PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01834 Zitting 26 maart 2021 CONCLUSIE E.M. Wesseling-van Gent In de zaak [eiser] tegen 1. [verweerster 1] 2. [verweerder 2] Deze zaak is het vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1174). Geklaagd wordt dat het verwijzingshof, dat diende te oordelen over de matiging van de boete, zijn taak als verwijzingsrechter heeft miskend. 1Feiten en procesverloop Feiten 1.1 Eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) heeft zijn woonhuis, gelegen te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning), te koop aangeboden. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) trad daarbij ten behoeve van [eiser] op als verkopend makelaar. 1.2 Verweerders in cassatie (hierna: [verweerders] ) hebben de woning begin 2012 bezichtigd. Nadat mondelinge overeenstemming was bereikt, heeft [betrokkene 1] de conceptkoopakte, volgens het NVM-model met de daarbij behorende standaardtoelichting, bij e-mailbericht van 14 juni 2012 toegezonden onder de mededeling: "Wij verzoeken u de inhoud van deze bescheiden goed door te nemen, en ons direct te informeren indien er iets naar uw mening niet correct in staat". 1.3 [verweerders] en [eiser] hebben op 17/19 juni 2012 de koopovereenkomst ondertekend. In de koopovereenkomst is vermeld dat de overeengekomen koopsom € 575.000,– k.k. bedraagt en dat de akte van levering uiterlijk 1 augustus 2012 zal worden gepasseerd (artikel 3.1). 1.4 Ingevolge artikel 10.1 van de koopovereenkomst kan deze door middel van een schriftelijke verklaring worden ontbonden, indien de nalatige partij – na in gebreke te zijn gesteld – gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van een of meer van haar uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. In dat geval is de nalatige partij bij een toerekenbare tekortkoming een terstond opeisbare boete van € 57.500,– verschuldigd, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal (artikel 10.2; hierna: de vaste boete). Indien de wederpartij geen ontbinding maar nakoming verlangt, is de nalatige partij een boete verschuldigd van drie promille van de koopsom per dag tot de dag van nakoming, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal. Indien de wederpartij na verloop van tijd alsnog de koopovereenkomst ontbindt, is de nalatige partij de boete van drie promille verschuldigd tot de datum van ontbinding van de overeenkomst (artikel 10 lid 3; hierna: de variabele boete). 1.5 In artikel 16 lid 1 onder b van de koopovereenkomst is een financieringsvoorbehoud opgenomen op grond waarvan [verweerders] als kopers de koopovereenkomst kunnen ontbinden. 1.6 [verweerders] hebben bij e-mailberichten en bij per fax verzonden brief van 11 juli 2012 aan [betrokkene 1] medegedeeld dat zij er niet in zijn geslaagd om de benodigde hypothecaire lening te krijgen. In de fax hebben [verweerders] een beroep gedaan op het financieringsvoorbehoud van artikel 16 lid 1 onder b van de koopovereenkomst. 1.7 De toenmalige advocaat van [eiser] heeft [verweerders] bij brief van 1 augustus 2012 in gebreke gesteld voor het niet storten van een waarborgsom van € 57.500,– en het niet afnemen van de woning en gesommeerd om de koopovereenkomst binnen acht dagen alsnog na te komen, bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op de contractuele boete van € 57.500,–, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoedingen en vergoedingen van kosten van verhaal. 1.8 [verweerders] hebben bij brief van 1 augustus 2012 op de ingebrekestelling gereageerd. Zij hebben zich in die brief op het standpunt gesteld dat zij een beroep op het financieringsvoorbehoud hebben gedaan ten gevolge waarvan de koopovereenkomst is ontbonden. 1.9 De toenmalige advocaat van [eiser] heeft [verweerders] bij brief van 2 augustus 2012 laten weten dat niet op de juiste wijze een beroep is gedaan op de ontbindende financieringsvoorwaarde, dat de koopovereenkomst onherroepelijk is geworden, dat [verweerders] aan hun verplichtingen uit de koopovereenkomst worden gehouden en dat bij gebreke van nakoming een bedrag van € 57.500,– zal worden verbeurd. 1.10 [verweerders] hebben bij per e-mailbericht verzonden brief van 2 augustus 2012 aan [eiser] geschreven dat zij bij hun standpunt blijven dat de koopovereenkomst is ontbonden en dat zij van 5 augustus tot en met 26 augustus 2012 met vakantie zijn. 1.11 [eiser] is vervolgens van advocaat gewisseld, waarna de nieuwe advocaat van [eiser] bij brief van 3 september 2012 aan [verweerders] heeft geschreven dat laatstgenoemden nog een termijn tot uiterlijk 23 september 2012 krijgen om de koopovereenkomst na te komen, bij gebreke waarvan de overeenkomst per 24 september 2012 zal worden ontbonden en aanspraak zal worden gemaakt op de contractuele boete die alsdan € 79.350,– zal bedragen, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal. Procesverloop 1.12 De Hoge Raad heeft op het door [eiser] ingestelde cassatieberoep het arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2017 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing. 1.13 Bij exploot van 7 januari 2019 heeft [eiser] [verweerders] opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van het hof, teneinde voort te procederen in de stand van de zaak waarin deze zich bevindt. Vervolgens hebben beide partijen een memorie na verwijzing genomen. 1.14 Het hof heeft bij arrest van 14 april 2020, voor zover van belang, het vonnis waarvan beroep, voor zover na cassatie en verwijzing aan de orde, bekrachtigd, te weten voor zover [verweerders] uitvoerbaar bij voorraad zijn veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 57.500,–, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 23 november 2012 tot de dag van volledige betaling. 1.15 [eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Tegen [verweerders] is verstek verleend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het middel is gericht tegen rov. 2.20, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld: “ [eiser] heeft zijn stelling dat de werkelijke schade die door hem wordt geleden veel hoger is dan het gevorderde bedrag aan boete, niet voldoende concreet onderbouwd. [eiser] heeft een berekening van de schade gegeven op basis van de aanname dat de woning zou worden verkocht voor € 440.000,- (memorie van grieven, nr. 19). Volgens [eiser] in zijn memorie van grieven was de schade nog steeds niet te bepalen, omdat de woning nog niet definitief was verkocht. In zijn memorie na verwijzing heeft [eiser] hierover niets opgenomen. Bij deze stand van zaken kan het hof er niet van uitgaan dat de schade hoger is dan de boete. Het is zeer wel mogelijk dat [eiser] als gevolg van de ontwikkelingen op de huizenmarkt zijn schade had kunnen beperken.” 2.2 Het middel klaagt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is, “waarbij het hof de zaak met betrekking tot die schade ten onrechte niet naar de schadestaatprocedure heeft verwezen.” De klacht van het middel is mij niet geheel duidelijk. Het zou kunnen dat wordt bedoeld dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het onderhavige geding ook naar de schadestaatprocedure had moeten verwijzen. Op basis van de onder 1-3 en 6 van de procesinleiding opgenomen toelichting, het petitum en de schriftelijke toelichting kan het middel ook zo worden gelezen dat het de klacht inhoudt dat de rechter bij zijn beoordeling in hoeverre de boete dient te worden gematigd, het aspect van de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete niet in zijn beoordeling kan betrekken indien pas in de schadestaatprocedure moet worden beslist of [eiser] aanvullende schade heeft geleden. In beide gevallen is de omvang van de rechtsstrijd van belang. Omvang rechtsstrijd eerste cassatieprocedure 2.3 Inzet van de procedure die tot het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2018 heeft geleid, was de door [eiser] gevorderde variabele boete van € 79.350,–, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede zijn vordering tot betaling van aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal op te maken bij staat. De boete werd door de rechtbank bij vonnis van 11 december 2013 gematigd tot een bedrag van € 57.500,–. De rechtbank wees verder de vordering tot betaling van aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal af op de grond dat [eiser] geen (begin van) bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat hij naast de gevorderde, forfaitaire, boete nog aanvullende schade heeft geleden nader op te maken bij staat. 2.4 [eiser] heeft het eindvonnis in principaal appel bestreden met twee grieven. Grief 1 had betrekking op de beslissing van de rechtbank om de gevorderde boete te matigen. In grief 2 werd opgekomen tegen de afwijzing van de vordering tot aanvullende schadevergoeding en kosten verhaal op te maken bij staat. In hun incidenteel appel hebben [verweerders] twee grieven aangevoerd, waarvan grief 1 betrekking had op het toekennen aan [eiser] van de (gematigde) boete op basis van artikel 10.3 van de koopovereenkomst. 2.5 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 maart 2017 de contractuele boete (verder) gematigd tot een bedrag van € 34.500, – te vermeerderen met de wettelijke rente. Met betrekking tot de vordering van [eiser] tot betaling van aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal nader op te maken bij staat, heeft het hof het volgende geoordeeld: “5.20 Het hof stelt voorop dat voor verwijzing naar een schadestaatprocedure niet is vereist dat aannemelijk is dat er schade is geleden. De mogelijkheid dat er schade is geleden moet aannemelijk zijn (ECLI:NL:HR:2006:AX6246). Naar het oordeel van het hof heeft [eiser] de mogelijkheid van schade in hoger beroep met de door hem gestelde feiten en omstandigheden met overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt. In de schadestaatprocedure zal moeten worden beslist of [eiser] daadwerkelijke schade heeft geleden en, zo ja, of de omvang van de schade wordt beperkt door het beroep van [verweerders] op artikel 6:101 BW (…). Het hof overweegt, ter voorlichting van partijen, dat op de schade van [eiser] de verschuldigde boete in mindering strekt, nu de overeenkomst aanspraak geeft op aanvullende – dat wil zeggen na de boete, die blijkens de toelichting op de overeenkomst het karakter heeft van een minimumschadevergoeding, nog resterende – schade. Dit betekent dat grief 2 in het principaal appel slaagt. (…) Slotsom In de hoofdzaak slaagt grief 2 in het principaal appel. Het hof zal voor de betaling van aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal de hoofdzaak verwijzen naar de schadestaatprocedure.” 2.6 Vervolgens heeft het hof in het dictum, voor zover thans van belang, het vonnis van 11 december 2013 vernietigd, en opnieuw rechtdoende, de zaak voor de betaling van aanvullende schadevergoeding en kosten van verhaal naar de schadestaatprocedure verwezen. 2.7 In het door [eiser] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep ging het uitsluitend om de (matiging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.