PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/04462 Zitting 30 maart 2021 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1. Het hof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 30 augustus 2018 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 24 januari 2018. Bij dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van het voorarrest. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.A.A. Maat, advocaat te Goes, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Deze middelen richten zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. 2Procesgang 2.1. De verdachte is op 2 januari 2017 aangehouden op verdenking van overtreding van art. 310 Sr en overtreding van art. 2 Opiumwet en vervolgens op 3 januari 2017 heengezonden. 2.2. Bij brief van 16 januari 2017, gericht aan het Openbaar Ministerie Noord-Holland, heeft mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, zich gesteld als raadsman van de verdachte en verzocht om de beslissing omtrent de vervolging van de verdachte aan hem kenbaar te maken en hem een afschrift van het strafdossier te doen toekomen. De raadsman heeft bij brieven van 17 maart 2017 en 1 mei 2017 gerappelleerd. 2.3. De verdachte is gedagvaard om op 24 januari 2018 te verschijnen op de zitting van de politierechter in Alkmaar. Deze dagvaarding is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding van de verdachte aan mr. Berbee is verzonden. 2.4. De politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft bij vonnis van 24 januari 2018 de verdachte bij verstek veroordeeld wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels" tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van het voorarrest. 2.5. Bij brief van 30 januari 2018 heeft mr. Berbee gerappelleerd bij het Openbaar Ministerie Noord-Holland naar aanleiding van zijn stelbrief van 16 januari 2017. Vervolgens heeft een administratief medewerker van het Openbaar Ministerie Noord-Holland bij e-mailbericht van 15 februari 2018 aan mr. Berbee bericht dat zijn verzoek in het ongerede is geraakt, dat de zaak van de verdachte nog niet onherroepelijk is, dat het nog niet was gelukt de uitspraak aan de verdachte te betekenen, aangezien zij geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, en dat de uitspraak ter uitreiking in het opsporingsregister is geplaatst. 2.6. Vervolgens is op 16 februari 2018 door een griffiemedewerker van de rechtbank hoger beroep ingesteld tegen eerdergenoemd vonnis van de politierechter. Aan de Akte instellen hoger beroep is een faxbericht d.d. 16 februari 2018 gehecht van mr. Berbee. Dat faxbericht houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in: “1. Mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, die in dezen verklaart bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn om namens zijn cliënte mevrouw [verdachte], (…), zonder vaste woon of verblijfplaats, beroep in te stellen tegen het vonnis gewezen door de politierechter te Alkmaar van 24 januari 2018 onder parketnummer 15-222593-17 (artikel 450, eerste lid sub a Sv); 2. Mr. M. Berbee machtigt hierbij de Griffier van de Rechtbank Noord-Holland locatie Alkmaar om beroep in te stellen tegen voormeld vonnis van 24 januari 2018; 3. Een afschrift van de appeldagvaarding dient te worden toegezonden naar het adres van Mr. M. Berbee, te weten Middenweg 168a, 1782 BL Den Helder (artikel 450, derde lid Sv).” 2.7. De mededeling van de uitspraak als bedoeld in art. 366 Sv is op 22 februari 2018 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend was. 2.8. Bij brief van 13 april 2018 heeft de griffier van het hof aan mr. Berbee bericht dat het hof in de onderhavige zaak geen appelschriftuur had ontvangen en hem verzocht aan het gerechtshof door te geven of en zo ja welke onderzoekswensen de verdediging heeft. 2.9. Op 16 april 2018 heeft mr. Berbee een e-mailbericht gezonden naar het hof Amsterdam. Dat e-mailbericht houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant, het volgende in: “Hoewel ik mij herhaaldelijk in bovenvermelde kwestie heb gesteld, heeft het OM nagelaten mij te informeren over de zitting in eerste aanleg. Ook heeft het OM mij nimmer voorafgaand aan de behandeling in eerste aanleg het strafdossier toegezonden. Naderhand bleek dat cliente bij verstek was veroordeeld. Bovendien bleek dat cliente hoogstwaarschijnlijk in Portugal gedetineerd zit. Ik ben het contact met cliente verloren. In overleg met de Orde van Advocaten is besloten om beroep in te stellen teneinde de rechten van cliente te waarborgen; ik ben gelet op het vorenstaande niet in staat om grieven te formuleren.” 2.10. De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2018 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan mr. Berbee. 2.11. Vervolgens heeft mr. Berbee op 6 augustus 2018 een brief gezonden naar het hof, welke brief, voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, het volgende inhoudt: “In verband met de pro forma zitting d.d. 30 augustus a.s. te 09.30 uur bericht ik u als volgt. Uit bijgaande correspondentie blijkt dat het OM mij, ondanks diverse stel- en rappelbrieven, had nagelaten tijdig te informeren over de zitting in eerste aanleg. Dit resulteerde in een verstekveroordeling waartegen -na overleg met de orde- beroep is ingesteld. Tot dusver heb ik geen contact meer gehad met cliënte, zij zou mogelijk in het buitenland gedetineerd zitten vernam ik van derden. Ik acht mij voor het overige ook niet bepaaldelijk gemachtigd, zodat ik niet op de pro forma zitting zal verschijnen.” 2.12. De zaak is door het hof behandeld op 30 augustus 2018. Het proces-verbaal van de zitting houdt, voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, het volgende in: “De verdachte, gedagvaard als [verdachte], (…) is niet ter terechtzitting verschenen. (…) De voorzitter stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De voorzitter verleent namens het hof verstek tegen de niet-verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. De advocaat-generaal voert het woord en leest zijn vordering voor. Hij vordert de niet-ontvankelijkheid van de verachte in hoger beroep. Deze vordering wordt aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. Na kort beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt de uitspraak direct mede. De voorzitter spreekt het arrest uit.” 2.13. Het arrest houdt, voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, het volgende in: “Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.” 3Eerste middel 3.1. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, aangezien zij in eerste aanleg niet op deugdelijke en wettelijke wijze is opgeroepen. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de verdachte in het kader van vervolgingsbeslissingen woonplaats koos bij haar toenmalige raadsman, mr. Berbee, dat mr. Berbee heeft verzocht beslissingen omtrent de vervolging van de verdachte aan hem kenbaar te maken en dat de dagvaarding niet aan de verdachte noch aan haar raadsman is bekend gemaakt of uitgereikt. 3.2. Over deze klacht kan ik kort zijn. De vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding komt namelijk eerst aan de orde wanneer de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep bevestigend is beantwoord. De door het middel gesuggereerde mogelijkheid dat de verdachte in eerste aanleg niet op deugdelijke en wettelijke wijze zou zijn opgeroepen, staat er daarom niet aan in de weg dat het hof toepassing geeft aan art. 416, tweede lid, Sv. 3.3. Het middel faalt. 4Tweede middel 4.1. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, aangezien zij niet in de gelegenheid is gesteld een appelschriftuur in te dienen noch om mondeling bezwaar te maken tegen het vonnis. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de verdachte niet wist van de veroordeling en evenmin op de hoogte was van het ingestelde hoger beroep, zodat van haar niet kon worden verwacht dat zij een appelschriftuur indiende dan wel mondeling bezwaren tegen het vonnis opgaf. 4.2. Art. 416, tweede lid, Sv luidt als volgt: “Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.” 4.3. De memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet stroomlijnen hoger beroep houdt met betrekking tot deze bepaling het volgende in: “In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-) middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een procespartij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik ook het bezwaar, dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. (...) Van de verdachte die hoger beroep instelt kan wel in redelijkheid gevergd worden te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren. De appèlrechter dient vervolgens de bevoegdheid te hebben bij het niet vervullen van wat kort gezegd "weerwoord" genoemd kan worden om het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren. Maar hij dient daartoe niet te worden verplicht. Herstel van ambtshalve geconstateerde fouten blijft dan mogelijk. Ook bestaat de kans dat de appèlrechter tot behandeling overgaat en dan tot een ander oordeel komt in de strafmaat. Van een vrijblijvend appèl is dan ook geen sprake.” 4.4. Verder houdt de nota naar aanleiding van het verslag het volgende in: “De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: «weerwoord» te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Dit is geen verplichte niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof behoudt de bevoegdheid tot ambtshalve onderzoek. Dit onderzoek kan echter bij het ontbreken van weerwoord in die zin beperkt blijven, dat onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd.” 4.5. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever ervan uitgaat dat het openbaar ministerie en de verdachte kenbaar maken welke bezwaren zij hebben tegen de uitspraak waarvan zij in beroep zijn gekomen. Dat geldt ook indien namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. 4.6. In deze zaak wordt in de schriftuur opgemerkt dat de raadsman van de verdachte zonder medeweten van de verdachte en zonder daartoe gemachtigd te zijn hoger beroep heeft ingesteld. In dat kader stel ik voorop dat, zoals hiervoor weergegeven, de schriftelijke volmacht van mr. Berbee inhoudt dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd is om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis. 4.7. Wanneer de advocaat bij het instellen van een rechtsmiddel verklaart daartoe door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd, dient de rechter uit te gaan van de juistheid van die verklaring. Het staat de rechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad namelijk niet vrij om ambtshalve onderzoek in te stellen omtrent de vraag of de verklaring van de advocaat dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd is om het rechtsmiddel in te stellen naar waarheid is afgelegd. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 25 juni 2013, voor zover hier van belang, het volgende: “2.3.1 Blijkens art. 450, eerste lid, Sv kan het aanwenden van de daar bedoelde rechtsmiddelen geschieden door een advocaat indien deze verklaart daartoe door degene die het middel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. 2.3.2 Met deze regeling verdraagt zich niet dat de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie een onderzoek instelt omtrent de vraag of de advocaat die verklaring naar waarheid heeft afgelegd. 2.3.3 Aan de verdachte kan echter niet het recht worden ontzegd om het initiatief te nemen ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door hem, verdachte, bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van een rechtsmiddel. Bij gebreke van een regeling in het Wetboek van Strafvordering tot ontkentenis van door een advocaat gedane gerechtelijke verrichtingen, dient dat initiatief te worden genomen vóór of bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hogere instantie waar de zaak zal worden behandeld, waarna de rechter zal dienen te beslissen omtrent het aldus gerezen geschil over de ontvankelijkheid van de voorziening (vgl. HR 4 december 2001, LJN AD5208). 2.4. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven blijkt niet van een zodanig initiatief. Het Hof had dus geen onderzoek mogen doen naar de juistheid van de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de Kinderrechter.” 4.8. Naast een initiatief van de verdachte ter bestrijding van de juistheid van de door de advocaat afgelegde verklaring dat hij door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het instellen van een rechtsmiddel, kan ook een verklaring van de raadsman zelf reden zijn voor een uitzondering op het uitgangspunt dat de rechter dient uit te gaan van de juistheid van de verklaring van de advocaat. Dat komt naar voren uit HR 6 juni 1989, NJ 1990/30, m.nt. Van Veen. In die zaak had de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn verklaring dat hij tot het instellen van hoger beroep door de verdachte was gemachtigd niet juist was. De Hoge Raad oordeelde dat het hoger beroep niet was ingesteld op de wijze als voorzien in de art. 449 e.v. Sv, zodat het hof de verdachte, die in hoger beroep niet was verschenen en dus niet had doen blijken prijs te stellen op behandeling van haar zaak in tweede instantie, niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in haar hoger beroep. 4.9. In deze zaak is van een initiatief van de verdachte in de zin van het hiervoor aangehaalde arrest van 25 juni 2013 geen sprake, terwijl het hof de opmerkingen van de raadsman van de verdachte dat “in overleg met de Orde van Advocaten is besloten om beroep in te stellen teneinde de rechten van cliënte te waarborgen” en dat “na overleg met de orde” hoger beroep is ingesteld tegen de verstekveroordeling kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft aangemerkt als een verklaring van de raadsman dat hij niet gemachtigd was door de verdachte om hoger beroep in te stellen. Daarmee diende het hof uit te gaan van de juistheid van de verklaring van de raadsman van de verdachte dat hij door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd was om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis en is tegen het vonnis rechtsgeldig hoger beroep ingesteld namens de verdachte. 4.10. Die constatering brengt met zich dat van de verdachte mocht worden verwacht, aldus de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis, “te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: «weerwoord» te voeren”. Bij gebreke van een dergelijk weerwoord in de vorm van een schriftuur houdende grieven dan wel mondelinge bezwaren tegen het vonnis, kan het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat de verdachte niet zou hebben geweten van het vonnis en het ingestelde hoger beroep, maakt dat niet anders. Gelet hierop geeft de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl deze beslissing evenmin onbegrijpelijk is. 4.11. Het middel faalt. 5Derde middel 5.1. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien zij niet in eigen tegenwoordigheid is berecht. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de verdachte niet in eigen tegenwoordigheid is berecht noch de gelegenheid heeft gekregen aanwezig te zijn, aangezien zij geen weet had van de zitting, hetgeen een schending van art. 14 lid 3, onder d, IVBPR en art. 6 EVRM oplevert. Volgens de steller van het middel wist het hof dat het hoger beroep werd ingesteld in overleg met de deken en zonder medeweten van de verdachte en dat de verdachte ook in eerste aanleg bij verstek was veroordeeld en had het hof de verdachte daarom in de gelegenheid moeten stellen alsnog een appelschriftuur in te dienen dan wel mondeling verweer te voeren. 5.2. Vooropgesteld moet worden dat de verdachte in beginsel het recht heeft in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dit aanwezigheidsrecht is allereerst met zoveel woorden opgenomen in art. 14 lid 3 IVBPR, welke bepaling in de Nederlandse vertaling als volgt luidt: “Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties: (…) (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.