ECLI:NL:PHR:2021:1090
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01265 C Zitting 23 november 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte.
I. Inleiding 1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof), heeft bij vonnis van 10 september 2020 het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 7 november 2019 bevestigd, behoudens ten aanzien van de kwalificatie van het onder feit 2 bewezenverklaarde. De verdachte is wegens de als feit 1 bewezenverklaarde “Eendaadse samenloop van: medeplegen van afpersing; en medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken” en het als feit 2 bewezenverklaarde “Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.
II. Het eerste middel 4. Het middel bevat de klacht dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als eendaadse samenloop van – kort gezegd – afpersing en diefstal met geweld, terwijl uit de bewijsmiddelen uitsluitend hetzij afpersing, hetzij diefstal met geweld kan worden afgeleid.
Bewezenverklaring en bewijsvoering 5. Ten laste van de verdachte is als feit 1 bewezenverklaard dat: “hij op 20 mei 2019 te Bonaire, tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] (medewerker Delta Security), heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 83.114 USD, geheel toebehorende aan Van den Tweel Supermarket Bonaire, en met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (in totaal) 83.114 USD, geheel toebehorende aan Van den Tweel Supermarket Bonaire, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn medeverdachte:
Vandaag (het Gerecht: 20 mei 2019) reden [betrokkene 3] en ik naar de Van den Tweel supermarkt toe om een geldtransport te doen van de opbrengst van het weekeinde. Wij liepen de supermarkt binnen en kregen vier zakken van de RBC Bank. Wij hebben de vier zakken in een groene tas gedaan en liepen terug richting van de dienstauto. Ik was degene die de tas droeg. Ik zag dat een persoon op mij kwam afrennen met een vuurwapen op mij gericht. De persoon heeft het vuurwapen op mijn borst gedrukt en pakte het handvat van de tas vast. Ik hoorde de persoon zeggen: "Laga bai" (laat los). Ik keek mijn collega aan en hij heeft tegen mij gezegd om de tas los te laten. Ik zag dat de man een echt vuurwapen in handen had en liet de tas los. Ik zag dat het een pistool was. Bij de loop was het een beetje grijs. De rest was zwart, maar een beetje versleten. lk zag dat de man achter in een auto stapte. Het was een Toyota met geblindeerde ramen. Ik werk voor Delta Security.
Toen we buiten Van den Tweel waren, kwam er een man van achter de muur. De man had een vuurwapen gericht op mijn collega [slachtoffer] (het Gerecht: [slachtoffer] ) en ik hoorde de man in het Papiaments zeggen; 'Atrako, laga bai' (Overval, laat los).
Op 19 mei 2019 ben ik samen met [verdachte] naar de woning van [betrokkene 2] gegaan. Bij de woning trof ik [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . In de woning van [betrokkene 2] ging ik vis klaarmaken, terwijl [verdachte] en [betrokkene 2] met het blinderen van de ruiten van de Vitz waren begonnen. [betrokkene 5] ging [betrokkene 2] en [verdachte] helpen. [betrokkene 5] heeft mij zijn pet geleend.
Op 20 mei 2019 bij Van den Tweel met de grijze Vitz aangekomen, hebben we geparkeerd. De pick-up is aangekomen ik zag twee mannen naar binnen lopen. Niet lang daarna kregen we een belletje dat de geldlopers naar buiten kwamen. Toen ik zag dat de mannen kwamen aanlopen, stapte ik uit de auto en liep naar de man die voorop liep met de tas. Ik had het vuurwapen in mijn hand en rende naar hen toe met het pistool gericht op hen. Ik had de hand met het pistool op de borst van de man gedrukt en pakte de tas af. Hierna rende ik weer naar de auto en stapte achter de chauffeur in.
Ik heb tegen [betrokkene 3] gezegd dat ik iemand had om de overval te plegen. [betrokkene 3] heeft mij gezegd dat het beter is om de overval op een maandag te plegen omdat er dan meer geld zou zijn. [betrokkene 3] heeft gezegd om de overval te plegen op een dag dat hij niet aan het werk is. [betrokkene 1] heeft tegen mij gezegd dat het beter zou zijn op een dag dat [betrokkene 3] aan het werk was zodat alles rustig zou zijn. Ik heb tegen [betrokkene 3] gezegd dat een neef van mij de overval zal plegen. [betrokkene 1] zou de overval samen met iemand anders plegen. [verdachte] is later in het spel gekomen.
V: Vraag A: Antwoord A: Op 20 mei 2019 hoorden we op het nieuws dat er een overval bij Van den Tweel Supermarkt heeft plaatsgevonden. Ik hoorde dat er een grijze auto bij de overval was betrokken. Ik dacht meteen aan de auto waarvan wij de dag daarvoor de ruiten hadden getint. Ik bevond mij op die dag (het Gerecht: 19 mei 2019) bij de woning van [betrokkene 2] . In de avonduren zag ik dat [betrokkene 1] (het Gerecht: [betrokkene 1] ) en [verdachte] bij de woning van [betrokkene 2] aan kwamen rijden. [verdachte] is [verdachte] . Ze zijn weggegaan en een tijdje hierna zijn ze teruggekomen in een grijze Toyota Vitz. [betrokkene 2] heeft mij gevraagd of ik hun wilden helpen met het tinten van de ruiten van de Toyota Vitz. Ik heb samen met [betrokkene 2] en [verdachte] de ruiten getint. Ik heb [betrokkene 1] een pet geleend, [betrokkene 1] heeft mij in een zwarte auto thuis afgezet V: Heeft [betrokkene 1] aan jou verteld wat ze zouden gaan doen?
A: Ja. Ik heb begrepen dat hij slecht wilde gaan doen.
V: Van wie is de grijze Toyota Vitz?
A: [verdachte] is ermee gekomen.
V: Wat werd er tussen [verdachte] en [betrokkene 1] besproken toen zij de eerste keer bij de woning van [betrokkene 2] waren aangekomen?
A: Ik hoorde dat ze zeiden dat als de ruiten getint zijn, niemand kan zien wie als bestuurder en wie als inzittende zit.
V: Waar heb je [verdachte] leren kennen?
A: Ik ken [verdachte] niet. Ik weet wel wie hij is, maar ik praat niet met hem.
Ik heb aan [verdachte] gevraagd op welk nummer hij te bereiken was. [verdachte] heeft aan mij, [verbalisant 1] verklaard, dat hij te bereiken is op het telefoonnummer + [telefoonnummer] .”
Het Gerecht volgt de raadsvrouw niet in haar betoog. Naar het oordeel van het Gerecht bevat het dossier namelijk voldoende bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Het Gerecht zal dit oordeel hierna verder uitleggen.
De overval op de Van den Tweel supermarkt Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat op maandag 20 mei 2019 twee werknemers van beveiligingsbedrijf Delta Security – [slachtoffer] en medeverdachte [betrokkene 3] – arriveren bij de supermarkt Van den Tweel op de Kaya Industria op Bonaire. [slachtoffer] en [betrokkene 3] krijgen in het kantoor van de supermarkt een groene tas overhandigd met daarin een geldbedrag van in totaal USD 83.114,04. [slachtoffer] heeft de groene tas vast en loopt met [betrokkene 3] via het parkeerterrein terug naar de auto. Op dat moment rent medeverdachte [betrokkene 1] naar [slachtoffer] toe. Hij heeft een vuurwapen in zijn hand en richt dit op [slachtoffer] . [betrokkene 1] drukt het wapen vervolgens op de borst van [slachtoffer] en zegt tegen hem: Atrako, laga bai (overval, laat los). [betrokkene 3] zegt tegen [slachtoffer] dat hij de tas los moet laten en dat doet [slachtoffer] . [betrokkene 1] stapt vervolgens met de tas achterin de grijze Toyota Vitz. De Toyota rijdt weg.”
Juridisch kader 8. De tenlastelegging en de bewezenverklaring van feit 1 zijn toegesneden op het bepaalde in art. 330 en 325 van het Wetboek van Strafrecht BES (hierna: Sr BES). Ook het bepaalde in art. 323 Sr BES is in dat verband relevant. Deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen (en luiden thans nog) als volgt:
2 Levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste vierentwintig jaren wordt opgelegd:
1°. indien het feit den dood ten gevolge heeft;
2°. indien het feit wordt gepleegd met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.”
2 Levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van het hoogste vier en twintig jaren wordt opgelegd, indien het feit de dood ten gevolge heeft.
3 De bepalingen van artikel 325, tweede lid, zijn op dit misdrijf van toepassing.”
Bespreking van het middel 13. Het Hof is tot een cumulatieve bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde feiten gekomen en heeft dit een en ander gekwalificeerd als eendaadse samenloop van medeplegen van afpersing en medeplegen van diefstal met geweld. Daartoe heeft het Hof vastgesteld dat twee geldlopers, [slachtoffer] en [betrokkene 3] , op 20 mei 2019 in het kantoor van supermarkt Van den Tweel een viertal zakken met geld (in totaal 83.114,04 USD) hebben opgehaald, die zij in een groene tas hebben gestopt. Daarmee is [slachtoffer] , vergezeld door [betrokkene 3] , over de parkeerplaats bij de supermarkt teruggelopen in de richting van hun dienstauto. Op dat moment kwam medeverdachte [betrokkene 1] op [slachtoffer] afgerend en heeft, drukkend met een vuurwapen op de borst van [slachtoffer] , geroepen dat [slachtoffer] de tas los moest laten. Dat heeft [slachtoffer] gedaan, nadat ook [betrokkene 3] had gezegd dat hij dat moest doen. [betrokkene 1] is vervolgens met de tas, die hij had “afgepakt”, naar de Toyota Vitz, die bestuurd werd door de verdachte, gerend. Toen hij was ingestapt, reden zij weg.
III. Het tweede middel 20. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte feit 1 heeft medegepleegd, terwijl uit de vastgestelde feiten niet meer dan medeplichtigheid kan worden opgemaakt.
Dat verdachte de overval samen met (onder meer) medeverdachte [betrokkene 1] heeft gepleegd, volgt in belangrijke mate uit de belastende verklaring van medeverdachte [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft namelijk verklaard dat [betrokkene 1] en verdachte de overval samen hebben gepleegd en dat verdachte de bestuurder van de vluchtauto is geweest. [betrokkene 2] is ook verdachte in deze zaak. [betrokkene 2] bekent behulpzaam te zijn geweest bij de overval, maar stelt dat zijn bijdrage niet zodanig substantieel is geweest dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. In die zin heeft [betrokkene 2] dus een kenbaar belang om verdachte te belasten en zo zijn eigen rol te marginaliseren. Het Gerecht zal daarom behoedzaam omgaan met deze belastende verklaring van [betrokkene 2] en deze alleen gebruiken als deze voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Naar het oordeel vindt de verklaring van [betrokkene 2] in dit geval voldoende steun in ander bewijs.
Het Gerecht wijst in dit verband allereerst op de getuigenverklaring van [betrokkene 5] . Hieruit komt naar voren dat verdachte op de avond voor de overval (19 mei 2019) samen met [betrokkene 1] naar de woning van [betrokkene 2] is gekomen, dat verdachte met de grijze Toyota Vitz (de vluchtauto) is gekomen en dat verdachte de ruiten van deze Vitz samen met [betrokkene 2] en [betrokkene 5] heeft getint. Het Gerecht hecht veel waarde aan deze verklaring. Deze verklaring vindt namelijk op veel onderdelen bevestiging in andere bewijsmiddelen. Bovendien kan [betrokkene 5] worden aangemerkt als een onafhankelijke getuige: hij is zelf geen verdachte in deze zaak en heeft ook overigens geen (kenbaar) belang om verdachte zonder grond te belasten.
De voor verdachte belastende verklaring van [betrokkene 2] wordt daarnaast ondersteund door de verklaring van medeverdachte [betrokkene 7] . [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij van [betrokkene 1] heeft gehoord dat zijn goede vriend ' [verdachte] ' de bestuurder van de vluchtauto is geweest.[13] Het Gerecht acht ook deze verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In dit licht is van belang dat [betrokkene 1] en [betrokkene 7] goede vrienden waren en uit het dossier naar voren komt dat [betrokkene 7] het nodige heeft gedaan om [betrokkene 1] te helpen na de overval. Het Gerecht leidt hieruit af dat [betrokkene 7] er geen enkel belang bij had om [betrokkene 1] onjuist te citeren.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en bewijswaarde van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 7] speelt voor het Gerecht ook een rol dat beide verklaringen elkaar versterken. Dat verdachte de auto heeft ingebracht ( [betrokkene 5] ) maakt het immers ook waarschijnlijker dat het verdachte was die deze auto ten tijde van de overval heeft bestuurd ( [betrokkene 7] ).
Het Gerecht wijst verder nog op de verklaring van [betrokkene 6] , de (toenmalige) vriendin van [betrokkene 1] . Ook [betrokkene 6] heeft verklaard dat zij van [betrokkene 1] heeft gehoord dat [verdachte] betrokken is geweest bij de overval. [betrokkene 6] heeft uitvoerig verklaard over wat [betrokkene 1] haar over de overval heeft verteld. Haar verklaring blijkt op veel onderdelen inhoudelijk juist te zijn, zodat het Gerecht ook geen reden heeft om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen.
Het Gerecht gaat er op grond van voornoemde verklaringen van uit dat verdachte:
Hoe moet de rol van verdachte juridisch worden gekwalificeerd?
De vraag is vervolgens hoe deze bijdrage van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
In dit verband stelt het Gerecht voorop dat voor de vaststelling of sprake is van medeplegen het vooral van belang is of er een bewuste en nauwe samenwerking tussen betrokkenen heeft plaatsgevonden. Daartoe moet de intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht zijn geweest. In dit verband kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.
Toegepast op de deze zaak, komt het Gerecht tot de conclusie dat de bijdrage van verdachte voldoende substantieel is geweest om hem te kunnen aanmerken als medepleger. Uit wat het Gerecht hierdoor heeft vastgesteld, volgt immers dat hij zowel een wezenlijke rol heeft gespeeld bij de voorbereiding als bij de uitvoering van de overval.
Het Gerecht acht daarom bewezen dat verdachte zich samen met zijn mededaders heeft schuldig gemaakt aan de overval op de Van den Tweel supermarkt. Uit het voorgaande volgt eveneens dat verdachte - samen met zijn mededaders - het bij de overval gebruikte vuurwapen voorhanden heeft gehad.”
Juridisch kader 22. Volgens vaste jurisprudentie is voor de kwalificatie van medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.[14] Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict moet van voldoende gewicht zijn. In geval van medeplegen kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor de uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door een medeverdachte zijn toegepast. Niet vereist voor het aannemen van medeplegen is dat de verdachte bijvoorbeeld zelf het geweld tegen het slachtoffer heeft uitgeoefend. Wie binnen het samenwerkingsverband precies welke feitelijke handeling heeft verricht, is niet van wezenlijke betekenis.[15] De variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen is betrekkelijk groot, en dat maakt dat zich niet in algemene zin laat beantwoorden de vraag wanneer sprake is van ‘medeplegen’. Bij de beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval kunnen van belang zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.[16] 23. Voorts geldt voor medeplegen het vereiste van dubbel opzet.[17] Zo moet er in de eerste plaats opzet zijn op de onderlinge samenwerking. Een nauwe en bewuste samenwerking veronderstelt immers bewustzijn van samenwerking. Dat hoeft niet altijd te betekenen dat er vooraf expliciet afspraken of plannen zijn gemaakt, dan wel tijdens de uitvoering ervan (kort) overleg is geweest. Onder omstandigheden kan de samenwerking voor een deel ook stilzwijgend plaatsvinden,[18] bijvoorbeeld omdat men ter plekke van elkaar begrijpt wat de verdere bedoeling is of door het maken van een instemmende hoofdknik. Medeplegen impliceert bewuste samenwerking van een ieder van de medeplegers met het oog op het verrichten van een strafbare gedraging. Dat betekent dat voor medeplegen niet alleen bewustheid wordt verlangd in het verband van de samenwerking, maar het opzet in de tweede plaats ook gericht moet zijn op het begaan van de grondfeiten zoals tenlastegelegd.[19] Bespreking van het middel 24. Uit de bewijsvoering van het Hof blijkt dat via medeverdachte [betrokkene 2] navraag gedaan is bij de tweede geldloper ( [betrokkene 3] ) om details te verkrijgen over hoe een geldtransport verloopt en om informatie in te winnen over de andere geldloper en zijn persoon. Voorts is besproken dat [betrokkene 1] de overval zou plegen en dat een maandag een goede dag is om dat te doen, omdat er dan meer geld zou zijn. [betrokkene 1] zou de overval samen met iemand anders doen. De dag voorafgaand aan de overval kwam de verdachte in beeld. Hij is toen naar de woning van [betrokkene 2] gekomen. Vanuit daar is hij de Toyota Vitz gaan ophalen. Vervolgens heeft hij, eenmaal terug bij [betrokkene 2] thuis, het kenteken van de auto gehaald en – na overleg met hen – samen met [betrokkene 2] en [betrokkene 5] de ruiten getint zodat niemand kon zien ‘wie als bestuurder en wie als inzittende zat’.
Uit de verklaring van [betrokkene 5] blijkt dat medeverdachte [betrokkene 1] “slecht wilde gaan doen”. Vooraf was bekend dat de Toyota Vitz gebruikt zou gaan worden om de overval te plegen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof daaruit opgemaakt dat er een gezamenlijk plan was tussen de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] om de volgende dag – die maandag dus – een overval te gaan plegen op de geldlopers, die de weekendopbrengst bij de Van den Tweel supermarkt zouden ophalen en van wie medeverdachte [betrokkene 2] er een zou zijn. De verdachte is op de dag van de overval samen met medeverdachte [betrokkene 1] naar het terrein van de Van den Tweel gegaan. Daar is [betrokkene 1] uitgestapt en met een pistool gericht op hen naar de twee geldlopers gerend.
Hij heeft vervolgens het pistool op de borst van [slachtoffer] gedrukt. Toen hij de tas in zijn bezit had, rende hij terug naar de auto, waar hij direct instapte. De verdachte en [betrokkene 1] reden daarna meteen weg.
IV. Het derde middel 29. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde ‘voorhanden hebben’ van een vuurwapen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] beschikkingsmacht heeft gehad over dat wapen, noch is daarin een aanknopingspunt te vinden dat de verdachte een reden had om te vermoeden dat [betrokkene 1] een wapen voorhanden had.
Bewezenverklaring en bewijsvoering 30. Ten laste van de verdachte is als feit 2 bewezenverklaard dat: “hij op 20 mei 2019, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , voorhanden heeft gehad, een pistool, althans en vuurwapen of een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp, zijnde een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenwet BES.”
Juridisch kader 32. De bewezenverklaring onder 2 betreft het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen waarmee de overval is gepleegd.
Bespreking van het middel 36. Het Hof heeft vastgesteld – en uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden – dat de verdachte en de medeverdachten het gezamenlijke plan hadden om de meergenoemde overval te plegen. De overwegingen van het Hof ten aanzien van het medeplegen van het voorhanden hebben van het wapen komen er in de kern op neer dat uit de gebleken omstandigheden voortvloeit dat de verdachte ook – samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] – het daarbij gebruikte vuurwapen voorhanden heeft gehad.[24] Uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de medeverdachte dit wapen bij zich had toen de verdachte samen met [betrokkene 1] naar het parkeerterrein bij de Van den Tweel supermarkt reed en ook toen zij samen weer weg reden. [betrokkene 1] heeft onder bedreiging met dat vuurwapen het geldbedrag van de geldloper afhandig gemaakt.
Daaruit kan worden afgeleid dat hij het wapen al in zijn hand had toen hij de door de verdachte bestuurde auto uitstapte. Ik meen dat ook uit de bewijsmiddelen valt af te leiden hij het pistool nog altijd in zijn hand had toen hij de auto weer instapte. Geen van de gebezigde bewijsmiddelen doet vermoeden dat [betrokkene 1] het pistool heeft weggegooid nadat hij het op de borst van [slachtoffer] had gedrukt. [betrokkene 1] heeft dat kennelijk niet verklaard en zo een handeling op dat moment is ook bepaald niet logisch. Voorts: het gaat hier om een beroving. Het plan om een overval te plegen impliceert eo ipso dat geweld zal worden gebruikt.[26] Het kennelijke oordeel van het Hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte rekening moet hebben gehouden met de mogelijkheid dat een vuurwapen zou worden gebruikt bij de overval waaraan hij meewerkte acht ik, gelet op het voorgaande, dan ook niet onbegrijpelijk.
Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat als het gaat om een overval op een professionele geldtransporteur men niet de verwachting kan koesteren dat het geld vrijwillig wordt afgestaan. De omstandigheid dat in de onderhavige zaak ‘inside information’ is opgevraagd en informatie is gegeven over [slachtoffer] en zijn karakter, welke informatie is gedeeld met de anderen, draagt daaraan bij. Onderdeel van het plan was voorts om de overval zo rustig mogelijk te laten verlopen, waaruit kan worden opgemaakt dat de overval zo efficiënt en snel mogelijk zou moeten worden voltrokken.[27] Op die manier heeft het wapen kennelijk een onmisbare rol gespeeld bij de uitvoering van het plan van de verdachte en de medeverdachten.[28] 38. Op grond van het voorgaande heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de verdachte ook wat betreft het voorhanden hebben van het vuurwapen zo bewust en nauw heeft samengewerkt met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van dat vuurwapen. Gelet op het samenstel van vaststellingen is dat oordeel ook toereikend gemotiveerd; tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.
V. Slotsom 40. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking en faalt overigens. Het derde middel faalt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ------------------------------------------------------ [1] Zie art. 323 Sr BES en art. 310 Sr Nederland (NL). [2] In gelijke zin art. 312 Sr NL. [3] Zie ook mijn bijdrage in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 312, aant. 2. [4] Afgezien van de oud-Nederlandse spelling, het hier niet relevante zinsdeel “hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens” en het verschil in strafbedreiging komt art. 325, eerste lid, Sr BES letterlijk overeen met art. 317 Sr Ned. [5] Zie ook mijn bijdrage in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, titel XXIII (Afpersing en afdreiging), aant. 1. [6] H.J. Smidt II, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1991, p. 530. Zie daarover V.M.A. Sinnige, De systematiek van de vermogensdelicten (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2017, p. 107 e.v. [7] Zie HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5232, NJ 2009/281 (rov. 2.5), met verwijzing naar HR 28 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1594, NJ 1992/382, en HR 20 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0552, NJ 1989/683. [8] HR 28 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1594, NJ 1992/382 (rov. 6.2). [9] Vgl. D.H. de Jong in Melai/Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, aant. 17.11 op art. 261 Sv (online, bijgewerkt tot en met 11 mei 2015). [10] De steller van het middel noemt hier art. 330 Sr BES. Bedoeld zal zijn: art. 325 lid 1 Sr BES. Zo lees en begrijp ik de schriftuur dan ook. [11] Vgl. HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:206, NJ 2016/118 (rov. 2.5), HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361 (rov. 2.5) en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2627, NJ 2013/159 (rov. 2.3). [12] Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:227, NJ 2017/137, m.nt. Kooijmans. [13] Op deze plaats is in het vonnis van het Gerecht voetnoot 2 opgenomen, luidend: “Dat [betrokkene 1] met ' [verdachte] ' doelde op verdachte, leidt het Gerecht onder meer af uit het feit dat dat [betrokkene 1] het telefoonnummer waarop verdachte bereikbaar is, heeft opgeslagen onder ' [verdachte] '. Ook getuige [betrokkene 5] heeft het over ' [verdachte] '.” [14] Ik ben op dat vereiste nader ingegaan in onder meer mijn conclusies vóór HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. Rozemond. [15] Vgl. o.m. HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606, NJ 2021/30, m.nt. Reijntjes (Enschedese voogdijmoord). [16] Zie: HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; HR 21 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, m.nt. Rozemond; en HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606, NJ 2021/30 (Enschedese voogdijmoord).
[17] Zie daarover Noyon/Langermeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 47, aant. 24 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 17 juli 2017) en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2021, p. 428-431 en p. 442-450. Zie voorts (onder meer) mijn conclusies vóór HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en HR 5 juli 2017, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. Rozemond. [18] Vgl. HR 15 maart 1937, ECLI:NL:HR:1937:116, NJ 1937/846. Zie ook De Hullu, a.w., p. 442-444. [19] HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2246, NJ 2007/455 en HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9412. In geval van medeplegen van gekwalificeerde diefstal zoals strafbaar gesteld in art. 325, eerste lid, Sr BES moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat het opzet van de medepleger tevens gericht is geweest op de bewezenverklaarde geweldshandelingen. Vgl. over dit opzet mijn conclusie voorafgaand aan HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2036, NJ 2021/17, onder verwijzing naar HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0267, NJ 2012/677, HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099, NJ 2014/502 en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:951, NJ 2015/214. Zie voorts mijn conclusies voorafgaand aan respectievelijk HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2025-2027, HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:325 en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1082. Medeplegen van afpersing als bedoeld in art. 330, eerste lid, Sr BES vereist opzet op de dwang “door geweld of bedreiging met geweld”, zo kan, lijkt mij, te mogen worden aangenomen op grond van het in dit opzicht gelijkluidende art. 317 Sr en, in dat verband, HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:473, HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:334, NJ 2017/245, m.nt. Rozemond en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1322, NJ 2016/419, m.nt. Rozemond. [20] Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers (rov. 2.4), onder verwijzing naar HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992. [21] Ik kan met het oog op het eerste middel en de bespreking daarvan hier niet zeggen: heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde feit. [22] Zie daarover mijn conclusie van 2 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:697 (randnummer 40), voorafgaand aan HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459. [23] HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers (rov. 2.4), met verwijzing naar HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992. [24] Zie uitvoeriger over het medeplegen van en medeplichtigheid aan wapendelicten, al dan niet in combinatie met een hoofdfeit als een gewapende overval: H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 314-319
[25] Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:484 (randnummer 73), met verwijzing naar HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU937 en de conclusie van (toenmalig) PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251 (onder 14, waarin wordt verwezen naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725). [26] Wederom (zie mijn voetnoot 19) zij verwezen naar mijn conclusies voorafgaand aan respectievelijk HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2036, NJ 2021/17, HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2025-2027, HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:325 (met aanhaling van HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:951, NJ 2015/214) en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1082. Zie voorts de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3072. [27] Vgl. ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:325 (randnummer 33). [28] Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178 (rov. 3.4).