PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03495 Zitting 30 november 2021 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte.
- Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 oktober 2020 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.
- Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
- Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.
- De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Het hof heeft de verdachte met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
- De stukken van het geding houden wat betreft de procesgang in hoger beroep, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:a. een akte van hoger beroep van 29 mei 2019 waarin als adres van de verdachte is vermeld: “[a-straat 1] , [plaats]”;b. een schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450 lid 1 onder b Sv die aan die akte is gehecht waarin als adres is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding: “[b-straat 1] te [plaats]”. c. een akte van uitreiking die aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep is gehecht en die inhoudt dat die appeldagvaarding op 1 september 2020 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats] , dat een bericht van aankomst is achtergelaten, de appeldagvaarding op de afhaallocatie niet is afgehaald en retour is gezonden naar de afzender;d. dat de appeldagvaarding na verificatie van het BRP-adres op 10 september 2020 is uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan en dat een afschrift is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats] ;d. het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat inhoudt dat de verdachte daar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.
- De vermelding van het adres [b-straat 1] te [plaats] in de schriftelijke volmacht kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
- Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van het derde lid van artikel 36g Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
- Het middel is terecht voorgesteld.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG