ECLI:NL:PHR:2021:249
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer18/04473 Zitting 16 maart 2021 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de verdachte.
De procedure in cassatie 1. De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens (1) “het bij een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam is, opschudding veroorzaken en na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijderen” en wegens (2) “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis. Ook heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid.
Het tweede middel 3. Ik geef de voorkeur aan een afwijkende volgorde bij de bespreking van de middelen en begin bij het tweede middel. Dit middel valt blijkens de toelichting uiteen in twee deelklachten.
De raadsman deelt mede – zakelijk weergegeven –:
U, voorzitter, vraagt naar de afwezigheid van mijn cliënt. Ik heb met hem afgesproken dat hij niet zou komen, hij heeft mij gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede – zakelijk weergegeven –:
Verdachte is door de politierechter op 19 mei 2016 vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Het openbaar ministerie heeft hier hoger beroep tegen ingesteld. In het dossier zit een appelschriftuur d.d. 13 juni 2016 van het openbaar ministerie en een appelschriftuur van 7 juni 2016 met onderzoekswensen van de verdediging. Het openbaar ministerie heeft geen onderzoekswensen, maar stelt dat er reeds op grond van het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is en de camerabeelden juist de verklaringen van de verbalisanten ondersteunen. De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om het horen van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , allen aanwezig bij verdachtes aanhouding en de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , beiden betrokken bij inbeslagname of teruggave van verdachtes telefoon. (…) De raadsman deelt mede – zakelijk weergegeven –:
Het gaat in de onderhavige zaak inderdaad om de camerabeelden. Ik ben in de gelegenheid gesteld om de beelden op de rechtbank te bekijken, ik ben niet in het bezit van de beelden. Ik zou ze graag opnieuw willen zien. Het gaat in mijn optiek met name om het moment van aanhouding van mijn cliënt. Die wijze van aanhouden komt niet overeen met het proces-verbaal van de verbalisanten. Uit de beelden blijkt ook dat verdachte op geen enkel moment de gelegenheid heeft gehad om verzet te plegen tegen zijn aanhouding. U, voorzitter, merkt op dat de beelden op zich wel duidelijk zijn en vraagt mij waarom ik dan toch het verzoek doe om meerdere verbalisanten te horen. Wij hebben met de verzoeken in de appelschriftuur willen anticiperen op het appèl van het openbaar ministerie. In het kader van de waarheidsvinding vind ik het van belang dat de bij de aanhouding betrokken verbalisanten worden gehoord ten overstaan van uw hof. U, voorzitter, houdt mij voor dat het, los van de camerabeelden, zo kan zijn dat de herinnering van de verbalisanten aan het gebeurde kan zijn zoals zij hebben gerelateerd en vraagt mij opnieuw wat een bevraging van de verbalisanten zou kunnen opleveren. Het gaat niet alleen om het onder 3 tenlastegelegde. Ook over het onder 1 en 2 tenlastegelegde zou de verdediging aan de verbalisanten vragen willen stellen. (…) De advocaat-generaal deelt mede – zakelijk weergegeven –: (…) Kort gezegd komt het erop neer dat de raadsman de verbalisanten wil confronteren met de beelden om dan kennelijk te kunnen constateren dat de beelden niet overeenkomen met het relaas van de verbalisanten. In het dossier zijn de beelden echter voorhanden en het is aan uw hof om te oordelen of deze beelden in overeenstemming met de processen-verbaal zijn. Ik zie in dit geval absoluut geen meerwaarde in het horen of confronteren van de verbalisanten. Het horen zal niets toevoegen aan de reeds in het dossier aanwezige beelden. (…) Mijns inziens dient het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 4] integraal te worden afgewezen.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede: (…) Ook het verzoek tot het horen van de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de aanhouding wordt afgewezen. Er zijn vele camerabeelden voorhanden waaruit blijkt van een in aanloop rustig verloop dat opeens lijkt te escaleren. Het hof kan zich op basis van de camerabeelden een goed oordeel vormen over de verschillende standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging. Daar doet een nadere verklaring van de verbalisanten ter terechtzitting niets aan toe of af. Het horen van deze verbalisanten is derhalve ook niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing.
Dit betekent direct dat de beelden erg belangrijk zijn voor de inhoudelijke behandeling. Het hof zou het erg op prijs stellen als de verdediging op voorhand aan kan geven of en op welke onderdelen die beelden ter terechtzitting getoond zouden moeten worden. Het hof hecht er in dit kader aan dat de raadsman in het bezit wordt gesteld van de beelden. (…).
De advocaat-generaal deelt mede – zakelijk weergegeven –:
Ik zal zorgen dat de raadsman in het bezit wordt gesteld van een kopie van de beelden (…). (…) Hierop schorst het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd en stelt de stukken in de handen van de advocaat-generaal teneinde een kopie van de beelden ten behoeve van de verdediging te laten maken en (…).
Het hof beveelt dat verdachte zal worden opgeroepen, tegen de datum en het tijdstip waarop met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
De voorzitter stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. L. Noordanus, advocaat te Lelystad.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
Er heeft eerder een (regie)zitting in deze zaak plaatsgevonden. Het hof is anders samengesteld. Op voorstel van het hof en met instemming van de advocaat-generaal, de verdachte en de raadsvrouw hervat het hof het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 14 maart 2017 bevond. De verdediging heeft de DVD met de beelden ontvangen.
De raadsvrouw voert aan:
Ik doe een verzoek om de beelden te tonen. Op het tweede beeld, vanaf 00.16 uur, is te zien dat cliënt in de nekklem wordt gelegd en zich niet verzet.
De voorzitter merkt op dat het hof de beelden heeft bekeken:
Er is niet te zien of er al dan geen verzet is geweest omdat dit onderdeel zich achter een motorkap afspeelt.
De oudste raadsheer merkt op:
Er is een beweging te zien maar geen nekklem. Zo moeten de beelden worden geduid.
Je kan iets een nekklem noemen zonder dat het een nekklem is. Verdachte wordt van achteren benaderd. Er gaat een linkerhand over zijn schouder. De rechterhand is niet goed te zien. De beschrijving van de handelingen is correct door de agenten weergegeven.
De verdachte reageert:
De manier waarop ik ben aangevallen door de agenten is door middel van een nekklem geweest.
De voorzitter deelt na beraad namens het hof mee:
De feiten zijn helder. U kunt vertellen over uw beleving en wat u daarbij voelde en heeft ervaren.
Het hof acht het op dit moment niet noodzakelijk om de beelden ter zitting te bekijken. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor. Door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld omdat het zich niet kan verenigen met de vrijspraken in deze zaak.
De verdachte verklaart:
Mijn ene broertje werd in de boeien geslagen en mijn andere broertje werd door een agent meegenomen en hij kreeg van die agent een vuistslag in het gezicht.
Ik ben daarom gaan filmen. Ik heb nog gevraagd aan de vrouwelijke agent of ik mocht filmen. Dat mocht. Zij pakte toen ook haar telefoon.
Ik liet mijn sleutels en pakje sigaretten vallen. En ik wilde dat oppakken. Volgens mij zei de agent toen dat ik de spullen niet mocht oppakken. Op het moment dat ik dat toch doe, wordt ik aangevlogen door die andere agent.
Ik weet nog dat er een discussie was over wel of niet oppakken. Ik heb voor zover ik me kan herinneren niets gezegd. Ik heb niet gescholden. Ik heb zeker geen woorden met kanker gebruikt. Dat zal ik nooit doen.
Ik ben aangevallen. Ik kreeg een nekklem en werd gesmoord. Er werd pepperspray gebruikt. Ik werd tegen de grond gewerkt.
Ik kan dan mijn arm niet bewegen omdat er een beer van een kerel op mij zit.
Wat kan ik inbrengen tegen een grote agent die getraind is? Ik kon mij niet verzetten. Hij zat met zijn knie in mijn rug. Ik greep naar zijn arm om lucht te kunnen krijgen en niet om me te verzetten.
Aanleiding voor dit alles van een lange discussie bij de kassa omdat wij geld wilden wisselen en de caissière dat niet wilde.
Ik heb enkel gevraagd of ik geld kon wisselen en verder heb ik het daar bij gelaten. Mijn broertjes gingen daar verder op in. Ik besef dat de caissière haar werk moet doen.
De raadsvrouw merkt op:
Op de camerabeelden is te zien dat de caissière het broertje een duw geeft. Dat broertje wil dan naar buiten maar moet binnen blijven. (…) De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en pleit als volgt:
Cliënt is niet schuldig aan de strafbare feiten die hem ten laste zijn gelegd.
Met betrekking tot feit 1 merk ik op dat uit het hele dossier ademt hoe de verbalisanten niet eerlijk zijn over hoe het die dag is gegaan ten aanzien van de aanhouding van cliënt.
De camerabeelden laten iets heel anders zien dan door de verbalisanten is gerelateerd in het proces-verbaal.
Daardoor zijn hun verklaringen ook niet geloofwaardig met betrekking tot de feiten 2 en 3. De broertjes van cliënt hebben dat ook bevestigd.
Er is mijns inziens geen sprake van een gegeven bevel. Verbalisant [verbalisant 3] houdt cliënt op afstand. Verbalisant heeft gezegd dat cliënt zijn sleutels later maar moet oppakken. Client maakt toch bewegingen naar voren om de sleutels te pakken. Mijns inziens was er toen geen sprake van een gegeven bevel.
Cliënt heeft ook de opschudding niet veroorzaakt. Hij heeft voldoende afstand gehouden en dat is ook te zien op de camerabeelden.
Het is opmerkelijk dat de beelden op de telefoon van cliënt zijn gewist. Cliënt kreeg de telefoon leeg terug. Deze beelden hadden duidelijkheid kunnen verschaffen.
Verbalisant [verbalisant 2] loopt richting cliënt met versnelde pas en pakt hem bij de nek. [verbalisant 2] is een grote man. Hij pakt cliënt van de achterkant vast en werkt hem tegen de grond.
Uit schrik reageert cliënt. Hij pleegt geen verzet. (…).
Primair bepleit ik vrijspraak voor alle feiten. (…).”
Op 24 september 2015 omstreeks 17.40 uur was ik in politie-uniform gekleed en met toezicht belast. Ik kreeg het verzoek om te gaan richting Albert Heijn aan de Hongarijeplaats te Almere.
Er was een ruzie in de winkel geweest. Drie personen hadden zich irritant en intimiderend gedragen.
Twee betrokken zijn aangehouden. Verdachte (het hof begrijpt: [verdachte] ) was in de directe omgeving van de aanhoudingen.
Ik zag dat verdachte een telefoon in zijn handen had en deze in de richting van ons hield, kennelijk om opnames van ons te maken. Tijdens het boeien en het transporteren naar het dienstvoertuig van de 2 aangehouden betrokkenen, zag ik dat de verdachte in de directe omgeving van ons bleef. Ik zag vervolgens dat de verdachte richting een collega liep. Ik zag dat de collega de verdachte een duw gaf om hem op afstand te houden. Ik zag dat de verdachte hierop wederom richting de collega liep. Ik hoorde vervolgens dat de verdachte luidkeels en in duidelijke verstaanbare woorden schreeuwde: ‘kankerjood, kankerjood’. Ik zag dat de verdachte direct richting de collega keek op een afstand van ongeveer een meter. Ik ben vervolgens in de richting van de verdachte gelopen en zag dat verdachte dicht op de collega stond en hem belemmerde normaal zijn werkzaamheden uit te voeren.
Op 24 september 2015 omstreeks 17.40 uur was ik in politie-uniform gekleed en met toezicht belast. Ik kreeg het verzoek om te gaan richting Albert Heijn aan de Hongarijeplaats te Almere. Omstreeks 17.45 uur zijn 2 verdachten aangehouden.
Ik zag dat een man, welke zich eerder bekend had gemaakt als [verdachte] , met zijn telefoon in zijn handen stond, kennelijk was hij mij en mijn collega aan het filmen. Ik zag dat [verdachte] op mij afstapte. Ik vertelde hem dat hij afstand moest houden. Ik stak mijn hand uit, zette mijn hand tegen de borst van [verdachte] en duwde hem naar achter. Ik vertelde hem dat hij mij en mij collegae ruimte moest geven om alles veilig af te handelen. Ik zag dat [verdachte] na mijn duw wederom een stap in mijn richting zette. Ik vertelde hem dat hij achteruit moest gaan. Ik zag dat zijn sleutels op de grond voor mijn voeten vielen. Ik zag dat hij naar beneden reikte. Ik wilde niet dat hij dichterbij kwam en vertelde hem achteruit te gaan en later zijn sleutels op te pakken.
Ik zag dat [verdachte] rechtop ging staan. Ik zag dat hij zijn tanden ontblootte en schreeuwde. Ik hoorde hem schreeuwen: “Kankerjood. Kankerjood”. Ik voelde mij hierdoor beledigd.
Ik doe aangifte van belediging, gepleegd op 24 september 2015 te Almere.
Ik was die dag werkzaam als agent van politie. Ik was in uniform gekleed en duidelijk herkenbaar.
De verdachte schreeuwde: “Kankerjood. Kankerjood.” Hij maakte hierbij oogcontact met mij. Ook wees hij met zijn hand in mijn richting.
Ik voelde mij door deze woorden van verdachte in mijn naam en goede eer aangetast.
Op donderdag 25 januari 2016 om 15.00 uur, heb ik verbalisant de beveiligingscamera beelden bekeken van de Albert Heijn aan de Hongarijeplaats te Almere. De beelden zijn gedateerd op donderdag 24 september 2015.
Ik heb het volgende bevonden:
Op camera Ingang Albert Heijn:
Ik zag dat op het moment dat collega [verbalisant 2] een van de drie personen aanhield, [verdachte] een voorwerp in zijn rechterhand vasthield.
Uit de verklaring van collega [verbalisant 2] bleek dat het een telefoon was.
Ik zag dat [verdachte] de telefoon gericht hield in de richting van waar de aanhouding plaats vond.
Ik zag dat hij de hele tijd de telefoon voor zich hield alsof hij aan het filmen was.
Ik zag dat [verdachte] de hele tijd om de aanhouding heen liep en vermoedelijk bleef filmen.
Ik zag dat hij meerdere malen door collega’s werd gesommeerd om weg te gaan.
Ik zag dat de collega zijn vlakke hand tegen de borst van [verdachte] zette en weg duwde.
Ik zag dat hij telkens terugkwam en tussen de collega’s door wilde lopen.
Ik zag dat [verdachte] de telefoon voor zich bleef houden alsof hij filmde.
Ik zag [dat] collega [verbalisant 3] handgebaren maakte tegen [verdachte] , dat hij weg moest gaan.
Ik zag dat [verdachte] niet weg ging en de telefoon vasthield alsof hij bleef filmen.
Ik zag dat collega [verbalisant 3] , [verdachte] met een (1) hand weg probeerde te duwen.
Ik zag dat [verdachte] naar de grond keek en naar voren probeerde te lopen, terwijl collega [verbalisant 3] hem tegen hield.
Ik zag dat [verdachte] drukke armbewegingen maakte en strak naar collega [verbalisant 3] bleef kijken.
Mijn ene broertje werd in de boeien geslagen en mijn andere broertje werd door een agent meegenomen en hij kreeg van die agent een vuistslag in het gezicht.
Ik ben daarom gaan filmen. Ik liet mijn sleutels en pakje sigaretten vallen. En ik wilde dat oppakken.”
Nu het hof verdachte vrijspreekt van het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde behoeft het verweer van de verdediging ter zake dit feit geen bespreking.
Overweging met betrekking tot het bewijs Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt hieromtrent in het bijzonder nog als volgt.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de betrokken verbalisanten niet volledig en betrouwbaar hebben verklaard. Dit blijkt ook uit het gegeven dat het proces-verbaal van bevindingen (uitlezen camerabeelden) d.d. 25 januari 2016 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , niet overeenkomt met wat er daadwerkelijk op de camerabeelden te zien is voor wat betreft de omschrijving van het aanbrengen van een nekklem. Derhalve zijn de processen-verbaal van de verbalisanten niet betrouwbaar en ongeloofwaardig, zodat verdachte bij gebrek aan betrouwbaar en consistent bewijs dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde, aldus de raadsvrouw.
Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen de betrokken verbalisanten te twijfelen. De verklaringen in alle processen-verbaal die zich in het strafdossier bevinden zijn op hoofdlijnen consistent en steunen elkaar op essentiële punten. Het hof heeft net als de advocaat-generaal en de verdediging buiten de zitting om kennis genomen van de camerabeelden. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw voor wat betreft de handelingen die door de politie werden verricht ter aanhouding van verdachte opmerkingen gemaakt. Hetgeen de raadsvrouw daarover opmerkt is naar het oordeel van het hot niet van zodanig gewicht dat daardoor het proces verbaal van bevindingen met daarin een beschrijving van hetgeen waar te nemen is op de camerabeelden, als onbetrouwbaar moet worden beschouwd. Het hof is van oordeel dat kan worden afgegaan op hetgeen door verbalisant [verbalisant 2] in de beschrijving wordt weergegeven over de wijze waarop verdachte zich al filmend in de directe omgeving van verbalisant [verbalisant 3] die aldaar op de openbare weg bij een aanhouding assisteerde, heeft opgehouden. Er is sprake van betrouwbaar bewijs. Vast is komen te staan dat op meerdere manieren en meerdere malen aan verdachte te kennen is gegeven dat hij afstand moest houden. Verdachte heeft daaraan geen gevolg gegeven.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw strekkende tot vrijspraak van het aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde en komt tot de navolgende bewezenverklaring.”
De eerste deelklacht 12. Zoals gezegd komt de eerste deelklacht van het middel op tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het vertonen van de camerabeelden ter terechtzitting en tegen de motivering van die beslissing.
De tweede deelklacht 21. De tweede deelklacht van het middel stelt de vraag aan de orde of het hof zijn oordeel over de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen omtrent de camerabeelden (bewijsmiddel 4) heeft doen steunen op zijn eigen waarneming buiten de zitting om en, zo ja, of het hof dat mocht doen. De steller van het middel beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend aangezien de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2018 kenbaar heeft gemaakt met het hof van mening te verschillen over wat er op de camerabeelden valt waar te nemen en zij heeft verzocht deze beelden ter zitting te (doen) tonen.
2.5.2. Aan het bepaalde in art. 340 Sv dat de waarneming van de rechter “bij het onderzoek op de terechtzitting” is gedaan, ligt ten grondslag dat de eigen waarneming van de rechter alleen als wettig bewijsmiddel kan meewerken tot het bewijs, indien ook zowel de verdachte en de raadsman als de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten bij de behandeling van de zaak (vgl. HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414).
2.5.3. Opnamen van beeld en/of geluid die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn dienen op de voet van art. 149a, tweede lid, Sv bij de processtukken te worden gevoegd, behoudens het bepaalde in art. 149b Sv. Van deze processtukken kan door de verdachte en zijn raadsman reeds voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting worden kennisgenomen (vgl. art. 33 Sv). Dat geldt ook indien het beeld- of geluidsmateriaal is opgenomen en vastgelegd op een gegevensdrager (art. 137 Sv). Voor zover beeld- of geluidsmateriaal dat voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang is, (nog) geen onderdeel uitmaakt van de processtukken, kan — al dan niet op verzoek van de verdachte (art. 34 Sv) of op bevel van de zittingsrechter (art. 315, eerste lid, Sv) — voeging daarvan door de officier van justitie plaatsvinden.
2.5.4. Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over de voeging bij de processtukken en de daarmee verband houdende mogelijkheid van kennisneming van beeld- of geluidmateriaal voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, staat de ratio van art. 340 Sv, zoals omschreven onder 2.5.2, er niet zonder meer aan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een buiten het verband van de terechtzitting gedane eigen waarneming van een opname van beeld en/of geluid.
2.5.5. In dit laatste geval mag echter de desbetreffende eigen waarneming door de rechter alleen bij de beraadslaging als bedoeld in art. 350 Sv worden betrokken en voor het bewijs worden gebruikt als (i) die opname tijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde is gesteld, (ii) de verdediging en het openbaar ministerie van die opname kennis hebben kunnen nemen en (iii) ter terechtzitting door de aldaar aanwezige verdachte, raadsman of vertegenwoordiger van het openbaar ministerie geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen of ten gehore brengen van die opname ter terechtzitting.
2.5.6. Met betrekking tot het onder 2.5.5 (i) genoemde vereiste is van belang dat de rechter op grond van art. 301, derde lid, Sv gehouden is mondeling mededeling te doen van de korte inhoud van de tot de processtukken behorende, maar niet ter terechtzitting vertoonde of beluisterde opname van beeld en/of geluid. Hiertoe volstaat in beginsel een korte aanduiding of een samenvatting van de inhoud van de opname van beeld en/of geluid. Onder omstandigheden kan de rechter echter gehouden zijn de eigen waarneming van de opname van beeld en/of geluid nader ter terechtzitting aan de orde te stellen. Dat is het geval indien de procespartijen door het latere gebruik van de eigen waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij met (de inhoud of de strekking van) de waarneming van de rechter geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van de waarneming met het overige voorhanden bewijsmateriaal (vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831).”
Het eerste middel 34. Nu het tweede middel slaagt, zou het eerste middel buiten bespreking kunnen blijven. Voor het geval Uw Raad zich niet kan vinden in de door mij voorgestelde afdoening van het eerste middel, bespreek ik het eerste middel.
Daaraan verbindt de steller van het middel de conclusie dat het enkele filmen van de aanhouding met een mobiele telefoon niet als een strafbare opschudding kan worden aangemerkt.
De wet eist niets meer dan een causaal verband tussen opschudding en bevel. Het bevel wordt gegeven door of vanwege het bevoegde gezag. Buiten een terechtzitting zal dat steeds zijn de ambtenaar die ter plaatse in zijn bediening werkzaam is. De aard en de bedoeling van het artikel brengen mee dat aan het bevel op staande voet, behoudens inachtneming van de tijd die ervoor nodig is, gehoorzaamd moet worden. Het misdrijf is voltooid, zodra het niet-heengaan geconstateerd is. Bedoeling tot het maken van opschudding is niet nodig. Opschudding veroorzaken is aanwezig in elke handeling die opschudding ten gevolge heeft, onverschillig of men de bedoeling had dit effect teweeg te brengen. Wel zal men vrijwillig moeten handelen.
De dader zal opzettelijk niet moeten voldoen aan het bevel zich te verwijderen. Bovendien moet het bevel tot de bevolene zijn doorgedrongen.
Een minderheid van de Commissie wilde het strafartikel laten vervallen omdat de wetboeken van Strafvordering en Rechtsvordering ook ordebepalingen bevatten. De Commissie handhaafde het artikel omdat het bevel tot verwijdering hier geschiedt omdat opschudding verwekt wordt. Het “is wenschelijk het feit niet tot die gevallen te beperken, en liever in het algemeen in het hier beschreven geval het maken van opschudding als motief voor de verwijdering te erkennen." (…) Bestanddelen (…) ‘opschudding’ "Eene minderheid wilde lezen: “opschudding veroorzaakt, of na bekomen bevel zich niet verwijdert”, om ook het feit strafbaar te stellen, dat iemand, bijv. een getuige, niet voldoet aan de vordering van den president om zich te verwijderen. De Commissie meent echter, dat in dat geval altijd opschudding zal worden veroorzaakt.”
Hier zoowel als in het volgend artikel wordt voor de strafbaarheid vereischt, dat de schuldige bekend zij geworden met het bevel tot verwijdering." verslag van de Tweede Kamer: “De Commissie is, tegen het gevoelen der minderheid bij art. 199 [184] vermeld, van oordeel dat dit artikel moet behouden blijven. Het bevel tot verwijdering geschiedt hier omdat opschudding verwekt wordt. Nu is het waar dat dit bevel zonder dit artikel ook krachtens de artt. 305 en 310 van het Wetboek van Strafvordering en art. 24 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zou kunnen worden gegeven, maar het is wenschelijk het feit niet tot die gevallen te beperken, en liever in het algemeen in het hier beschreven geval het maken van opschudding als motief voor de verwijdering te erkennen.
Eene minderheid wilde lezen: “opschudding veroorzaakt, of na bekomen bevel zich niet verwijdert”, om ook het feit strafbaar te stellen, dat iemand, bijv. een getuige, niet voldoet aan de vordering van den president om zich te verwijderen. - De Commissie meent echter, dat in dat geval altijd opschudding zal worden veroorzaakt.
Nog werd de meening verdedigd, dat hier, waar het voornamelijk geldt een misdrijf tegen de justitie, de straf zwaarder behoorde te zijn dan in het analoge geval van art. 156 [144]. Daartegen geldt echter de opmerking, dat stoornis van de openbare orde in groote vergaderingen veel gevaarlijker is dan op een teregtzitting.”
Opmerking van Prof. M. de Vries: “(…) G. O. Art. 185. Hij die bij eene terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na bekomen bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.”
Beraadslagingen in de Tweede Kamer op 1 november 1880: “De heer VENING MEINESZ: In art. 185 leest men dat de persoon, die opschudding heeft veroorzaakt en na bekomen bevel zich niet verwijdert, strafschuldig wordt. Nu staat er niet bij van wien het bevel moet uitgaan. Daarom zou ik aan den Minister in overweging willen geven om de woorden, die men in het volgende artikel leest: “door of van wege het bevoegd gezag gegeven bevel”, ook hier op te nemen. Het is eene verduidelijking, die mijns inziens geen kwaad kan, en later misschien moeijelijkheden kan voorkomen.
De heer PATIJN, lid der Commissie van Rapporteurs: lk geloof niet dat de wijziging, door den heer Vening Meinesz voorgesteld, tot bezwaren aanleiding kan geven.
Zoo als het artikel nu Iuidt, zou het kunnen gebeuren dat gevolgtrekkingen gemaakt werden, die wij zeer zeker niet bedoelen.
De heer MODDERMAN, Minister van Justitie: Hetgeen de heer Vening Meinesz voorstelt, acht ik eene verbetering. Ik neem de wijziging dus zeer gaarne over. [Het artikel werd alzoo van Regeeringswege gewijzigd.]”
Slotsom 46. Het eerste middel faalt, en het tweede middel slaagt ten dele.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie p. 2 van het proces-verbaal ter terechtzitting van 20 september 2018.
Uit de processen-verbaal van de regiezitting van 14 maart 2017 en de inhoudelijke zitting van 20 september 2018 volgt dat (1) de raadsman van de verdachte in de gelegenheid is gesteld om de beelden in het gebouw van de rechtbank te bekijken; (2) de beelden in het dossier voorhanden zijn; (3) de verdediging in hoger beroep – na een verzoek daartoe – door het OM in het bezit is gesteld van (een kopie van) de dvd met de beelden.
De dvd betreft dus een ‘gegevensdrager’. De begrippen ‘gegevens’ (wettelijk gedefinieerd) en ‘gegevensdrager’ (niet wettelijk gedefinieerd) hanteert de wetgever niet altijd even consequent, maar het is niet nodig om hierbij op dit moment langer stil te staan.
Zie artt. 137 en 149a Sv. Wellicht kan de dvd met beelden van de beveiligingscamera ook worden aangemerkt als ‘een stuk van overtuiging’. In dat geval zou het verzoek tot het tonen van camerabeelden ter terechtzitting – tevens – kunnen worden opgevat als een verzoek van de verdediging aan de rechter tot toepassing van de bevoegdheid van art. 309 lid 2 Sv, d.w.z.: het ‘zo nodig’ (ter terechtzitting) ‘tonen’ van voorwerpen die als stukken van overtuiging dienen. Niettemin meen ik dat in gevallen waarin een voorwerp behalve als ‘processtuk’ ook kan worden aangemerkt als ‘stuk van overtuiging’, het processtukkenregime voorrang heeft. Om die reden laat ik de vraag of de dvd tevens kan worden beschouwd als ‘stuk van overtuiging’ en zo ja hoe daarmee om te gaan, verder onbesproken, behoudens de opmerking dat in dat geval geldt dat het verzoek van de verdediging moet worden geplaatst in de sleutel van de vraag of het “tonen” van de camerabeelden “nodig” is. Die vraag vergt eveneens toepassing van de maatstaf van noodzakelijkheid in het licht van de beginselen van interne en externe openbaarheid. Kortom, de vraag is geheel vergelijkbaar met de door mij in de hoofdtekst besproken vraag, en zij leidt m.i. ook niet tot andere uitkomsten.
Dat ook naar het oordeel van de Hoge Raad een ‘gegevensdrager met afbeeldingen’ onder omstandigheden niet alleen kan worden aangemerkt als ‘stuk van overtuiging’, maar tevens als ‘processtuk’, leid ik af uit HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, NJ 2018/35 m.nt. Rozemond. Het ging daarin om een fotoalbum met afbeeldingen (kinderpornografie) die door de advocaat-generaal op verzoek van het hof ter terechtzitting aan het hof werd overgelegd ter bestudering in raadkamer. Hieromtrent overwoog de Hoge Raad dat het ging om een: “klaarblijkelijk door het Hof voor zijn te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang geachte en kennelijk als processtuk aangemerkte, in eerste aanleg ter terechtzitting getoonde, stukken van overtuiging, te weten een fotomap met afbeeldingen (…)”. Onderstrepingen mijnerzijds. Er is m.i. in dit opzicht geen functioneel verschil tussen enerzijds een fotoalbum met afbeeldingen en anderzijds een drager (dvd) van digitale gegevens die beeldmateriaal behelzen. Zie in dit verband ook het nog te bespreken arrest van HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, NJ 2019/465 m.nt. Reijntjes, rov. 2.5.3, dat hieronder in de hoofdtekst zal worden geciteerd.
Vgl. HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, NJ 2019/465 m.nt. Reijntjes, waarin de Hoge Raad art. 301 lid 3 Sv van toepassing acht bij het (ter terechtzitting) mondelinge meedelen van de korte inhoud van beeldmateriaal. Het is dan nog maar een kleine stap naar het gelijkstellen van het afspelen van een audiovisueel processtuk met het voorlezen van een schriftelijk processtuk.
Geheel terzijde merk ik op dat het tegenwoordig niet ongewoon is dat de rechter op de terechtzitting schriftelijke processtukken met behulp van projectie op beeldschermen vertoont aan de verdachte, zijn verdediging en het in de zittingzaal (of elders) aanwezige publiek, zodat iedereen kan meelezen. Ook die gang van zaken zou ik willen scharen onder ‘het voorlezen van processtukken’ als bedoeld in art. 301 Sv.
Onder ‘het mededelen van de korte inhoud van een audiovisueel processtuk’ moet – naar ik het oordeel van de Hoge Raad begrijp – in beginsel worden verstaan: een korte aanduiding of een samenvatting van de inhoud van de opname van beeld en/of geluid. Zie andermaal HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, NJ 2019/465 m.nt. Reijntjes. In cassatie is niet aan de orde of met het debat ter terechtzitting aan deze voorwaarde is voldaan. Ik ga daarvan wél uit.
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de rechter buiten het verband van de terechtzitting, bijvoorbeeld bij de aan de behandeling van de zaak voorafgaande bestudering van het dossier, beeldmateriaal bekijkt dat aan het dossier is toegevoegd. Zie HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1515, NJ 2001/457, en het hiervoor al genoemde HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, NJ 2018/35 m.nt. Rozemond.
Dit in tegenstelling tot de casus die heeft geleid tot HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8880. In zijn conclusie voor die zaak merkte mijn ambtgenoot Knigge onder punt 4.4 op dat de verdediging ter terechtzitting in die zaak niet had aangevoerd dat de camerabeelden in het bewuste proces-verbaal op onjuiste wijze waren weergegeven (ECLI:NL:PHR:2011:BT8880).
Nogmaals, zie HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1515, NJ 2001/457, en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, NJ 2018/35 m.nt. Rozemond.
Op p. 9 van de schriftuur wordt abusievelijk verwezen naar HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1358. Ik begrijp dat de steller doelt op HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414, NJ 2019/465 m.nt. Reijntjes.
Ook in eerdere rechtspraak over het gebruik voor het bewijs van de eigen waarneming buiten de terechtzitting om vormen het al dan niet akkoord gaan van de verdediging met het niet tonen van beeldmateriaal ter terechtzitting, c.q. de omstandigheid dat de verdediging kennis heeft kunnen nemen van (het in het dossier gevoegde) processtuk het kritieke punt: vgl. bijvoorbeeld HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1515, NJ 2001/457, rov. 3.2; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, NJ 2018/35 m.nt. Rozemond, rov. 3.5, en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse onder punt 4.8 voor HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0226, NJ 2007/82 (ECLI:NL:PHR:2007:AZ0226), waarin hij verwijst naar HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1515, NJ 2001/457 en HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX 6414, NJ 2007/134 m.nt.
Reijntjes. Vgl. ook de volgende conclusies over dit onderwerp: de conclusie van 19 januari 2021 van mijn ambtgenoot Paridaens, ECLI:NL:PHR:2021:48; de conclusie van 12 mei 2020 van mijn ambtgenoot Spronken, ECLI:NL:PHR:2020:661 (HR; art. 81 RO); de conclusie van 31 maart 2020 van mijn ambtgenoot Paridaens, ECLI:NL:PHR:2020:300 (het gebruik van de eigen waarneming ter verwerping van een beroep op noodweer) (HR: art. 81 RO), en de conclusie van 3 maart 2020 van mijn ambtgenoot Keulen, ECLI:NL:PHR:2020:208, met onder punt 25 ook een verwijzing naar de ontwikkelingen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering en het voornemen van de wetgever om opnamen van beeld of geluid als zelfstandig bewijsmiddel te introduceren (HR: art. 81 RO).
Zie o.m. de overzichtsarresten: HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69, en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers. In rov. 3.6. respectievelijk 3.3 staat nog een nadere vingerwijzing over het bewijsverweer: “Bij het bovengenoemde bewijsverweer kan worden gedacht aan een betoog waarin een beroep wordt gedaan op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn doch die – indien juist – onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring (het Meer en Vaart-verweer, zo genoemd naar de casus van HR 1 februari 1972, NJ 1974, 450). Indien de rechter aan de verwerping van een dergelijk verweer nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden ten grondslag legt waarop de bewezenverklaring steunt, moet immers worden gesproken van feiten en/of omstandigheden die door de rechter redengevend voor de bewezenverklaring worden geacht.”
Zie idem rechtspraak uit de voorgaande noot.
Het begrip ‘verankering van bewijs’ is in Nederland gemunt door Crombag, Van Koppen en Wagenaar in: H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen & W.A. Wagenaar, Dubieuze Zaken. De psychologie van strafrechtelijk bewijs, Amsterdam: Contact 1992.
Zie over wat ik ‘accessoir bewijs’ noem mijn opmerkingen in voetnoot 25 in mijn conclusie van 3 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1253, voor HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, NJ 2020/186 m.nt. Vellinga.
Cursivering van mijn hand.
Het verschil met de zaak waarin mijn ambtgenoot Paridaens op 31 maart 2020 concludeerde, bestaat in het type verweer dat door het hof is verworpen met de eigen waarneming buiten de terechtzitting om. In die zaak was de cassatieklacht min of meer gelijkluidend, alleen ging het daar om een verwerping van een beroep op noodweer, welke verwerping niet behoeft te worden gestaafd met bewijsmiddelen (ECLI:NL:PHR:2020:300 bij HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:901 (art. 81 RO)). (Nagenoeg letterlijk) A.J. Machielse in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse (red.), Wetboek van Strafrecht - Noyon, Langemeijer, Remmelink, Deventer: Wolters Kluwer, art. 185 Sr, aant. 1-5 (online, actueel t/m 26 maart 2018).
M. Scharenborg, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-2017), Deel II, z.p., z.u., 2017, p. 350-351.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), Deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 184-185.
Ik merk op dat de steller van het middel de aangehaalde bewijsmiddelen 1 en 4 maar ten dele heeft ingeplakt, waarbij de onderdelen van deze bewijsmiddelen die blijk geven van de belemmering en de ambtsbevelen om weg te gaan, grotendeels, of geheel ontbreken.
Zie K.K. Lindenberg in: Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer, art. 185, aant. 1 (online, actueel t/m 1 juli 2020).
Voor zover het middel nog beoogt te klagen dat het gedrag van de verdachte eveneens getoetst had moeten worden aan artikel 10 lid 1 en 2 EVRM en dat het hof deze toets heeft nagelaten, noch enige feitelijke vaststellingen in dat kader heeft gedaan, kan het mijns inziens buiten bespreking blijven. In de eerste plaats is in hoger beroep in dit verband niets aangevoerd door de verdediging; omtrent het veroorzaken van opschudding is alleen het volgende gesteld, en ik citeer: “Cliënt heeft ook de opschudding niet veroorzaakt. Hij heeft voldoende afstand gehouden en dat is ook te zien op de camerabeelden.” (Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 september 2018, p. 3). In de tweede plaats blijkt uit de bewijsconstructie van het hof dat de agenten de verdachte hebben bevolen afstand te houden; niet blijkt dat de agenten de verdachte hebben gemaand te stoppen met filmen.
Sterker nog, uit de verklaring van de verdachte op de zitting van het hof volgt dat – naar zijn eigen zeggen – hem door één van de agenten op zijn vraag of hij mocht filmen geantwoord is dat hij dat mocht (p. 2 van het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 september 2018). Ten derde merk ik op dat de verdachte niet filmde in enige hoedanigheid als journalist. En zelfs wanneer dat wel zo geweest zou zijn, dan nog had hij kunnen filmen op wat grotere afstand en zonder daarbij de agenten te hinderen in hun werkzaamheden. Vgl. rechtbank Amsterdam 2 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2981.