ECLI:NL:PHR:2021:168
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01194 J Zitting 2 maart 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte.
Inleiding De verdachte is bij arrest van 13 maart 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens subsidiair “medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van in de aan het arrest gehechte beslaglijst vermelde nog niet teruggegeven voorwerpen, en de teruggave gelast van één in de beslaglijst vermeld voorwerp. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en voor hetzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel in de zin van art. 36f Sr aan de verdachte opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel: bewijs van op de uitkijk staan 3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan worden afgeleid dat de verdachte bij het gronddelict opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat: “subsidiair [betrokkene 1] op 23 april 2017 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat 1] ) heeft weggenomen een (trouw)ring en een zilveren broche, toebehorende aan [benadeelde] , waarbij die [betrokkene 1] zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat die [betrokkene 1] die [benadeelde] (met kracht) tegen een kast heeft geduwd en die [benadeelde] in/tegen het gezicht heeft gestompt, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest door tegen die [betrokkene 1] te zeggen dat hij naar voornoemde woning moest komen en door op de uitkijk te staan;”
Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Verdachte ontkent dat hij die avond de telefoon gebruikt heeft. Aan de hand van het dossier kan ook niet vastgesteld worden dat verdachte dit geweest is. Het telefoonnummer staat niet op zijn naam, er is geen stemherkenning geweest, verdachte is niet te zien op camerabeelden en de telefoon is aangetroffen op de gemeenschappelijke slaapkamer van verdachte en zijn broer. Bovendien is van de andere tap ook niet vast te stellen dat het de broer van verdachte is, die dit gesprek voert waarin de naam [verdachte] genoemd wordt.
Oordeel hof Het hof overweegt als volgt en sluit zich daarbij aan bij de rechtbank en neemt de bewijsmiddelen over die de rechtbank in het vonnis heeft gebezigd. [benadeelde] heeft verklaard dat zij op 23 april 2017 omstreeks 20.00 uur op de eerste etage van haar hoekwoning aan de [a-straat 1] in [plaats] was. Toen zij de slaapkamer inliep zag zij dat er een man op zijn knieën voor het nachtkastje zat. Zij zag dat deze man de lades van het nachtkastje aan het doorzoeken was. Op dat moment begon zij te gillen. Haar man is doof en was beneden aan het televisiekijken. Terwijl zij aan het gillen en schreeuwen was, zag [benadeelde] dat de man opstond en in haar richting kwam lopen. De man duwde haar met enige kracht tegen de kledingkast. Vervolgens stompte de man haar tegen haar gezicht. [benadeelde] heeft verder verklaard dat haar trouwring, die op het nachtkastje lag, en een zilveren broche waren weggenomen. Aan het raam op de eerste etage van de woning, boven de uitbouw, was braakschade zichtbaar. [betrokkene 3] , de echtgenoot van [benadeelde] , heeft verklaard dat hij op 23 april 2017 omstreeks 20.20 uur iemand aan de achterzijde van de woning van het platte dak zag afspringen en zag wegrennen in de richting van de flat aan de [a-straat] .
Op camerabeelden van de flat aan de [a-straat] in [plaats] van 23 april 2017 is te zien dat de medeverdachte [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) om 19.55.00 uur richting de plaats delict loopt. Verder is te zien dat om 19.57.39 uur een scooter richting de plaats delict rijdt. Om 20.16.02 uur is [betrokkene 1] op de beelden te zien en het lijkt erop dat hij sokken over zijn handen heeft en dat hij iets in zijn rechterhand heeft. Om 20.16.57 uur is een persoon met donkere kleding en rode slippers zonder sokken te zien. Deze persoon is aan het bellen. Om 20.37.03 uur is [betrokkene 1] op de beelden te zien met een blauw trainingspak aan.
Het telefoongesprek van 23 april 2017 om 19.44.53 uur tussen [betrokkene 1] en verdachte houdt onder meer het volgende in:
F = [betrokkene 1] I = [verdachte] F = Yo nigger I = Ej, luister dan ej F = Heh...
I = Je weet toch die oeko osso (opmerking verbalisant oekoe osso is straattaal voor hoekhuis) F = Ja I = Die... (zin wordt afgemaakt in onbekende taal) F = Wolla I = Wolla, maar je weet toch die dove F = Ja I = Hij is daar zo beneden je weet wel. Hij kijkt gekke daar zo naar beneden.
Het telefoongesprek van 23 april 2017 om 20.09.19 uur tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte] houdt onder meer het volgende in:
F: houd die tele aan, houd die tele... aan A: Ja, is goed, waar zijn jullie A: Wie?? [verdachte] ! [verdachte] ...die jongens staan daar al...
F: Kijk hoe makkelijk het klimmen is, gewoon, kanker makkelijk, die hoerenzoon.
Ja. ..kijk…ik ga nu, maar kijk maar, die kanker, kanker muur... blijf gewoon staan bitch, eigen kanker buurt... is jouw buurt vriend, als de politie hier langs komt, dan weetje... het is onze buurt. (...) F: Haal je sokken eruit, jij hebt slipjes, haal je sokken eruit. (...) F: Ik zweer op Allah en snel, snel, snel... ja, alle twee... Wat zei je nou... kijk vriend.., in die woning... kijken in die... euhh...kanker moer, kanker moer... die homo... shittt... doe die sokken vriend, ik zweer op Allah, datje ze niet terug krijgt.
F: niemand gaat mij daar boven zien, hai... Mulla??? (...) (schuifgeluiden) (...) (loopbeweging) ***************hard geschreeuw op de achtergrond*********** A: Rustig, rustig, rustig aan. Rustig aan. Rustig aan. Hij zag je, hij zag je, hij zag je, snel, snel, snel, snel. Hij zag... kanker terug... (rennend beweging)... weg, weg, weg, weg, weg, weg... zweer op Allah.
F: Ik ben al weg, ik ben al weg (...) Het telefoongesprek van 23 april 2017 om 20.16.42 uur tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte] houdt onder meer het volgende in: (...) F: Ik ben allang er uit. Ik ga even naar osso andere broek aan doen. (...) Het telefoongesprek van 23 april 2017 om 21.44.06 uur tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] houdt onder meer het volgende in: (...) F: Ik zweer op Allah, ik ben daar naar...(ntv)... binnen en toen kwam een vrouw op mij af en die hield mij van achteren, op mijn rug!!!
M: Waarom?
F: Ik was aan het spelen in huis, Ik was in huis aan het spelen... (...) F: Zij kwam later en hield mij vast (…) Overweging Het hof stelt – ook hier met de rechtbank en sluit zich aan bij de overwegingen uit het vonnis – op basis van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat medeverdachte [betrokkene 1] op 23 april 2017 een woninginbraak heeft gepleegd waarbij geweld is gebruikt. De inhoud van de tapgesprekken en de tijdstippen waarop deze zijn gevoerd, worden ondersteund door camerabeelden en de aangifte. Zo wordt om 19:44 uur telefonisch aan [betrokkene 1] doorgegeven dat ‘die dove’ van ‘de hoekosso’ beneden is en dat [betrokkene 1] daarheen moet gaan. De woning van aangeefster betreft een hoekwoning en haar man is doof en was op de desbetreffende avond beneden televisie aan het kijken. Op de camerabeelden van de flat is te zien dat [betrokkene 1] rond 19:55 in de richting van de woning van aangeefster loopt. Over de tap is te horen dat [betrokkene 1] rond 20:09 aangeeft dat het makkelijk klimmen is en dat de sokken uit de slipjes moeten worden gehaald. Bij de inbraak in de woning van aangeefster is de woning betreden via de eerste verdieping. Vervolgens is op de tap hard geschreeuw te horen en wordt telefonisch tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij weg moet gaan en dat ‘hij’ hem gezien heeft.
Uit de aangifte blijkt dat aangeefster [betrokkene 1] heeft overlopen. Uit de getuigenverklaring van de echtgenoot van aangeefster, [betrokkene 3] , blijkt dat hij de inbreker van de eerste verdieping heeft zien afspringen en weg zien rennen in de richting van de flat aan de [a-straat] . Op de camerabeelden van de flat aan de [a-straat] is [betrokkene 1] om 20:16 te zien waarbij het erop lijkt dat hij sokken over zijn handen draagt.
De volgende vraag die het hof moet beantwoorden is of verdachte medeplichtig is geweest aan de woninginbraak, door aan [betrokkene 1] telefonisch de tip te geven naar de woning van aangeefster te gaan en daar vervolgens op de uitkijk heeft gestaan terwijl [betrokkene 1] de inbraak pleegde.
In dat kader heeft de verdediging aangevoerd dat het niet verdachte is geweest die op 23 april 2017 het telefoongesprek om 19:44:53 uur heeft gevoerd. Dit verweer wordt door het hof verworpen. Het desbetreffende gesprek vindt plaats tussen het telefoonnummer van [betrokkene 1] en het nummer eindigend op [0001] . Uit de CIOT-bevraging op het telefoonnummer eindigend op [0001] blijkt dat dit telefoonnummer gekoppeld is aan het woonadres van verdachte, namelijk [a-straat 2] . Daarnaast is gebleken dat de gebruiker van het telefoonnummer een aantal keer [verdachte] wordt genoemd. Er staat slechts één [verdachte] ingeschreven op de [a-straat 2] , te weten verdachte.Op basis van vorenstaande stelt het hof vast dat verdachte die avond de gebruiker is geweest van het telefoonnummer eindigend op [0001] . Het verweer van verdachte dat iemand anders gebruik heeft gemaakt van het desbetreffende telefoonnummer op 23 april 2017 om 19:44:53 uur is op geen enkele manier onderbouwd en blijkt nergens uit. Integendeel, uit de overige gesprekken in het dossier over 23 april 2017 blijkt dat de medeverdachten op 23 april 2017 gebruik maakten van andere telefoonnummers dan het nummer eindigend op [0001] . Voorts blijkt de betrokkenheid van verdachte bij de woninginbraak op 23 april 2017 uit het tapgesprek van 20:09:19 waarin verdachte door een medeverdachte wordt geroepen.
Gelet op vorenstaande stelt het hof vast dat verdachte het hierboven vermelde telefoongesprek van 23 april 2017 om 19.44.53 uur heeft gevoerd met [betrokkene 1] . In dat telefoongesprek wordt aan [betrokkene 1] doorgegeven dat ‘die dove’ van ‘de oekoe osso’ [het hof begrijpt: hoekwoning] beneden is. Gelet op de inhoud van dat telefoongesprek en op de overige gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij naar de betreffende woning moest komen en dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan op het moment dat [betrokkene 1] in de betreffende woning heeft ingebroken, waarbij de diefstal vergezeld is gegaan en gevolgd is door geweld.Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan de inbraak die [betrokkene 1] heeft gepleegd.”
In dat verband heeft de raadsvrouw tevens opgemerkt dat in ontlastende zin moet worden meegewogen dat de verdachte in tegenstelling tot de medeverdachten niet zichtbaar is op de diverse uitgekeken camerabeelden en dat de betrokkenheid van de verdachte niet kan worden afgeleid uit het tapgesprek van 20:09:19 uur, omdat van roepen geen sprake was en de context waarin de verdachte zou zijn ‘geroepen’ volledig ontbreekt. Voor het geval het hof mocht menen dat de verdachte strafrechtelijk kan worden verweten dat hij degene is geweest die op 23 april 2017 om 19:44:53 uur het telefoongesprek met medeverdachte [betrokkene 1] heeft gevoerd, is verzocht de verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde omdat het enkele geven van inlichtingen voorafgaand aan de diefstal onvoldoende is om medeplegen aan te nemen.
Wat betreft de vraag of het telefoongesprek om 19:44:53 uur voldoende is voor medeplichtigheid, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Kennelijk heeft het hof aan deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de gevolgtrekking verbonden dat de verdachte ten tijde van de inbraak evenals medeverdachte [medeverdachte] op de uitkijk heeft gestaan. Deze aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de bewijsmiddelen acht ik al met al niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden, waarbij ik mede in aanmerking neem dat het in hoger beroep ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit gevoerde verweer steunt op de stelling dat de verdachte niet de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op [0001] .
De raadsvrouw van de verdachte heeft in zoverre in hoger beroep geen verweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is het op de uitkijk staan naar het mij voorkomt niet van wezenlijke zelfstandige betekenis. In de strafmotivering heeft het hof weliswaar vooropgesteld dat de verdachte medeplichtig is geweest aan een woninginbraak “door de tip voor de woninginbraak te geven en tijdens de inbraak op de uitkijk te staan”, maar – anders dan de stellers van het middel – maak ik daaruit niet op dat het hof aan deze cumulatie van behulpzaamheden in het kader van de straftoemeting zelfstandig gewicht heeft toegekend. Het hof heeft de ernst van de woninginbraak en de rechterlijke oriëntatiepunten ter zake van diefstal met braak uit een woning tot uitgangspunt genomen en daarnaast rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte en de uit het reclasseringsadvies naar voren komende persoonlijkheid van de verdachte.
Het tweede middel: onttrekking aan het verkeer 15. Het tweede middel klaagt dat de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
Slotsom 33. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Blijkens de akte partiële intrekking cassatie van 5 november 2020 is het cassatieberoep niet gericht tegen de vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit.
De aanhef van het bestreden arrest vermeldt – naar ik aanneem per abuis – dat het een “verkort arrest” betreft. Een aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv trof ik onder de gedingstukken niet aan.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal in het onderzoek 032HICKLAAR, genummerd MD3RO 17503, opgemaakt door de politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijk vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Proces-verbaal aangifte, pagina 6 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal aangifte, pagina 7 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal Sporenonderzoek, pagina 24 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 22 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal tijdlijn beelden [a-straat] 23 april, pagina 39 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal tijdlijn beelden [a-straat] 23 april, pagina 40 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal tijdlijn beelden [a-straat] 23 april, pagina 41 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal tijdlijn beelden [a-straat] 23 april, pagina 42 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal van bevindingen inbraak met geweld [a-straat 1] , pagina 46 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal van bevindingen inbraak met geweld [a-straat 1] , pagina’s 47 en 48 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal van bevindingen inbraak met geweld [a-straat 1] , pagina 48 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal van bevindingen inbraak met geweld [a-straat 1] , pagina’s 53 en 54 van zaaksdossier 4.
Proces-verbaal van verdenking, pagina 17 persoonsdossier [verdachte] .
Proces-verbaal, pagina 4 persoonsdossier [verdachte] .
Zie HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3436; HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:472, NJ 2017/153; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:650. Zie ook het overzichtsarrest inzake toepassing van art. 80a RO: HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen (rov. 2.5.2).
Opmerking AG: bedoeld zal zijn “dit arrest”.
Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 3, p. 50.
De Hoge Raad heeft de voorwaarden van art. 36b tot en met 36d Sr voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in de hoofdtekst bedoelde wet ook in jeugdzaken toegepast; zie HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5404.
In gevallen waarin de onttrekking aan het verkeer wordt bevolen bij rechterlijke uitspraak als bedoeld in art. 36b eerste lid, aanhef en onder 1° tot en met 3°, Sr wordt met ‘feit’ gedoeld op een op de voet van art. 261 Sv tenlastegelegd feit waarover bij de in art. 36b, eerste lid, aanhef en onder 1° tot en met 3°, Sr bedoelde rechterlijke uitspraak is beslist. Zie HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3504, NJ 2009/442 en in in iets andere bewoordingen HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1457.
Zie o.a. HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007/437 en HR 17 januari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU9728, NJ 2006/87.
Zie J.W. Fokkens, in Noyon-Langemeijer-Remmelink, art. 36c, aant. 1 (bijgewerkt t/m 1 september 2020) en F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 10.2.3.2.
Voluit de Wet van 25 februari 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, de Auteurswet 1912 en de Wet op de naburige rechten met het oog op de aanpassing van enkele strafbepalingen in verband met de verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PbEG L 341) en de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, Bijlage 1C, Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Trb. 1995, 130), Stb. 1999/110.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 848, nr. 3, p. 1-2.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 848, nr. 3, p. 2-3.
Zie (de conclusies voorafgaand aan) HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:870 (HR: art. 81, eerste lid, RO) en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1399 (art. 80a RO). Voor de terugwijzingsopdracht in de zaak die leidde tot HR 20 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3596, NJ 2007/182 werd de kwestie van belang geacht door mijn voormalig ambtgenoot Vellinga (zie zijn conclusie (onder 23) voorafgaand aan het arrest).
Welwillend gelezen klaagt het middel (in algemene zin) over de motivering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer. Het hierna in de hoofdtekst aan de orde gestelde punt wordt in de cassatieschriftuur evenwel niet aangeroerd.
Het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een opgelegde sanctie vormt nog altijd grond voor ambtshalve cassatie; zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 97-98. Nu het middel wel klaagt over de motivering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer, lees ik het middel in zoverre welwillend en laat ik de vraag of ambtshalve cassatie ook in een geval als het onderhavige is aangewezen buiten beschouwing. Vgl. voor een al wat ouder geval waarin de HR wel ambtshalve ingreep op een punt als dit: HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655.
HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655; HR 6 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1256, NJ 1999/25; HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1830, NJ 2006/410 en HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:216 (rov. 3.4.1).
Zie HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:216.
Vgl. bijv. HR 1 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3046 (bij verbeurdverklaring); HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3060; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2644.
Zo bijv. recent HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1718.