PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02281 Zitting 30 november 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte. I. Inleiding De verdachte is bij arrest van 23 juli 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens onder meer het onder 1 bewezenverklaarde feit “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest. Namens de verdachte heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. De middelen bevatten klachten over de motivering van de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde en de verwerping door het hof van een namens de verdachte gevoerd bewijsverweer. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de door het hof voor de bewezenverklaring van feit 1 gebruikte bewijsconstructie weer, alsook het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer (het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt) en een deel van de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring. II. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen 4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat: “hij op 19 april 2019 te Delft, een goed te weten een fiets (merk Spirit) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof” 5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 19 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019105571-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op vrijdag 19 april 2019 bevond ik mij op de Westlandseweg te Delft. Ik zag vanaf de Krakeelpolderweg een man, die ik herkende als [verdachte] , met een zwarte fiets aan zijn hand naar de Papsouwselaan lopen. Ik ben achter hem aan gereden en toen ik naast hem reed zag ik dat er geen sleutel in het slot van de fiets was. Ik gaf verdachte de cautie en vroeg waarom er geen sleutel in het slot zat. Ik hoorde verdachte zeggen dat hij dat niet wist. Ik heb verdachte op vrijdag 19 april 2019 te 15:01 aangehouden ter zake heling danwel diefstal. 2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019105571-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar Naar aanleiding van de heling/diefstal fiets gepleegd door de verdachte [verdachte] , heb ik nader onderzoek ingesteld naar de fiets. Onderzoek aan de fiets laat zien dat er geen braakschade is aan het U slot welke vast aan de fiets is bevestigd. Het fietsslot was anders geopend dan door een fietssleutel. Betreft de fiets met framenummer [001] merk Spirit en zwart van kleur, welke op 19 april 2019, te 15:01 uur, bij de verdachte [verdachte] in beslag is genomen. 3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019105571-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 52 e.v.): als verklaring van de verdachte: V: Je bent aangehouden voor heling cq diefstal van een fiets. Hoe kom je aan die fiets? A: Van een neef van mij. V: Wat is het merk van die fiets? A: Spirit Dit is de eerste keer dat ik bij mijn neef kwam omdat hij pas verhuisd is. V: Waarom zat er geen sleutel in het fietsslot? A: Dat moet je niet aan mij vragen. Dat weet ik niet. 4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 9 juli 2020, inhoudende: Over feit 1 wil ik niks zeggen. Ik heb de fiets van een neef/vriend geleend. Het staat al in mijn verklaring bij de politie. Het was wel raar dat er geen sleutel was en dat het slot open was, maar wat kan ik doen. Ik wilde lekker fietsen.” III. Ter terechtzitting gevoerd bewijsverweer en aldaar afgelegde verklaring van de verdachte 6. Het hof heeft een in hoger beroep voorgedragen verweer van de raadsvrouw als volgt samengevat en verworpen: “Bewijsoverweging feit 1 De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig bepleit dat geen sprake is van schuldheling nu uit het dossier niet blijkt dat de fiets was gestolen en uit het dossier evenmin kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de fiets wist of had kunnen weten dat deze van misdrijf afkomstig was. Het hof overweegt als volgt. Op basis van het dossier staat vast dat het slot van de betreffende fiets open was, maar niet was voorzien van een sleutel. De verdachte heeft dit erkend en heeft daarover verklaard dat hij de fiets zo in handen heeft gekregen en geen onderzoek heeft verricht naar de oorzaak van het aldus geopende slot. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het wel een beetje gek vond dat er geen sleutel in het slot zat. De fiets verkeerde - blijkens de zich in het dossier bevindende foto's - in goede staat. Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt. Deze omstandigheid had de verdachte tot voorzichtigheid en nader onderzoek moeten nopen. Nu de verdachte geen enkel onderzoek heeft gedaan en op dit punt ook geen navraag heeft gedaan bij degene van wie hij de fiets geleend had, is hij tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht en had hij minst genomen redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fiets was gestolen, zodat sprake is van schuldheling. Het hof verwerpt aldus het verweer van de raadsvrouw.” 7. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2020 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “Heling fiets 2. [verdachte] heeft de fiets geleend en dat is niet strafbaar. Er zijn geen directe bewijsmiddelen voorhanden waaruit blijkt dat de fiets gestolen is, maar ook niet dat hij wist, had moeten of kunnen weten dat de fiets van misdrijf afkomstig was. Het dossier geeft daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. 3. Uit het dossier blijkt dat de politie [verdachte] op enig moment ziet lopen met een fiets, en omdat hij een oude bekende is, is de politie hem gaan volgen. De politie constateert aan de fiets slechts dat in het (originele) slot geen sleutel zit, waarop hij wordt aangehouden wegens diefstal c.q. heling. 4. Niet geconstateerd wordt dat bijvoorbeeld de fiets schade had (ter hoogte van het veiligheidsslot), het framenummer was weg gevijld, onderdelen zijn veranderd of de dealersticker was verwijderd. Dat zijn belangrijke indicaties dat er gerommeld is met een fiets om de strafbare afkomst te verhullen. […] 7. Er is geen misdrijf bekend ten aanzien van de fiets; er is geen aangifte en ook het plaatsen van een foto van de fiets op Facebook heeft tot nu toe kennelijk niets opgeleverd. Er is geen indicatie dat er sprake is van verhulling van een misdrijf, en ook de onderzoeksplicht reikte niet verder, temeer nu vanwege het ontbreken van die indicatoren dit van [verdachte] niet gevergd hoefde te worden. […] Conclusie […] Uit de bewijsmiddelen in onderhavige zaak kan niet zonder meer blijken dat de fiets van een misdrijf afkomstig was en ten tijde van het voorhanden hebben [verdachte] wist of had kunnen weten dat de fiets van een misdrijf afkomstig was. Er was onder de gegeven omstandigheden, bij gebreke van duidelijke indicaties zoals beschadigingen of veranderingen aan de fiets, ook geen nadere onderzoeksplicht. [verdachte] moet derhalve van dit feit worden vrijgesproken.” 8. Volgens datzelfde zittingsverbaal heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard: “Over feit 1 wil ik niks zeggen. De fiets was niet gestolen. Ik heb de fiets van een neef/vriend geleend. Hij is bang om te praten met de politie. De voorzitter houdt voor dat er tegenstrijdige verklaringen zijn. Eerst verklaart de verdachte dat de fiets niet is gestolen en later dat hij komt van een neef/vriend. De verdachte vervolgt zijn verklaring. Het staat al in mijn verklaring bij de politie. Volgens mij was de fiets niet gestolen. Het was wel raar dat er geen sleutel was en dat het slot open was, maar wat kan ik doen. Ik wilde lekker fietsen.” IV. De middelen en de bespreking daarvan 9. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd en ter zitting voorgedragen standpunt van de verdediging “dat er geen sprake is van heling van een fiets en van verdachte geen nader onderzoek gevergd had mogen worden”. De steller van het middel voert daarbij in het bijzonder aan dat het hof onder de gegeven omstandigheden niet “als feit van algemene bekendheid [had] mogen aannemen dat de fiets gestolen was op grond van het enkele feit dat de sleutel van het originele slot ontbrak”. 10. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en “het hof de verdediging een responsiemogelijkheid heeft onthouden aangaande en voor het eerst bij arrest aangenomen feit van algemene bekendheid waardoor het beginsel van fair trial is geschonden”. 11. Aangezien beide middelen met deels overlappende klachten opkomen tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde, en in het bijzonder klagen over het door het hof in zijn bewijsoverweging aangemerkte feit van algemene bekendheid, lenen de middelen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ik bespreek eerst de klachten over het door het hof als feit van algemene bekendheid aangemerkte gegeven dat “een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt”. Daarna volgt een bespreking van de resterende klachten, die de middelen richten tegen de motivering van de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling. Bespreking van de klachten over het door het hof aangemerkte feit van algemene bekendheid 12. Bij de bespreking van deze klachten kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 339, tweede lid, Sv bepaalt dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid betreffen gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen; voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. De rechter is niet verplicht om een gegeven dat evident van algemene bekendheid is bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake te brengen. Als echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een gegeven dat van algemene bekendheid is, dient de rechter dat gegeven bij de behandeling ter terechtzitting aan de orde te stellen. Daarmee wordt voorkomen dat de rechter zijn beslissing (mede) baseert op gegevens die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven zodat zij zich daarover ook niet hebben kunnen uitlaten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van art. 359, tweede lid, Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid. 13. Hetgeen de verdediging ter terechtzitting met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 naar voren heeft gebracht, kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. 14. Het hof heeft geoordeeld dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt. Nu het hof niet heeft verwezen naar een bron waaruit dat gegeven kan worden afgeleid, is volgens het hof kennelijk sprake van een algemene ervaringsregel die eenieder geacht moet worden te kennen. Ook ligt in het oordeel van het hof besloten dat de wetenschap van deze ervaringsregel geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Aangezien het hof de juistheid van, en de bekendheid met, de algemene ervaringsregel niet ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld, is het hof voorts kennelijk van oordeel dat zonder meer duidelijk is dat de voormelde ervaringsregel betrekking heeft op een gegeven van algemene bekendheid. Voor zover deze oordelen besloten liggen in de bewijsoverweging van het hof geven zij – in het licht van wat hiervoor in randnummer 12 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 15. Dan de vraag naar de begrijpelijkheid van de in de bewijsoverweging besloten liggende oordelen. Dat een aangetroffen fiets onder bepaalde omstandigheden op grond van algemene ervaringsregels als uit enig misdrijf afkomstig kan worden aangemerkt, is zonneklaar. Zo zal dat het geval zijn als een nieuwe fiets op een ongebruikelijke plaats en tijdstip, en voor een te lage prijs, te koop wordt aangeboden terwijl op die fiets duidelijke braaksporen zichtbaar zijn. Dan is immers redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar dat de kenmerken van de fiets, en de omstandigheden waaronder de fiets te koop wordt aangeboden, erop duiden dat de fiets van misdrijf afkomstig is en is voorts duidelijk dat eenieder geacht moet worden van deze uit de algemene ervaring volgende kennis op de hoogte te zijn. Dat feit van algemene bekendheid biedt dan grond voor het oordeel dat (het niet anders kan zijn dan dat) een onder dergelijke omstandigheden aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betreft als bedoeld in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. 16. Zo duidelijk als in het hiervoor gegeven voorbeeld ligt het in de voorliggende zaak niet. In de onderhavige zaak heeft het hof namelijk enkel de vaststelling dat de bij de verdachte aangetroffen fiets in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt ten grondslag gelegd aan het oordeel dat het een feit van algemene bekendheid betreft dat een onder die omstandigheden aangetroffen fiets uit enig misdrijf afkomstig is. Deze door het hof in aanmerking genomen omstandigheid kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat die fiets op basis van een algemene ervaringsregel uit enig misdrijf afkomstig is. Weliswaar is het – zoals de verdachte blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring die het hof als bewijsmiddel 4 heeft gebezigd – “wel raar dat er geen sleutel was en het slot open was”, maar een redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar gegeven dat de fiets om die reden van misdrijf afkomstig was, kan ik daarin nog niet zien, laat staan dat ten aanzien van dat gegeven zonder meer kan worden gesteld dat het voor eenieder bekend moet worden geacht. 17. Voor een begrijpelijk oordeel van het hof waren nadere vaststellingen nodig over de manier waarop, en de omstandigheden waaronder, de fiets bij de verdachte is aangetroffen die er – zoals in het hiervoor in randnummer 15 gegeven voorbeeld – onmiskenbaar op wijzen dat de fiets een door misdrijf verkregen goed betrof. Nu deze nadere vaststellingen ontbreken, is niet zonder meer begrijpelijk het oordeel van het hof dat sprake is van een evident feit van algemene bekendheid zodat de in de bewijsoverweging genoemde ervaringsregel ter terechtzitting niet ter sprake behoefde te worden gebracht. Dat brengt mee dat de middelen terecht zijn voorgesteld voor zover zij klagen over het door het hof in de motivering van de bewezenverklaarde schuldheling betrokken feit van algemene bekendheid dat “een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt”. 18. Deze terecht voorgestelde klachten behoeven echter alleen tot cassatie te leiden als de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling niet toereikend is gemotiveerd na weglating van het deel van de bewijsoverweging van het hof over het aangemerkte feit van algemene bekendheid. Het antwoord op de vraag of deze klachten mijns inziens daadwerkelijk tot cassatie moeten leiden, zal ik hierna geven bij de bespreking van de twee resterende klachten over de motivering van het onder feit 1 bewezenverklaarde. Bespreking van de twee resterende klachten over de motivering van de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling 19. Bij de bespreking van de resterende klachten kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr bepaalt – onder meer – dat hij die een goed voorhanden heeft terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zich schuldig maakt aan schuldheling. Voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat het goed dat de verdachte voorhanden had een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Als het gaat om heling van een goed dat van het misdrijf diefstal afkomstig is, zal bij de bewijsmiddelen vaak een aangifte van diefstal van het betreffende goed zijn opgenomen. In het geval dat een bewijsmiddel ontbreekt waaruit direct kan worden afgeleid dat het een van diefstal afkomstig betreft, kan de rechter evenwel op basis van uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden komen tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het betreffende goed van diefstal afkomstig, en dus door misdrijf verkregen, is. 20. Voor een bewezenverklaring van schuldheling is voorts vereist dat is vastgesteld dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het goed dat hij voorhanden had door misdrijf was verkregen. Van het hier bedoelde vermoeden is sprake als de verdachte grof of aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest ten aanzien van de herkomst van het goed. De voor een bewezenverklaring van schuldheling vereiste onvoorzichtigheid bestaat in het geval dat de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezenverklaard. Voorts geldt dat voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte het in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr bedoelde vermoeden had “ten tijde van het voorhanden krijgen” van het door misdrijf verkregen goed. Wat van de verdachte aan in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De eerste ‘resterende’ klacht (“door misdrijf verkregen goed”) 21. De middelen bevatten de klacht dat niet zonder meer uit de door het hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft bewezenverklaard, de bij de verdachte aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betrof. 22. In de onderhavige zaak blijkt niet direct uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de fiets die de verdachte voorhanden had door misdrijf was verkregen. In zijn bewijsoverweging is het hof klaarblijkelijk van de misdadige herkomst van de fiets uitgegaan op basis van de vaststellingen dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.