1522 met noot Rozendal. Zie 2015/2016, 34 300, nr. 47 (Motie van het lid Merkies) en Conclusie van mijn hand van 4 februari 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:41,V-N 2016/13.9 met noot Redactie, FutD 2016-0425 met noot Redactie, NTFR 2016/743 met noot Rozendal, onderdeel 5.
- Wet van 30 december 2015, Stb. 538 (Belastingplan 2016). Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz.
- Art. 5.2 Wet IB 2001 en Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3 Art. 5.2 Wet IB 2001 (tekst vanaf 2017) en art. 10.6ter Wet IB
- Voor de jaren 2017, 2018 en 2021 bedragen de percentages voor klasse I respectievelijk 1,63, 0,36 en 0,03, en voor klasse II: 5,39, 5,38 en 5,
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3 . Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz.
- Art. 10.6ter, lid 2, Wet IB
- Art. 10.6ter, lid 3 t/m lid 6, Wet IB
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz.
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz.
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz.
- In 2017 en 2018 respectievelijk € 25.000 en € 30.000; in 2021 € 50.
- In 2017: € 0 - € 75.
- In 2017: € 75.000 - € 975.
- In 2017 betreft dit het vermogen boven € 975.
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz.
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz. 12-
- Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz. 11-
- Conclusie van A-G Wattel van 25 maart 2021, nr. 20/02453, ECLI:NL:PHR:2021:293, FutD 2021-1077 met noot Redactie, NLF 2021/0827 met noot Hoogwout, NTFR 2021/1340 met noot De Haan, V-N 2021/18.5 met noot Redactie. Hoge Raad 10 juni 2016, nr. 14/05020, na conclusie van mijn hand, ECLI:NL:HR:2016:1129, V-N 2016/31.12 met noot Redactie, BNB 2016/177 met noot Heithuis, FED 2016/93 met noot Meussen, FutD 2016-1420 met noot Redactie, NTFRB 2016/28 met noot Bruijsten, NTFR 2016/1522 met noot Rozendal. Zie Ch. P.A. Geppaart, Vermogensbelasting, vierde druk, Deventer 1995, blz. 2, 11-12 en 21 e.v. Geppaart, t.a.p., blz. 3-
- In 2021 bestaat (onder meer) geen ‘net wealth tax’ in België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Hongarije, IJsland, Italië, Luxemburg, Portugal en Rusland. Noorwegen en Spanje kennen er wel een. Frankrijk kent sedert 2018 een vermogensheffing ter zake van onroerende zaken. Conclusie van A-G Wattel van 25 maart 2021, nr. 20/02453, ECLI:NL:PHR:2021:293, FutD 2021-1077 met noot Redactie , NLF 2021/0827 met noot Hoogwout, NTFR 2021/1340 met noot De Haan, V-N 2021/18.5 met noot Redactie. Uit Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz. 13 volgt dat de gemiddelde vermogensmix is gebaseerd op de feitelijke gegevens uit alle belastingaangiften over het kalenderjaar
- Op blz. 11-12 is in een grafiek ‘de feitelijke gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen inzichtelijk gemaakt voor het totale box 3-vermogen en voor de drie onderscheiden vermogensklassen, zoals deze blijkt uit de integrale gegevens van de belastingaangiften over 2012 voor box 3.’ Het valt mij op dat uit deze grafiek blijkt dat voor zover vermogen van belastingplichtigen uitkomt boven € 1 miljoen, nog met ruim 10% daarvan wordt gespaard. Echter, op basis van art. 5.2, lid 1, Wet IB wordt al hetgeen boven het in de tweede schijf opgenomen vermogen uitkomt, verondersteld te worden belegd in overig vermogen. Art. 5.5 Wet IB
- Het bedrag is enkele malen gewijzigd. T. Hartlief betoogt – onder verwijzing naar rechtspraak en literatuur - dat art. 1 EP ook geschonden wordt wanneer de overheid zodanige beperkingen oplegt dat van ‘peaceful enjoyment’ geen sprake is (in: Loof, Jan-Petere.a., The right to property : the influence of Article 1 Protocol no. 1 ECHR on several fields of domestic law, Maastricht, Shaker Publishing, 2000, blz. 36). Vergelijk art. 1 EP, laatste volzin, alsmede Hartlief, t.a.p., blz. 40 e.v.. Zie voorts D.A. Albregtse, Fictie en werkelijkheid in de inkomstenbelasting, WFR 1985/5704, blz. 1487, R.E.C.M. Niessen, Fictiebepalingen zijn veelal in het belang van de fiscus, WFR 2002/6465, blz. 105 en P.G.H. Albert, WFR 2012/6972, blz.
- In Hoge Raad 14 juni 2019, nr. 17/05606, na conclusie A-G Ettema, ECLI:NL:HR:2019:816, FutD 2019-1585 met noot Redactie, V-N 2019/30.5 met noot Redactie, NLF 2019/1464 met noot Dusarduijn, NTFR 2019/1609 met noot Nieuwenhuizen, FED 2019/113 met noot Meussen, NTFRB 2019/24 met noot Bruijsten, r.o. 2.4.
- oordeelde de Hoge Raad: “Het heffen van belasting is een inmenging in het door artikel 1 EP gewaarborgde ongestoorde genot van eigendom die in het algemeen gerechtvaardigd is aangezien de tweede alinea van deze bepaling uitdrukkelijk voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Deze inmenging moet volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij de beoordeling of de heffing van box 3 op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.’’ Brief van 21 juni 2021 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, nr.
- Een negatief verschil kan niet in aanmerking worden genomen, aangezien de rechter de aanslag niet kan verhogen. ‘De rechtsmiddel beperkende wetgeving buiten toepassing’ laten, zie T.C. Gerverdinck, Eigendomsrecht en belastingen (diss.), Deventer 2020, blz.
- Door de computer, al dan niet bij de invulling van de VIA, te implementeren. In de wet wordt het heffingvrij vermogen aan de voet afgetrokken en loopt het dus naar evenredigheid mee bij de heffing over beide groepen. Dit beperkt wel de vermindering van de aanslag voor mensen met veel klasse I vermogen maar leidt niet tot verhoging van de aanslag. Zie noot 58.