ECLI:NL:PHR:2021:111
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/00928 Zitting 9 februari 2021 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte.
Het cassatieberoep De verdachte is bij arrest van 6 maart 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. meer subsidiair “voorbereiding van het in zijn macht brengen/het in zijn macht houden/het van de route doen afwijken van een luchtvaartuig door geweld en/of bedreiging met geweld, door twee of meer personen gezamenlijk gepleegd”, 2. primair “medeplegen van poging tot opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijden” en 3. ten aanzien van verschillende (onderdelen van) vuurwapens en munitie “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd”, “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een (vuur)wapen van categorie III meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten met zaaknummers 20/00935 ( [medeverdachte 1] ), 20/00934 ( [medeverdachte 2] ), 20/00997 ( [medeverdachte 3] ), 20/01090 ( [medeverdachte 4] ), 20/00995 ( [medeverdachte 5] ), 20/01007 ( [medeverdachte 6] ), 20/01082 ( [medeverdachte 7] ) en 20/01095 ( [medeverdachte 8] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
In deze conclusie zal ik eerst schetsen waarover de zaak gaat. Vervolgens geef ik feitelijke vaststellingen van het hof weer, die voor de bespreking van de middelen van cassatie van belang zijn. Ten slotte bespreek ik de middelen en kom ik tot een slotsom.
De zaak 5. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte heeft op 11 oktober 2017 met negen anderen geprobeerd om met behulp van een helikopter [betrokkene 1] uit de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Roermond te bevrijden. Een van de verdachten heeft daartoe onder valse voorwendselen een (begeleide) rondvlucht met een helikopter geboekt. Daarbij heeft hij voorgewend dat hij zijn vriendin met die rondvlucht wilde verrassen. De helikopter zou vertrekken van Budel en een tussenlanding maken te Weert, waar de vriendin zou worden opgehaald. In werkelijkheid was het plan van de verdachten de ingehuurde piloot op de tussenlandingsplaats te overmeesteren en vanaf daar de daartoe speciaal uit Colombia overgekomen [medeverdachte 5] de helikopter te laten besturen. De helikopter zou vervolgens koers zetten naar Roermond, waar [betrokkene 1] , die van het plan op de hoogte was en via een telefoon met medeverdachten in verbinding stond, van de luchtplaats zou worden opgehaald.
Feitelijke vaststellingen van het hof 8. Het hof heeft de volgende feiten vastgesteld: “2.1 De zaak draait kort gezegd om het plan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) uit de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Roermond te bevrijden met behulp van een gekaapte helikopter. Dat uit de bewijsmiddelen blijkt van dit plan is door de verdediging niet bestreden. Evenmin is bestreden dat het de bedoeling was dat de eenmaal gekaapte helikopter zou worden bestuurd door de daarvoor speciaal uit Colombia overgekomen medeverdachte [medeverdachte 5] .
2.2 Het was aanvankelijk de bedoeling [betrokkene 1] op 4 oktober 2017 te bevrijden. Door een persoon die opgaf te zijn [medeverdachte 8] (hierna ook wel genoemd: [medeverdachte 8] ) is getracht om bij [A] een helikopter te huren. Hij vertelde dat hij een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij op 4 oktober 2017 wilde vertrekken van heliplatform Heythuysen (Limburg). De helikopter die hij wilde huren was geschikt om vier passagiers te vervoeren. Mede omdat de huurder vertelde dat hij afkomstig was uit Amsterdam, wekte dit argwaan. Daarop is contact gezocht met de luchtvaartpolitie. Vervolgens is een pseudodienstverleningstraject opgestart waarbij het contact met [A] werd overgenomen door de politie. Daarnaast zijn telefoongesprekken afgeluisterd en is een aantal in beeld gekomen verdachten geobserveerd. De rondvlucht is in eerste instantie geannuleerd. Daarna is afgesproken de rondvlucht op 11 oktober 2017 te maken. De huurder zou zich om 13.30 uur melden op Kempen Airport in Budel (Noord- Brabant). De helikopter zou daar opstijgen en in Weert (Limburg) een tussenlanding maken om de ‘vriendin’ van de huurder op te halen.
2.3 Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 5] van Bogota (Colombia) naar Brussel is gevlogen en daar op 27 september 2017 is geland. Hij zou aanvankelijk weer terugvliegen op 8 oktober 2017, maar de terugvlucht is – kennelijk in verband met de uitgestelde helikoptervlucht – door hemzelf op 8 oktober 2017 omgeboekt naar 14 oktober 2017.
2.4 [medeverdachte 5] verbleef in een hotel in Brussel. Daar is hij op 28 en 30 september 2017 opgehaald en naar café [B] in Roosendaal gebracht, waar besprekingen hebben plaatsgevonden over de op handen zijnde bevrijdingsactie. Dat [medeverdachte 5] hier is geweest volgt uit zijn eigen verklaring en de gegevens uit zijn iPad, waaruit blijkt dat die op 28 en 30 september 2017 verbinding heeft gemaakt met het wifi-netwerk van [B] .
2.5 De nacht voor de op 4 oktober 2017 geplande helikoptervlucht heeft een aantal verdachten, waaronder [medeverdachte 5] , verbleven in ‘ [C] ’ in Eindhoven.
2.6 Nadat de eerste helikoptervlucht is geannuleerd heeft [medeverdachte 5] vanaf 8 oktober 2017 verbleven in een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Die woning blijkt, gelet op dat verblijf van [medeverdachte 5] , en de aangetroffen spullen die in verband kunnen worden gebracht met de bevrijdingsactie (zoals blauwe touwen en restanten van het vervaardigen van kraaienpoten), louter te zijn gebruikt voor de beoogde strafbare feiten. De huurder, verdachte [medeverdachte 2] (hierna ook wel genoemd: [medeverdachte 2] ), heeft in elk geval niet verklaard dat de woning voor (ook) andere doeleinden werd gebruikt en anderszins is daarvan niet gebleken.
2.7 Tussen 9 oktober en de geplande vlucht op 11 oktober 2017 is door een aantal verdachten verschillende keren een Praxis bezocht. Daar zijn goederen gekocht die in verband kunnen worden gebracht met de bevrijdingsactie, zoals grijze pvc buizen en schroeven, waarmee de kraaienpoten zijn gemaakt. In de tussentijd is met [A] , althans met een verbalisant die zich voordeed als een medewerker, een nieuwe afspraak gemaakt voor een helikoptervlucht. Daarbij is voorgewend dat [medeverdachte 8] de huurder was en hij diens vriendin wilde verrassen. In verband met die verrassing is ook een tussenlandingslocatie in Weert afgesproken, waarbij liever geen grondpersoneel aanwezig moest zijn; zogenaamd om de verrassing niet te bederven.
2.8 Op 11 oktober 2017 heeft [medeverdachte 2] zich, met een bosje bloemen in de hand, gemeld op Kempen Airport te Budel voor de geplande rondvlucht. Hij deed zich voor als [medeverdachte 8] . De politie heeft de verdachte – uiteraard – niet laten opstijgen en hem aangehouden.
2.9 Ondertussen stond nabij de locatie van de tussenlanding in Weert een lichtblauwe BMW 335i gereed met daarin een viertal verdachten, waaronder [medeverdachte 5] . Naderhand is gebleken dat de BMW was gestolen en voorzien van valse kentekenplaten. Als het arrestatieteam (AT) tot aanhouding wil overgaan weet de BMW te ontkomen. Na een wilde achtervolging wordt de verdachte [medeverdachte 4] aangehouden als bestuurder. De drie andere inzittenden zijn ontkomen.
2.10 In de BMW 335i zijn twee autobanden, met daaraan blauwe touwen vastgeknoopt, aangetroffen. Aan het uiteinde van het touw zat een karabijnhaak. Deze constructie was kennelijk bedoeld om mee te nemen in de helikopter om zo [betrokkene 1] van de luchtplaats van P.I. Roermond te kunnen takelen. De blauwe touwen zijn soortgelijk aan de restanten van blauw touw die in de woning in de [a-straat] zijn aangetroffen. In de BMW lag verder een kartonnen doos met zelfgemaakte (van grijze pvc buizen en schroeven) kraaienpoten, een zwarte jerrycan met gele dop met benzine en vuurwerk (vuurpijlen).
2.11 Genoemde BMW is niet de enige gestolen auto waarvan de verdachten gebruik hebben gemaakt. In de [b-straat] in Roermond zijn namelijk een gestolen BMW 550 (die daarvoor in Maarheeze stond) en een gestolen Audi A4 klaargezet, elk met valse kentekenplaten. In de BMW 550 is een rode plastic bak met soortgelijke kraaienpoten aangetroffen, een soortgelijke jerrycan benzine en één vuurpijl.
2.12 Genoemde Audi A4 is met de BMW 550 in de ochtend van 11 oktober 2017 verplaatst naar Sint Joost. Dat is ook in de nabijheid van P.I. Roermond. Rond het tijdstip van de geplande bevrijdingsactie was enkel de Audi A4 bemand. In de Audi zaten de verdachten [betrokkene 2] als bestuurder en [verdachte] als bijrijder. Kennelijk stond deze auto gereed om het verdere vervoer van [betrokkene 1] na zijn ontsnapping uit de P.I. mogelijk te maken. Het is immers hoogst onwaarschijnlijk dat met [betrokkene 1] , hangend in of aan een autoband, lang zou zijn rondgevlogen.
2.13 Ook [betrokkene 2] en [verdachte] zijn aanvankelijk aan de aanhouding door het AT ontkomen. Dat resulteerde in een wilde achtervolging waarbij door leden van het AT op de Audi is geschoten. Uiteindelijk is de Audi van de weg geramd en zijn de inzittenden gevlucht. [verdachte] heeft zich vrij snel overgegeven en is aangehouden. [betrokkene 2] is blijven vluchten en op hem is vervolgens geschoten als gevolg waarvan hij is overleden.
2.14 Bij nader onderzoek aan de Audi blijkt dat daarin een soortgelijke rode bak met soortgelijke kraaienpoten lag, een soortgelijke jerrycan met benzine en een plastic tasje met soortgelijke vuurpijlen.
2.15 Door het arrestatieteam is tijdens de achtervolging van de Audi waargenomen dat daaruit een langwerpige, zwarte tas is gegooid. Langs de vluchtroute is die dag een zwarte tas aangetroffen met daarin twee gevulde patroonmagazijnen (merk CZ, model Cz58), aan elkaar vastgemaakt met duct tape, en losse munitie. Een dag later wordt in de berm een, niet geladen, automatisch vuurwapen aangetroffen van het merk Ceska Zbrojovka (CZ). Dat wapen lijkt op een zogenaamde, en meer bekende, AK-47.
2.16 Op 13 november 2017 wordt op de [c-straat] te Maarheeze, de vluchtroute van de blauwe BMW 335i, een tas gevonden. Daarin zaten een automatisch vuurwapen (ook gelijkend op een AK-47), twee gevulde patroonmagazijnen aan elkaar vastgemaakt met duct tape, een revolver van het merk Smith & Wesson met patronen en een pistool van het merk Walther, inclusief patroonmagazijn.
2.17 Uit forensisch onderzoek (scheurranden) is gebleken dat de kans dat de beide stukken duct tape, zoals hiervoor onder 2.15 en 2.16 benoemd, oorspronkelijk één geheel hebben gevormd waarbij de gescheiden uiteinden direct aan elkaar hebben gezeten zeer veel waarschijnlijker is dan dat de twee tapedelen oorspronkelijk niet een geheel hebben gevormd.
2.18 Bij de doorzoeking in de [a-straat] is, in een afsluitbare muurkast in de slaapkamer, ook een automatisch vuurwapen (Crevena Zastava; een aanvalsgeweer, ook gelijkend op een AK-47) aangetroffen. In die kast lag verder nog een patroonmagazijn met 30 stuks munitie en een plastic zakje met daarin 12 stuks munitie, kaliber .22 Long Rifle met bodemstempel REM (Remington) en een schroefbare loopdop van een vuurwapen.
2.19 De verdachten hebben naast genoemde, gestolen, auto’s ook gebruik gemaakt van een gehuurde Peugeot 208 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Peugeot 208) en een gehuurde Opel Astra met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Opel Astra). Beide auto’s zijn gehuurd op naam van [betrokkene 3] , adres: [d-straat 1] . Op het adres [d-straat 2] staat de verdachte [medeverdachte 6] ingeschreven, op nummer [3] staat de verdachte [medeverdachte 8] ingeschreven.
2.20 In de Opel Astra is later door de politie, in de kofferbak onder de mat, een pistool van het merk Walther PPK met een daarop geschroefde geluiddemper aangetroffen. In het magazijn van het pistool zaten acht patronen met bodemstempel REM. In de [a-straat] is de in 2.19 genoemde munitie met bodemstempel REM aangetroffen. Deze bodemstempel kwam overeen met het bodemstempel van de munitie uit de Walther en bovendien was de munitie uit de [a-straat] ook geschikt om met de Walther verschoten te worden. De in 2.19 genoemde schroefbare loopdop komt qua maatvoering overeen met de ontbrekende loopdop (die zal zijn verwijderd in verband met de opgeschroefde geluiddemper) op de Walther.
2.21 In de P.I. Roermond zou [betrokkene 1] om 13:55 uur gaan luchten, maar dat is – na contact met de politie – door medewerkers van de P.I. verhinderd. [betrokkene 1] bleek in bezit van twee mobiele telefoons. Met één daarvan stond hij in contact met de verdachten.”
De rol van de verdachte 9. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte gebruikmaakte van een telefoonnummer dat was gekoppeld aan het IMEI-nummer van de telefoon die in de hiervoor genoemde Opel Astra is aangetroffen. Op deze telefoon werden dactyloscopische sporen aangetroffen die “geïdentificeerd zijn op” de verdachte. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte de gebruiker was van dat telefoonnummer. Het hof gaat er voorts vanuit dat de verdachte met een aantal medeverdachten in de nacht van 3 op 4 oktober 2017 in [C] te Eindhoven verbleef, terwijl de bevrijdingsactie aanvankelijk zou plaatsvinden op 4 oktober 2017. Het hof stelt daarnaast vast dat de verdachte samen met [medeverdachte 2] op 10 oktober 2017 in Amsterdam een winkel van Praxis bezoekt, waar [medeverdachte 2] een doos schroeven en twee spanbanden koopt.
De middelen 12. In de schriftuur wordt met vier middelen tegen de bestreden uitspraak opgekomen. Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot bevrijding van een gevangene (feit 2). Het tweede en derde middel bevatten bewijsklachten ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van de voorbereiding van de helikopterkaping. Het vierde middel betreft een bewijsklacht ten aanzien van het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in de BMW die in Weert is aangetroffen (feit 3 onder e). In het onderstaande bespreek ik de middelen in de volgorde waarin deze in de schriftuur worden gepresenteerd.
Bovendien, het zij herhaald, was het de verdachten niet primair te doen om de kaping, maar om de bevrijding van [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond. Beoordeeld moet worden welke gedragingen de verdachten in verband daarmee hebben verricht en of die, in het licht van de delictsomschrijving, naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing daarvan.
4.13 De bevrijding van een gevangene is strafbaar gesteld in artikel 191 Sr. Dat artikel kent twee varianten: óf het daadwerkelijk bevrijden van iemand, óf het bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn. Die laatste variant, die ook voltooid kan zijn zonder dat de gevangene is ontsnapt, speelt in deze zaak geen rol. Strikt genomen staat in de tenlastelegging wel ‘of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn’, maar de ten laste gelegde feitelijke gedragingen betreffen alle handelingen van de verdachten. Niet ten laste zijn gelegd gedragingen waaruit blijkt dat het initiatief tot de bevrijding van de gevangene afkomstig is, noch blijkt daarvan uit het dossier. Het gaat dus om het daadwerkelijk bevrijden van een gevangene, een delict met een - zoals onder 4.3 geduid - (sterke) materiële component. Pas in het geval de gevangene daadwerkelijk is bevrijd, is sprake van een voltooid delict.
4.14 Uit de feiten en omstandigheden die onder 2 en 3 zijn opgesomd valt af te leiden dat de verdachten gedurende een langere periode bezig zijn geweest dat gevolg, de daadwerkelijke bevrijding van [betrokkene 1] , te bewerkstelligen. Opgesomd en samengevat betreft het onder meer de volgende gedragingen: ter voorbereiding van de bevrijding eind juli 2017 een woning ( [a-straat 1] te [plaats] ) huren; die woning in elk geval gebruiken om kraaienpoten te vervaardigen, de (hijs)constructie met autobanden en touwen te maken om de gevangene van de luchtplaats te takelen en de helikopterpiloot tijdelijk onder te brengen; het in september 2017 uit Colombia laten overkomen van deze helikopterpiloot; het meermalen organiseren van ontmoetingen met de helikopterpiloot en hem instructies geven over de uitvoering van de kaping en bevrijding; het huren van een helikopter voor vier passagiers en het afspreken van een vertreklocatie en tussenlandingslocatie; het (tweemaal) gezamenlijk overnachten in een nabij de vertreklocatie van de helikopter gelegen hotel; het organiseren van gestolen (vlucht)auto’s met valse kentekenplaten; het afleveren van de zogenaamde huurder van de helikopter bij de vertrekplaats; het wachten op de komst van de helikopter op de tussenlandingslocatie in een auto met daarin wapens, de Colombiaanse helikopterpiloot en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen); het gedurende de uitvoering van deze bevrijdingsactie onderling telefonisch overleg voeren over het vertrekmoment van de helikopter in verband met de luchttijd van de gevangene; het telefonisch contact onderhouden met de gevangene zelf rond het tijdstip van zijn geplande bevrijding; het nabij de P.I. Roermond wachten in een (vlucht)auto met daarin ook een wapen en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen).
Een belangrijk deel van de hier opgesomde feiten en omstandigheden is ook omschreven in de tenlastelegging en kan zodoende bewezen worden.
4.15 Deze opsomming maakt duidelijk dat sprake was van een niet eenvoudig uit te voeren bevrijdingsoperatie met een sterk planmatig karakter. Om kans van slagen te hebben dienden verschillende verdachten op verschillende momenten een taak uit te voeren, dan wel zich daartoe gereed te houden. Aan die gedragingen is feitelijk uitvoering gegeven. In een aantal zaken is nog naar voren gebracht dat het gereed houden van de (vlucht)auto - de Audi A4 - nabij de P.I. Roermond geen rol speelde bij de bevrijding. Dat betoog steunt naar het oordeel van het hof op een te enge uitleg van het begrip ‘bevrijden’ zoals bedoeld in artikel 191 Sr. Van een voltooide bevrijding zou niet zonder meer sprake zijn geweest indien de gevangene zou zijn opgehesen vanaf de luchtplaats en boven de muren van de P.I. bungelde. Het gereed houden van de (vlucht)auto voor het verdere vervoer van de gevangene om hem definitief buiten het onmiddellijke bereik van de justitiële autoriteiten te brengen, maakte wezenlijk onderdeel uit van het ontsnappingsplan (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0161).
4.16 Alles afwegende komt het hof tot de slotsom dat de te bewijzen gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van de bevrijding van [betrokkene 1] . De poging tot bevrijding, zoals omschreven onder feit 2 primair, kan daarom worden bewezen.”
Ook Rozemond is van mening dat het Cito-criterium onderscheidend vermogen mist. Hij voegt daaraan toe dat de Hoge Raad veel aandacht besteedt aan de afbakening van materieelrechtelijke begrippen als voorbedachte raad, roekeloosheid en medeplegen. Dat zou volgens hem ook bij ‘begin van uitvoering’ kunnen worden gedaan, bijvoorbeeld door relevante factoren te noemen. Als zodanig beschouwt hij: het onderscheidende karakter van de bewezen verklaarde gedraging ten opzichte van alledaagse gedragingen, de nabijheid van de gedraging bij het voltooide misdrijf, de omstandigheid dat het beschermde belang acuut wordt bedreigd, de noodzaak om tot politie-ingrijpen over te kunnen gaan en het ontbreken van strafrechtelijke alternatieven.
Ten slotte noem ik in dit verband de recente dissertatie van Arendse, waarin een uitgebreide analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad over de uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht is neergelegd. Volgens haar verdient het aanbeveling het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm niet langer te hanteren als maatstaf of de bewezen verklaarde gedragingen moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. In plaats daarvan zouden relevante omstandigheden of factoren voor de vaststelling daarvan moeten worden geformuleerd. In zoverre vertoont dit voorstel verwantschap met dat van Rozemond.
Daarmee wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat het bij het bepalen of sprake is van een begin van uitvoering uitsluitend gaat om de omstandigheden die op het moment en op de plaats van de bewezen verklaarde gedragingen waarneembaar waren. Uit de rechtspraak volgt echter dat ook gegevens die op het moment van de bewezen verklaarde gedragingen niet waarneembaar waren, mogen worden meegewogen bij het oordeel of sprake is van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een arrest waarbij een veroordeling wegens een poging tot oplichting in stand bleef. In die zaak had de verdachte aan een potentiële koper videorecorders aangeboden en een prijs genoemd.
In werkelijkheid waren de dozen waarop een videorecorder was afgebeeld, gevuld met zand. De bedoelde dozen bevonden zich tijdens het gesprek met de potentiële koper bovendien nog in de kofferruimte van de gebruikte auto. AG Leijten was van mening dat de omstandigheid dat de dozen niet zichtbaar waren, betekende dat de aanwezigheid daarvan niet mocht meewerken aan de beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm. De Hoge Raad ging daarin niet mee. De omstandigheid dat de dozen zich ten tijde van het gesprek met de potentiële koper in de kofferruimte bevonden, deed er niet aan af dat dat de bewezen verklaarde gedragingen konden worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op voltooiing van de oplichting.
Meijers stelde in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest: “Juist bij een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland zal de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kunnen aannemen.” In een recentere zaak ging het eveneens om een poging tot invoer van verdovende middelen, door twee stellen met het gezamenlijke plan om in twee van een dubbele bodem voorziene auto’s naar Marokko te rijden om hasjiesj op te halen. De verdachte besloot niet terug te rijden naar Nederland toen zij vermoedde dat het andere stel was aangehouden in Nederland, maar zonder de middelen terug te vliegen. Volgens het hof had de verdachte zich niettemin schuldig gemaakt aan een strafbare poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok.
De Hoge Raad casseerde omdat het dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk achtte, mede gelet op de omstandigheid dat van de overige bewezen verklaarde gedragingen niet kon worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds “in voldoende concrete mate” gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj.
De vervoermiddelen waren geplaatst bij de drie locaties die voor de bevrijdingsactie cruciaal waren, te weten Budel, Weert en Roermond. Zo stond een gestolen auto gereed in Weert met daarin wapens, de helikopterpiloot, middelen om de bevrijding mee te realiseren (touw en autoband), middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen). In de nabijheid van de P.I. Roermond werd gewacht in een (vlucht)auto met daarin ook een wapen en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen). Daarbij werden middelen aangewend die bepaald niet duiden op alledaags gedrag, zoals gestolen auto’s met valse kentekenplaten, wapens, munitie, kraaienpoten, vuurpijlen en een touw met autobanden.
Die voorwerpen passen wel in het kader van het gezamenlijk plan om een gedetineerde te bevrijden. Tussentijds hielden de verdachten telefonisch contact met elkaar en met de gedetineerde, die om 13.24 uur aan een van de verdachten had laten weten dat “dit zijn nummer is”.
4.7 Uit hetgeen hiervoor onder 2 en 3 is vastgesteld volgt dat de verdachten een helikopter hadden gehuurd met de bedoeling deze over te nemen. Dat de machtsovername naar verwachting gepaard zou gaan met geweld of bedreiging met geweld valt niet enkel op te maken uit het feit dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de ingehuurde piloot op enkel vriendelijk verzoek de stuurknuppel zou overdragen aan een uit Colombia afkomstige piloot. De verdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] , alsook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] spreken onderling, blijkens afgeluisterde telefoongesprekken, daadwerkelijk over het wel of niet meenemen van een wapen door [medeverdachte 2] . Men besluit uiteindelijk van niet. [medeverdachte 1] zal een wapen voor [medeverdachte 2] op de locatie van de tussenlanding gereed houden. [medeverdachte 1] geeft nog aan [medeverdachte 2] als instructie mee dat, na het ophalen van het wapen op de locatie van de tussenlanding, hij de handen van de piloot van het stuur moet trekken zodat hij “niet meer omhoog gaat”. Ten slotte bespreken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nog wat er moet gebeuren als [medeverdachte 2] de helikopter niet uitkomt, om zijn ‘vriendin’ op te halen. Dan is hij volgens [medeverdachte 2] met “die man” (het hof begrijpt: de piloot) bezig en dan moeten “hun” (het hof begrijpt: de inzittenden van de BMW) komen, kennelijk om [medeverdachte 2] te assisteren bij het overmeesteren van de piloot.
4.8 Dat ook [medeverdachte 5] (minst genomen 'voorwaardelijk) opzet had op het toe te passen, gewapende, geweld volgt niet enkel uit de hiervoor omschreven verwachting daaromtrent. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij van ‘Spaanse [...] ’, de verdachte [medeverdachte 7] , heeft gehoord dat hijzelf of [medeverdachte 2] met een “AK-47” aan boord zou stappen. Ook heeft hij verklaard dat de piloot “uit de helikopter gehaald moest worden”, wat een gewelddadig handelen impliceert.
4.9 De intentie van de verdachten is dus wel duidelijk, maar daarmee is de vraag of sprake was van een begin van uitvoering nog niet beantwoord. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat bij de opstaplocatie in Budel de verdachte [medeverdachte 2] enkel in bezit is van een bosje bloemen. Nog voordat hij kan instappen en de helikopter richting Weert vertrekt wordt hij aangehouden. In Weert, de locatie van de tussenlanding, zou de kaping daadwerkelijk plaatsvinden. Pas daar zou het vereiste geweld of de bedreiging met geweld worden toegepast. De verdachten in Weert zaten, kort voordat de politie ingreep, nog in hun auto de komst van de helikopter af te wachten. In deze situatie is daarom niet de conclusie gerechtvaardigd dat de gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het gewelddadig de macht overnemen van de helikopter. Anders geformuleerd: de gedragingen van de verdachten stonden nog (iets) te ver af van het beoogde misdrijf om van een strafbare poging te kunnen spreken.
Voorbereidingshandelingen kaping 4.10 De vraag die dan voorligt is of de onder feit 1 meer subsidiair of uiterst subsidiair ten laste gelegde voorbereidingshandelingen wel kunnen worden bewezen. De verdediging heeft zich in verband hiermee op het standpunt gesteld dat voor wat betreft de voorbereidingshandelingen geldt dat de in de tenlastelegging genoemde telefoons, simkaarten, auto’s, hotelkamers, e-mailberichten, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen en brandbare stoffen geen voorwerpen zijn die bestemd waren voor het plegen van de kaping. De in de Audi en BMW in Sint-Joost aangetroffen voorwerpen konden niet bestemd zijn tot het begaan van het delict kaping, aangezien die voorwerpen pas in beeld zouden komen als de helikopter al gekaapt was. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte wetenschap had van de in de BMW 335i te Weert aangetroffen wapens en munitie.
Het ten laste gelegde verstrekken van een boormachine, het boeken van een hotelkamer en het voorhanden hebben van de Audi die in Roermond en Sint Joost stond, kunnen niet worden gezien als bestemd voor het begaan van de beoogde kaping te Weert.
4.11 Het hof sluit zich bij de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel aan en neemt daarbij over de motivering, onder het kopje ‘Voorbereiding’, zoals opgenomen op pagina 8 tot en met 9 van het vonnis.(…)”
Toch is de rechtbank van oordeel dat het merendeel van de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen (met uitzondering van de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert), niet waren bestemd tot het begaan van het kapen van een helikopter.
Deze voorbereidingsmiddelen (telefoons, simkaarten, auto’s, hotelkamers, e-mailberichten betreffende de huurovereenkomst met [A] , kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen en brandbare stoffen) zouden namelijk geen rol van betekenis spelen bij het daadwerkelijk kapen van de helikopter. (…) Het spreekt voor zich dat wapens en munitie naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik wel bestemd kunnen zijn tot het begaan van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit, maar dat geldt alleen voor de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert.
Op die plek zou de tussenlanding en kaping plaatsvinden. De wapens (en wapenonderdelen) die elders aanwezig waren (in de woning aan de [a-straat] die als uitvalsbasis diende, in de Audi in Roermond, in de Opel Astra in Amsterdam) zouden namelijk, gezien hun locatie, niet worden ingezet bij of gebruikt worden voor het kapen van de helikopter.
Dat betekent dat de rechtbank alleen de wapens en munitie die in de BMW in Weert aanwezig waren, als voorbereidingsmiddel voor het kapen van de helikopter aanmerkt.”
5.2 De handelingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [verdachte] , zoals hiervoor beschreven, rechtvaardigen de conclusie dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt bij de voorbereiding van de kaping en de poging tot bevrijding. De rollen onderling verschillen wel van elkaar wat mede tot uitdrukking zal worden gebracht in de strafmaatoverweging. (…) Ook voor [medeverdachte 6] en - in iets mindere mate - [verdachte] geldt dat zij vanaf het begin af aan betrokken waren bij de geplande bevrijdingsactie. Voor [medeverdachte 6] geldt dat hij al aanwezig is bij het ophalen van [medeverdachte 5] in Brussel, en brengt hem voor besprekingen met [medeverdachte 7] naar Roosendaal, verzorgt eten voor [medeverdachte 5] als hij in Amsterdam verblijft, maakt afspraken over de uit te voeren helikoptervlucht met [A] , gaat meermalen met [medeverdachte 2] naar de Praxis voor het kopen van materiaal waarvan kraaienpoten zijn gemaakt en zet [medeverdachte 2] tenslotte af op Kempen Airport. Hij overlegt ten tijde van de geplande vlucht met [verdachte] over het al dan niet instappen van [medeverdachte 2] . [verdachte] zit op dat moment in de vluchtauto die moet dienen om de ontsnapte [betrokkene 1] verder te vervoeren en [verdachte] heeft van daaruit contact met [medeverdachte 6] als [medeverdachte 2] niet komt opdagen. [verdachte] was bovendien in de nacht van 3 op 4 oktober 2017 ook al aanwezig voor de aanvankelijk geplande bevrijdingsactie en is nadien ook met [medeverdachte 2] in de Praxis geweest (die hij verlaat met een doos schroeven in de hand) en is degene die onder een valse naam incheckt in het tweede hotel, zodat hij en zijn mededaders daar kunnen verblijven.”
Als voorbeelden van gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, noemt de Hoge Raad het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zeker in andere, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.
Uit de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen lijkt te kunnen worden afgeleid dat in toenemende mate het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt kan zijn voor de beoordeling of sprake is van medeplegen. Ingeval sprake is van het gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan kan sprake zijn van medeplegen, ook al zouden de gedragingen van de verdachte op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit kunnen worden aangemerkt.
Die constatering is ook van belang voor de reikwijdte van het medeplegen, omdat de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk zijn opgetrokken ter realisering van een gezamenlijk plan om een gedetineerde uit de penitentiaire inrichting te bevrijden en om in verband daarmee een helikopter te kapen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij een vooraf voor alle deelnemers kenbaar gezamenlijk plan om [betrokkene 1] te bevrijden, waarvan het huren van een helikopter met de bedoeling deze (met geweld of bedreiging met geweld) over te nemen een essentieel onderdeel was. Daarnaast blijkt dat de verdachte reeds bij de (voorbereiding van de) eerder geplande bevrijdingsoperatie betrokken is geweest en daartoe met medeverdachten in Eindhoven heeft verbleven en op 11 oktober over de aankomst van de helikopter in Weert heeft overlegd met [medeverdachte 6] .
Het voorhanden hebben van wapens en munitie op de locatie waar de macht over de helikopter met (bedreiging met) geweld zou worden overgenomen, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk beschouwd als een onmisbaar, voor ieder van de deelnemers kenbaar onderdeel van de voorgenomen kaping van de helikopter. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW, omdat het beoogde gezamenlijk gebruik van die wapens een wezenlijk onderdeel vormde van de voorgenomen kaping. Het mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte ook ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben van de wapens en munitie ter voorbereiding van de kaping zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel toereikend is gemotiveerd.
Het hof heeft in zijn oordeel kunnen betrekken dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid ontzenuwt van de inhoud van verschillende bewijsmiddelen, waaronder de resultaten van het DNA-onderzoek ten aanzien van het vuurwapen met geluiddemper dat in de Opel Astra is aangetroffen. Het oordeel van het hof is ook in dit opzicht toereikend gemotiveerd, ook in het licht van het verweer dat de verdachte een kleine speler zou zijn die slechts een auto moest klaarzetten en als “wajong” of “soldaat” bekendstond binnen de groep. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.
Uit niets blijkt dat cliënt wist dat de helikopter een tussenlanding zou maken in Weert, dat daar een auto stond met wapens erin en dat de helikopter daadwerkelijk 'gekaapt' zou worden. Uit het dossier blijkt overduidelijk dat cliënt niet werd betrokken bij de afspraken die werden gemaakt over de wijze waarop de helikopter zou worden bemachtigd, hierover zijn geen gesprekken met cliënt gevoerd. Dat de plannen niet met cliënt besproken werden is ook aannemelijk gelet op de onderlinge hiërarchie 'soldaat' en de wijze waarop er over hem wordt gesproken 'de wajong'. Ook blijkt niet uit het dossier in er in het bijzijn van cliënt telefonische gesprekken zijn gevoerd over de kaping van de helikopter met geweld. Uit de getapte gesprekken volgt bovendien al dat de handelswijze over het kapen van de helikopter door vermoedelijk [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] pas op het allerlaatste moment werden besproken. Zelfs als cliënt wist dat er een helikopter gebruikt zou worden bij de bevrijding, betekent nog niet dat cliënt had moeten weten dat deze 'gekaapt' zou zijn. De medeverdachten hadden ook dse beschikking over de helikopter kunnen verkrijgen zonder toepassing van geweld of vreesaanjaging.
Ook bezien vanuit het voorwaardelijk opzet kan niet worden gezegd dat cliënt willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachten de helikopter met geweld/dreiging met geweld of vreesaanjaging in hun macht zouden brengen. Cliënt werd immers op geen enkele wijze op de hoogte gehouden over de wijze waarop de helikopter overgenomen zou worden en cliënt was ook niet aanwezig op de locatie waar de kaping plaats zou vinden. Ik verwijs bijvoorbeeld naar een gesprek tussen vermoedelijk [medeverdachte 2] en vermoedelijk [medeverdachte 7] op 11 oktober. [medeverdachte 8] laat weten dat hij bij [A] is en dat hij overweegt een wapen mee te nemen. Uit dit gesprek blijkt dat er vooraf geen afspraken zijn gemaakt m.b.t. de wijze waarop de helikopter overgenomen moest worden. Cliënt kon hier dus simpelweg niet van de hoogte zijn, zodat het opzet van cliënt, ook in de vorm van het voorwaardelijk opzet, ontbreekt en cliënt vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.”
Daarbij komt dat het volgens het hof de verdachte is geweest die tijdens de vlucht voor de politie een wapen en munitie uit de Audi heeft gegooid en de verdachte als donor kan worden aangemerkt van het DNA-materiaal dat is gevonden op het vuurwapen in de Opel Astra. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte opzet had op het verwerven en voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring genoemde voorbereidingsmiddelen, te weten (automatische) vuurwapens en munitie, die juist op de plaats van de voorgenomen kaping essentieel waren voor de uitvoering van het voor alle verdachten kenbare plan. Daarin liggen de redenen besloten waarom het hof het standpunt ten aanzien van het ontbreken van opzet niet heeft gehonoreerd.
Voor het overige verwijs ik naar de bespreking van het tweede middel.
Ten aanzien van [verdachte] is vastgesteld dat hij dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt bij dit gewelddadige plan dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Daaruit volgt dat de verdachte ook wetenschap had van de wapens die ten behoeve van de uitvoering bij hem en zijn mededaders in bezit waren. Daaronder vallen de wapens en munitie die in de Audi en in de BMW zijn aangetroffen. In zoverre is het hof dan ook van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen die wapens en munitie voorhanden heeft gehad.
Dat geldt niet voor de wapens en munitie in de woning aan de [a-straat] te [plaats] . Daarvan is niet gebleken dat ze bij de uitvoering van het plan een rol zouden spelen. Nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van die wapens en daarover kon beschikken wordt hij van dit onderdeel vrijgesproken.”
Het hof heeft uit het – op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gestoelde – oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking aan het gewelddadige plan en de essentiële rol die wapens en munitie op de locatie van de tussenlanding daarbij zouden spelen, kunnen afleiden dat de verdachte ook ten aanzien van het voorhanden hebben van die wapens en munitie zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben daarvan. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW, omdat het beoogde gezamenlijk gebruik van die wapens een wezenlijk onderdeel vormde van het bevrijdingsplan van de verdachte en zijn medeverdachten.
Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en munitie zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van die vuurwapens, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel toereikend is gemotiveerd. De omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte op enig moment in de desbetreffende BMW heeft gezeten, dan wel dat hij anderszins in de directe nabijheid van wapens in die auto is geweest, doet daaraan niet af.
Slotsom 81. De middelen falen. Het tweede, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187, rov. 4.4, duidt de Hoge Raad deze lijn aan als bestendige rechtspraak.
HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52.
G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 229.
Zie zijn noot onder HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517.
Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, NJ 2010/337, m.nt. Borgers.
Zie zijn noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403.
S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, m.n. p. 453.
A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.3 bij art. 45. Zie ook A. Machielse, ‘De opmars van de uiterlijke verschijningsvorm’, in: Constante Waarden (Kelk-bundel), Den Haag: BJu 2008, p. 238.
A. Machielse, ‘De opmars van de uiterlijke verschijningsvorm’, in: Constante Waarden (Kelk-bundel), Den Haag: BJu 2008, p. 237 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 393-402. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1093.
De Hullu, a.w., p. 396, onder verwijzing naar de noot van Mulder onder HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0645, NJ 1988/896.
C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, bewerkt door F. de Jong, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 427. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zevende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. p. 395-396. Vgl. de formulering van Röling in zijn noot onder het Poging tot gasmoord/Hamer-arrest uit 1951: ‘Voor de strafbaarheid van poging (…) is van groot belang hoe de rechtsgenoten de daad opvatten. Als deze daad duidelijk wijst op een komende verwerkelijking van het misdrijf, is de grond van de strafwaardigheid aanwezig.’, HR 29 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:3, NJ 1951/480.
Zie Kelk, a.w., p. 430; G. Knigge & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 226-227 en De Hullu, a.w. p. 398-399, o.a. onder verwijzing naar de noot van Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318.
HR 8 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8475, NJ 1993/321.
Vgl. ook HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187.
Zie ook Arendse, a.w., p. 138-139 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 227.
De Hullu, a.w. p. 397-398.
A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.3 bij art. 45.
Vgl. ook HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2675.
De Hullu, a.w. p. 397-398, onder verwijzing naar HR 18 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276, m.nt. A.C. ’t Hart.
De Hullu, a.w. p. 397-398.
ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276, m.nt. A.C. ’t Hart.
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318, m.nt. N. Rozemond. Vgl. ook HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95.
Zie zijn conclusie van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14, onder 14.
HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403, m.nt. Rozemond. Zie hierover onder meer M.J. Vetzo, ‘Strafbare poging en formeel omschreven delicten: een bespreking naar aanleiding van HR 30 juni 2015, NJ 2015/403’, DD 2016/73.
HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:975, NJ 2020/244.
Vgl. onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.
Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14.
Zie voor dit treffende voetbaljargon: K. Rozemond, ‘De algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in het licht van de pogingsjurisprudentie van de Hoge Raad’, DD 1994, p. 651-675, m.n. p. 659.
Zie vooral de gedifferentieerde benadering in de hiervoor genoemde dissertatie van Arendse. Zie verder De Hullu, a.w. p. 399-400 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 226-230.
De Hullu, a.w. p. 399; A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.1 bij art. 45.
Zie onder meer de noot van Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318, onder 4.
Kelk, a.w. p. 416-417 en 423-424 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 226-230. Zie ook Arendse, a.w., p. 50-51 en 139-140.
Zie hierover ook Arendse, a.w., p. 139-140 en M.J. Vetzo, ‘Strafbare poging en formeel omschreven delicten: een bespreking naar aanleiding van HR 30 juni 2015, NJ 2015/403’, DD 2016/73.
Zie zijn eerder genoemde noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403.
HR 20 juni 1989, NJ 1990/32. Zie ook ten aanzien van een autorit naar Roemenië in verband met het begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van heroïne: HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95.
Arendse, a.w., p. 135.
Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de ontwikkeling van de rechtspraak ten aanzien van medeplegen. Zie hierover de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.
HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7754; HR 9 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0161, NJ 1998/386; HR 2 oktober 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AB8090, NJ 1985/271, m.nt. A.C. ’t Hart.
Zie over het belang hiervan ook Arendse, a.w., p. 81.
Vgl. HR 8 september 1987, NJ 1988/612.
HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358, m.nt. Keijzer.
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen voorafgaand aan HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1975, onder 14, onder verwijzing naar HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517 m.nt. Keijzer.
Vgl. HR 3 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8227, NJ 1984/375 en Rechtbank Gelderland 9 november 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6037, waarnaar de steller van het middel ook verwijst.
Zie Arendse, a.w., p. 138 en verder bijvoorbeeld HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403, m.nt. Rozemond.
Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:221, NJ 2020/141, m.nt. Vellinga.
Zie hierover uitgebreider de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187 (ECLI:NL:PHR:2019:1286). Vgl. ook zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:124, onder punt 15) voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:472, onder punt 10), voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.
In dat verband kan worden gewezen op HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga. Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.
Vgl. HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga.
Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.
Vgl. in dit verband ook HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178. Zie hierover ook H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 222-223.
Vgl. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162. In de Opel Astra is ook een telefoon aangetroffen met een IMEI-nummer dat gekoppeld is aan een telefoonnummer waarvan de verdachte gebruikmaakte.
Onderdeel van het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het hof op 3, 5, 6, 7 en 24 februari 2020, vanaf p. 24.
Met weglating van een voetnoot.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.
Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.
Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9025, rov. 3.3 en 3.4.
HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers, onder verwijzing naar HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992. Zie meer in het bijzonder ten aanzien van bekendheid met de specifieke kenmerken van het wapen: HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507, NJ 2020/253.
Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.
Vgl. in dit verband ook HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178. Zie hierover ook H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 222-223.
Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.
Vgl. HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3572.