← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:261

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02224 Zitting 26 januari 2021 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 23 april 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van poging tot oplichting’ veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(

  1. a)Sr. Er bestaat samenhang met de zaken 19/02131, 19/02132, 19/02135, 19/02163, 19/02238 en 20/00970. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 4. Het eerste middel klaagt dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in het ingestelde hoger beroep, althans zijn beslissing dat het openbaar ministerie in dat beroep kan worden ontvangen niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. In dit verband wordt aangevoerd dat het hoger beroep blijkens de van de instelling daarvan opgemaakte akte is gericht tegen een niet bestaand vonnis, althans dat de akte een onjuiste vonnisdatum vermeldt. Ook zou ’s hofs oordeel dat het als getuige horen van de griffiemedewerker die de akte heeft opgemaakt en de officier van justitie die het beroep heeft ingesteld niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet (voldoende) begrijpelijk zijn gemotiveerd. 5. De rechtbank heeft de verdachte, na een eis van de officier van justitie tot oplegging van acht maanden gevangenisstraf, vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het vonnis dateert van 12 juni 2015. Het parketnummer van de strafzaak is 09/650051-12. 6. De appelakte houdt onder meer het volgende in: ‘Parketnr 09/650051-12 Appelnr 15/1261 Op 24 juni 2015 kwam ter griffie van deze rechtbank P.P.E. van de Riviere, officier van justitie in het arrondissement Den Haag, die verklaarde, inzake: naam [verdachte] voornamen geboren [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] wonende te [plaats] adres [m-straat 2] Beroep in te stellen tegen het vonnis gewezen door de Meervoudige kamer in deze rechtbank op 19 juni 2015.’ 7. Aan de appelakte is een appelmemorie van de officier van justitie van 24 juni 2015 gehecht die blijkens een daarop geplaatste stempel op diezelfde datum is ingekomen bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Deze appelmemorie houdt onder meer in: ‘Parketnummer: 09/650051-12 Naam verdachte: [verdachte] (…) Datum vonnis: 12 juni 2015 Datum hoger beroep: 24 juni 2015 Datum appelmemorie: 24 juni 2015 (…) Om een of meer van de volgende redenen heb ik appèl ingesteld tegen het vonnis gewezen in de zaak met bovengenoemd parketnummer: (…) De rechtbank heeft ten onrechte vrijgesproken van het aan verdachte tenlastegelegde. Het openbaar ministerie acht de stemherkenning wel betrouwbaar en wel bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan.’ 8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2016 volgt dat de raadsman van de verdachte, mr. Kaarls, overeenkomstig een overgelegde pleitnota een preliminair verweer heeft gevoerd. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in: ‘1. Preliminair: De verdediging is van oordeel dat de officier van justitie (OvJ) niet ontvankelijk (NO) dient te worden verklaard in het hoger beroep. Door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank gewezen op 19 juni 2015. Het in de zaak van cliënte gewezen vonnis dateert echter van 12 juni 2015. Indien door het openbaar ministerie (OM) op onjuiste wijze hoger beroep wordt ingesteld, kan blijkens jurisprudentie niet zondermeer worden uitgegaan van een kennelijke vergissing. (…) 5. Voorst is van belang het navolgende. Door ondergetekende, de raadsman van cliënte, is op vrijdag 26 juni 2015 bij de centrale balie van de rechtbank geïnformeerd of er door de OvJ hoger beroep was ingesteld. Aan mij is meegedeeld dat er geen hoger beroep was ingesteld. Dit is door mij vervolgens bevestigd aan cliënte (zie bijgesloten e-mail). In de daarop volgende week, na ommekomst van de hoger beroepstermijn, is door mij nogmaals geïnformeerd bij de rechtbank naar een mogelijk ingesteld hoger beroep door de OvJ. Wederom werd aan mij meegedeeld dat er geen hoger beroep zou zijn ingesteld tegen het vrijsprekende vonnis in de zaak van cliënte (zie bijgesloten email correspondentie). Niet eerder dan op 22 september 2015 werd ik geïnformeerd over een wel ingesteld hoger beroep (zie bijgesloten email-correspondentie). (…) 7. Mocht uw hof niet aanstonds het preliminaire verweer van de verdediging gegrond oordelen en honoreren dan verzoekt de verdediging hierbij uw hof nader onderzoek te doen verrichten en onderzoek te verrichten naar de gang van zaken rond het doen opmaken van appèl-akten en het verwerken in de administratie van deze appèl-akten, al dan niet middels het doen horen van de betrokken griffiemedewerkers en OvJ van de Riviere.’ 9. Uit het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting volgt dat naar aanleiding van het gevoerde verweer het een en ander naar voren is gebracht en dat het hof daarop vervolgens heeft beslist: ‘De advocaat-generaal vraagt mr. Kaarls of zij het goed begrijpt dat de gronden die hij aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd de volgende zijn: 1. U heeft van een medewerker van de griffie te horen gekregen dat er door het Openbaar Ministerie geen hoger beroep is ingesteld; 2. De volgorde van de appelnummers. De advocaat-generaal concludeert dat mr. Kaarls betoogt dat de datum die vermeld is op de akte rechtsmiddel niet juist is en dat mr. Kaarls hiermee stelt dat zowel de officier van justitie als de medewerker van de griffie valsheid in geschrifte hebben gepleegd. Mr. Kaarls reageert als volgt op hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht. Ik heb expres nog geen harde conclusies getrokken; op dit moment wil ik dit nog open laten. In deze zaak is het opmerkelijk dat de mededeling van de griffie niet klopte, er was klaarblijkelijk wel appèl door het Openbaar Ministerie ingesteld én bovendien is het een feit dat er tussen de appèlnummers van de op dezelfde dag ingestelde appelen 78 nummers zitten. Ik meen dat dit zo opmerkelijk is dat dit om uitleg vraagt. Om de vraag van de advocaat-generaal te beantwoorden; de door haar geformuleerde gronden zijn inderdaad de gronden die ik aan mijn verweer ten grondslag heb gelegd. (…) Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal het volgende mede. Ter zake van alle verdachten Ik constateer dat er op de aktes rechtsmiddel in de verschillende zaken verschillende data van het vonnis waarvan beroep staan vermeld. Het Openbaar Ministerie is evenwel van mening dat er bij de verdediging op geen enkele manier twijfel heeft kunnen ontstaan tegen welk vonnis de officier van justitie in appel is gegaan. De op de aktes genoemde parketnummers zijn juist, op 24 juni 2015 is er door de officier van justitie in alle zaken appel ingesteld, en op diezelfde datum zijn ook de appèlmemories ingediend. In die appèlmemories staat wel de juiste datum van het vonnis waarvan beroep genoteerd. Uiteindelijk weet ik natuurlijk niet wat er is gebeurd, echter gelet op hetgeen ik hier nu heb genoemd, meen ik dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in het appèl in alle zaken. Ook overigens zijn per zaak de appelnummers die staan vermeld op de respectievelijke aktes steeds dezelfde, indien door verdachte en officier van justitie appel is ingesteld. (…) Ter zake van [verdachte] Op de akte staat als datum van het beroepen vonnis vermeld 19 juni 2015. Ik verzet mij voorts tegen het verzoek tot het horen van de griffier alsmede het horen van de officier van justitie als getuigen. Mr. Kaarls reageert als volgt op het standpunt van de advocaat-generaal. Ik meen nog een korte toelichting te moeten geven omtrent mijn verzoek tot het horen van de griffier en de officier van justitie als getuige. Mijn punt is om te achterhalen hoe het kan dat de vermelde nummers zo ver uit elkaar liggen. Mijn inziens kunnen de griffie medewerker en/of de officier van justitie dit uitleggen. Naar mijn mening zegt het feit dat de parketnummers juist op de aktes zijn vermeld niets. Ik verwijs nogmaals naar het eerder genoemde arrest van 10 december 2015 van het hof Arnhem-Leeuwarden. Daar waar de advocaat-generaal heeft aangegeven dat het bij de akte rechtsmiddel van de verdachte ook niet correct is en dit dan dus ook tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte zou moeten leiden, ben ik helder geweest; voor het Openbaar Ministerie geldt een andere maatstaf. De voorzitter merkt op dat het arrest van de Hoge Raad BK9727 een zaak betrof waar de officier van justitie een verkeerd rechtsmiddel had ingesteld, namelijk beroep in cassatie waar dat appel had moeten zijn. Daar is door de Hoge Raad over geoordeeld dat dat niet verschoonbaar is, en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in het appel moest worden verklaard. Het hof is van oordeel dat genoemd arrest van de Hoge Raad een wezenlijk andere casus betreft dan hetgeen in vele van de onderhavige zaken aan de orde is, namelijk een verkeerd vermelde datum van het beroepen vonnis. De conclusie die de raadslieden willen verbinden aan de verkeerd vermelde datum vloeit niet voort uit dit arrest. In de andere door mr. Kaarls aangehaalde uitspraak, ECLI:NL:GHARL:2015:9687, heeft het desbetreffende hof overwogen dat gelet op het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad, de vermelding in de akte van een verkeerde vonnisdatum en een verkeerde kamer van de rechtbank, in dat geval ook diende te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het appel. Tijdens de onderbreking ten behoeve van de advocaat-generaal heeft het hof zich ook beraden over hetgeen door mr. Kaarls bij preliminair verweer naar voren is gebracht, en waarbij de overige raadslieden zich hebben aangesloten. Het hof komt in de onderhavige zaak tot een ander rechtsoordeel dan het hof Arnhem-Leeuwarden in de desbetreffende zaak. De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat de vermelding van de onjuiste datum van het beroepen vonnis in de akte rechtsmiddel geen niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het appèl oplevert. Het hof verwerpt derhalve in zoverre het door de desbetreffende raadslieden gevoerde preliminaire verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het door de officier van justitie ingestelde appel. De voorzitter vraagt de advocaat-generaal of zij het hof kan informeren ter zake van de vermelding van de verschillende, niet opeenvolgende nummers, vermeld op de aktes rechtsmiddel. De advocaat-generaal deelt mede geen enkel inzicht hebben in de werkwijze van het instellen van appel, zij stelt dat het haar niet onaannemelijk voorkomt dat er op één dag 78 appelen binnenkomen. Het blijft echter gissen. Mr. Kaarls reageert hierop dat dat nu ook juist het punt is; het is giswerk. Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof in alle zaken mede dat het hof geen reden heeft te twijfelen aan het feit dat door de officier van justitie tijdig appel is ingesteld. Nader onderzoek acht het hof op dit punt niet noodzakelijk. Het verzoek tot het horen van de officier van justitie en de griffier wordt bijgevolg afgewezen.’ 10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 18 februari 2019 blijkt dat mr. Kaarls aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer in: ‘1. De verdediging persisteert en herhaalt eerder gevoerd preliminair verweer inhoudende dat de Officier van Justitie (OvJ) niet ontvankelijk (NO) dient te worden verklaard in het hoger beroep. Door de OvJ is hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank gewezen op 19 juni 2015. Het in de zaak van cliënte gewezen vonnis dateert echter van 12 juni 2015. (…) Naar het oordeel van de verdediging heeft het OM tegen een niet bestaand vonnis hoger beroep ingesteld hetgeen dient te leiden tot NO verklaring van de OvJ in het ingestelde hoger beroep. 2. (…) Indien door het Openbaar Ministerie (OM) op onjuiste wijze hoger beroep wordt ingesteld, kan blijkens jurisprudentie niet zondermeer worden uitgegaan van een kennelijke vergissing, reden waarom de verdediging hier het NO-verweer herhaalt.’ 11. Het hof heeft het gevoerde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen: ‘Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde hoger beroep. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat op de akte rechtsmiddel van 24 juni 2015 staat vermeld dat hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis gewezen door de meervoudige kamer op 19 juni 2015, terwijl het gewraakte vonnis gewezen is op 12 juni 2015. Hierbij heeft de raadsman gewezen op het arrest ECLI:NL:HR:2010:BK9727 van de Hoge Raad en een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2015:9687. Het hof overweegt als volgt. Anders dan in de zaak waarop het aangehaalde arrest van de Hoge Raad ziet, heeft de officier van justitie in deze zaak niet een niet-bestaand rechtsmiddel aangewend. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden was in de akte een verkeerde vonnisdatum en niet de juiste kamer (te weten de meervoudige economische kamer in plaats van de meervoudige commune kamer) vermeld. In deze zaak is echter slechts de datum van het vonnis verkeerd vermeld, terwijl mede met het oog op het in de akte vermelde (juiste) parketnummer en de afwezigheid van eerdere strafrechtelijke veroordelingen van de verdachte, er bij de verdediging geen enkele twijfel kon bestaan op welk vonnis de akte betrekking had. Daarbij komt dat de aanzegging hoger beroep op 9 oktober 2015 in persoon is uitgereikt aan de verdachte. Deze aanzegging houdt in de mededeling dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het op 12 juni 2015 door de meervoudige strafkamer in het arrondissement Den Haag tegen de verdachte gewezen vonnis. Voorts stelt het hof vast dat het hoger beroep binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het vonnis is ingesteld. Dat de verdachte op de hoogte is geweest van de vermelding van de vonnisdatum van 19 juni 2015 op de onderliggende akte rechtsmiddel en dat zij hier voor zichzelf enige conclusie aan heeft verbonden, is overigens niet gesteld, terwijl de verdediging evenmin heeft aangevoerd in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door vermelding van die onjuiste vonnisdatum zou zijn geschaad. Niet valt in te zien dat bij de verdediging misverstand kon bestaan tegen welk vonnis hoger beroep was ingesteld. Het hof ziet ook overigens geen reden om enig rechtsgevolg te verbinden aan de vermelding van een onjuiste vonnisdatum in de akte rechtsmiddel. Het hof zal de officier van justitie dan ook ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep. Het verweer wordt verworpen.’ 12. De steller van het middel is van mening dat ’s hofs motivering (naar ik begrijp: de motivering in het bestreden arrest) de gegeven beslissing niet kan dragen. Het hof zou zijn oordeel volledig ophangen aan de consequenties die de onjuiste vermelding heeft gehad voor de verdachte en daarmee miskennen dat de voorschriften omtrent het instellen van hoger beroep van openbare orde zijn. De samenleving en individuen zouden erop moeten kunnen vertrouwen dat een uitspraak onherroepelijk is als daartegen niet op de juiste wijze een rechtsmiddel is ingesteld. 13. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat de strenge benadering die de steller van het middel bij het aanwenden van rechtsmiddelen kennelijk voorstaat, niet het geldend recht weerspiegelt. Bekend is de conversierechtspraak: de verdachte die het verkeerde rechtsmiddel instelt, wordt geacht het juiste rechtsmiddel te hebben willen instellen. En als bekend leiden ook tekortkomingen in een door de verdachte of diens advocaat verstrekte volmacht niet per definitie tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Ik merk hierbij op dat in de benadering van de steller van het middel geen onderscheid wordt gemaakt tussen een hoger beroep dat door of namens de verdachte is ingesteld en een hoger beroep dat door het openbaar ministerie is ingesteld. 14. De regeling van het aanwenden van gewone rechtsmiddelen (art. 449 e.v. Sv) specificeert niet op welke wijze de beslissing waar het gewone rechtsmiddel tegen wordt ingesteld in de akte moet worden aangeduid. Bij verzet tegen een strafbeschikking dient volgens de wet ‘een nauwkeurige aanduiding of kopie van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt’ te worden opgegeven (art. 257e, vijfde lid, Sv). Uit de wet volgt niet dat van een ‘nauwkeurige aanduiding’ slechts sprake kan zijn als de dag waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd bij het verzet wordt vermeld. Uit rechtspraak van Uw Raad kan voorts worden afgeleid dat van een omstandigheid ‘waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’ in de zin van art. 408, tweede lid, Sv, sprake is ‘als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep’. Daarvan was blijkens HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22 sprake in een geval waarin het parketnummer van de zaak en de opgelegde straf aan de verdachte bekend waren. Een lezing van de wet die het rechtsgeldig aanwenden van rechtsmiddelen slechts mogelijk acht bij vermelding van de datum waarop het vonnis of arrest gewezen is, zou de verdachte in dergelijke situaties voor grote problemen stellen. Al met al kan uit het geldend recht worden afgeleid dat het bij de aanwending van gewone rechtsmiddelen geen strikt vereiste is dat de (juiste) dag wordt vermeld waarop de beslissing gewezen is. Daar komt het volgende bij. 15. De uitleg van de appelakte is voorbehouden aan het hof als feitenrechter, zij het dat die uitleg in cassatie op begrijpelijkheid en op motiveringsgebreken kan worden getoetst. Zo overwoog Uw Raad in HR 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4803, NJ 2006/161, rov. 3.7, dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking had gebracht dat, waar in de appelakte – die door de griffier van de rechtbank te Rotterdam was opgemaakt van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep – gewag werd gemaakt van 'de Meervoudige Kamer in deze rechtbank', sprake was van een evidente misslag en dat voor 'deze rechtbank' de Rechtbank te Haarlem diende te worden gelezen. Dat oordeel was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk. Het leende zich vanwege zijn feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie. 16. In de zaak die leidde tot HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8923 hield de door de officier van justitie ondertekende appelakte in dat de officier van justitie hoger beroep instelt tegen ‘de ontnemingsuitspraak’ van 25 februari 2002. De raadsman van de verdachte betoogde dat de officier van justitie zelf een appelakte heeft laten opstellen ‘maar uitsluitend tegen de overigens niet bestaande ontnemingsuitspraak en niet daarnaast ook tegen het vrijsprekend vonnis’. Het hof achtte de officier van justitie ontvankelijk in het hoger beroep en overwoog daartoe onder meer dat het ging om een evidente vergissing bij het opmaken van de akte, dat dit ook bleek uit de aangehechte en op dezelfde dag ondertekende opgave van bezwaren, dat in de appelakte vermeld had moeten worden 'eindvonnis/uitspraak' en dat het hof de akte las met verbetering van die vergissing. In cassatie werd geklaagd dat het hof de officier van justitie ontvankelijk had geacht in het hoger beroep. A-G Jörg was in zijn conclusie van oordeel dat ’s hofs uitleg van de appelakte, te weten dat deze een kennelijke vergissing bevatte, allerminst onbegrijpelijk was (randnummer 8). Uw Raad deed het middel af met toepassing van art. 81, eerste lid, RO. 17. In de zaak die aanleiding gaf tot HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7250 hield de akte rechtsmiddel in dat de officier van justitie ‘cassatie’ instelde tegen het eindvonnis van 26 mei 2003. Ruim een half jaar later werd aan de verdachte een aanzegging hoger beroep betekend waarin stond beschreven dat de officier van justitie hoger beroep had aangetekend tegen dat vonnis. De appelmemorie van de officier van justitie, opgesteld ruim twee maanden nadat de akte rechtsmiddel was opgemaakt, hield in dat de omschrijving 'cassatie' in de akte rechtsmiddel berustte op een kennelijke misslag. Het hof werd verzocht dit als zodanig op te vatten en de officier van justitie te ontvangen in het hoger beroep. De raadsman van de verdachte stelde zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in het hoger beroep omdat uit de akte rechtsmiddel zou blijken dat de officier van justitie cassatie had ingesteld. Het hof achtte de officier van justitie ontvankelijk in het hoger beroep en overwoog daartoe dat de officier van justitie had bedoeld het rechtsmiddel aan te wenden dat tegen het vonnis openstond, te weten hoger beroep, en dat dit in redelijkheid aan de verdachte en zijn raadsman duidelijk moest zijn geweest. In cassatie werd geklaagd over de beslissing van het hof het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. A-G Vellinga achtte in zijn conclusie ’s hofs feitelijke oordeel, inhoudend dat van een vergissing sprake was en dat dit aan de verdachte en zijn raadsman duidelijk moet zijn geweest, niet onbegrijpelijk (randnummer 24). Uw Raad deed het middel af met toepassing van art. 81, eerste lid, RO. 18. In de zaak die leidde tot HR 4 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:838 hield de akte rechtsmiddel in dat de officier van justitie verklaarde (beperkt) beroep in te stellen tegen het ‘eindvonnis d.d. 14 juni 2017’. Het vonnis in die zaak dateerde evenwel van 14 juli 2017. De raadsman betoogde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn hoger beroep, onder meer omdat de appelakte een verkeerde vonnisdatum vermeldde. Het hof overwoog onder meer het volgende: ‘In de akte rechtsmiddel van het door de officier van justitie beperkt ingestelde hoger beroep is zowel een onjuiste vonnisdatum als één onjuist parketnummer opgenomen. In de arresten die zijn aangehaald door raadsman is telkens sprake van of een verkeerd ingesteld rechtsmiddel (vgl. HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9727) dan wel een verkeerde vonnisdatum én een verkeerde kamer van de rechtbank (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden, 10 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9687). Het hof stelt vast dat de akte van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in het onderhavige geval onjuistheden bevat, maar deze zijn van andere aard en ernst dan die in de arresten waarnaar door de raadsman is verwezen. Het hof stelt daarbij vast dat in de kop van de akte van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep wel het juiste parketnummer is opgenomen, zodat de ‘6’ in plaats van een ‘9’ naar het oordeel van het hof kan worden opgevat als een kennelijke verschrijving. Hoewel deze akte tevens een onjuiste datum van het vonnis vermeldt, kan in samenhang bezien met de in de kop vermelde parketnummers voor de verdediging geen misverstand hebben bestaan waartegen het hoger beroep van de officier van justitie zich richtte. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat op 14 juni 2017 geen ander vonnis tegen verdachte is gewezen, de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen de verdachte op 14 juni 2017 heeft plaatsgevonden, geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een vonnis voordat dat vonnis is gewezen en deze onjuiste vermelding slechts één letter verschilt van de juiste vonnisdatum, te weten 14 juli 2017. Tenslotte stelt het hof vast dat de griffier in de akte van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep heeft opgenomen dat de officier van justitie op 17 juli 2017 ter griffie kwam om hoger beroep in te stellen en een afschrift van deze akte op 17 juli 2017 is verzonden aan de raadsman en de officier van justitie. Naar het oordeel van het hof betreffen de onjuistheden in deze akte onder deze omstandigheden slordigheden, kennelijke schrijffouten dan wel vergissingen. Vast staat dat er voor zowel het hof als de verdediging geen onduidelijkheid kan hebben bestaan over het met het instellen van hoger beroep beoogde doel van de officier van justitie.’ 19. In cassatie werd geklaagd over de beslissing van het hof het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. A-G Harteveld wees er in zijn conclusie op dat sprake was van twee als zodanig door het hof benoemde verschrijvingen in de appelakte. Hij meende, onder verwijzing naar de hiervoor besproken arresten van Uw Raad van 22 februari 2005 en 20 juni 2006, dat het ging om duidelijke verschrijvingen die geen aanleiding gaven om erover te twijfelen of de officier van justitie hoger beroep wilde instellen tegen (een deel van) het betreffende vonnis (randnummer 4.6). Uw Raad deed ook dit middel af met toepassing van art. 81, eerste lid, RO. 20. Het hof heeft onder meer overwogen dat in deze zaak slechts de datum van het vonnis verkeerd is vermeld in de appelakte, terwijl mede met het oog op het in de akte vermelde (juiste) parketnummer en de afwezigheid van eerdere strafrechtelijke veroordelingen van de verdachte, bij de verdediging geen enkele twijfel kon bestaan op welk vonnis de akte betrekking had. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de in de appelakte vermelde vonnisdatum 19 juni 2015 een evidente – ook voor de verdachte en haar raadsman kenbare – misslag betreft, die verbeterd moet worden gelezen als 12 juni 2015. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. Het parketnummer in de akte (09/650051-12) correspondeert inderdaad met het parketnummer dat in het vonnis is vermeld. De naam, voornamen en geboortedatum van de verdachte die in de appelakte vermeld zijn corresponderen voorts met de naam, voornamen en geboortedatum van de verdachte die in het vonnis vermeld zijn. Aan de appelakte is bovendien, zoals de advocaat-generaal bij het hof ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, een appelmemorie van 24 juni 2015 (de dag waarop het hoger beroep is ingesteld) gehecht waarin als vonnisdatum 12 juni 2015 wordt vermeld. De vaststelling van het hof dat geen sprake is van eerdere strafrechtelijke veroordelingen van de verdachte vindt daarbij steun in het zich bij de gedingstukken bevindende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 januari 2019. ’s Hofs kennelijk oordeel dat de vermelding van een verkeerde datum van het beroepen vonnis er onder deze omstandigheden niet aan in de weg staat dat de officier van justitie rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank op 12 juni 2015 in de zaak tegen de verdachte heeft gewezen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. 21. De steller van het middel voert vervolgens aan dat niet vol te houden zou zijn dat de verdachte niet in enig belang is getroffen. Hij wijst er daarbij op dat de raadsman heeft gesteld dat hij twee keer zou hebben geïnformeerd of hoger beroep is ingesteld en daarbij te horen zou hebben gekregen dat dit niet het geval was. Daardoor zou de verdachte maandenlang in het ‘gerechtvaardigd vertrouwen’ hebben geleefd dat haar strafzaak in een onherroepelijke vrijspraak was geëindigd. Dat dit vertrouwen zou zijn gewekt met onjuiste mededelingen die mogelijk een rechtstreeks gevolg zijn van de vermelding van de onjuiste datum in de appelakte zou iets zijn waar het hof niet zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van het horen van de verzochte getuigen, aan mocht voorbijgaan. 22. De omstandigheid dat de griffie twee keer aan de raadsman zou hebben meegedeeld dat het openbaar ministerie geen hoger beroep zou hebben ingesteld tegen de vrijspraak in eerste aanleg terwijl wel hoger beroep was ingesteld, kan niet meebrengen dat het openbaar ministerie in dat beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dat is niet anders als de onjuiste voorlichting door de griffie een gevolg zou zijn van de omstandigheid dat de – ingevolge art. 451 Sv door de griffier opgemaakte – appelakte bij het beroepen vonnis een onjuiste datum vermeldt. Van gerechtvaardigd vertrouwen dat het openbaar ministerie geen hoger beroep zal instellen en van het daaraan verbinden van rechtsgevolgen kan slechts sprake zijn bij uitlatingen of gedragingen die aan het openbaar ministerie toe te rekenen zijn. Daarvan is hier geen sprake. 23. Gelet op het voorgaande doet de omstandigheid dat het hof niet is overgegaan tot het horen van de griffiemedewerker of de officier van justitie niet af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel. Ik wijs er nog op dat, voor zover het middel (zelfstandig) beoogt te klagen over de afwijzing van bedoeld getuigenverzoek ter terechtzitting van 15 november 2016, deze klacht afstuit op de omstandigheid dat het onderzoek ter terechtzitting op 29 januari 2019 opnieuw is aangevangen. 24. Het eerste middel faalt. Het tweede middel 25. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op verzoeken tot het horen van getuigen en/of het toevoegen van stukken en/of andere onderzoekswensen, dan wel deze verzoeken zonder toereikende motivering heeft afgewezen. 26. De steller van het middel wijst op een brief van 3 november 2016 waarin de raadsman van de verdachte onderzoekswensen heeft opgegeven. Deze brief, die is gericht aan de voorzitter van het gerechtshof en aan de advocaat-generaal, bevindt zich bij de gedingstukken en houdt – voor zover van belang – het volgende in: ‘De Advocaat-Generaal verzoekt mij kort gezegd de onderzoekswensen nader te concretiseren. Bijgesloten doe ik u toekomen de appelschriftuur in de zaak van [betrokkene 49] d.d. 26 juni 2015 (39 pagina’s). Hierdoor verzoek ik u als daartoe bepaaldelijk gemachtigd raadsman de onderzoekswensen uit bijgesloten appèlschriftuur vanaf pagina 22 (concreet vanaf feit 5; [betrokkene 49] : zaak [betrokkene 95] en rechtmatigheidsgetuigen / verzoeken tot toevoegen van stukken) hier als ingelast en onderdeel van deze brief te zien. Zaak [betrokkene 95] : Cliënte is verdachte in de zaak [betrokkene 95] . Genoemde getuigen kunnen verklaren omtrent hetgeen zoals aan cliënte ten laste is gelegd. Rechtmatigheidsgetuigen / verzoeken tot toevoegen stukken: Bij de behandeling in eerste aanleg zijn diverse verzoeken tot het doen horen van getuigen afgewezen. Met name van belang voor cliënte was de aansluiting door de verdediging bij onderzoekswensen gedaan zijdens medeverdachten betreffende rechtmatigheidsgetuigen o.a. naar aanleiding van vragen gerezen over de start van het onderzoek en de relatie tot het onderzoek Waterstof bij de Belastingdienst. Voorts is door de verdediging preliminair verweer gevoerd betreffende de aanwezigheid in het dossier van geheimhoudersgesprekken. Na de aanhouding van medeverdachte [betrokkene 49] is besloten tot een telefoontap bij mijn cliënte. Het was te verwachten dat cliënte mogelijk zou spreken met advocaten van haar en haar familie. Diverse geheimhoudersgesprekken zijn niet aanstonds vernietigd. Diverse gesprekken zijn in het onderzoeksdossier van politie terechtgekomen. Het onderzoeksteam van politie heeft zelf kennis genomen van de getapte geheimhoudersgesprekken. Niet valt meer te controleren of de informatie uit bepaalde gesprekken is gebruikt als sturingsinformatie. De officier van justitie heeft immers op een later moment toen de discussie speelde over de aanwezigheid en mogelijk gebruik van geheimhoudersgesprekken wel opdracht gegeven tot vernietiging van opgenomen geheimhoudersgesprekken.’ 27. Aan deze brief van de raadsman van de verdachte is een kopie van de appelschriftuur in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 49] gehecht. In die appelschriftuur worden vanaf pagina 22 als getuigen opgegeven [betrokkene 46] , [betrokkene 89] , [betrokkene 90] , [betrokkene 91] en [betrokkene 92] (nr. 93-97) en voorts, beginnend met mr. E.J.W.F. Deen (nr. 98), veertig als zodanig aangeduide rechtmatigheidsgetuigen. 28. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2016 vermeldt, voor zover van belang, het volgende in verband met onderzoekswensen van de verdediging: ‘Als raadsman van de verdachte [verdachte] is ter terechtzitting aanwezig mr. R.A. Kaarls, advocaat te ’s-Gravenhage. (…) De voorzitter stelt de raadslieden in de gelegenheid de onderzoekswensen nader toe te lichten. (…) Mr. Martens sluit zich aan bij het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak jegens zijn cliënt [betrokkene 13] . Hij licht dit als volgt toe. (…) Tot slot kijk ik ook naar de klok. Er zijn hier nu negen raadslieden die allemaal hun verzoeken willen toelichten en daarop komt waarschijnlijk nog een reactie van de advocaat-generaal. Ik denk hardop als ik zeg dat we dit misschien vandaag niet meer allemaal halen. De advocaat-generaal reageert als volgt. Ik ben het eens met mr. Martens dat het wel erg laat is om een aanvang te maken met het toelichten van de onderzoekswensen door alle raadslieden. In zoverre zal ik mij ook niet verzetten tegen aanhouding van de behandelingen van alle zaken. (…) De voorzitter deelt mede dat het hof reeds heeft nagedacht over het verdere verloop van de behandeling van de zaken. Eén van de mogelijkheden zou kunnen zijn dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld binnen een (korte) termijn schriftelijk op de verzoeken van het Openbaar Ministerie te reageren, dat vervolgens het Openbaar Ministerie de gelegenheid krijgt te reageren op de verdediging en dat het hof vervolgens, mogelijk als Unus, een beslissing neemt ter zake van die onderzoekswensen. De voorzitter vraagt of deze voorgestelde gang van zaken tot de mogelijkheden behoort. Mr. Martens deelt hierop mede dat gegeven het verloop in eerste aanleg het unus mededelen van de beslissing niet zijn voorkeur heeft. Mr. Korvinus sluit zich hierbij aan. In aanvulling hierop brengt hij het volgende naar voren. Ik meen dat het hebben van louter schriftelijke rondes niet volstaat. Het betreft een zeer groot aantal verzoeken in een complexe zaak. De verdediging dient derhalve ook in de gelegenheid gesteld te worden ook nog mondeling haar verzoeken te kunnen toelichten. Op deze manier krijgt ook het hof nog de mogelijkheid om eventueel nadere vragen te stellen. Ik zou derhalve willen voorstellen de verdediging de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op de reactie van het Openbaar Ministerie, het Openbaar Ministerie ook een schriftelijke ronde te gunnen om daarna nog één terechtzitting te beleggen om mogelijk nog het een en ander nader toe te lichten. Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof in alle zaken het volgende mede. De behandeling van alle zaken zal voor onbepaalde tijd worden aangehouden. - De verdediging krijgt tot op uiterlijk 15 december 2016 de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie. - Vervolgens krijgt het Openbaar Ministerie de gelegenheid om uiterlijk op 15 januari 2017 schriftelijk te reageren op de alsdan door de verdediging ingediende schriftelijke stukken.’ 29. De raadsman van de verdachte heeft vervolgens op 14 december 2016 een brief gestuurd naar de voorzitter van het gerechtshof en de advocaat-generaal. Daarin is het volgende opgenomen (met weglating van twee voetnoten): ‘Als daartoe bepaaldelijk gemachtigd raadsman van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1983, wonende te [plaats] , doe ik u hierbij, met referte aan hetgeen aan de orde is geweest ter zitting van 15 november 2016, toekomen mijn nadere toelichting op de reeds door mij bij brief van 3 november 2016 opgegeven onderzoekswensen. Deze toelichting is een aanvulling op hetgeen reeds door mij aan toelichting is verstrekt in voormelde brief aan uw Hof en Advocaat-Generaal (A-G) d.d. 3 november 2016. Geheimhouders(gesprekken): De rechtbank heeft bij beslissing van 8 april 2015 vastgesteld dat het bepaalde in het tweede lid van artikel 126aa Wsv is geschonden. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Met name zijn getapt en voor politie uitluisterbaar geweest, gesprekken gevoerd tussen cliënte en geheimhouders. Dit betreffen eerdere gesprekken gevoerd met advocaten (mr Deen en mr Mulderij) en notariaat (Koch notarissen). Niet eenvoudig is na te gaan in hoeverre geheimhoudersgesprekken mogelijk sturing hebben gegeven aan het onderzoek. Gesprekken zijn juist getapt na aanhouding van de vader en moeder van cliënte. Bij de telefoontap op cliënte zijn relatief veel geheimhoudersgesprekken opgenomen. Openbaar Ministerie en politie konden weten dat juist op dat moment, na aanhouding van vader en moeder, cliënte mogelijk veelvuldig telefonische contacten zou onderhouden met geheimhouders. Onderwerpen van gesprek zouden heel goed kunnen zijn, wat te doen met panden, gelden en/of vorderingen. Zo zijn onder andere gesprekken opgenomen gevoerd tussen (het kantoor van) mr Deen en cliënte. Dit maakt de door de rechtbank vastgestelde schending precair, juist in de zaak van cliënte rond de zaak [betrokkene 95] . De verdediging heeft in eerste aanleg op dit onderdeel een rechtmatigheidsverweer gevoerd. Mogelijke consequentie kan zijn dat het OM niet ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging. Ter nadere onderbouwing van het gevoerde rechtsmatigheidsverweer heeft de verdediging zich aangesloten bij de onderzoekswensen opgegeven door de raadsman van [betrokkene 49] (zie de bijlage behorende bij de brief van 3 november 2016). Door de A-G wordt gesteld dat de geheimhoudersgesprekken blijkens de in het dossier aanwezige bevelen tot vernietiging volgens de gebruikelijk regelen vernietigd zijn. “Indien er meer geheimhoudersgesprekken zouden bestaan, dan hadden die op de reeds aan de verdediging verstrekte CD-roms hebben gestaan, wat kennelijk de reden is dat de verdediging niet concreet heeft kunnen aangegeven op welke geheimhoudersgesprekken zij doelt”. De A-G heeft voorts aangegeven: “Hierbij wordt opgemerkt dat verzoeken die zich slechts baseren op stellingen, aannames en niet onderbouwde veronderstellingen, zoals de onderhavige met betrekking tot het voegen van geheimhoudersgesprekken aan het strafdossier zijn aan te merken als 'fishing expedition”. Geenszins is sprake van een fishing expedition. Op de aan de verdediging verstrekte cd roms zijn een aanzienlijk hoeveelheid geheimhoudergesprekken hoorbaar. Hierbij gaat het om inhoudelijke geheimhoudergesprekken tussen de verdachten in het onderzoek Waterstof en de advocaten zoals mr. Deen (verdachte), mr. Mulderij (advocaat van [betrokkene 13] na aanhouding op 10 januari 2012 tot halverwege 2012) en mr. Weski (advocaat van [betrokkene 49] na aanhouding op 10 januari 2012 tot halverwege 2012). Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg zijn een aantal geheimhoudersgesprekken tussen mr. Deen en [betrokkene 49] aan de orde gesteld. Kort voor de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft de zaaksofficier in ieder geval bevestigd; dat er 70 geheimhoudersgesprekken op de cd-roms beluisterbaar zijn; dat van die 70 contacten met een geheimhouder er in totaal 39 contacten hebben plaatsgevonden met het advocatenkantoor Deen of de advocaten mr. Deen en / of Kerkhoven; dat van die 39 contacten er 17 daadwerkelijke gesprekken tot stand zijn gekomen waar mr. Deen of mr. Kerkhoven gespreksdeelnemer aan is en; dat er ook nog twee gesprekken tot stand gekomen met de secretaresse van mrs Deen en Kerkhoven. De verdediging wenst voeging van (de uitwerking van) deze specifieke getapte geheimhoudersgesprekken zodat mogelijk kan worden aangetoond dat deze getapte geheimhoudergesprekken zijn gebruikt ten behoeve van de sturing onder andere in de strafzaak versus cliënte. Zaak [betrokkene 95] en dossier […] : Mrs Deen en Kerkhoven zijn als verdachten aangemerkt. De verdenkingen jegens de raadslieden vloeien voort uit de strafzaak tegen [betrokkene 49] . In de bijlage van mijn brief van 3 november 2016 is reeds aangegeven dat de verdediging wenst te beschikken over het volledig dossier […] vanwege de nauwe samenhang tussen de onderzoeken Waterstof en […] en omdat de verdediging zich op het standpunt stelt dat middels het tappen van de geheimhoudersgesprekken sturing is gegeven aan het strafonderzoek. Het Openbaar Ministerie stelt dat de stukken uit het onderzoek […] zich reeds bevinden in het dossier Waterstof gevoegd als Zaaksdossier [betrokkene 95] , pag 1 tot en met 260 en Zaaksdossier [betrokkene 44] pagina 1 tot en met 282. De stukken waar naar wordt verwezen, betreffen slechts delen uit het onderzoek […] . De verdediging beschikt nog steeds niet over het volledig dossier […] . In de stukken waar de A-G naar verwijst, is bijvoorbeeld niet terug te lezen waar mr. Kerkhoven van wordt verdacht en om welke redenen. Ook de tenlasteleggingen van de raadslieden zijn hier niet bij gevoegd. Nu cliënte verdachte is in de zaak [betrokkene 95] , welke zaak tevens aan de orde is in het dossier […] verzoekt de verdediging het dossier […] toe te voegen aan onderhavige strafzaak. Blijkens het dossier wordt mr Deen immers verweten in strijd met de waarheid te hebben gesteld dat hij in een civiele zaak overleg heeft gevoerd met [betrokkene 93]. Ingeval er sprake is van het seponeren van de strafzaken versus mrs Deen en/of Kerkhoven dan is van belang om te weten op welke gronden dit besluit tot stand is gekomen. Cliënte is verdachte in de zaak [betrokkene 95] . De verzochte getuigen (zie bijlage behorende bij brief mr Kaarls d.d. 3 november 2016) kunnen verklaren omtrent hetgeen aan cliënte ten laste is gelegd. Zo deze getuigen gehoord worden in de strafzaak versus [betrokkene 49] dan kunnen deze getuigen naar verwachting relevant verklaren in de strafzaak versus cliënte, reden waarom de verdediging zich heeft aangesloten bij de verzoeken zoals gedaan zijdens [betrokkene 49] .’ 30. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2017 is de discussie over de onderzoekswensen van de verdediging daar als volgt voortgezet: ‘De voorzitter stelt mr. C.F. Korvinus, die waarneemt voor mr. R.A. Kaarls, in de gelegenheid het woord te voren in de zaak tegen de verdachte [verdachte] : De verdediging wenst te persisteren bij de onderzoekswensen zoals verwoord in de brief van 14 december 2016. Voor het overige sluit de verdediging zich aan bij de onderzoekswensen en de gegeven motivering in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 49] , ook met betrekking tot de getuige [betrokkene 46] , de geheimhouders en de rechtmatigheidsgetuigen. (…) De voorzitter merkt op dat in dit stadium iedereen in de gelegenheid is geweest om in het kader van de onderzoekwensen naar voren te brengen wat men in zijn zaak relevant acht. Het hof zal het onderzoek in alle zaken voor bepaalde tijd schorsen en op 11 mei 2017 om 08:45 een beslissing geven op de verzochte onderzoekwensen. De raadslieden ontvangen daarop een afschrift van het proces-verbaal van de zitting met daarin de beslissingen.’ 31. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2017 blijkt dat het hof als volgt op de onderzoekswensen heeft beslist: ‘De voorzitter deelt mede dat, zoals ter terechtzitting van 30 maart 2017 is medegedeeld, heden de beslissingen op de ter terechtzitting van 16 (BFK: 15) november 2016 en 30 maart 2017 gedane onderzoekswensen zullen worden medegedeeld. 1. [betrokkene 49] De voorzitter deelt mede dat het hof in de zaak tegen de verdachte [betrokkene 49] op de gedane onderzoekswensen als volgt heeft beslist. (…) 2.0 Andere zaken 2.1 Algemene opmerkingen 2.1.1 Overnemen onderzoekswensen van verdediging [betrokkene 49] Anders dan de raadslieden en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van een niet nader gespecificeerde algemene motivering, die feitelijk neerkomt op het wijzen op de verwevenheid van de zaken tegen [betrokkene 49] en de overige verdachten, niet gesteld kan worden dat bij de verdediging in die andere zaken een belang is ontstaan om de in de zaak tegen [betrokkene 49] geformuleerde onderzoekswensen ook in hun zaken uit te (laten) voeren. Daarbij gelden de algemene opmerkingen inzake rechtmatigheidsgetuigen, getuigen a decharge en het confronteren van getuigen met andere verklaringen net zo zeer in de zaken van de overige verdachten. Een en ander klemt temeer nu in de zaken van de overige verdachten verzuimd is te onderbouwen of anderszins concreet te maken waarom bijvoorbeeld het horen van de rechtmatigheidsgetuigen kan dienen ter onderbouwing van een verweer op grond van artikel 359a Sv. Daarbij hecht het hof er nog aan op te merken dat de verdediging ook in de zaken van de overige verdachten ruimschoots in de gelegenheid is geweest onderzoek te laten doen, nu een groot deel van de genoemde getuigen ook in hun aanwezigheid reeds is gehoord. 2.1.2 “Aanschuiven” bij verhoren in zaken van de medeverdachten Door de verdediging in de overige zaken is telkens verzocht om aanwezig te kunnen zijn bij alle verhoren in de zaak tegen [betrokkene 49] . De verdediging zou dan per geval zelf een inschatting kunnen maken van het belang om een verhoor bij te wonen, om vragen te stellen, zodat als procesbewaker kan worden opgetreden. Het hof overweegt dat in die gevallen waarin de verzoeken van een specifieke onderbouwing zijn voorzien, het belang voor de verdediging op grond van die onderbouwing en de rest van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan blijken. Voor zover deze onderbouwing niet gegeven is, acht het hof een dergelijk belang ook niet aanwezig. Het hof ziet tegen die achtergrond dan ook geen aanleiding om een algemeen aanwezigheidsrecht toe te kennen voor eventuele verhoren in de zaak tegen de verdachte [betrokkene 49] . (…) 2.2 Verzoeken in overige zaken De voorzitter deelt mede dat het hof op de verzoeken in de zaken tegen de overige verdachten als volgt heeft beslist. (…) De voorzitter deelt als beslissing van het hof in alle zaken het volgende mede. De behandeling van alle zaken zal voor onbepaalde tijd worden aangehouden. Het gerechtshof, gehoord de advocaat-generaal schorst hierop het onderzoek voor onbepaalde tijd; (…) wijst af alle overige verzoeken in alle zaken; beveelt de oproeping van de verdachten en hun raadslieden voor de nadere terechtzitting;’ 32. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2019 is in verband met de onderzoekswensen in de onderhavige zaak nog het volgende gewisseld: ‘Het hof beveelt dat het onderzoek in alle zaken opnieuw wordt aangevangen. (…) Mr. Kaarls onderbreekt mr. Korvinus gedurende het voordragen van zijn toelichting op de onderzoekswensen en deelt vervolgens mede dat hij geen eigen onderzoekswensen heeft inzake [verdachte] en dat mr. Backer voor hem wil waarnemen vanmiddag. Mr. Kaarls verzoekt het hof om de verzoeken die in de zaak tegen [betrokkene 49] betreffende de zaak [betrokkene 95] worden toegewezen ook toe te wijzen in de zaak tegen de verdachte [verdachte] , nu de zaken van [betrokkene 49] en [verdachte] op dat punt nauw met elkaar samenhangen.’ 33. Aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019 kan het volgende worden ontleend: ‘De voorzitter deelt mede dat het hof de beslissingen op de gedane onderzoekswensen zal aanhouden en op de verzoeken uiterlijk bij arrest, dan wel zoveel eerder als het hof dat aangewezen acht, zal beslissen en voorts dat het hof het verzoek om aanhouding van de behandeling afwijst.’ 34. Bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de zaak op 5 februari 2019 en het pleidooi en de dupliek op 18 februari 2019 heeft de raadsman geen onderzoekswensen naar voren gebracht. 35. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen: ‘Ter terechtzitting van 11 mei 2017 zijn de onderzoekwensen van de verdediging - voor zover daarvan sprake was - allemaal afgewezen. Het hof constateert dat sedertdien geen nieuwe of herhaalde onderzoekwensen zijn gedaan.’ 36. De steller van het middel klaagt blijkens de toelichting over de afwijzing van onderzoekswensen op 11 mei 2017. Door de opbouw van de motivering van de afwijzing, waarin eerst wordt ingegaan op de onderzoekswensen in de zaak van medeverdachte [betrokkene 49] en vervolgens bij de medeverdachten wordt aangegeven dat aansluiting bij de onderzoekswensen van de hoofdverdachte met een algemene motivering niet voldoende is om een onderzoeksbelang in een zaak te laten ontstaan, zou ‘volstrekt oncontroleerbaar’ zijn in hoeverre het hof in de zaak van de verdachte überhaupt heeft beraadslaagd en beslist op de verzoeken. 37. De bij brief van 3 november 2016 door de raadsman gedane opgave van getuigen dient naar het mij voorkomt te worden aangemerkt als een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid, Sv in verbinding met art. 263, tweede en derde lid, Sv. De verdediging heeft, nadat het hof ter terechtzitting van 15 november 2016 niet toekwam aan de behandeling van de onderzoekswensen, op de terechtzitting van 30 maart 2017 gepersisteerd bij de onderzoekswensen zoals verwoord in de brief van 14 december 2016. Het gaat daarbij onder meer om de in brief van 3 november 2016 bedoelde getuigen. 38. Zoals aangegeven heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting op 29 januari 2019 opnieuw aangevangen. Beslissingen op eerdere onderzoekswensen zijn dientengevolge slechts in stand gebleven voor zover zij onder art. 322, vierde lid, Sv vallen. Daaronder ressorteren, voor zover in deze van belang, ‘beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288’. Dat brengt mee dat beslissingen die het hof op 11 mei 2017 heeft genomen slechts in stand zijn gebleven voor zover zij als zodanig kunnen worden aangemerkt. 39. Blijkens de stukken van het geding heeft de berechting in eerste aanleg plaatsgevonden op tegenspraak en zijn [betrokkene 46] (op 14 januari 2014), [betrokkene 89] (op 13 februari 2014) en mr. E.J.W.F. Deen (op 4 februari 2014) als getuige gehoord door de rechter-commissaris in de strafzaak tegen de verdachte. In het licht daarvan dient de afwijzende beslissing van het hof ter terechtzitting van 11 mei 2017 ten aanzien van deze getuigen te worden aangemerkt als een beslissing uit hoofde van art. 418, tweede lid, Sv. Art. 322, vierde lid, Sv heeft geen betrekking op een dergelijke beslissing. Die bepaling heeft evenmin betrekking op de afwijzing van het verzoek tot het voegen van stukken. Voor zover het middel klaagt over de beslissingen die het hof op 11 mei 2017 heeft genomen op de betreffende verzoeken, kan het reeds daarom niet tot cassatie leiden. Ten aanzien van de overige verzoeken merk ik het volgende op. 40. In de brief van 3 november 2016 heeft de raadsman van de verdachte zich aangesloten bij een gedeelte van de onderzoekswensen in de zaak [betrokkene 49] . De appelschriftuur in de zaak [betrokkene 49] is bij de brief gevoegd. Ten aanzien van getuigen in de zaak [betrokkene 95] heeft de raadsman slechts gesteld dat genoemde getuigen ‘kunnen verklaren omtrent hetgeen zoals aan cliënte ten laste is gelegd’. Bij de ‘rechtmatigheidsgetuigen’ wordt slechts aangegeven dat voor de verdachte van belang was ‘de aansluiting door de verdediging bij onderzoekswensen gedaan zijdens medeverdachten betreffende rechtmatigheidsgetuigen o.a. naar aanleiding van vragen gerezen over de start van het onderzoek en de relatie tot het onderzoek Waterstof bij de Belastingdienst’. In de brief van 14 december 2016 wordt onder het kopje ‘Geheimhouders(gesprekken)’ slechts aangegeven dat de verdediging zich ter nadere onderbouwing van het gevoerde rechtmatigheidsverweer heeft ‘aangesloten bij de onderzoekswensen opgegeven door de raadsman van [betrokkene 49] ’. En onder het kopje ‘Zaak [betrokkene 95] en dossier […] ’ is herhaald dat de verzochte getuigen ‘kunnen verklaren omtrent hetgeen aan cliënte ten laste is gelegd’. Daaraan is toegevoegd dat zo deze getuigen ‘gehoord worden in de strafzaak versus [betrokkene 49] ’, zij ‘naar verwachting relevant (kunnen) verklaren in de strafzaak versus cliënte’. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2017 heeft de verdediging aangegeven te persisteren bij de onderzoekswensen zoals verwoord in de brief van 14 december 2016 en zich voor het overige aan te sluiten ‘bij de onderzoekswensen en de gegeven motivering in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 49] , ook met betrekking tot de getuige [betrokkene 95] , de geheimhouders en de rechtmatigheidsgetuigen’. 41. Het hof heeft ter terechtzitting van 11 mei 2017 bij het afwijzen van onderzoekwensen in de andere zaken dan die van [betrokkene 49] aangegeven dat ‘op grond van een niet nader gespecificeerde algemene motivering, die feitelijk neerkomt op het wijzen op de verwevenheid van de zaken tegen [betrokkene 49] en de overige verdachten, niet gesteld kan worden dat bij de verdediging in die andere zaken een belang is ontstaan om de in de zaak tegen [betrokkene 49] geformuleerde onderzoekswensen ook in hun zaken uit te (laten) voeren’. Ik begrijp deze overweging aldus dat het zich aansluiten bij onderzoekwensen in de zaak [betrokkene 49] , zonder nadere toelichting van het belang dat de verdachte heeft bij het horen van de betreffende getuigen, geen toereikende onderbouwing van het horen van de betreffende getuigen oplevert. Deze karakterisering van de motivering van getuigenverzoeken in andere zaken dan die van [betrokkene 49] is ook op de getuigenverzoeken in deze zaak van toepassing. 42. Het hof overweegt vervolgens dat ‘de algemene opmerkingen inzake rechtmatigheidsgetuigen’ net zo zeer in de zaken van de overige verdachten gelden en dat een en ander temeer klemt ‘nu in de zaken van de overige verdachten verzuimd is te onderbouwen of anderszins concreet te maken waarom bijvoorbeeld het horen van de rechtmatigheidsgetuigen kan dienen ter onderbouwing van een verweer op grond van artikel 359a Sv’. Bij de afwijzing van rechtmatigheidsgetuigen in de zaak tegen [betrokkene 49] onder het kopje ‘1.1. Algemene opmerkingen’ heeft het hof – in aansluiting op rechtspraak van Uw Raad – verwoord dat bij een dergelijk verweer van de verdediging wordt verlangd ‘dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in artikel 359a Sv. genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in dat artikel omschreven rechtsgevolg het verzuim dient te leiden’, en dat ‘in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in artikel 359a Sv. genoemd rechtsgevolg’. Uit deze overwegingen volgt dat het hof het verzoek om het horen van rechtmatigheidsgetuigen waar in de brief van 3 november 2016 over wordt gesproken (tevens) heeft afgewezen omdat verzuimd is concreet te maken waarom het horen kan dienen ter onderbouwing van een verweer op grond van art. 359a Sv, en omdat het vormverzuim niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg. 43. Al met al volgt uit ’s hofs overwegingen niet alleen dat het hof (afwijzend) heeft beslist op de getuigenverzoeken, maar ook op welke gronden deze verzoeken zijn afgewezen. Dat brengt mee dat de klacht dat oncontroleerbaar zou zijn in hoeverre het hof in de zaak van de verdachte expliciet heeft beraadslaagd en beslist op de verzoeken faalt. Ik merk hierbij nog op dat de raadsman ter terechtzitting van 29 januari 2019 niet heeft gesteld dat het hof op 11 mei 2017 heeft verzuimd te beslissen op een of meer van zijn onderzoekswensen. 44. De steller van het middel klaagt vervolgens, zo begrijp ik, dat het hof door te verlangen dat ‘iedere raadsman voor zijn eigen cliënt zelfstandige verzoeken doet, ook in geval die verzoeken en de motivering daarvan volstrekt gelijk zijn aan de verzoeken die de advocaat van een medeverdachte reeds eerder deed in dezelfde zaak (…) een dikke streep’ zou trekken ‘door een bestendige praktijk die voor alle procespartijen al jarenlang het belang van een doelmatig en efficiënt procesverloop garandeert. En in ieder geval had het dat niet kunnen doen zonder dat aan te geven voordat het zijn beslissing(
  2. en)nam’. 45. De raadsman van de verdachte heeft in zijn brief van 3 november 2016 onderzoekswensen geformuleerd. Vervolgens heeft het hof op de terechtzitting van 15 november 2016 beslist dat het OM de gelegenheid kreeg schriftelijk te reageren op de onderzoekswensen van de verdediging, waarna de verdediging de gelegenheid kreeg schriftelijk te reageren op de reactie van het OM. Van die gelegenheid heeft de raadsman van de verdachte ook gebruik gemaakt met de brief van 14 december 2016. De raadsman heeft daarin niet slechts verwezen naar de appelschriftuur die door de raadsman in de zaak van [betrokkene 49] was ingediend, maar een ‘nadere toelichting’ gegeven op de eerder opgegeven onderzoekswensen. Daaruit kan worden afgeleid dat de raadsman ervan doordrongen was dat het op zijn weg lag het belang van de verdachte bij toewijzing van de onderzoekswensen nader toe te lichten. Een dergelijke toelichting is in de brief van 14 december 2016 evenwel niet gegeven. Ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2017 is door de verdediging niet (alsnog) nader toegelicht welk belang de verdachte heeft bij toewijzing van de getuigenverzoeken. Mede in het licht van het procesverloop meen ik dat de klacht voor zover inhoudend dat de raadsman ervan uit heeft mogen gaan dat bij de onderbouwing van getuigenverzoeken met een verwijzing naar de onderbouwing van de onderzoekswensen in de zaak van medeverdachte [betrokkene 49] kon worden volstaan, faalt. Daar komt bij dat het voor de raadsman in ieder geval na de beslissing van het hof op 11 mei 2017 duidelijk moet zijn geweest dat het hof in de tot op dat moment gegeven motivering geen belang zag om de in de zaak [betrokkene 49] geformuleerde onderzoekswensen ook in de onderhavige zaak uit te (laten) voeren. Ook nadien heeft de raadsman evenwel niet voorzien in een aanvullende (op de zaak van de verdachte toegesneden) motivering van de onderzoekswensen. 46. De steller van het middel klaagt voorts dat het niet aan het hof vrijstond ‘verzoeken die niet expliciet op de terechtzitting zijn gedaan af te wijzen’ nu het hof zelf koos ‘voor een aantal schriftelijke rondes’. 47. Uit ’s hofs overwegingen kan niet worden afgeleid dat het hof bij de beoordeling van de verzoeken de brieven van de raadsman buiten beschouwing heeft gelaten. Kern van de motivering van de getuigenverzoeken, zowel in de brieven als tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2017, was dat de verdachte zich aansloot bij onderzoekswensen die in de zaak van medeverdachte [betrokkene 49] waren gedaan. Ik begrijp ’s hofs overweging aldus dat het hof, nu de verdediging op de betreffende zitting aangaf te persisteren bij de onderzoekswensen die in de brief van 14 december 2016 waren opgegeven, de getuigenverzoeken mede in het licht van hetgeen in beide brieven is verwoord heeft beoordeeld en afgewezen. Deze klacht faalt aldus bij gebrek aan feitelijke grondslag. 48. De steller van het middel klaagt ook dat het hof heeft verzuimd specifiek voor de zaak van de verdachte aan te geven welke getuigenverzoeken volgens welke maatstaf beoordeeld dienden te worden. 49. Art. 288, eerste lid, Sv, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv, luidt als volgt: ‘De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat: a. (…); b. (…); c. redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.’ 50. In HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m .nt. Borgers heeft Uw Raad onder meer overwogen: ‘Verdedigingsbelang 2.4. In beginsel heeft de verdachte het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Volgens het tegenwoordige Nederlandse stelsel van strafvordering kan de verdachte dat recht effectueren door zelf getuigen mee te brengen naar de terechtzitting. Voor het overige is hij aangewezen op het openbaar ministerie tot wiens taak het behoort getuigen op te roepen. Het openbaar ministerie kan weigeren te voldoen aan een door of namens de verdachte gedaan verzoek tot oproeping van getuigen. Door of namens de verdachte kan vervolgens ter terechtzitting het oordeel van de rechter over die weigering worden ingeroepen. Het openbaar ministerie - en in geval van diens weigering of verzuim de opgegeven getuigen op te roepen: de rechter - kan die oproeping weigeren op onder meer de grond dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (hierna ook aan te duiden als "verdedigingsbelang"). 2.5. In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. 2.6. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen. 2.7. Daaraan kan met het oog op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, nog het volgende worden toegevoegd. Bij zo een verweer wordt van de verdediging verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vormverzuim dat niet onherstelbaar is of dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit.’ 51. De motivering van de afwijzing van onderzoekswensen in de andere zaken dan die van medeverdachte [betrokkene 49] bestaat, voor zover van belang voor de verdachte in onderhavige zaak, in twee componenten. De eerste component houdt in dat ‘op grond van een niet nader gespecificeerde algemene motivering, die feitelijk neerkomt op het wijzen op de verwevenheid van de zaken tegen [betrokkene 49] en de overige verdachten, niet gesteld kan worden dat bij de verdediging in die andere zaken een belang is ontstaan om de in de zaak tegen [betrokkene 49] geformuleerde onderzoekswensen ook in hun zaken uit te (laten) voeren.’ Uit deze overweging, die er in de kern op berust dat uit de motivering geen belang van de verdediging blijkt, volgt dat het hof de getuigenverzoeken aan de hand van de maatstaf van het verdedigingsbelang heeft beoordeeld. 52. De tweede component van de motivering van de afwijzing die in de zaak van de verdachte van belang is, ziet specifiek op de rechtmatigheidsgetuigen. In die context wijst het hof op de ‘algemene opmerkingen inzake rechtmatigheidsgetuigen’; de inhoud van die algemene opmerkingen correspondeert vervolgens met overweging 2.7 in het overzichtsarrest van 1 juli 2014. Die overweging – onder het kopje ‘Verdedigingsbelang’ – vermeldt onder meer wanneer ‘in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken’. Daarmee volgt ook uit dit deel van ’s hofs overwegingen dat het de getuigenverzoeken aan de hand van de maatstaf van het verdedigingsbelang heeft beoordeeld. 53. Een en ander brengt mee dat het middel voor zover het klaagt dat het hof heeft verzuimd duidelijk te maken welke maatstaf het toepasselijk achtte bij de beoordeling van de getuigenverzoeken bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt. 54. De steller van het middel klaagt voorts dat ‘s hofs motivering in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 49] , voor zover deze in de zaak tegen de verdachte van toepassing zou zijn, op onderdelen tekort zou schieten. Bij de rechtmatigheidsgetuigen die in de appelschriftuur van de raadsman van medeverdachte [betrokkene 49] zijn weergegeven (vanaf nummer 98) wijst de steller van het middel erop dat door de raadsman van deze medeverdachte expliciet zou zijn gesteld dat ‘het de verdediging gaat om de inhoud van de getapte geheimhoudersgesprekken’. Het hof zou, zo begrijp ik, hebben miskend dat het horen van een geheimhouder (bijna) per definitie van belang is ‘voor het vaststellen of, en zo ja, in hoeverre met het tappen en uitluisteren inbreuk is gemaakt op de geheimhoudingsplicht en dus ook in hoeverre sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en dus ook welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden’. Wat het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 90] betreft (nummer 95, verzocht in de zaak [betrokkene 95] ) zou het feit dat medeverdachte [betrokkene 49] zelf aan de gesprekken deelnam niet aan de afwijzing kunnen bijdragen, zeker niet, zo begrijp ik, in de zaak van de verdachte. Daarbij zou de onderbouwing van het belang dat het horen van deze getuige voor de bewijsvraag heeft ‘evident’ zijn. 55. Uit ‘s hofs overwegingen volgt dat het hof de verzoeken van de verdachte en de verzoeken van andere medeverdachten dan [betrokkene 49] niet heeft afgewezen op dezelfde gronden als waarop het de verzoeken die namens [betrokkene 49] zijn gedaan heeft afgewezen. Nu deze deelklacht is geformuleerd uitgaande van de veronderstelling dat ’s hofs motivering in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 49] ook in de zaak tegen de verdachte van toepassing zou zijn, faalt de klacht reeds deswege. Ten overvloede merk ik over de klachten die van bedoelde onjuiste veronderstelling uitgaan nog het volgende op. 56. Het hof wijst er bij de verzoeken tot het horen van de onder de nummers 98 tot en met 104 vermelde getuigen in de zaak [betrokkene 49] op dat het gaat om rechtmatigheidsgetuigen, en dat daarvoor geldt ‘hetgeen hierover bij 1.1.2 is overwogen’. Daarbij is naar het oordeel van het hof, gezien de gegeven motivering, onvoldoende aannemelijk geworden dat ‘in de onderhavige zaak sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de rechten van de verdachte, althans dat het horen van de verzochte getuigen in het belang van de verdediging is met het oog op het onderbouwen van een verweer ex artikel 359a Sv’. Onder 1.1.2 heeft het hof erop gewezen ‘dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in artikel 359a Sv. genoemd rechtsgevolg’. In dat verband is van belang dat het hof in het bestreden arrest (in het kader van de strafmotivering) heeft overwogen dat het in het geheel niet aannemelijk geworden acht dat uit het niet terstond vernietigen van opnamen van telefoongesprekken met geheimhouders ‘in de zaak tegen de verdachte, welke louter bestaat uit de poging tot oplichting van de erven [betrokkene 95] , voor de verdachte enig nadeel is ontstaan’. 57. Daarin ligt besloten dat ook als het hof het verzoek tot het horen van deze getuigen wel had afgewezen op dezelfde gronden als waarop het de verzoeken van medeverdachte [betrokkene 49] heeft afgewezen, deze afwijzing niet onbegrijpelijk was geweest en toereikend was gemotiveerd. 58. Bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 90] ligt het nog wat anders. Het hof overweegt dat de raadsman van medeverdachte [betrokkene 49] ter motivering van het verzoek tot het horen van deze getuige heeft verwezen naar een gesprek dat [betrokkene 46] met [betrokkene 49] zou hebben gehad. Aangezien [betrokkene 49] zelf deelgenoot van dit gesprek is geweest, ‘ziet het hof voorshands niet in welk belang de verdediging heeft bij het horen van een getuige over ditzelfde gesprek’. En het geeft voorts aan dat ‘op geen enkele manier (
  3. is)onderbouwd waarom een verklaring van [betrokkene 90] van belang zou zijn voor enige door het hof in het kader van artikel 348 of 350 Sv. te nemen beslissing’. Laatstgenoemd argument zou ook als deze motivering tevens in relatie tot het verzoek van de verdachte in de onderhavige zaak zou zijn gebezigd, de afwijzing hebben kunnen dragen. Het eerste argument gaat in relatie tot de verdachte in onderhavige zaak – van wie niet vaststaat dat zij bij dat gesprek aanwezig was – niet op. Nu het hof het verzoek heeft afgewezen omdat het ontoereikend is onderbouwd, is dat evenwel niet van belang. ’s Hofs afwijzing maakt duidelijk dat het op de weg lag van (de raadsman van) de verdachte, die ten opzichte van het betreffende gesprek een andere positie had dan [betrokkene 49] , om een belang bij het horen van [betrokkene 90] aannemelijk te maken. 59. In het licht van enerzijds hetgeen aan de getuigenverzoeken ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop zij zijn afgewezen, is de ter terechtzitting van 11 mei 2017 medegedeelde afwijzing van die verzoeken niet onbegrijpelijk. 60. In het middel en de toelichting daarop wordt niet gerefereerd aan de terechtzittingen die na 11 mei 2017 zijn gehouden. In zoverre merk ik ten overvloede op dat de raadsman van de verdachte na het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting op 29 januari 2019 expliciet heeft meegedeeld geen eigen onderzoekswensen te hebben. Wat betreft het op die terechtzitting verwoorde verzoek om ‘de verzoeken die in de zaak tegen [betrokkene 49] betreffende de zaak [betrokkene 95] worden toegewezen’ ook toe te wijzen in de zaak tegen de verdachte, merk ik op dat het hof in de zaak [betrokkene 49] geen verzoeken betreffende de zaak [betrokkene 95] heeft toegewezen. 61. Het tweede middel faalt. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering 62. Het derde, vierde en vijfde middel behelzen bewijsklachten. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsmotivering weer. 63. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: ‘zij, in de periode 1 februari 2009 tot en met 9 november 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrij(
  4. f)om tezamen en vereniging met een ander, [betrokkene 46] en/of [betrokkene 94] en/of [betrokkene 89] , zijnde de erven van [betrokkene 95] , op te lichten, als volgt heeft gehandeld, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, getracht [betrokkene 46] en/of [betrokkene 94] en/of [betrokkene 89] , zijnde de erven van [betrokkene 95] , op valse gronden te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag in het kader van een valselijk opgestelde schuldbekentenis van [betrokkene 95] en [betrokkene 92] aan [betrokkene 93], immers heeftzij, verdachte en/of haar mededader, toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk in strijd met de waarheid, - zich in geschrift voorgedaan als [betrokkene 93], (beweerdelijk) schuldeiser van (de erven van) [betrokkene 95] , en/of hebbende zij, verdachte, zich meermalen telefonisch als de zus van [betrokkene 93] voorgedaan, en - een schuldbekentenis van [betrokkene 95] en [betrokkene 92] aan [betrokkene 93] d.d. 17 juli 2007 ten bedrage van EUR 47.000,- opgesteld en/of doen opstellen en in een civiel geding gebracht en/of overgelegd en/of doen/laten brengen en/of overleggen, (beweerdelijk) door of namens [betrokkene 95] en/of [betrokkene 92] en/of [betrokkene 93] ondertekend (zulks ter bevestiging van de juistheid van de opgenomen gegevens), en - namens [betrokkene 93] stukken opgesteld en/of verzonden en/of doen/laten opstellen en/of verzenden, onder welke de civiele dagvaarding d.d. 14 juli 2009 gericht aan [betrokkene 46] , althans aan (de erven van) [betrokkene 95] , terwijl deze stukken in werkelijkheid door of namens (medeverdachte) [betrokkene 49] werden opgesteld en/of verzonden en/of waarin (een) feit(
  5. en)en/of (een) omstandighe(i)den zijn opgesomd, welke niet conform de waarheid waren, en - op valse gronden en/of met een valse hoedanigheid beslag gelegd op het pand [ao-straat 1] te Rotterdam en - de hoedanigheid en/of naam van [betrokkene 93] (valselijk) gebruikt in en/of rondom het voeren van een civiele procedure bij de rechtbank Rotterdam, naar aanleiding waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader, de erven van [betrokkene 95] , hebben getracht te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’ 64. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 augustus 2009 van de politie Zuid-Holland-Zuid gecodeerd als AH/665A. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Als de op 13 augustus 2009 afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 46] : Op 24 december 2008 is mijn zoon [betrokkene 95] door de politie Rotterdam dood aangetroffen in zijn woning. Zijn woning was gelegen aan de [ao-straat 1] in Rotterdam. Deze woning was zijn eigendom. Bij de koop in 2001 heeft [betrokkene 95] zijn paspoort gebruikt dat geldig was van 18 juni 1997 tot en met 18 juni 2002, nr. [036]. Ik zal u een fotokopie van dat paspoort geven. De restschuld van [betrokkene 95] is afgekocht door de overlijdensrisicoverzekering van [betrokkene 95]. [betrokkene 95] had een verklaring van erfrecht laten opmaken. In deze verklaring stond vermeld dat ik zelf 1/3 van de woning krijgen. Mijn dochter 1/6 en [betrokkene 94] zijn halfzus 1/6 deel van de woning. Als wij aanspraak wilden maken op de bovengenoemde delen van de woning moesten wij deze verkopen. Ik wilde snel van de woning af en zag in de maand februari 2009 een advertentie: TE KOOP GEVRAAGD. Belegger vraagt te koop alle soorten onroerend goed. Ik ben toen gaan bellen en kreeg een man aan de telefoon die wel interesse had in de woning van mijn zoon. De man wilde enkele gegevens van mijn zoon [betrokkene 95] weten. Ik heb hem de gevraagde gegevens gegeven. Hij vroeg het volgende over mijn zoon: Naam, voornaam, adres, waar hypotheek afgesloten, hypotheeknummer, wat was al afgelost, welke maatschappij had de aflossing geregeld, hoeveel was de rest aflossing, geboorte datum, waar mijn zoon geboren was. Het voorstel dat de man via de telefoon deed aan mij was tussen de 50.000 en 60.000 euro voor de woning. Ik ben een dag erna naar Den Haag gegaan om met de man te gaan praten. We hadden afgesproken in een heel groot hotel in de buurt bij het centraal station van Den Haag. In het gesprek stelde de man voor dat hij niet de 50.000 euro wilde betalen voor de woning van [betrokkene 95] maar hij wilde maar 25.000 tot 30.000 euro voor de woning geven. Ik heb de man medegedeeld dat ik niet verder wilde gaan met deze zaken. Hierop hoorde ik de man zeggen dat het geheel niet door zou gaan. Hierop wilde ik weg lopen en hoorde de man zeggen dat hij nog een voorstel had. Ik hoorde de man zeggen dat hij de woning wel voor 30.000 euro kon kopen maar dan zou hij naar de rechtbank gaan om de woning op te eisen. Ik hoorde de man zeggen dat hij dan zou afspreken dat [betrokkene 95] de woning al voor zijn overlijden aan hem had verkocht en dat [betrokkene 95] al die 30.000 had ontvangen. Ik zei de man dat ik niet verder wilde met de verkoop. Ik ben gaan bellen met OZP makelaars Dordrecht om te vragen of zij interesse hadden in de woning van [betrokkene 95]. Vervolgens is OZP samen met mijn dochter naar de woning gegaan en had een bod van 42.500 euro uitgebracht op de woning. Hiermee waren wij akkoord gegaan en hebben het voorlopig koopcontract laten tekenen. Vervolgens belde de man mij weer. Ik hoorde de man vragen of wij nog zaken konden doen. Hierop deelde ik de man mede dat ik de woning had verkocht aan OZP makelaars. Hierop hoorde ik de man zeggen "Nou dat zullen we dan nog wel een keer zien. Ik laat beslag op je woning leggen". Een dag later belde de man mij op. ik hoorde de man zeggen: "kijk jij eens in de brievenbus van je woning, ik heb beslag op je woning laten leggen, controleer het kadaster maar even want dan zie je wat er aan de hand is allemaal". Hierop is mijn dochter [betrokkene 89] naar de woning van [betrokkene 95] gegaan en zag daar een brief afkomstig van de deurwaarder genaamd [betrokkene 96]. In de brief stond dat er beslag op de woning van [betrokkene 95] was gelegd. Ik zag in de brief dat ene [betrokkene 93] beslag op de woning had laten leggen omdat [betrokkene 95] een lening bij hem had openstaan. Ik toon u een vervalste schuldbekentenis van mijn zoon aan die [betrokkene 93] en zal u daar een kopie van geven. Onder de schuldverklaring staat een handtekening van [betrokkene 95] die afkomstig is van zijn paspoort dat tot 18 juni 2002 geldig was. In die tijd had [betrokkene 95] allang een nieuw paspoort dat geldig was van 29 mei 2002 tot en met 29 mei 2007, met nr. [037]. Onder die schuldbekentenis staat een handtekening die identiek is aan de handtekening van [betrokkene 95] afkomstig uit het oude paspoort. Als je de handtekeningen naast elkaar legt zie je dat ze gekopieerd zijn. [betrokkene 95] leefde van de sociale dienst en had geen geld. [betrokkene 95] had een laag IQ en kon amper lezen en schrijven. In het laatste gesprek hadden wij de man gevraagd of hij dit op papier had maar hier horen wij weer niets van. De schuldbekentenis die ik u heb getoond werd op 10 augustus 2009, één uur voor het kort geding in kopie overhandigd aan onze advocaat. De advocaat stond voor een raadsel. Ik hoorde de advocaat zeggen: "ze hebben 7 maanden niet over een handtekening gepraat en nu ineens wel". Na op advies van de advocaat gedane naspeuringen naar de handtekening van [betrokkene 95] kregen wij van de Hypotheker een fax met daarop het oude paspoort van [betrokkene 95]. We zagen dat dit de zelfde handtekening was als op de schuldbekentenis. Dit alles hebben we 10 augustus 2009 ontdekt. Het is voor ons een groot raadsel hoe de tegenpartij aan een kopie van [betrokkene 95] zijn oude paspoort komt. Ik heb nog DVD opnamen. De DVD ligt op dit moment bij mijn advocaat. 2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 januari 2014 van de rechter-commissaris belast met strafzaken in de rechtbank Den Haag. Dit proces-verbaal houdt in - zakelijk weergegeven -: als verklaring van [betrokkene 46] : Ik hoor de officier van justitie vragen of ik iemand heb herkend waarmee ik eerder had gesproken in de rechtbank Den Haag. Ik zag [betrokkene 49] (het hof : de vader van de verdachte) meteen staan in de rechtbank Den Haag. 100 % zeker. Zijn vrouw zat er, zijn dochter en zijn zoon zaten achterin. [betrokkene 49] zat voorin en zijn vrouw zat ernaast, ze zaten voorin. Ik heb [betrokkene 49] toen 100% herkend van de ontmoeting in het hotel. Ik hoor de officier van justitie opmerken dat ik aanwezig hen geweest bij een van de pro-forma's in deze zaak, en dat ik in één van de pauzes naar u ben toegekomen en daarom weet u dat ik [betrokkene 49] heb herkend. 3. Een geschrift, zijnde een vertaling van een Oostenrijks proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 93] d.d. 6 juni 2012, gecodeerd R/005/021 en verder. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): als de verklaring van [betrokkene 93]: Ik woon in Oostenrijk. Zes jaar geleden ben ik naar Oostenrijk gekomen. Aan de getuige wordt een foto van [betrokkene 49] getoond en gevraagd of hij die kent. Antwoord. Ja, die ken ik. Hij heet [betrokkene 49] . Een paar maanden of een jaar voordat ik naar Oostenrijk ging was ik op zoek naar een huis en ben zodoende bij [betrokkene 49] gekomen. [betrokkene 49] heeft toen een kopie van mijn paspoort gemaakt en ook van mijn loonstrookje. Ik heb alleen in die maand contact met hem gehad. Vraag: Kent u een zekere heer [betrokkene 95] , en zo ja, waarvan en sinds wanneer? Antwoord : Nee. Getuige wordt het volgende voorgehouden: Wij tonen u een kopie van een paspoort op naam van [betrokkene 95] (opmerking van de verhorende beambten: er wordt de met 32 aangeduide foto uit het verzoek tot rechtshulp getoond). Vraag: Kent u de persoon op de foto. Antwoord: Die ken ik niet. Getuige wordt het volgende voorgehouden: Wij tonen u een schuldbekentenis van 17 juli 2007 voor een lening ten bedrage van € 47.000,-- aan [betrokkene 92] en [betrokkene 95] (…). Vraag: Wat kunt u daarover verklaren? Antwoord: € 47.000-- zoveel heb ik nog nooit in handen gehad. Vraag: Wie heeft de schriftelijke schuldbekentenis opgesteld? Antwoord. Dat weet ik niet. Ik zie die vandaag pas voor het eerst. Getuige wordt het volgende voorgehouden: [betrokkene 95] is in december 2008 overleden en heeft een huis in de [ao-straat 1] te Rotterdam aan zijn erfgenamen vererfd. De erfgenamen hebben getracht het huis in 2009 te verkopen en kwamen via advertenties in contact met [betrokkene 49] . De erfgenamen hebben ten slotte de onderhandelingen met [betrokkene 49] zonder succes afgebroken. [betrokkene 49] dreigde toen beslag op het te koop staande huis te laten leggen. De volgende dag, op 5 februari 2009, werd door deurwaarder [L] in Delft ook daadwerkelijk beslag op het huis gelegd. Het beslag werd door het advocatenkantoor Deen uit naam van [betrokkene 93] bevolen. Dit heeft ten slotte tot een civiel proces geleid. Genoemde schuldbekentenis is in het geding gebracht. De erven [betrokkene 95] hebben de schuldbekentenis bestreden. Vraag: Heeft u eigenlijk opdracht tot deze beslaglegging gedaan en zo ja, hoe heeft u dat gedaan. Antwoord : Nee, ik hoor daar vandaag voor het eerst over Getuige wordt het volgende voorgehouden: De advocaat van [betrokkene 93], de heer Kerkhoven, liet in opdracht van [betrokkene 93] in juli 2009 de erfgenamen van [betrokkene 95] dagvaarden. Vraag: Heeft u advocaat Kerkhoven een dergelijke opdracht gegeven? Antwoord. Nee. Aan getuige wordt een foto getoond van mr. Kerkhoven en gevraagd of hij deze persoon kent. Aan getuige wordt een foto getoond van mr. Deen en gevraagd of hij deze persoon kent. Antwoord (2 maal): Nee, nog nooit gezien. 4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 september 2012 van de rechter-commissaris belast met strafzaken in de rechtbank Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-: als verklaring van [betrokkene 92] : U vraagt mij of ik [betrokkene 93] ken. Nee die ken ik niet. Ik heb niet in Rotterdam gewoond. Ik ken [betrokkene 95] niet. Ik zeg u dat ik hem ook niet ken als u zijn voornaam, [betrokkene 95], noemt. U vraagt mij of ik wel eens 47.000 euro heb geleend van iemand. Ik heb geen 47.000 euro geleend. U vraagt mij of ik samen met [betrokkene 95] van [betrokkene 93] geld heb geleend. Nee 5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2012 van de politie Haaglanden, gecodeerd AH/662/001 en verder. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 2]: Op maandag 6 februari 2012 heb ik telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 46] en hem verteld dat ik de aangifte nogmaals zou beoordelen. [betrokkene 46] gaf aan dat hij nog in het bezit was van twee cd's met daarop door hem opgenomen telefoongesprekken tussen hem en "de Hindoestaanse oplichter" en tussen hem en de "zus van de Hindoestaanse oplichter". Daar naartoe gevraagd gaf [betrokkene 46] aan dat hij deze cd's ter beschikking welde stellen aan de politie, waarop ik deze heb laten ophalen. Na ontvangst door mij van de beide cd's heb ik deze kort beluisterd om vast te stellen of stemmen mij bekend voorkwamen. Ik hoorde dat op de cd gemarkeerd met de tekst "de Hindoestaanse oplichter" de stemmen te horen waren van [betrokkene 46] , die ik net gesproken had, en de mij ambtshalve bekende stem van [betrokkene 49] . Ik hoorde dat op de cd gemarkeerd met de tekst "zus van de Hindoestaanse oplichter" de stemmen te horen waren van [betrokkene 46] , die ik net gesproken had, en de mij ambtshalve bekende stem van [verdachte] , de dochter van [betrokkene 49] . Daarna heb ik opdracht gegeven tot het uitwerken van de gesprekken op beide cd's, welke bij apart proces-verbaal zullen worden gerelateerd. Beslag woning [m-straat 2] In de woning [m-straat 2] te Den Haag werd op 10 januari 2012 een doorzoeking gedaan en hierbij werden goederen in beslag genomen. Uit dit beslag kwamen een aantal documenten naar voren die kennelijk betrekking hadden op de aangifte van [betrokkene 46] , te weten: - een fax d.d. 6 augustus 2009 van De Hypotheker Slinge met een fotokopie van het paspoort van [betrokkene 95] , geboren 27-06-1982; - een schuldbekentenis gedateerd 17 juli 2007 tussen [betrokkene 92] ([geboortedatum]-1981) en [betrokkene 95] ([geboortedatum]-1982) die €47.000 lenen van [betrokkene 93] ([geboortedatum]-1980); - de 2e pagina van die schuldbekentenis met aantekeningen wie wat heeft geschreven. 6. Een geschrift, te weten een fax van Deen advocaten aan de Voorzieningenrechter te Rotterdam, verzonden op 10/08 2009, 10:14 uur, met de volgende tekst en bijlagen, voor zover van belang (…): Betreft : Kort geding dd. 10.8.2009 te 11.15 uur [betrokkene 93] v .s./ [betrokkene 95] /[betrokkene 94] … Eerst thans is het mij mogelijk een 7 tal producties in het geding te brengen ... Productie 1 Een schuldbekentenis d.d. 17 juli 2007, inhoudende dat [betrokkene 92] en [betrokkene 95] op die datum € 47.000 hebben geleend van [betrokkene 93], en voorzien van meerdere handtekeningen. (DD 483/22) 7. De eigen waarneming van het hof dat de handtekening '[betrokkene 95] ' op de schuldbekentenis, gedateerd 17 juli 2007, identiek is aan de handtekening van [betrokkene 95] op de kopie van zijn paspoort met nummer [036], geldig met ingang van 18 juni 1997. 8.Een geschrift, zijnde een vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 mei 2010, met rolnummer 338914/HA ZA 09-2627 in de zaak van [betrokkene 93] tegen de erven van [betrokkene 95] . Dit vonnis houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Rechtbank Rotterdam Sector Civiel recht Zaak-/rolnummer: 338919/HA ZA 09-2627 Uitspraak: 26 mei 2010 (bij vervroeging) Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [betrokkene 93] Wonende te [plaats], Eiser, Advocaat mr. E.C. Kerkhoven, - tegen - De erven van [betrokkene 95] , te weten: 1. [betrokkene 46] , 2. [betrokkene 94], 3. [betrokkene 89] Gedaagden, Advocaat mr. A. Quispel. 1. Het verloop van het geding 1.1 de rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: dagvaarding 14 juli 2009; (...) de stukken van het op 1 juli 2009 ten verzoeke van eiser en ten laste van gedaagden gelegde conservatoire beslag op de woning aan de [ao-straat 1] te Rotterdam. 4. De Beoordeling 4.6 de rechtbank is van oordeel dat [betrokkene 93] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de feiten die voor een beslissing in de onderhavige zaak van belang zijn volledig en naar waarheid aan te voeren. 4.7 De vordering wordt dan ook bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing afgewezen. 9. Een geschrift, zijnde een vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 9 november 2010, met rolnummer 362617/ KG ZA 10-912 in de zaak van [betrokkene 46] , [betrokkene 94] en [betrokkene 89] tegen [betrokkene 93]. Dit vonnis houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaaknummer/rolnummer: 362617/KG ZA 10-912 Vonnis in kort geding van 9 november 2010 In de zaak van 1. [betrokkene 46] , 2. [betrokkene 94], 3. [betrokkene 89] , Eisers, Advocaat mr. Quispel, Tegen [betrokkene 93] Advocaat mr. E.J.W.F. Deen. 2. De feiten 2.1. [betrokkene 95] c.s. heeft de nalatenschap van [betrokkene 95] zuiver aanvaard. De nalatenschap van [betrokkene 95] bestond uit een aan hem in eigendom toebehorende woning aan het adres [ao-straat 1] te Rotterdam. 2.2. [betrokkene 93] heeft op 1 juli 2009 (hernieuwd) beslag doen leggen op de woning. 2.3 [betrokkene 95] c.s. heeft in kort geding opheffing van het door [betrokkene 93] gelegde beslag gevorderd. In die procedure heeft de voorzieningenrechter op 18 augustus 2009 het beslag op de woning opgeheven, onder voorwaarde dat [betrokkene 95] c.s. de verkoopopbrengst van de woning bij de notaris, belast met de verkoop en levering van de woning, in depot zou houden "totdat in de door [betrokkene 93] aangespannen bodemprocedure onherroepelijk is beslist". 10. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 maart 2014 van de rechter-commissaris belast met strafzaken in de rechtbank Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - : Als de verklaring van mr. E.C. Kerkhoven: We hebben besproken dat [betrokkene 49] voor [betrokkene 93] zijn zaken zou behartigen. Het moet te maken hebben gehad met de zaak [betrokkene 95] . Het staat me nog bij dat [betrokkene 93] met de zaak [betrokkene 95] te maken had. 11.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2012 van de politie Haaglanden gecodeerd als AH/664/001 en verder. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 4]: Op woensdag 8 februari 2012 en donderdag 9 februari 2012 deed ik onderzoek naar telefoongesprekken die gevoerd waren tussen [betrokkene 46] en [verdachte] (het hof: de verdachte). Deze gesprekken waren op een DVD gebrand en bestond uit drie bestanden, weergegeven met de namen nummer 1, 2 en 3. De drie gesprekken werden door mij afzonderlijk uitgeluisterd en verwerkt in een proces-verbaal van bevindingen. De stem van [verdachte] werd door mij ambtshalve herkend. Bijlagen: • Drie

(3)uitgewerkte gesprekken
  1. Geschriften, zijnde een tweetal uitgewerkte telefoongesprekken, gevoegd als bijlage bij het onder bewijsmiddel 11 genoemde proces-verbaal. Deze geschriften houden onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Gesprek nummer 2 [betrokkene 46] = [betrokkene 46] [verdachte] = [verdachte] [betrokkene 46] : Nee, maar u zegt, u zegt dat mijn zoon getekend heeft ...een handtekening neergezet. [verdachte] : ja klopt ja. [betrokkene 46] : welk legitimatiebewijs heeft mijn zoon bij u laten zien ...of bij uw broer? [verdachte] : Nou meneer dat zou ik niet weten, want ik was ten tijde van het tekenen niet aanwezig. … [verdachte] : Ja, maar als er getekend is, dan kan een paspoort best twee dagen verlopen zijn, dat doet er niet toe ... uw zoon heeft getekend ... en getekend is getekend. [betrokkene 46] : Nou kijk dat is helemaal niet waar, want gaat u alles maar na bij de recherche, dan vervalt het gehele zooitje. [verdachte] : Nou nee dat is niet waar, dat is niet waar! [betrokkene 46] : Dat is wel waar mevrouw. (...) [verdachte] : ....u moet mijn broer ook begrijpen, die zit nu gewoon in de problemen he [betrokkene 46] : Waar, waardoor? [verdachte] : Die heeft ten tijden met een goed hart een bedrag aan uw zoon geleend.. (...) [verdachte] : Meneer ik ben de zus van [betrokkene 93] (fon). [betrokkene 46] : Maar u bent toch de woordvoerder van uw broer toch? [verdachte] : Ja, inderdaad ja [betrokkene 46] : dan weet u toch ook, als u de woordvoerder van die broer bent, hoe [betrokkene 95] dat geld heeft geïncasseerd? Is dat per bank gegaan, is het cash gegeven? (…) [verdachte] : Waarvoor ik u bel u *onverstaanbaar* over een schuldbekentenis. [betrokkene 46] : Ik wist daar helemaal niets van mevrouw, anders had ik het nooit aanvaard. (...) [betrokkene 46] : Hoe moet ik dat nu nog terugdraaien mevrouw, dat begrijp ik gewoon niet!! [verdachte] : dat kan als wij dat ook accorderen *onverstaanbaar* de schuldeisers, en als hij dat accordeert kunnen ze dat terugdraaien natuurlijk, zodat u die last van uw zoon niet meer op u hoeft te nemen, ook dat kan. [verdachte] : het lijkt mij het beste als wij beide met een oplossing komen hoor! En dat u een bedrag van *onverstaanbaar* ok? *onverstaanbaar* [betrokkene 46] : Maar waar waar gaat hij mee akkoord dan? [verdachte] : Wat zegt u? [betrokkene 46] : Waar zou uw broer mee akkoord gaan dan? [verdachte] : Ik heb met mijn broer contact gehad.. nou u weet u heeft de schuldbekentenis gezien.. en het bedrag is over de 60.000 opgelopen.. [betrokkene 46] : ja. [verdachte] : Want de aflossing *onverstaanbaar [betrokkene 46] : Ja [verdachte] : En als de familie [betrokkene 95] met een bedrag van 40.000 kan komen, dat wij dan direct kwijt schelden en de rest gaat naar de tweede schuldeiser [betrokkene 92] . [betrokkene 46] : Oh op zo'n manier. [verdachte] : Ja, dat wij dan iets van ons uit een oplossing waar wij euuuhh...naar toe willen gaan en dan denk dat wij dan ook heel erg tegemoet komen in die zin. (...) [betrokkene 46] : Mevrouw mevrouw...waarom wacht u nou niet gewoon die rechtszaak af, totdat u hem gewonnen hebt? [verdachte] : Wat zegt u? [betrokkene 46] : Waarom wacht u nou niet gewoon die rechtszaak af tot u hem gewonnen heeft, dat is toch veel beter voor u dat u gewoon in uw recht staat? (...) [verdachte] : Nee, wij denken wij nemen gewoon direct contact met u op, zodat wij tot een oplossing kunnen komen. Gesprek nummer 3 [betrokkene 46] = [betrokkene 46] [verdachte] = [verdachte] : Goedemiddag u spreekt met [verdachte] (fon.) . [betrokkene 46] : Ja, goedemiddag (...) [verdachte] : U heeft met uw advocaat, gesproken, neem ik aan? [betrokkene 46] : Ja, ik heb eind van de week weer contact met hem. [verdachte] : Eind van de week? [betrokkene 46] : Eind van de. week gaan we weer om de tafel zitten. (...) [verdachte] : Ok, weet u ook dat u vanaf morgen een probleem heeft? [betrokkene 46] : Wat bedoelt u? [verdachte] : Nou ja, zoals u weet gaan wij het beslag niet opheffen en euuuhhmmm...want ik heb begrepen dat u het pand heeft verkocht aan een ander persoon! [betrokkene 46] : Ja... [verdachte] : Die kan per morgen ook gewoon 4% plus nog de schade die hij heeft verhalen bij u he! Heeft uw advocaat u dat ook verteld? [betrokkene 46] : Nee, nee nee nee! [verdachte] : Nou, oohh oke...nou ik vind wel dat u op dit moment heel laks reageert...[betrokkene 46] . [betrokkene 46] : Ja [verdachte] : U geeft aan dat uw advocaat pas aan het einde van de week weer contact met u wil hebben. [betrokkene 46] : Ja, ja [verdachte] : Omdat hij de zaak...althans ik neem aan dat de zaak van u is. [betrokkene 46] : Klopt [verdachte] : U bent toch degene die met een oplossing zou kunnen komen, niet uw advocaat? [betrokkene 46] : Ja maar ik ik... [verdachte] : Terwijl ik met u contact heb opgenomen. [betrokkene 46] : Ik ga toch niet met u een oplossing zoeken terwijl mijn advocaat tegen mij zegt "wij hebben aan het einde van de week weer contact [betrokkene 46] ". Ik moet toch luisteren naar mijn advocaat, kijken wat hij toch zegt? [verdachte] : Maar...kijk...eeuuhh...wat zijn de beweegredenen van uw advocaat om daar aan het inde van de week te laten. [betrokkene 46] : Ja kijk die man die praat heel weinig door de telefoon, u praat veel meer vind ik. [verdachte] : Ja, ik... [betrokkene 46] : Ja hij praat gewoon heel erg weinig en u zegt gewoon meteen waar het om gaat, ja hij zegt gewoon niet. [verdachte] : Omdat...waarschijnlijk omdat hij de bal (hof: bij) u neer legt, vandaar dat hij waarschijnlijk weinig zegt, als u aangeeft dat u wilt schikken dan is die advocaat alleen maar blij dat die zaak zo wordt afgehandeld. [betrokkene 46] : Dat weet ik niet, dat weet ik natuurlijk niet! [verdachte] : dat is bij elke, bij elke… dat heeft mijn advocaat ook meteen gezegd, die zei neem met hem contact op want als u natuurlijk schikt is dat het allerbeste want uw advocaat heeft (hof: dan) geen tijd nodig, u bent degene die de tijd gaat betalen. (...) [betrokkene 46] : Ja, maar waarom heeft u nou zo'n haast om het tot een einde te brengen nu op dit moment, waarom?? [verdachte] : Ik haas ik haas...kunt u begrijpen dat als mijn broer euuuhhh zo *niet verstaanbaar* dat hij geld nodig heeft?? (...) [verdachte] : wij willen tot een oplossing komen, ik wil alleen aangeven dat mijn broer wel van plan is inderdaad beslag te leggen op het pand van uw dochter en uw pand waar u zelf woont dat dat kan... [betrokkene 46] : Dat kan dat kan...ja natuurlijk kan dat... [verdachte] : * onverstaanbaar* en dat niet alleen * onverstaanbaar* voorlopig kan *onverstaanbaar* een boete opleggen van 10% omdat u het pand niet kan leveren!! [betrokkene 46] : Ja [verdachte] : en dat is een probleem dat u straks heeft. (...) [verdachte] : en dan zegt u dat u aan het eind van de week met een oplossing komt, ja dat is alleen maar nadeliger voor u. [betrokkene 46] : Ja, dat misschien wel ja [verdachte] : En ik denk dat u gewoon direct het beste meteen kan confronteren met uw advocaat en aangeven ik, ik, nou ik het hetzelfde aan mijn...aangeven wat ons voorstel is... (...) [verdachte] : En ik heb het rechtstreeks van mijn broer... (...) [verdachte] : (...) mijn broer zit op dit moment in een extreem moeilijke situatie... [betrokkene 46] : dat kan gebeuren [verdachte] : dat met die toevoeging...heeft die speciale vraag toen ook gekregen...en je wilt echt niet weten hoeveel formulieren en hij iets voor elkaar kreeg. [betrokkene 46] : ja [verdachte] : hij heeft extreem veel dingen aan de belastingdienst moeten aan tonen, formulieren inleveren, over en weer ontvangen en weer ingeleverd om die toevoeging überhaupt te krijgen...hij zit in een hele moeilijke positie en *onverstaanbaar*'...niet aan te halen. 13.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2012 van de politie Haaglanden, gecodeerd als AH/663/001 en verder. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op maandag 5 februari 2012 werd er door [betrokkene 46] een aantal gesprekken overgedragen aan de politie. Deze gesprekken had [betrokkene 46] zelf opgenomen middels een recorder. Op dinsdag 6 februari 2012 deed ik onderzoek naar een opgenomen gesprek tussen [betrokkene 46] en [betrokkene 49] . Hieronder is het genoemde gesprek letterlijk uitgewerkt: (het hof : [betrokkene 46] = [betrokkene 95] en [betrokkene 49] = [betrokkene 49] ) [betrokkene 49] : dus je zoon heeft die jongen willen helpen. [betrokkene 46] : Ja [betrokkene 49] : En nu wilt die andere compagnon van je zoon heeft niet betaald...[betrokkene 46] moet jou betalen. (...) [betrokkene 49] : Ja, als je voor mij borg tekent. [betrokkene 46] : Ja [betrokkene 49] : Dan heb ik niet betaald maar dan moet jij mij betalen (...) [betrokkene 49] : dus je zoon heeft borg getekend [betrokkene 46] : borg getekend? [betrokkene 49] : ja [betrokkene 46] : dus die is een schuld aangegaan voor die panden? [betrokkene 49] : *onverstaanbaar* laten tekenen. Dus uuhh die zaak, die schuld, die staat vast. Daar kan je niets aan doen. [betrokkene 46] : dat is zeker? [betrokkene 49] : 100% het enige wat je nog kan doen is gewoon proberen. Je kan ook iets anders doen als je van die schuld bang bent. moet je zeggen joh straks komen ze voor die schuld bij mij. Dan kan ik met deze man wat anders afspreken, met die koper van ons, dat jij dat geld van dat pand. Je kan ook zeggen ik doe afstand. Ik doe afstand van de nalatenschap van [betrokkene 95]. Ik wil niets met zijn huis te maken hebben en ik doe * onverstaanbaar* [betrokkene 46] : dat is zeker? [betrokkene 49] : een miljoen procent [betrokkene 46] : ja, maar ik heb getekend bij de notaris voor de nalatenschap [betrokkene 49] : wat zeg je? [betrokkene 46] : ik heb getekend voor de nalatenschap [betrokkene 49] : wat zeg je? [betrokkene 46] : ik heb getekend voor de nalatenschap [betrokkene 49] : ja maar nu kan je afstand doen [betrokkene 46] : kan dat nog? [betrokkene 49] : ja je kan afstand doen. Je moet zeggen van joh luister is ik ben erachter gekomen...ik wil zelfs met je mee gaan, ik wil zelfs met je mee gaan om te zeggen bij de notaris van joh...luister notaris...uuh ik heb getekend voor de nalatenschap maar achteraf, nu hoor ik dat er beslag op dat huis ligt, ik weet niet hoeveel lijken er nog meer uit de kast gaan komen. [betrokkene 46] : Ja [betrokkene 49] : ik wil helemaal niets met die *onverstaanbaar* te maken hebben. Want vergis je niet he... het is 47 duizend. Het is aangegaan in 2006/2007 met alle rente, kosten en procedures komt het boven de 60 duizend. (...) [betrokkene 49] : Deze jongen, je zoon, heeft die schuld.. Hij is niet alleen schuldig. Samen met die andere jongen zijn zij die schuld aangegaan. [betrokkene 46] : Met z'n tweeën? [betrokkene 49] : jaja maar beide zijn ze volledig aansprakelijk (...) [betrokkene 49] : als je bij de notaris, weet je wat je moet doen? Je kan afstand doen van het bezit van je zoon. Dan ben je helemaal klaar want anders, alles wat overblijft aan schuld komen ze dan ook nog bij jou halen. Dus je gaat afstand doen. Je kan ook zeggen joh weet je geef me gewoon zoveel, ik loop mee naar de notaris, je doet afstand en dan ben je ook klaar. [betrokkene 46] : als dat, als dat zeker is. Moet je goed luisteren. Als dat zeker is wat jij zegt als jij kan overleggen van dat schuld, bewezen dat [betrokkene 95] meegetekend heeft. Dan gaan wij naar de notaris toe, en dan kunnen wij de zaak regelen. [betrokkene 49] : natuurlijk moet je dat doen. Dat regelen we wel.
  2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2019 van de politie Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven: Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 5]: Op 15 mei 2012 heb ik samen met [verbalisant 6] aan het politiebureau als verdachte gehoord [verdachte] . Tijdens dit verhoor hebben wij de verdachte een aantal geluidsfragmenten laten horen, ik hoorde toen dat de stem, te horen op de geluidsfragmenten de stem van de verdachte [verdachte] was. 15.Een proces-verbaal stemherkenning [verdachte] d.d. 14 januari 2019 van de politie Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven: Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar [verbalisant 2]: Het Openbaar Ministerie verzocht mij begin januari 2019 kennis te nemen van het proces verbaal MD-286, waarin de verbalisant [verbalisant 6] schrijft dat: "Bij het beluisteren van de telefoongesprekken (het hof begrijpt: herkende) [verbalisant 2] zowel de stem van [betrokkene 46] als ook de stem van [betrokkene 49] . Tevens werd in de telefoongesprekken de stem van [verdachte] , de dochter van [betrokkene 49] herkend. In een van de gesprekken deed voornoemde [verdachte] zich voor als de zus van [betrokkene 93]." Ik was degene die toentertijd de van [betrokkene 46] ontvangen geluidsopnames heb beluisterd. In het tweede gesprek van die geluidsopnames hoorde ik een vrouwenstem die ik herkende als de stem van [verdachte] , die zich voordoet als de zus van [betrokkene 93]. Het stemgeluid van [verdachte] was mij ambtshalve bekend omdat ik een groot aantal tapgesprekken uit het onderzoek Waterstof heb beluisterd. Bij het beluisteren van die tapgesprekken hoorde ik dat [verdachte] gedurende die onderzoeksperiode veelvuldig contact had met haar vader [betrokkene 49] , overige familieleden en anderen. Gedurende die gesprekken kon ik de identiteit van [verdachte] als deelnemer aan gesprekken veelvuldig vaststellen, omdat ik hoorde dat tijdens die gesprekken met familieleden en anderen, zij en anderen haar naam en/of gegevens veelvuldig gebruikten.
  3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…): Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Op 14 september heb ik telefonisch contact gehad met deurwaarder [betrokkene 97] van deurwaarderskantoor [L] te Delft. Desgevraagd deelde [betrokkene 97] mij mee dat het deurwaarderskantoor op 5 februari 2009 beslag heeft gelegd op de woning aan de [ao-straat 1], 3083 VM Rotterdam op verzoek van Deen Advocaten te Den Haag, de advocaat van [betrokkene 93].’
  4. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen: ‘Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij - kort gezegd - aangevoerd:
  5. de betrokkenheid van de verdachte is slechts af te leiden uit de door [betrokkene 46] ingebrachte, door hem opgenomen telefoongesprekken, waarvan niet is vast te stellen op welke datum (en/of tijd) deze hebben plaatsgevonden; en
  6. de herkenning van de stem van de verdachte ontbeert iedere (betrouwbare dan wel wetenschappelijke) grondslag, zodat de processen-verbaal van herkenning niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Voor het geval het hof zou aannemen dat de verdachte deelneemt aan de door [betrokkene 46] opgenomen gesprekken heeft de raadsman aangevoerd:
  7. uit de verklaringen van de getuigen Deen, Kerkhoven en [betrokkene 4] volgt dat [betrokkene 93] cliënt was bij Deen advocaten; de verdachte kon uitgaan van de juistheid van de schuldbekentenis. Zij had dus geen wetenschap van enige onwaarheid, en ook geen opzet op een poging tot oplichting van de erven [betrokkene 95] in welke vorm dan ook; en
  8. er is geen sprake van medeplegen nu de verdachte geen intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd aan de poging tot oplichting. Het hof overweegt hierover als volgt. Ad
  9. Het hof stelt voorop dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de authenticiteit van de door [betrokkene 46] opgenomen en aan de politie ter beschikking gestelde gespreksopnames. Anders dan door de raadsman is betoogd, kan naar het oordeel van het hof uit de inhoud van de gesprekken reeds worden afgeleid dat deze hebben plaatsgevonden in de periode waarin de woning aan de [ao-straat 1] in Rotterdam (de woning van de overleden zoon van [betrokkene 46] ) nog onder beslag lag en de daarmee verband houdende vordering nog niet ter terechtzitting was behandeld.. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen gecodeerd AH/665A/007 is door deurwaarderskantoor [L] te Delft op 5 februari 2009 beslag gelegd op die woning. Het beslag is bij vonnis van de voorzieningenrechter opgeheven op 18 augustus
  10. De onderliggende vordering die op naam van [betrokkene 93] tegen de erven [betrokkene 95] is ingesteld is bij vonnis van 26 mei 2010 afgewezen, nadat deze ter zitting van 28 april 2010 is behandeld. Uit een en ander blijkt naar het oordeel van het hof dat de gesprekken hebben plaatsgevonden binnen de ten laste gelegde periode van 1 februari 2009 tot en met 9 november
  11. Het verweer wordt verworpen. Ad
  12. Naar het oordeel van het hof is boven twijfel verheven dat de verbalisanten in staat zijn geweest om de stem van de verdachte te herkennen in de telefoongesprekken die [betrokkene 46] heeft opgenomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder ook gelet op hetgeen in het aanvullende proces-verbaal van 10 januari 2019 door verbalisant [verbalisant 5] is gerelateerd over het politieverhoor van de verdachte op 15 mei 2012, waarbij [verbalisant 5] één van de verhorende politieambtenaren was en daarbij de stem van de verdachte herkende op de bij dat verhoor afgespeelde geluidsfragmenten uit telefoongesprekken met [betrokkene 46] en het hof betrekt daarbij verder dat die verbalisanten in het onderzoek Waterstof een groot aantal andere telefoongesprekken hebben uitgeluisterd waaraan de verdachte heeft deelgenomen. Voor nader (wetenschappelijk) onderzoek naar de betrouwbaarheid van die herkenning bestaat, mede daarom, geen aanleiding. Het verweer wordt verworpen. Geheel ten overvloede merkt het hof nog op dat niet valt in te zien dat er een andere vrouw was in de directe omgeving van de vader van de verdachte, die volgens de verklaring van mr. E.C. Kerkhoven de belangen van [betrokkene 93] behartigde, die deze gesprekken gevoerd kan hebben. Ad 3 en
  13. Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt met betrekking tot de schuldbekentenis d.d. 17 juli 2007 van [betrokkene 95] en [betrokkene 92] aan [betrokkene 93] het volgende naar voren: - [betrokkene 93], die sinds 2006 in Oostenrijk woonde, heeft verklaard dat hij nooit € 47.000,- heeft bezeten, dat hij [betrokkene 95] niet kende, dat [betrokkene 95] en/of [betrokkene 92] geen schuld aan hem hadden, dat hij de schuldbekentenis niet heeft opgemaakt, dat hij geen beslag heeft laten leggen, dat hij geen civiele procedure heeft gevoerd tegen [betrokkene 95] en/of diens erfgenamen en, nadat hem foto's waren getoond van mrs. Deen en Kerkhoven, dat hij ook hen niet kende; - [betrokkene 92] heeft verklaard dat hij [betrokkene 95] niet kent en dat hij niet samen met [betrokkene 95] een schuld aan [betrokkene 93] heeft; - [betrokkene 95] bezat bij leven een kennelijk (nagenoeg) volledig verhypothekeerde woning en leefde van een bijstandsuitkering; - het conservatoir beslag dat namens [betrokkene 93] op de woning aan de [ao-straat 1] is gelegd wordt gebaseerd op de voornoemde, overigens pas veel later in de civiele procedure ingebrachte, schuldbekentenis; - volgens mr. Kerkhoven behartigde de vader van de verdachte (de medeverdachte [betrokkene 49] ) de belangen van [betrokkene 93]. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de aangifte en verklaringen van [betrokkene 46] en de verklaringen van [betrokkene 93] en [betrokkene 92] , en acht deze betrouwbaar. Het hof acht eveneens de verklaring van mr. Kerkhoven, voor zover inhoudende dat de vader van de verdachte de belangen van [betrokkene 93] behartigde, geloofwaardig. Het hof neemt voorts het volgende in aanmerking: - er is beslag gelegd op de woning aan de [ao-straat 1] daags nadat hiermee is gedreigd door de vader van de verdachte tegenover [betrokkene 46] in verband met het niet doorgaan van de verkoop van de woning aan hem en de mededeling van [betrokkene 46] dat hij de woning aan een derde had verkocht; - de vader van de verdachte heeft op 6 augustus 2009 van De Hypotheker Slinge per fax een kopie van het paspoort van [betrokkene 95] , nr. [036], geldig met ingang van 18 juni 1997 tot (ten hoogste) 18 juni 2002 ontvangen; - de voornoemde, op 17 juli 2007 gedateerde, schuldbekentenis is eerst op 10 augustus 2009, enige dagen nadat de vader van de verdachte de beschikking had gekregen over een fotokopie van dat paspoort van [betrokkene 95] , in de civiele procedure ingebracht, - de handtekening van [betrokkene 95] op die schuldbekentenis is exact gelijk aan diens handtekening op dat oude paspoort. Daar komt nog bij dat de medeverdachte [betrokkene 49] in een eerdere civiele zaak waarin op naam van [betrokkene 92] als eiser werd geprocedeerd met zoveel woorden heeft verklaard dat hij stukken vervalst en op basis daarvan procedeert. Immers, in de procedure bij de rechtbank te Utrecht waarin [betrokkene 49] is aangemerkt als gevolmachtigde van [betrokkene 92] - die in die zaak werd bij gestaan door mr. E.C. Kerkhoven - heeft [betrokkene 49] , volgens het proces-verbaal van de in die zaak op 1 december 2010 gehouden comparitie van partijen (DD/499/001 e. v .) namens partij [betrokkene 92] onder meer verklaard: "[betrokkene 32] heeft (...) de koopovereenkomst met [betrokkene 98] niet getekend. Ik heb namelijk die overeenkomst getekend en de handtekening van [betrokkene 32] vervalst. [betrokkene 92] wist nergens wat van.” en "Er bestaat geen overeenkomst waar twee originele handtekeningen op staan van de koper en de verkoper. Alles is vervalst en er is met kopieën gewerkt. Ik had eerst de handtekening van [betrokkene 92] vervalst. (...) Die overeenkomst accepteerde de notaris niet. Ik heb toen de tweede overeenkomst ondertekend en daarbij de handtekening van [betrokkene 32] vervalst. Dat is de overeenkomst die ter comparitie aan u is overgelegd." Op grond van al deze en de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden acht het hof buiten twijfel dat sprake is van een volledig gefingeerde vordering van [betrokkene 93] op [betrokkene 95] en [betrokkene 92] en van een valselijk opgemaakte schuldbekentenis. Enige aanwijzing voor de betrokkenheid van andere personen dan de vader van verdachte en verdachte zelf bij deze poging tot oplichting komt uit het dossier niet naar voren. Het hof acht, in het voordeel van de verdachte, aannemelijk dat de vader van de verdachte de initiatiefnemer in deze is en de persoon die - behoudens de aantoonbaar door de verdachte gepleegde uitvoeringshandelingen - alle overige in verband hiermee gepleegde voorbereidings- en uitvoeringshandelingen heeft verricht. Op grond van al de voornoemde en de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden heeft het hof er voorts geen enkele twijfel over dat de op 10 augustus 2009 door mr. Deen in het geding gebrachte schuldbekentenis door de vader van de verdachte is opgemaakt, waarbij deze na de ontvangst op 6 augustus 2009 van de (kennelijk door hem opgevraagde) kopie van het toen al lang verlopen paspoort nr. [036], aan die handtekening van [betrokkene 95] is gekomen. Geheel ten overvloede merkt het hof op dat een feit van algemene bekendheid is dat de aanvrager van een nieuw paspoort bij afgifte van het nieuwe paspoort door de gemeente zijn 'oude' paspoort ofwel moet inleveren ofwel moet toestaan dat dit ongeldig wordt gemaakt, en dat dus uitgesloten mag worden geacht dat [betrokkene 95] zelf na 29 mei 2002, de datum waarop hem een nieuw paspoort is verstrekt, nog over een 'gaaf' verlopen paspoort nr. [036] beschikte. De verklaringen van mr. Deen, mr. Kerkhoven en [betrokkene 32] - wat daarvan ook zij - kunnen hieraan geen afbreuk doen. Het hof acht het - te meer gezien het extreem korte tijdsbestek van kennelijk één dag tussen de mondeling aan [betrokkene 46] gedane aankondiging tot de beslaglegging en de daadwerkelijke beslaglegging - uitgesloten dat het [betrokkene 93] zelf is geweest die met de vader van de verdachte bij mr. Kerkhoven op kantoor is geweest en de onderhavige zaak heeft besproken zoals deze heeft verklaard. Met betrekking tot de stelling dat de verdachte niet wist dat de vordering van [betrokkene 93] op [betrokkene 95] gefingeerd en de schuldbekentenis vals was overweegt het hof het volgende. Dat de verdachte er geen wetenschap van zou hebben dat sprake was van een gefingeerde vordering acht het hof reeds in het licht van het hiervoor overwogene op zich zelf al weinig aannemelijk. Daar komt nog bij dat de verdachte zich in de telefoongesprekken met [betrokkene 46] meermalen nadrukkelijk voordoet als de zus van [betrokkene 93] en dat zij in die hoedanigheid benadrukt dat zij optreedt als zijn woordvoerder, hetgeen evident onwaar is. Ook doet zij in die hoedanigheid mededelingen over de persoonlijke situatie van [betrokkene 93], kennelijk om te benadrukken dat [betrokkene 93] het uitgeleende geld op korte termijn nodig zou hebben. De verdachte doet het voorkomen alsof zij met [betrokkene 93] en zijn advocaat heeft overlegd en dat [betrokkene 93] genoegen neemt met een bedrag van € 40.000,-, waarna het restant op de (eveneens gefingeerde) medeschuldenaar [betrokkene 92] verhaald zou worden. In het licht van de verklaring van [betrokkene 93], die nergens van afweet en geen vordering op [betrokkene 95] en/of [betrokkene 92] zegt te hebben, kunnen deze telefonische mededelingen niet anders zijn dan door de verdachte verzonnen en droeg de verdachte derhalve wetenschap van de onwaarheid ervan. Ook geconfronteerd met de telefonische betwistingen van de gestelde vordering door [betrokkene 46] treedt zij niet terug. Dat de verdachte in de veronderstelling was dat er daadwerkelijk sprake was van een lening van [betrokkene 93] aan [betrokkene 92] en [betrokkene 95] , en dat haar vader de belangen van [betrokkene 93] vertegenwoordigde is door haarzelf ook op geen enkel moment gesteld. Daarbij hecht het hof eraan op te merken dat, voor zover dit al zo zou zijn, hieruit nog altijd niet te verklaren valt waarom de verdachte zich heeft voorgedaan als de zus van [betrokkene 93], als zijn woordvoerder en als degene die namens hem contact met de erven [betrokkene 95] opneemt om tot een oplossing te komen, welke oplossing duidelijk afwijkt van hetgeen in de schuldbekentenis is opgenomen. Naar het oordeel van het hof kan de inhoud van de door de verdachte gevoerde telefoongesprekken dan ook niet anders worden opgevat dan als een poging van de verdachte om [betrokkene 46] (in persoon en als vertegenwoordiger van de overige erven van [betrokkene 95] , te weten [betrokkene 94] en [betrokkene 89] ) opzettelijk - en wederrechtelijk, zoals hierna nog verder zal worden onderbouwd - te bewegen tot afgifte van een geldbedrag. Zoals reeds is overwogen is door mr. E.C. Kerkhoven, die een deel van de procedure namens [betrokkene 93] gevoerd heeft, verklaard dat de vader van de verdachte de belangen van [betrokkene 93] behartigde. De vader van de verdachte heeft in eerste instantie geprobeerd de woning aan de [ao-straat 1] tegen een lage prijs te kopen en hij heeft vervolgens, toen dat niet lukte, een vordering van [betrokkene 93] op [betrokkene 95] gefingeerd, beslag laten leggen op de woning [ao-straat 1], civiele procedures gevoerd en later een valse sc

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.