PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01869 P Zitting 12 oktober 2021 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de betrokkene. 1. Het gerechtshof Arnhem Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 17 juni 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 123.781,77 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. 2. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene, verschillende andere aanhangige straf- en ontnemingszaken tegen de betrokkene alsmede met de aanhangige straf- en ontnemingszaak van de medeverdachte. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 4. Het middel klaagt over de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In het bijzonder behelst het middel de klacht dat het oordeel van het hof dat dient te worden uitgegaan van vier eerdere oogsten onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. 5. Het hof heeft in het bestreden arrest, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “ De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 juni 2020 (parketnummer 21-001259-17) onder andere ter zake van het telen en aanwezig hebben van hennep veroordeeld tot straf. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 123.781,77 (honderddrieëntwintigduizend zevenhonderdeenentachtig euro en zevenenzeventig cent). Het hof komt als volgt tot deze schatting: Tijdens de doorzoeking in de woning en daarbij behorende schuur gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], welke koopwoning op naam stond van betrokkene, is op 13 november 2012 een hennepkwekerij en een kleine hennepdrogerij aangetroffen. Volgens de informatiestaat SKDB-persoon heeft betrokkene zich op 31 juli 2011 ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats]. Uit het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nummer 2012150577, dat op 16 april 2013 in de wettelijke vorm is opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie, volgt uit informatie van het GBA dat de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] voor het laatste bewoond is geweest tot 31 juli 2011 door betrokkene en zijn gezin. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft betrokkene verklaard dat hij en zijn gezin op de [a-straat] niet konden wennen en dat zij in juni 2011 van de woningbouwvereniging een andere woning kregen die zij eerst zeven of acht maanden hebben verbouwd alvorens die te betrekken. Volgens betrokkene zijn ze in het voorjaar van 2012 overgegaan naar de woning aan het adres [b-straat 1]. Betrokkene heeft ook verklaard dat hij zijn woning aan de [a-straat] niet te koop heeft gezet. Ook overigens is het hof niet gebleken dat de woning op enig moment te koop is gezet of is verhuurd. Daarnaast hebben buurtbewoners van de [a-straat 1] verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat nadat betrokkene met zijn gezin is verhuisd hij nog wel bij de woning is gezien. Zo heeft getuige [betrokkene 1] op 18 november 2012 verklaard dat betrokkene nadat hij verhuisd was nog wel alle dagen bij of in het huis kwam. Het hof gaat er vanuit dat betrokkene de woning aan de [a-straat] heeft aangehouden enkel met als bedoeling om daar een hennepkwekerij en -drogerij op te zetten. Hoewel er een sterke mate van vervuiling was, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene al voor de huur van de nieuwe woning een kwekerij in de woning aan de [a-straat] had. Het hof zal er derhalve vanuit gaan dat de kwekerij pas na 31 juli 2011 is opgebouwd. Het hof zal er verder in het voordeel van betrokkene van uitgaan dat hij enige tijd is kwijt geweest met de verbouwing van de nieuwe woning en dat hij niet eerder dan 1 november 2011 is begonnen met het telen van hennep in de [a-straat]. De periode tussen 1 november 2011 en 12 november 2012 bedraagt ruim een jaar. In een jaar kan er vijf keer worden geoogst. De laatste oogst is aangetroffen op 12 november 2012, zodat betrokkene vier oogsten heeft kunnen verkopen.” 6. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof met zijn vaststellingen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.