PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00740 Zitting 23 maart 2021 CONCLUSIE P. C . Vegter In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, hierna: de verdachte.
(3)Federally Tax Exempt” in Google te hebben gezocht verschijnt een tekst die overeenkomt met de tekst van [betrokkene 3] en/of [verdachte] . 25. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2016. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: In de notulen staat dat ik salaris krijg vanaf 1 oktober 2004. Er was een overeenkomst maar die is niet afgerond omdat ik de financiële situatie van de stichting niet op orde vond. Ik heb een jaar zonder salaris gewerkt. Ik heb het contract niet getekend omdat de financiële situatie niet goed was. 26. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Op de vraag van de voorzitter dat ik na afloop van iedere reis een overzicht van de kosten had kunnen sturen naar de administratie, antwoord ik dat vrij slordig ben en niet goed ben in administratie. Mijn werk is altijd veldwerk met dorpelingen geweest. Ik heb de administratie altijd uit handen gegeven terwijl ik van alles tegelijk wilde doen. Ik heb fouten gemaakt, ik ben absoluut geen goede administrateur. Ik ben niet altijd goed met bonnen, zeker omdat ik erg druk was. Op een vraag van mijn raadsman antwoord ik dat ik een overzicht bijhield waardoor duidelijk was dat ik niet meer geld opnam dan waar ik recht op had. Op een vraag van de jongste raadsheer of ik het overzicht bij me heb waaruit blijkt dat ik niet meer geld opnam dan waar ik recht op had, zeg ik dat ik dat niet bij me heb. Toen kwam in het voorjaar van 2006 tussendoor het voorstel dat [betrokkene 5] mijn salaris zou betalen vanuit zijn eigen bv. Nadere bewijsoverweging: 27. Op het totale bedrag van € 124.640,11 als vermeld in het proces-verbaal van bevindingen onderzoek gebruik [benadeelde] geld door [verdachte] voor privé met nummer 2009151018 van 20 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pag. 100057e.v. (22.803,76 + 4.864,62 + 500 + 35.950,20 + 6.000 + 23.641,53 +28.500 + 2.380) heeft de officier van justitie bij gelegenheid van haar requisitoir in eerste aanleg ten gunste van de verdachte een bedrag van € 13.050,00 in mindering gebracht, aldus uitkomend op een verduisterd bedrag van € 111.590,11, afgerond naar € 111.590,00. Het hof heeft hierop in gedeeltelijke navolging van de rechtbank nog het bedrag van € 2.380,00 in mindering gebracht, aldus uitkomend op een verduisterd bedrag van € 109.210,00.” 5. Het eerste middel bevat twee klachten. De eerste betreft de reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en de tweede (als toelichting op het middel in de cassatieschriftuur onder 8) een tegenstrijdigheid tussen de in het arrest opgenomen bewijsoverweging en de bewijsmiddelen zoals die zijn vervat in de aanvulling op het arrest. 6. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van een arbeidsovereenkomst het volgende in: “Standpunt verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake was van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst, dat de verdachte zich daarom salaris mocht laten uitkeren en dat het totale bedrag dat hij zich had mogen uitkeren als salaris hoger was dan het vermeende verduisterde bedrag zoals tenlastegelegd. Om die reden moet de verdachte worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten tijde van de tenlastegelegde periode heeft er een arbeidsovereenkomst bestaan tussen de verdachte en stichting [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) die de verdachte recht gaf op loon. Verdachte was algemeen directeur en volgens artikel 7 van de oprichtingsakte van [benadeelde] was de functie van directeur bezoldigd. Ook volgt uit de notulen van de bestuursvergadering van 19 januari 2005 dat het bestuur akkoord was met het salaris en was er in het goedgekeurde budget van [benadeelde] voor 2005 ook rekening gehouden met dit salaris. Het maandelijkse salaris dat met instemming van het bestuur werd aangenomen betrof € 5.000,00 en aan de hand van de notulen van de hiervoor bedoelde bestuursvergadering stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte vanaf oktober 2004 het recht had op uitbetaling van salaris. Hiervan uitgaande had de verdachte vanaf oktober 2004 tot en met het einde van zijn dienstverband recht op salaris en had de verdachte zichzelf € 140.000,00 mogen uitkeren. Dat bedrag is hoger dan het bedrag waarvan het OM aanvankelijk van mening was dat de verdachte zich dit wederrechtelijk had toegeëigend. Het maakt voor de tenlastelegging niet uit of de verdachte de juiste omschrijving heeft gegeven aan zijn opnames en onttrekkingen. Het gaat er namelijk om welk bedrag in totaal had mogen worden onttrokken. Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie is van mening dat er geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst en dientengevolge een recht op salarisbetaling, en dat gekwalificeerde verduistering tot een bedrag van € 109.210,00 kan worden bewezen. Oordeel van het hof Ten aanzien van het bestaan van een arbeidsovereenkomst Blijkens de desbetreffende notulen is tijdens de bestuursvergadering van 19 januari 2005 aan de orde geweest dat [benadeelde] een arbeidsovereenkomst met de verdachte als directeur zou aangaan, met als ingangsdatum 1 januari 2005 en tegen een salaris van € 5.000,00 bruto (naar het hof begrijpt: per maand). Uit deze notulen lijkt ook te volgen dat dit salaris tevens is opgenomen in het voor 2005 opgestelde en door het bestuur goedgekeurde budget. Het hof maakt uit deze notulen en uit de daaropvolgende gang van zaken echter ook op dat de arbeidsovereenkomst met het recht op loonbetaling eerst van kracht zou worden na ondertekening daarvan en van de directie-overeenkomst door de verdachte. Dit staat niet alleen met zoveel woorden in de notulen, maar dit gegeven komt ook terug in de navolgende stukken: - een actielijst die door mede- bestuurslid [betrokkene 1] op 4 april 2005 gemaild is naar de verdachte en naar het beoogd bestuurslid [betrokkene 2] voor de bestuursvergadering van 6 april 2005. Uit de actielijst valt op te maken dat [betrokkene 1] de arbeidsovereenkomst en directieovereenkomst nog moet opstellen en dat de verdachte deze nog moet ondertekenen; - een e-mailbericht van 23 mei 2005 van [betrokkene 1] aan de verdachte. Uit deze e-mail volgt dat het bestuur van [benadeelde] op 3 mei 2005 heeft vergaderd en dat daar bleek dat het merendeel van de punten (het hof begrijpt: van de eerdere actielijst) nog niet gedaan was. Gezien het feit dat alle punten administratieve verantwoording met zich meedragen zou de verdachte zorgdragen voor de afronding ervan in week 19. Ook merkt [betrokkene 1] op dat hij verwacht dat de eerste week van juli (het hof begrijpt: 2005) alles vanaf het ontstaan van [benadeelde] (het hof begrijpt: [benadeelde] ) zoals weergegeven in de notulen van januari (het hof begrijpt: 19 januari 2005) volledig is afgerond, inclusief contract, arbeid- en directieovereenkomst van de verdachte. Bovendien volgt uit het dossier dat ten aanzien van salarisbetaling steeds als voorwaarde heeft gegolden dat [benadeelde] daarvoor dan wel voldoende liquide middelen moest hebben, wat ten tijde van de opnames van de door de verdachte als voorschotten aangeduide bedragen niet het geval was. Het hof maakt dit meer specifiek op uit het volgende. In een e-mailbericht van 5 juni 2007 van de verdachte aan onder anderen [betrokkene 1] stelt de verdachte ten aanzien van zijn persoonlijke opnames dat hij door de financiële situatie van [benadeelde] geen salaris heeft willen ontvangen en zichzelf daardoor tekort heeft gedaan. Daarom was hij genoodzaakt soms voorschotten te nemen, die verrekend zouden worden met het bedrag dat hij tegoed had van de organisatie. Getuige [betrokkene 1] , medebestuurder van [benadeelde] , heeft op 7 april 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat de begroting (het hof begrijpt: het budget) die was besproken tijdens de bestuursvergadering in januari 2005 niet kon worden vastgesteld. Een van de heikele punten was het salaris van de verdachte en wanneer dat zou moeten ingaan. Er staat in de notulen een bedrag, maar dat kon pas geëffectueerd worden als er voldoende financiën waren. Het was de bedoeling dat het contract van de verdachte pas zou aanvangen als er voldoende financiën waren. [betrokkene 1] weet niet waarom dit niet in de notulen staat. [betrokkene 1] wist dat er een arbeidsovereenkomst en directieovereenkomst moesten komen voor de verdachte. Die had hij echter nog niet getekend omdat er onvoldoende financiële middelen waren. In eerste instantie was afgesproken dat de verdachte niet betaald zou worden. De verdachte wilde vastgelegd hebben dat als er middelen waren hij dan toch salaris zou kunnen krijgen. Tegenover de opsporingsambtenaren had [betrokkene 1] eerder verklaard dat de verdachte vanaf het begin (het hof begrijpt: van [benadeelde] ) geen salaris heeft ontvangen en dat dat zo was afgesproken. Uiteindelijk wilde de verdachte een salaris van € 5.000,00 per maand, op het moment dat het financieel mogelijk zou zijn voor de stichting. Er zouden in ieder geval een arbeidsovereenkomst en een directieovereenkomst aan ten grondslag moeten liggen. Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris op 7 april 2015 verklaard dat hij wist dat de verdachte geen salaris kreeg. De verdachte heeft hem verteld dat hij zijn onkosten kon declareren en om niet werkte. [getuige 1] vroeg zich ook af waar de verdachte destijds van leefde. Getuige [getuige 2] heeft op 30 maart 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet wist dat de verdachte heeft gezegd dat de door hem verrichte betalingen eigenlijk een voorschot op zijn salaris waren. Volgens [getuige 2] had de verdachte geen salaris. Ten slotte heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [betrokkene 5] in het voorjaar van 2006 heeft voorgesteld dat hij de verdachte salaris zou betalen uit zijn eigen B .V. Hieruit leidt het hof af dat op dat moment dus niet vaststond dat [benadeelde] salaris zou betalen aan de verdachte of dat hij recht zou hebben op salaris van [benadeelde] . Uit dit alles volgt, in weerwil van wat er in de notulen van 19 januari 2005 is vermeld, dat de verdachte geen recht had jegens [benadeelde] op salaris en dus ook niet op salarisuitbetaling. Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof tot de slotsom dat tussen partijen (aanvankelijk) de intentie heeft bestaan om een arbeidsovereenkomst en een directie-overeenkomst te sluiten en de verdachte een salaris te betalen. Echter is niet voldaan aan - althans daarvan is niet gebleken en dit is ook niet door de verdachte gesteld - het formele, in ieder geval door partijen als constitutief gezien vereiste van ondertekening van deze overeenkomsten. Ook is niet voldaan aan de opschortende voorwaarde dat [benadeelde] voor het toekennen van een salaris voldoende liquide middelen zou hebben. Over deze opschortende voorwaarde hebben zowel de verdachte als [betrokkene 1] verklaard dat deze bestond en zij vormden samen het bestuur van [benadeelde] . De conclusie moet dus zijn dat de verdachte niet gerechtigd was zonder voorafgaande goedkeuring ten eigen behoeve (voorschotten van) salaris van de rekeningen van [benadeelde] op te nemen en dat hij zich daarvan bewust is geweest. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar verklaard dat hij zijn opnames en hetgeen [benadeelde] hem volgens zijn opvatting verschuldigd was in rekening-courant bijhield, maar de schriftelijke weergave daarvan heeft hij desgevraagd niet over kunnen leggen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt ook niet dat de verdachte een deugdelijke administratie heeft bijgehouden waarin de bestedingen van de diverse door hem verrichte contante geldopnames en overboekingen zijn verantwoord. Verdachte heeft, hoewel hier veelvuldig om is gevraagd door de diverse boekhouders van de stichting, de geldopnames en overboekingen voor een aanzienlijk deel niet kunnen verantwoorden en daarmee is niet aannemelijk geworden dat het geld is besteed ten behoeve van [benadeelde] . Van enige vorm van inhouding of afdracht van loonbelasting is evenmin gebleken. Daarmee komt het hof tot de conclusie dat de verdachte zich ten aanzien van het in de bewezenverklaring genoemde bedrag schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen die aan [benadeelde] toebehoorden en die hij als bestuurslid van die stichting onder zich had.” 7. Het middel houdt voor wat betreft de eerste klacht in: “(…) het gerechtshof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende - kort gezegd - dat rekwirant diende te worden vrijgesproken van verduistering, aangezien de door hem verrichte uitgaven en opnames plaats vonden op grond van een rechtsgeldige (arbeidsovereenkomst, zodat die uitgaven en opnames niet kunnen worden gekwalificeerd als wederrechtelijke toe-eigening, zonder dat het hof voor die afwijking in het bijzonder de redenen heeft opgegeven, meer in het bijzonder is het hof op geen enkele wijze ingegaan op de (door de verdediging expliciet herhaalde argumenten uit
- de)‘Juridische Opinie’ van prof. dr. R.M. Beltzer, waarin wordt geconcludeerd dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en rekwirant in de tenlastegelegde periode recht had op Ioonbetaling en voorts is sprake van een tegenstrijdigheid tussen de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering op het punt van het bestaan van een arbeidsovereenkomst (welk punt niet van ondergeschikte betekenis moet worden geacht), zodat ’s hofs bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd (…).” 8. De steller van het middel doet een beroep op de rechtspraak van de Hoge Raad inzake uitdrukkelijk onderbouwde standpunten: “3.8.4. Uit het vorenoverwogene volgt ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv onder meer a. dat de motiveringsplicht slechts geldt bij de niet-aanvaarding van een ter terechtzitting ingenomen en "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt"; b . dat de motiveringsplicht niet geldt indien in de einduitspraak niet wezenlijk wordt afgeweken van zo een standpunt. Dat kan zich voordoen in het geval van een afwijking van de eis van het openbaar ministerie of het standpunt van de verdediging ter zake van de strafoplegging, welke afwijking van beperkt belang is; c . dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Zo kan bij afwijking van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" van het openbaar ministerie of van de verdediging met betrekking tot de bewijsbeslissing met een beperktere motivering worden volstaan indien de afwijking slechts een onderdeel en niet de gehele tenlastelegging betreft; d. dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.” 9. Het hof heeft hetgeen is aangevoerd door de verdediging kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (uos). Dat is niet onbegrijpelijk nu door en namens verdachte is gesteld dat verdachte diende te worden vrijgesproken omdat er in het licht van de opinie van Beltzer sprake was van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan er recht bestond op betaling van salaris. Zo bezien is sprake van een uos: een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie en ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Het hof heeft uitvoerige beschouwingen gewijd aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Voor zover de klacht inhoudt dat er niet is gereageerd op het standpunt (“zonder dat het hof voor die afwijking in het bijzonder de redenen heeft opgegeven”) mist deze feitelijke grondslag. 10. Het hof is niet “ingegaan op de (door de verdediging expliciet herhaalde argumenten uit
- de)‘Juridische Opinie’ van prof. dr. R.M. Beltzer, waarin wordt geconcludeerd dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en rekwirant in de tenlastegelegde periode recht had op Ioonbetaling.” Ik stel voorop dat ik het met de steller van het middel eens ben dat het hier niet over een punt van ondergeschikt belang (detail) gaat, maar verder meen ik dat het hier in de kern niet gaat over de vraag of aan de juridische vereisten voor een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7: 610 BW is voldaan. Nergens valt uit af te leiden dat het hof daarover anders heeft gedacht dan de verdediging onder verwijzing naar Beltzer. In zoverre was dus een gemotiveerde beslissing van het hof niet vereist. Min of meer ten overvloede citeer ik voor het gemak van de lezer voormeld artikel: “1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. 2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.” 11. De ‘Juridische Opinie’ wordt in de cassatieschriftuur onder 5 als volgt samengevat: “(…) dat en waarom sprake was van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst: er was sprake van een voltijds dienstverband; rekwirant was, naast statutair oprichter ook nog directeur en aldus feitelijk bestuurder van de stichting; aan de notulen van de bestuursvergadering van 19 januari 2005, die vermelden dat de arbeids- en directieovereenkomst tussen de stichting en rekwirant inging per 1 januari 2005, dient groot gewicht te worden toegekend.” 12. De (samenvatting van) ‘Juridische Opinie’ is mede juridisch van aard voor zover het om de eerste twee gedachtestreepjes gaat. Voltijds dienstverband en de vervulde functie(
- s)wijzen op een arbeidsovereenkomst. Uit het arrest van het hof blijkt geenszins dat het hof daarover anders heeft gedacht. In het arrest van het hof ligt op zijn minst besloten dat het hof in zoverre mee gaat met de opinie. De samenvatting is overigens bepaald niet alleen juridisch van aard in de zin dat deze voorlichting geeft over de aan te leggen criteria voor een arbeidsovereenkomst. Onder het derde gedachtestreepje is evident sprake van waardering (‘groot gewicht toekennen’). Dat ook overigens in de opinie niet alleen juridische criteria worden uitgelegd, illustreer ik nog aan de hand van twee passages die in de pleitnota in hoger beroep zijn opgenomen en ook zijn geciteerd in de cassatieschriftuur: "Ook relevant is of een bestuurder naast diens statutaire positie, een andere functie heeft, zoals algemeen bestuurder. Het is mijn indruk dat het tevens vervullen van deze laatste functie een belangrijke aanwijzing is voor het accepteren van een arbeidsovereenkomst" en “Iedere in de zaak gehoorde getuige heeft een eigen mening over cliënt, maar uit verklaringen moet worden opgemaakt dat het hier ging om een voltijds dienstverband. Cliënt kwam regelmatig op kantoor, deed aan fondsenwerving en hield zich bezig met de projecten in het buitenland.” 13. De deskundige baseert zich in zijn opinie onder meer op waardering (van geschriften en getuigenverklaringen) en indrukken. Uit de bewijsconstructie van het hof komt toereikend naar voren dat en waarom het hof de ‘Juridische Opinie’ met name voor zover gaat om wat hierboven onder het derde gedachtestreepje is samengevat, niet volgt. Uit de bewijsoverweging van het hof volgt dat er weliswaar wilsovereenstemming tussen partijen bestond over het sluiten van een arbeidsovereenkomst, maar deze arbeidsovereenkomst is nooit van kracht geworden. Twee feitelijke vaststellingen van het hof stonden aan dat van kracht worden in de weg. Het was volgens het hof ook voor verdachte duidelijk dat de arbeidsovereenkomst pas van kracht werd nadat deze was ondertekend en nadat de stichting over voldoende liquide middelen beschikte om salaris te betalen. Beide feitelijke vaststellingen zijn niet onbegrijpelijk en het middel klaagt ook niet zoveel woorden over de onbegrijpelijkheid van deze vaststellingen. Omdat er nog geen arbeidsovereenkomst van kracht was, bestond er nog geen grond voor salarisbetaling. De slotsom is dat uit de bewijsconstructie toereikend naar voren komt dat en waarom het hof het op de ‘Juridische Opinie’ gebaseerde standpunt van de verdediging dat verdachte aanspraak had op salarisbetaling op grond van een arbeidsovereenkomst niet volgt. Ook om deze reden faalt de klacht. 14. Ik begrijp de slotpassage van de overweging van het hof zo dat het hof daar min of meer ten overvloede nog aanstipt dat de onttrekkingen van geld door verdachte zelfs als er sprake zou zijn geweest van een arbeidsovereenkomst niet kunnen worden gezien als voorschotten op salarisbetaling. Van enige verantwoording van die wijze van handelen (opnemen van voorschotten) blijkt, naar het hof vaststelt, uit de administratie niet. Daarmee brengt het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking dat een eigenmachtige onttrekking van geld ter verrekening van salaris waarop recht bestaat, niet uitsluit dat er sprake is van verduistering. Er kan immers sprake zijn van wederrechtelijke toe-eigening indien een verdachte van meet af aan op een hem niet toegestane wijze en ten eigen bate over (niet hem, maar de stichting toebehorend) geld beschikt. En kennelijk acht het hof dat hier het geval. Dit relativeert het belang van het al dan niet bestaan van de arbeidsovereenkomst sterk. 15. Het middel bevat verder nog een (tweede) klacht dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering op het punt van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Aan de ene kant zou op grond van de bewijsmiddelen 1 t/m 7 het bestaan van een arbeidsovereenkomst vaststaan, terwijl in de bewijsoverweging van het hof dat nu juist niet wordt aangenomen. De klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Glashelder is dat het hof heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet van kracht is geworden. Ook deze klacht faalt. 16Het eerste middelfaalt in beide onderdelen. 17. Het tweede middel klaagt dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat bij de verdachte geen sprake was van opzet. 18. Voor zover de bewezenverklaring inhoudt dat ‘opzettelijk wederrechtelijk is toegeëigend’ zijn deze woorden ontleend aan art. 323 jo 321 Sr en kunnen ze worden geacht te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet. Het opzet dat moet worden bewezen is dat verdachte wist (ook in de zin van voorwaardelijke opzet) dat hij zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het geld van de stichting beschikte. 19. Ik stel voorop dat uit de bewijsoverweging naar voren komt dat het hof heeft geconcludeerd dat verdachte zich ervan bewust was dat hij niet gerechtigd was zonder voorafgaande goedkeuring ten eigen behoeve (voorschotten van) salaris van de rekeningen van [benadeelde] op te nemen. Dat wijst niet op voorwaardelijk opzet, maar op vol opzet. 20. Voor het bewijs van het opzet is hier bepalend of verdachte wist dat hem in de bewezenverklaarde periode geen salaris zou worden betaald. Die wetenschap is er in het bijzonder gelet op de bewijsmiddelen 8, 9, 10 en 11. Uit verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 8) blijkt dat verdachte tegenover hem jarenlang is teruggekomen op het sluiten van een arbeidsovereenkomst en het betalen van salaris. Daarin ligt besloten dat verdachte wist dat er nog geen overeenkomst van kracht was en dat hij nog geen salaris kreeg. Het hof kon dit aanmerken als een bewijsgrond voor opzet omdat er geen andere reden is waarom verdachte er anders jarenlang op terugkwam. De getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 9) wist dat verdachte geen salaris kreeg en heeft dat regelmatig met hem besproken omdat [getuige 1] het niet ontvangen van salaris onverstandig vond. Verdachte heeft [getuige 1] verteld dat hij om-niet werkte. Deze verklaringen van [getuige 1] heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk zo opgevat dat verdachte zelf ook wist dat hem geen salaris werd uitbetaald. [getuige 3] (bewijsmiddel 11) heeft van verdachte gehoord dat verdachte geen vast salaris ontving en dat dit was overeengekomen met het bestuur. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de auditu verklaring inhoudende dat verdachte zelf verklaart dat hij geen salaris ontvangt afgeleid dat verdachte daarvan ook op de hoogte is. De verklaring van [getuige 2] (bewijsmiddel 10) ondersteunt het bewijs van opzet nog, omdat uit de administratie niet naar voren komt dat er (voorschot
- op)salaris is uitgekeerd, maar verdachte kennelijk ook zijn financiële handelen in het kader van de administratie zelf ook nimmer als (een voorschot op een) salarisbetaling heeft aangemerkt. 21. De slotsom is dat het hof het opzet heeft afgeleid uit de bewijsmiddelen en dat het bewijs van opzet daarmee toereikend en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt gesproken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het opzet niet kan worden bewezen, laat ik dat voor wat het is nu er in de schriftuur en anderszins geen enkele aanwijzing is voor het innemen van een dergelijk onderbouwd standpunt. Hooguit is het opzet ontkend. 22Het tweede middeltreft geen doel. 23. Het derde middel klaagt dat “het gerechtshof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende - kort gezegd - dat voor enkele specifiek aangeduide uitgaven bonnen aanwezig waren die zouden aantonen dat rekwirant zich de betreffende geldbedragen niet had toegeëigend, terwijl het hof ter verwerping van genoemd standpunt zonder nadere motivering heeft verwezen naar de beslissing van de rechtbank dienaangaande, terwijl het die beslissing in hetzelfde arrest integraal had vernietigd en de overwegingen van de rechtbank bovendien niet althans onvoldoende eenduidig uit diens vonnis (of de aanvulling daarop) blijken, zodat niet gezegd kan worden dat het hof voor die afwijking in het bijzonder de redenen heeft opgegeven, althans voor dat afwijkende oordeel een toereikend motivering heeft gebezigd.” 24. De steller van het middel leidt uit een deel van de ter zitting van het hof door verdachte naar aanleiding van vragen van de voorzitter afgelegde verklaring af dat er sprake is van een duidelijk ten overstaan van de feitenrechter naar voren gebracht standpunt, dat met argumenten is geschraagd en is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Als ik het goed zie gaat het in de kern om de volgende verklaring: “Er zijn ook fouten gemaakt, zoals bijvoorbeeld in Rome. Er is wel degelijk verantwoording afgelegd. Ik weet bijna zeker dat ik kopieën heb gegeven van bonnen en ik weet niet waarom die niet in de administratie zijn opgenomen. Er is ook maar een bepaald gedeelte van de administratie over het jaar 2005 aan de politie gegeven en niet over het jaar 2006. Voor € 26.000 heb ik verantwoording afgelegd en ik neem aan dat er voor de rest wel degelijk bonnen waren.” Voor zover het dit gedeelte van de verklaring betreft is van een stellig standpunt geen sprake, alleen al gelet op de woorden ‘ik weet niet waarom’ en ‘ik neem aan’. Meer in het algemeen (voor zover het ook nog meer onderdelen van de verklaring betreft) moet nog in aanmerking worden genomen dat het een verklaring naar aanleiding van verschillende vragen van de voorzitter betreft, terwijl die verklaring (bij pleidooi) niet is herhaald en/of aangescherpt door de raadsman en mij bovendien niet duidelijk is welke de conclusie is (algehele vrijspraak of een ander concreet genoemd lager bedrag dan het bewezenverklaarde € 109.210,00?). Het middel strandt al omdat naar ik meen geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. 25. Het hof heeft in het kader van de vaststelling van de omvang van het bedrag nog het volgende overwogen: “Voor zover in hoger beroep nog is betoogd dat sommige uitgaven toch aanwijsbaar ten behoeve van [benadeelde] zijn gedaan, wordt dit verweer verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De door de verdediging daartoe overgelegde stukken met betrekking tot Thailand en Cambodja, Burkina Faso, Rome en de Verenigde Staten zijn daartoe onvoldoende. Wat betreft de overgelegde bonnen uit Burkina Faso geldt meer in het bijzonder dat onduidelijk wie de daarop vermelde bedragen heeft betaald en of het uitgaven voor [benadeelde] betrof of voor de verdachte privé. Ten aanzien van de overgelegde stukken betreffende Rome overweegt het hof dat de overgelegde stukken geen aanleiding geven voor een andere beslissing dan reeds in eerste aanleg is genomen.” 26. Uit de bewoordingen van deze overweging valt af te leiden dat het hof niet zozeer verplicht, maar uit welwillendheid heeft gemeend nog enige opheldering te geven. Kort en goed wordt het standpunt niet gevolgd wegens het ontbreken van voldoende onderbouwing en/of omdat de overgelegde stukken geen aanleiding geven voor een andere beslissing dan die van de rechtbank. Het gaat veel te ver om hierin een bevestiging van het vonnis van de rechtbank door het hof te lezen mede gelet op de omstandigheid dat het hof naar aanleiding van de vragen van art. 348 en 350 Sv in het arrest tot een zelfstandig oordeel is gekomen. Daarmee heeft dit onderdeel van het middel geen waarde. 27Het derde middelfaalt eveneens. 28. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, ontleende motivering. 29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In het middel wordt geciteerd uit Hoge Raad 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7143 waarin wordt verwezen naar het standaardarrest HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Zie voor de vereisten van een arbeidsovereenkomst p. 2 van de ‘Juridische Opinie’ van Beltzer: de werknemer is verplicht tot arbeid: de werkgever is verplicht tot betaling van salaris; het werk wordt verricht ten dienste van de werkgever. Enig dispuut over die eisen is mijns inziens overbodig en het is de vraag of dat niet ook voor de hele ‘Juridische Opinie’ geldt. Zie E.J. Hofstee in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 2 bij art. 321 (bijgewerkt tot 9 oktober 2019). Zie E.J. Hofstee in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 1 bij art. 321 (bijgewerkt tot 9 oktober 2019) en H.J. B . Sackers, Verduistering; in: Sackers/Mevis, Fraudedelicten, Tjeenk Willink Deventer 2000, p. 51/52.