PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02868 Zitting 12 maart 2021 CONCLUSIE M.L.C.C. Lückers In de zaak [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster tot cassatie, hierna: de moeder, advocaat: mr. A.H.H. Conradi-Vermeulen, tegen de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht, verweerster in cassatie, hierna: de gecertificeerde instelling. In deze zaak heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 13 maart 2020. Ten tijde van de bestreden beschikking van het hof van 16 juni 2020 is die termijn reeds verstreken. Om die reden heeft het hof geoordeeld dat slechts de rechtmatigheid van de machtiging voorligt en dat het hof niet het verzoek van de gecertificeerde instelling in hoger beroep alsnog kan afwijzen. Het hof bekrachtigt overigens wel de beschikking van de kinderrechter. Aan de orde is wat het gevolg is van het verstrijken van de termijn voor de beoordeling van de voorliggende verzoeken? Kan om die reden de bestreden beschikking in dat geval niet worden vernietigd en het inleidend verzoek worden afgewezen, zoals het hof heeft overwogen, en wat betekent dit voor een verzoek om een tegenonderzoek in de zin van art. 810a lid 2 Rv? En hoe luidt het toetsingskader? 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan, voor zover van belang, worden uitgegaan van de volgende feiten. (
(2020), aant. 2. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.3. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:961, NJ 2020/292, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2.3. Zie over de situatie dat nog geen onderzoek voorhanden is ook kort Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/284 en mijn conclusie voor HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1028, RFR 2018/120. Concl. A-G Lückers 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:897, par. 2.6-2.8 en 2.23. EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 212. EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 213. EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 213, onder verwijzing naar EHRM 8 juli 2003, no. 31871/96, ECHR 2003-VIII (Sommerfeld/Germany), par. 68 en 71. EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313 (Strand Lobben/Noorwegen), RAV 2019/91, EHRC 2019/12, nr. 235, m.nt. M.R. Bruning, par. 223. In de jurisprudentie zie ik wisselende dicta na toepassing van de rechtmatigheidstoets:
- a)bekrachtiging (hof Den Haag 17 april 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:2152, hof Den Haag 15 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0999, hof ’s-Hertogenbosch 15 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:76, hof ’s-Hertogenbosch 12 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4553, hof Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2460, hof Arnhem-Leeuwarden 23 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6932, hof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7797, hof ’s-Hertogenbosch 26 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1811, hof Amsterdam 15 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1702, hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:639),
- b)vernietiging en afwijzing inleidend verzoek (hof Den Haag 29 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2821),
- c)vaststelling dat de bij beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing onrechtmatig is geweest (hof Den Haag 10 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2383). Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nr. 14, p. 2 (NvW III). Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 mei 2020, p. 7.