PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/00928 Zitting 9 februari 2021 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte. Het cassatieberoep De verdachte is bij arrest van 6 maart 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens
(3)dat de verdachten in dit onderzoek voor ogen stond, is dus duidelijk. Om de helikopter te kunnen kapen zijn voorbereidingen getroffen. Er is een helikopter gehuurd, de locatie voor de tussenlanding in Weert is uitgezocht, er is een piloot geregeld die over de te vliegen route is geïnstrueerd en er waren wapens aanwezig in de BMW in Weert om bij de kaping te gebruiken. Toch is de rechtbank van oordeel dat het merendeel van de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen (met uitzondering van de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert), niet waren bestemd tot het begaan van het kapen van een helikopter. Deze voorbereidingsmiddelen (telefoons, simkaarten, auto’s, hotelkamers, e-mailberichten betreffende de huurovereenkomst met [A] , kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen en brandbare stoffen) zouden namelijk geen rol van betekenis spelen bij het daadwerkelijk kapen van de helikopter. (…) Het spreekt voor zich dat wapens en munitie naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik wel bestemd kunnen zijn tot het begaan van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit, maar dat geldt alleen voor de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert. Op die plek zou de tussenlanding en kaping plaatsvinden. De wapens (en wapenonderdelen) die elders aanwezig waren (in de woning aan de [a-straat] die als uitvalsbasis diende, in de Audi in Roermond, in de Opel Astra in Amsterdam) zouden namelijk, gezien hun locatie, niet worden ingezet bij of gebruikt worden voor het kapen van de helikopter. Dat betekent dat de rechtbank alleen de wapens en munitie die in de BMW in Weert aanwezig waren, als voorbereidingsmiddel voor het kapen van de helikopter aanmerkt.” 57. Over de rol van de verdachte heeft het hof, buiten de hiervoor onder 9 tot en met 11 weergegeven overwegingen, het volgende overwogen: “5.1 Hierboven is (onder 4) nog zonder onderscheid geschreven over de verdachten en hun betrokkenheid bij de voorbereidingshandelingen van een kaping en de poging tot bevrijding van een gevangene. Het hof komt echter tot het oordeel dat niet elke verdachte een even grote rol heeft. Er moet om te beginnen worden onderscheiden in medeplegers en medeplichtigen. 5.2 De handelingen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [verdachte] , zoals hiervoor beschreven, rechtvaardigen de conclusie dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt bij de voorbereiding van de kaping en de poging tot bevrijding. De rollen onderling verschillen wel van elkaar wat mede tot uitdrukking zal worden gebracht in de strafmaatoverweging. (…) Ook voor [medeverdachte 6] en - in iets mindere mate - [verdachte] geldt dat zij vanaf het begin af aan betrokken waren bij de geplande bevrijdingsactie. Voor [medeverdachte 6] geldt dat hij al aanwezig is bij het ophalen van [medeverdachte 5] in Brussel, en brengt hem voor besprekingen met [medeverdachte 7] naar Roosendaal, verzorgt eten voor [medeverdachte 5] als hij in Amsterdam verblijft, maakt afspraken over de uit te voeren helikoptervlucht met [A] , gaat meermalen met [medeverdachte 2] naar de Praxis voor het kopen van materiaal waarvan kraaienpoten zijn gemaakt en zet [medeverdachte 2] tenslotte af op Kempen Airport. Hij overlegt ten tijde van de geplande vlucht met [verdachte] over het al dan niet instappen van [medeverdachte 2] . [verdachte] zit op dat moment in de vluchtauto die moet dienen om de ontsnapte [betrokkene 1] verder te vervoeren en [verdachte] heeft van daaruit contact met [medeverdachte 6] als [medeverdachte 2] niet komt opdagen. [verdachte] was bovendien in de nacht van 3 op 4 oktober 2017 ook al aanwezig voor de aanvankelijk geplande bevrijdingsactie en is nadien ook met [medeverdachte 2] in de Praxis geweest (die hij verlaat met een doos schroeven in de hand) en is degene die onder een valse naam incheckt in het tweede hotel, zodat hij en zijn mededaders daar kunnen verblijven.” 58. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de kwalificatie ‘medeplegen’ vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Als voorbeelden van gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, noemt de Hoge Raad het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zeker in andere, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Uit de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen lijkt te kunnen worden afgeleid dat in toenemende mate het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt kan zijn voor de beoordeling of sprake is van medeplegen. Ingeval sprake is van het gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan kan sprake zijn van medeplegen, ook al zouden de gedragingen van de verdachte op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit kunnen worden aangemerkt. 59. Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich “tezamen en in vereniging met anderen” heeft schuldig gemaakt aan de voorbereiding van de kaping. Het hof zou ten onrechte, althans – mede in het licht van hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht – ontoereikend gemotiveerd hebben geoordeeld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. De verdachte heeft de wapens en munitie op de tussenlocatie niet voorhanden gehad, terwijl zijn rol in de voorbereiding zijn afwezigheid in de uitvoering niet kan compenseren, aldus de steller van het middel. 60. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de voorbereiding van de kaping van de helikopter op 11 oktober 2017. Met overneming van de overwegingen van de rechtbank heeft het hof in dat verband vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten een helikopter hebben gehuurd, de locatie voor de tussenlanding in Weert hebben uitgekozen, een piloot hebben geregeld die over de vluchtroute is geïnstrueerd en wapens en munitie aanwezig hebben gehad in de BMW in Weert om bij de kaping te gebruiken. Hoewel in de van de rechtbank overgenomen overwegingen een beperking lijkt te worden aangebracht tot wapens en munitie die zijn aangetroffen in de BMW die in Weert was aangetroffen, volgt elders uit de bestreden uitspraak dat het hof in dit verband ook relevant acht dat een vuurwapen met geluiddemper in de Opel Astra in Budel aanwezig was in verband met de voorgenomen kaping van de helikopter. Het hof overweegt immers dat [medeverdachte 2] heeft overwogen dat wapen mee te nemen in de helikopter, maar uiteindelijk in overleg met [medeverdachte 7] heeft besloten daarvan af te zien. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte dit wapen voorhanden heeft gehad. Het heeft deze vaststelling gebaseerd op de uitkomst van DNA-onderzoek. 61. Het hof heeft de rol van de verdachte bij de voorbereiding van de kaping en de poging tot bevrijding van [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond niet per feit besproken, maar doen volgen op bewijsoverwegingen die betrekking hebben op beide feiten. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof in deze algemene overwegingen ten aanzien van het medeplegen niet steeds onderscheid maakt tussen het leveren van een bijdrage aan de poging tot bevrijding enerzijds en aan de voorbereiding van de kaping van de helikopter anderzijds. Tegelijk volgt uit de bewijsvoering een sterke verwevenheid tussen de voorgenomen kaping van de helikopter en de beoogde bevrijding van de gedetineerde. De kaping was een cruciaal onderdeel van de bevrijdingsactie en daarmee van het gezamenlijk plan. Die constatering is ook van belang voor de reikwijdte van het medeplegen, omdat de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk zijn opgetrokken ter realisering van een gezamenlijk plan om een gedetineerde uit de penitentiaire inrichting te bevrijden en om in verband daarmee een helikopter te kapen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij een vooraf voor alle deelnemers kenbaar gezamenlijk plan om [betrokkene 1] te bevrijden, waarvan het huren van een helikopter met de bedoeling deze (met geweld of bedreiging met geweld) over te nemen een essentieel onderdeel was. Daarnaast blijkt dat de verdachte reeds bij de (voorbereiding van
- de)eerder geplande bevrijdingsoperatie betrokken is geweest en daartoe met medeverdachten in Eindhoven heeft verbleven en op 11 oktober over de aankomst van de helikopter in Weert heeft overlegd met [medeverdachte 6] . 62. Uit de vaststellingen van het hof ten aanzien van de rol van de verdachte in de uitvoering van het plan blijkt voorts dat hij in de nacht van 10 op 11 oktober 2017 met [medeverdachte 2] heeft afgestemd welke route de beide voertuigen die zij bestuurden zouden rijden, waarna de Opel Astra waarin de verdachte zat onder meer langs de verblijfplaats van de helikopterpiloot [medeverdachte 5] is gereden. Later op de dag neemt de verdachte in verschillende auto’s plaats, die in de nabijheid van de P.I. Roermond zijn gesignaleerd. Het moet volgens het hof de verdachte zijn geweest die tijdens de vlucht voor de politie een wapen en munitie uit de Audi heeft gegooid. Ten aanzien van de rol van de verdachte heeft het hof tot slot in het bijzonder acht geslagen op het wapen dat in de Opel Astra is gevonden. Het hof ziet een betekenisvol verband tussen de omstandigheid dat de verdachte als donor kan worden aangemerkt van het DNA-materiaal dat is gevonden op dat wapen en de vindplaats daarvan in de Opel Astra, waarmee [medeverdachte 2] is afgezet bij Kempen Airport. 63. Het oordeel van het hof dat in het licht van de door hem vastgestelde feiten sprake is geweest van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders bij de voorbereiding van de kaping, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat ingeval verdachten gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan sprake kan zijn van medeplegen, ook al zouden de door de verdachte afzonderlijke gedragingen elk op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan de ten laste gelegde feiten kunnen worden aangemerkt. Voor medeplegen is niet vereist dat de verdachte (alle) in de bewezenverklaring bedoelde vuurwapens en munitie zelf voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van wapens en munitie op de locatie waar de macht over de helikopter met (bedreiging met) geweld zou worden overgenomen, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk beschouwd als een onmisbaar, voor ieder van de deelnemers kenbaar onderdeel van de voorgenomen kaping van de helikopter. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW, omdat het beoogde gezamenlijk gebruik van die wapens een wezenlijk onderdeel vormde van de voorgenomen kaping. Het mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte ook ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben van de wapens en munitie ter voorbereiding van de kaping zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft in zijn oordeel kunnen betrekken dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid ontzenuwt van de inhoud van verschillende bewijsmiddelen, waaronder de resultaten van het DNA-onderzoek ten aanzien van het vuurwapen met geluiddemper dat in de Opel Astra is aangetroffen. Het oordeel van het hof is ook in dit opzicht toereikend gemotiveerd, ook in het licht van het verweer dat de verdachte een kleine speler zou zijn die slechts een auto moest klaarzetten en als “wajong” of “soldaat” bekendstond binnen de groep. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. 64. Het middel faalt. 65. Het derde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde niet toereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had, althans dat het hof, zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven, is afgeweken van een in dat verband ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. 66. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2020 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van haar aldaar aan het hof overgelegde pleitnotities, die in het dossier zijn gevoegd. Ten aanzien van het opzet op het grondfeit – de kaping – houden de pleitnotities het volgende in: “Tot slot, het opzet. De rechtbank heeft ten aanzien van het opzet voor het meer subsidiair tenlastegelegde overwogen dat er onvoldoende bewijs is dat aantoont dat cliënt wist van de aanwezigheid van de wapens in de BMW in Weert of op de hoogte was van het plan om met geweld de helikopter te kapen. De verdediging sluit zich hierbij aan en er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het vereiste dubbel opzet. Uit niets blijkt dat cliënt wist dat de helikopter een tussenlanding zou maken in Weert, dat daar een auto stond met wapens erin en dat de helikopter daadwerkelijk 'gekaapt' zou worden. Uit het dossier blijkt overduidelijk dat cliënt niet werd betrokken bij de afspraken die werden gemaakt over de wijze waarop de helikopter zou worden bemachtigd, hierover zijn geen gesprekken met cliënt gevoerd. Dat de plannen niet met cliënt besproken werden is ook aannemelijk gelet op de onderlinge hiërarchie 'soldaat' en de wijze waarop er over hem wordt gesproken 'de wajong'. Ook blijkt niet uit het dossier in er in het bijzijn van cliënt telefonische gesprekken zijn gevoerd over de kaping van de helikopter met geweld. Uit de getapte gesprekken volgt bovendien al dat de handelswijze over het kapen van de helikopter door vermoedelijk [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] pas op het allerlaatste moment werden besproken. Zelfs als cliënt wist dat er een helikopter gebruikt zou worden bij de bevrijding, betekent nog niet dat cliënt had moeten weten dat deze 'gekaapt' zou zijn. De medeverdachten hadden ook dse beschikking over de helikopter kunnen verkrijgen zonder toepassing van geweld of vreesaanjaging. Ook bezien vanuit het voorwaardelijk opzet kan niet worden gezegd dat cliënt willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachten de helikopter met geweld/dreiging met geweld of vreesaanjaging in hun macht zouden brengen. Cliënt werd immers op geen enkele wijze op de hoogte gehouden over de wijze waarop de helikopter overgenomen zou worden en cliënt was ook niet aanwezig op de locatie waar de kaping plaats zou vinden. Ik verwijs bijvoorbeeld naar een gesprek tussen vermoedelijk [medeverdachte 2] en vermoedelijk [medeverdachte 7] op 11 oktober. [medeverdachte 8] laat weten dat hij bij [A] is en dat hij overweegt een wapen mee te nemen. Uit dit gesprek blijkt dat er vooraf geen afspraken zijn gemaakt m.b.t. de wijze waarop de helikopter overgenomen moest worden. Cliënt kon hier dus simpelweg niet van de hoogte zijn, zodat het opzet van cliënt, ook in de vorm van het voorwaardelijk opzet, ontbreekt en cliënt vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.” 67. De raadsvrouw heeft voorts, voor zover relevant, het volgende naar voren gebracht: “De rechtbank heeft overwogen dat de wapens en de munitie in de BMW wel bestemd kunnen worden voor de beoogde kaping van de helikopter. Client is vrijgesproken omdat niet uit het dossier volgt dat cliënt wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW of op de hoogte was van het plan om met geweld de helikopter over te nemen. Ik deel dit standpunt en ik verzoek Uw Hof dan ook vrij te spreken bij gebreke aan opzet. (…) De verdediging stelt zich in ieder geval op het standpunt dat het voorwerven of voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen niet geldt dat volstaan zou kunnen worden met de ondergrens van de 'bewuste schuld'. Opzet op de strafbare voorbereiding is vereist, hetgeen op zijn minst het voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van voorwerpen vereist.” 68. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde gemotiveerd, zoals hiervoor onder 54 tot en met 57 is weergegeven. Daarnaast heeft het hof overwegingen gewijd aan het bewijs van het onder 3 ten laste gelegde, waarop bij de bespreking van het vierde middel nader zal worden ingegaan. Het hof heeft in dat verband onder meer overwogen: “Ten aanzien van [verdachte] is vastgesteld dat hij dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt bij dit gewelddadige plan dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Daaruit volgt dat de verdachte ook wetenschap had van de wapens die ten behoeve van de uitvoering bij hem en zijn mededaders in bezit waren. Daaronder vallen de wapens en munitie die in de Audi en in de BMW zijn aangetroffen.” 69. De rechter die in afwijking van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tot een bewezenverklaring komt, dient op de voet van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Ook als het naar voren gebrachte, door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak niet beargumenteerd wordt weerlegd, kan zich het geval voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. 70. Het hof is afgeweken van het standpunt van de verdachte. Voor zover het middel de klacht inhoudt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het in het middel bedoelde standpunt, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft overwogen dat de verdachte wist van het plan om een gedetineerde uit de P.I. Roermond te bevrijden en in verband daarmee een helikopter te kapen. Het hof heeft verder – zij het niet onder de aanhef ‘Voorbereidingshandelingen kaping’ – overwogen dat de verdachte wetenschap had van de wapens die in de BMW waren aangetroffen. Het verwerven en voorhanden hebben van wapens en munitie op de locatie waar de macht over de helikopter met (bedreiging met) geweld zou worden overgenomen, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk beschouwd als een onmisbaar, voor ieder van de deelnemers kenbaar onderdeel van de voorgenomen kaping van de helikopter. Daarbij komt dat het volgens het hof de verdachte is geweest die tijdens de vlucht voor de politie een wapen en munitie uit de Audi heeft gegooid en de verdachte als donor kan worden aangemerkt van het DNA-materiaal dat is gevonden op het vuurwapen in de Opel Astra. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte opzet had op het verwerven en voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring genoemde voorbereidingsmiddelen, te weten (automatische) vuurwapens en munitie, die juist op de plaats van de voorgenomen kaping essentieel waren voor de uitvoering van het voor alle verdachten kenbare plan. Daarin liggen de redenen besloten waarom het hof het standpunt ten aanzien van het ontbreken van opzet niet heeft gehonoreerd. Voor het overige verwijs ik naar de bespreking van het tweede middel. 71. Het middel faalt. 72. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof zijn oordeel dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie in de BMW in Weert (feit 3 onder
- e)ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid daarvan. 73. Gedoeld wordt kennelijk op de wapens en munitie die voorhanden zijn geweest in de blauwe BMW 335i, waarin de verdachten [medeverdachte 4] (als bestuurder), [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] klaarstonden bij de tussenlandingslocatie in Weert. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de bedoelde wapens zijn gevonden in een tas op de [c-straat] te Maarheeze. Die locatie bevindt zich op de vluchtroute van deze BMW. 74. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat: “hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen a. een automatisch vuurwapen, te weten een aanvalsgeweer van categorie II (aangetroffen in de berm langs de vluchtroute van de Audi met kenteken [kenteken 3] ) en b. munitie, te weten patronen van categorie III, geschikt om te worden verschoten met voornoemd vuurwapen (aanvalsgeweer) en c. een (langwerpige) tas met daarin onderdelen van een aanvalsgeweer, te weten patroonmagazijnen van categorie III en d. munitie, te weten losse patronen van categorie III (geschikt om te worden verschoten met voornoemd aanvalsgeweer) en e. een (zwarte) tas met daarin een automatisch vuurwapen, te weten een aanvalsgeweer van categorie II en een pistool van categorie III en onderdelen van een aanvalsgeweer van categorie II, te weten patroonmagazijnen met daarin munitie, te weten patronen van categorie III voorhanden heeft gehad.” 75. In dat verband heeft het hof het volgende overwogen: “Zoals hiervoor al is vastgesteld is sprake geweest van een ingewikkelde bevrijdingsoperatie met een sterk planmatig karakter waarbij verschillende verdachten verschillende taken waren toebedeeld. Onderdeel van dat plan was dat er drie auto’s gereed stonden; een BMW op de tussenlandingslocatie en een BMW en Audi in de nabijheid van de P.I. Roermond, met daarin onder meer zelfgemaakte kraaienpoten, een jerrycan met benzine en vuurpijlen. In de auto bij de tussenlandingslocatie waren voorts wapens voorhanden in verband met de voorgenomen kaping van de helikopter en in de Audi bij de P.I. Roermond lagen wapens die kennelijk bedoeld waren om te gebruiken in het geval dat tijdens de bevrijding van [betrokkene 1] nodig mocht blijken. Ten aanzien van [verdachte] is vastgesteld dat hij dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt bij dit gewelddadige plan dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Daaruit volgt dat de verdachte ook wetenschap had van de wapens die ten behoeve van de uitvoering bij hem en zijn mededaders in bezit waren. Daaronder vallen de wapens en munitie die in de Audi en in de BMW zijn aangetroffen. In zoverre is het hof dan ook van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen die wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Dat geldt niet voor de wapens en munitie in de woning aan de [a-straat] te [plaats] . Daarvan is niet gebleken dat ze bij de uitvoering van het plan een rol zouden spelen. Nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van die wapens en daarover kon beschikken wordt hij van dit onderdeel vrijgesproken.” 76. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van de onder e bewezen verklaarde voorwerpen niet enkel kan volgen uit de omstandigheid dat nauw en bewust is samengewerkt bij een gewelddadig plan. Evenmin zou daaruit kunnen worden afgeleid dat de verdachte daarover beschikkingsmacht heeft gehad. Het middel heeft aldus slechts betrekking op een gedeelte van het onder 3 bewezen verklaarde, te weten voor zover het gaat om de voorwerpen die onder e zijn genoemd. 77. Voor een veroordeling ter zake van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet Wapens en Munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Die uit de rechtspraak van de Hoge Raad gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. 78. De bewezenverklaring heeft betrekking op het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie in een auto die een cruciale rol speelt bij het gezamenlijk plan om een gedetineerde te bevrijden en daartoe een helikopter te kapen. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten een complex, veelomvattend plan hadden gemaakt om [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond te bevrijden, dat zij daartoe een helikopter hadden gehuurd waarover zij op de tussenlandingsplaats met (bedreiging met) geweld de macht zouden overnemen en dat in verband daarmee in ieder geval onder meer een BMW beladen met wapens en munitie klaarstond. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte wist van dit plan, daar al in een vroeg stadium bij betrokken was en daarin een actieve rol heeft gehad. Het hof heeft uit het – op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gestoelde – oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking aan het gewelddadige plan en de essentiële rol die wapens en munitie op de locatie van de tussenlanding daarbij zouden spelen, kunnen afleiden dat de verdachte ook ten aanzien van het voorhanden hebben van die wapens en munitie zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben daarvan. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW, omdat het beoogde gezamenlijk gebruik van die wapens een wezenlijk onderdeel vormde van het bevrijdingsplan van de verdachte en zijn medeverdachten. Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en munitie zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van die vuurwapens, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel toereikend is gemotiveerd. De omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte op enig moment in de desbetreffende BMW heeft gezeten, dan wel dat hij anderszins in de directe nabijheid van wapens in die auto is geweest, doet daaraan niet af. 79. Slechts voor de volledigheid merk ik op dat zelfs als hierover anders zou worden geoordeeld, het middel niet tot cassatie hoeft te leiden. De aard en de ernst van hetgeen is bewezen verklaard, worden in zijn geheel beschouwd immers niet aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring zou wegvallen. Daarom heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling. 80. Het middel faalt. Slotsom 81. De middelen falen. Het tweede, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. 82. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 83. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187, rov. 4.4, duidt de Hoge Raad deze lijn aan als bestendige rechtspraak. HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52. G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 229. Zie zijn noot onder HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517. Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, NJ 2010/337, m.nt. Borgers. Zie zijn noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403. S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, m.n. p. 453. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.3 bij art. 45. Zie ook A. Machielse, ‘De opmars van de uiterlijke verschijningsvorm’, in: Constante Waarden (Kelk-bundel), Den Haag: BJu 2008, p. 238. A. Machielse, ‘De opmars van de uiterlijke verschijningsvorm’, in: Constante Waarden (Kelk-bundel), Den Haag: BJu 2008, p. 237 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 393-402. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1093. De Hullu, a.w., p. 396, onder verwijzing naar de noot van Mulder onder HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0645, NJ 1988/896. C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, bewerkt door F. de Jong, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 427. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zevende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. p. 395-396. Vgl. de formulering van Röling in zijn noot onder het Poging tot gasmoord/Hamer-arrest uit 1951: ‘Voor de strafbaarheid van poging (…) is van groot belang hoe de rechtsgenoten de daad opvatten. Als deze daad duidelijk wijst op een komende verwerkelijking van het misdrijf, is de grond van de strafwaardigheid aanwezig.’, HR 29 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:3, NJ 1951/480. Zie Kelk, a.w., p. 430; G. Knigge & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 226-227 en De Hullu, a.w. p. 398-399, o.a. onder verwijzing naar de noot van Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318. HR 8 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8475, NJ 1993/321. Vgl. ook HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187. Zie ook Arendse, a.w., p. 138-139 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 227. De Hullu, a.w. p. 397-398. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.3 bij art. 45. Vgl. ook HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2675. De Hullu, a.w. p. 397-398, onder verwijzing naar HR 18 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276, m.nt. A.C. ’t Hart. De Hullu, a.w. p. 397-398. ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276, m.nt. A.C. ’t Hart. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318, m.nt. N. Rozemond. Vgl. ook HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95. Zie zijn conclusie van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14, onder 14. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403, m.nt. Rozemond. Zie hierover onder meer M.J. Vetzo, ‘Strafbare poging en formeel omschreven delicten: een bespreking naar aanleiding van HR 30 juni 2015, NJ 2015/403’, DD 2016/73. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:975, NJ 2020/244. Vgl. onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14. Zie voor dit treffende voetbaljargon: K. Rozemond, ‘De algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in het licht van de pogingsjurisprudentie van de Hoge Raad’, DD 1994, p. 651-675, m.n. p. 659. Zie vooral de gedifferentieerde benadering in de hiervoor genoemde dissertatie van Arendse. Zie verder De Hullu, a.w. p. 399-400 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 226-230. De Hullu, a.w. p. 399; A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.1 bij art. 45. Zie onder meer de noot van Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318, onder 4. Kelk, a.w. p. 416-417 en 423-424 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 226-230. Zie ook Arendse, a.w., p. 50-51 en 139-140. Zie hierover ook Arendse, a.w., p. 139-140 en M.J. Vetzo, ‘Strafbare poging en formeel omschreven delicten: een bespreking naar aanleiding van HR 30 juni 2015, NJ 2015/403’, DD 2016/73. Zie zijn eerder genoemde noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403. HR 20 juni 1989, NJ 1990/32. Zie ook ten aanzien van een autorit naar Roemenië in verband met het begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van heroïne: HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95. Arendse, a.w., p. 135. Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de ontwikkeling van de rechtspraak ten aanzien van medeplegen. Zie hierover de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23. HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7754; HR 9 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0161, NJ 1998/386; HR 2 oktober 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AB8090, NJ 1985/271, m.nt. A.C. ’t Hart. Zie over het belang hiervan ook Arendse, a.w., p. 81. Vgl. HR 8 september 1987, NJ 1988/612. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358, m.nt. Keijzer. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen voorafgaand aan HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1975, onder 14, onder verwijzing naar HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517 m.nt. Keijzer. Vgl. HR 3 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8227, NJ 1984/375 en Rechtbank Gelderland 9 november 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6037, waarnaar de steller van het middel ook verwijst. Zie Arendse, a.w., p. 138 en verder bijvoorbeeld HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403, m.nt. Rozemond. Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:221, NJ 2020/141, m.nt. Vellinga. Zie hierover uitgebreider de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187 (ECLI:NL:PHR:2019:1286). Vgl. ook zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:124, onder punt 15) voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:472, onder punt 10), voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162. In dat verband kan worden gewezen op HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga. Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23. Vgl. HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga. Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725. Vgl. in dit verband ook HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178. Zie hierover ook H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 222-223. Vgl. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162. In de Opel Astra is ook een telefoon aangetroffen met een IMEI-nummer dat gekoppeld is aan een telefoonnummer waarvan de verdachte gebruikmaakte. Onderdeel van het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het hof op 3, 5, 6, 7 en 24 februari 2020, vanaf p. 24. Met weglating van een voetnoot. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8. Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725. Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9025, rov. 3.3 en 3.4. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers, onder verwijzing naar HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992. Zie meer in het bijzonder ten aanzien van bekendheid met de specifieke kenmerken van het wapen: HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507, NJ 2020/253. Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725. Vgl. in dit verband ook HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178. Zie hierover ook H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 222-223. Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725. Vgl. HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3572.