PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01325 Zitting 30 maart 2021 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 11 maart 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Er bestaat samenhang met de zaken 19/01823, 19/01822 en 19/01329. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel (deelklacht 1) klaagt dat het hof zijn oordeel over de gedragingen van de verdachte heeft doen steunen op feiten en omstandigheden die niet zijn te herleiden tot de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen. Het tweede onderdeel (deelklacht 2) klaagt dat het hof in de bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van een bewijsmiddel dat ten onrechte als wettig bewijsmiddel is aangemerkt, althans waarvan de aard en oorsprong onvoldoende duidelijk zijn. 4.1. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “zij in de periode van 29 december 2009 tot en met 31 oktober 2013, te Haren, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk geldbedragen, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke geldbedragen haar mededader anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van haar mededaders hoedanigheid als gevolmachtigde van die [betrokkene 1] , onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.” 4.2. Het arrest van het hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in: “Oordeel van het hof Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. In 2006 heeft [betrokkene 1] een volmacht laten opmaken en daarin de echtgenoot van verdachte, [medeverdachte] , aangewezen als haar gevolmachtigde. Vóór die tijd was [medeverdachte] al langere tijd financieel adviseur van [betrokkene 1] geweest. De volmacht trad op 29 december 2009 in werking toen de huisarts van [betrokkene 1] een verklaring afgaf dat [betrokkene 1] niet meer handelingsbekwaam was. Uit de tekst van de volmacht blijkt dat [medeverdachte] bevoegd was om [betrokkene 1] - ter behartiging van haar rechten en belangen - te vertegenwoordigen op elk rechtsgebied. In 2010 werd [medeverdachte] ziek waardoor de inkomsten van zijn eenmanszaak (belastingadviesbureau) terugliepen. In diezelfde tijd zijn [medeverdachte] en verdachte begonnen met het ten laste van [betrokkene 1] doen van betalingen, overschrijvingen en geldopnames ten behoeve van zichzelf en hun kinderen. Uit het dossier blijkt dat het hier onder meer gaat om de betaling van energierekeningen voor de eigen woning van verdachten, vliegtickets, boodschappen, schenkingen en onderhoud van hun auto. Er zijn destijds geen schriftelijke afspraken met [betrokkene 1] gemaakt over schenkingen en vergoedingen voor werkzaamheden aan verdachten en hun kinderen. Het hof stelt vast dat aan de opschortende voorwaarde van de volmacht aan [medeverdachte] op 29 december 2009 is voldaan met de verklaring van de huisarts van [betrokkene 1] . Hoewel deze verklaring inderdaad summier kan worden genoemd is de volmacht op die dag in werking getreden en is [medeverdachte] vanaf dat moment ook als gevolmachtigde van [betrokkene 1] gaan optreden. Het hof kan de verdediging niet volgen in het standpunt dat door de summiere verklaring van de huisarts het ervoor gehouden zou moeten worden dat [betrokkene 1] handelingsbekwaam is gebleven. In dat geval zou immers ook de volmacht niet in werking zijn getreden, hetgeen volgens beide verdachten nou juist wél het geval was. Het verweer van verdachten dat alle betalingen en schenkingen aan henzelf in overeenstemming waren met de wil van [betrokkene 1] zelf en dat er verleende zorg tegenover stond, wordt in het licht van het vorenstaande eveneens verworpen. Uitgaande van de handelingsonbekwaamheid van [betrokkene 1] en de daarop gebaseerde volmacht aan [medeverdachte] staat immers vast dat [betrokkene 1] haar wil ten aanzien van dergelijke financiële transacties en afspraken juist niet meer voldoende kon bepalen. Voor wat betreft het verbod op ’Selbtseintritt’ als bedoeld in artikel 3:68 BW overweegt het hof - overeenkomstig de rechtbank - het navolgende: ‘Deze bepaling behelst immers het verbod dat een gevolmachtigde zelf als wederpartij van de volmachtgever optreedt, indien strijd tussen de belangen van de volmachtgever enerzijds en de gevolmachtigde anderzijds niet kan worden uitgesloten. Dat laatste is hier evident het geval, nu het medeverdachte [medeverdachte] was die zowel het tarief als het aantal uren zorg kon bepalen, en de opbrengsten hiervan rechtstreeks aan hem en verdachte ten goede kwamen. Hoewel dit verbod op 'Selbtseintrit ’ niet met zoveel woorden in de volmacht is opgetekend, kan het niet worden beschouwd als een zodanig bijzonder en specialistisch principe, zoals betoogd door de verdediging, dat dit enkel bekend mag worden verondersteld bij juridische professionals. Het verbod behelst een vanzelfsprekend principe dat voor een ieder duidelijk is. Het beoogt te voorkomen dat de gevolmachtigde misbruik maakt van zijn bevoegdheid om de volmachtgever te vertegenwoordigen, door het verrichten van rechtshandelingen die meer in het belang van de gevolmachtigde zelf zijn, dan in het belang van de volmachtgever. Tot slot kan van medeverdachte [medeverdachte] meer dan gemiddeld verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van de strekking van een volmacht, aangezien hij zich al lange tijd bezig hield met financiële zaken, ook voor anderen dan [betrokkene 1] .’ Uit voorgaande overwegingen volgt dat verdachte en [medeverdachte] geld dat aan [betrokkene 1] toebehoorde zichzelf wederrechtelijk hebben toegeëigend. Ook voor verdachte moet immers het vanzelfsprekende principe van het verbod op ’Selbtseintritt’ duidelijk zijn geweest. Verdachte heeft dan ook bewust het risico genomen dat de door haar en haar man namens [betrokkene 1] verrichte transacties ten bate van henzelf, onbevoegd en daarmee wederrechtelijk waren. Verdachte handelde voorts in nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] was in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde voornamelijk degene die de financiën regelde, betalingen deed of geldbedragen overschreef ten behoeve van de eigen huishouding van beide verdachten. Verdachte was hier niet alleen van op de hoogte maar deed ook zelf transacties vanaf een bankrekening van [betrokkene 1] . Het hof acht evenals de rechtbank niet bewezen dat verdachten hebben gehandeld in de uitoefening van een persoonlijke dienstbetrekking of een beroep, nu de hoedanigheid van gevolmachtigde daarmee niet gelijk kan worden gesteld. Van dit onderdeel van de tenlastelegging dienen verdachten dan ook te worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. 1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 februari 2014, nummer PL01KN-2014010729-1, opgenomen op pagina 117 e.v. van ordner 1 van het dossier met nummer 2013102303/2014010729. inhoudende: als verklaring van [betrokkene 4] , namens [betrokkene 1] (met bijlagen A t/m P) Ik doe aangifte van verduistering namens [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1918, tegen [medeverdachte] . Uit mijn onderzoek blijkt het volgende. [medeverdachte] heeft een volmacht. Met deze volmacht mag hij de meeste financiële handelingen doen voor [betrokkene 1] . Deze handelingen moeten wel in het belang van [betrokkene 1] worden gedaan. Deze volmacht is in 2006 opgemaakt maar op 29 december 2009 in werking getreden omdat er toen een verklaring van de huisarts is afgegeven dat [betrokkene 1] niet meer handelingsbekwaam was. Vanaf dat moment werd de volmacht geldig. [medeverdachte] heeft van alle rekeningen van [betrokkene 1] bankpassen. 2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van d.d. 31 oktober 2014, nummer 2014010729 opgenomen op pagina 2 e.v. van ordner 10 van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende: als relaas van verbalisant [verbalisant] Ik heb een analyse uitgevoerd op de bankafschriften van [betrokkene 1] . In verband met dit onderzoek zijn van alle bekend geworden bankrekeningen van benadeelde de bankafschriften opgevraagd van 2002 tot heden. In het voordeel van verdachte is de datum van inwerkingtreding van de volmacht als startpunt genomen voor de onttrekkingen/betalingen van haar bankrekeningen. Geldopnames Het totaalbedrag dat aan de bankrekeningen van [betrokkene 1] is onttrokken in de periode vanaf 29-12-2009 tot 23-10-2013, is becijferd op € 48.250,-. Overschrijvingen Uit onderzoek van voornoemde bankrekeningen van [betrokkene 1] bleek dat in de periode 2010 t/m 2013 voor een bedrag van in totaal € 103.262.749 werd overgeschreven naar onder meer bankrekeningen van de verdachten [medeverdachte] en diens vrouw [verdachte] en naar de bankrekeningen van de drie kinderen van de verdachten. Betalingen Ook blijkt uit de bankrekeningen van [betrokkene 1] dat stelselmatig betalingen werden gedaan voor diverse zaken in de periode 2010 t/m 2013. Deze betalingen zijn niet aan [betrokkene 1] toe te schrijven of waren voor haar bestemd. In totaal gaat het om een bedrag van € 135.392,14. Hierbij valt op dat de hoogte van de betalingen vanaf 2010 sterk toeneemt t/m 2013. Een verklaring hiervoor is niet te vinden. Effectenhandel [betrokkene 1] beschikte over een effectenportefeuille bij de ABN-AMRO en had daarvoor een effectenrekening geopend. Uit een totaaloverzicht van de effectentransacties en de gerelateerde inkomsten daaruit zoals dividend, couponrente etc. blijkt dat in de periode 2001-2014 een winst is behaald van €230.807,10. De winst is niet toegekomen aan [betrokkene 1] . Deze winst is verdampt en maakt onderdeel uit van het totaalbedrag. Totaal Uit vorenstaande blijkt dat gelden aan de bankrekeningen van [betrokkene 1] zijn onttrokken door geldopnames, betalingen en overschrijvingen in de periode 2010-2013. Uit dit overzicht blijkt dat in totaal een bedrag van € 286.994,73 aan de bankrekeningen van [betrokkene 1] is onttrokken. 3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 21 mei 2014, nummer 2013102303 en 2014010729, opgenomen op pagina 323 e.v. van ordner 2 van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende: als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] Vanaf 2002 verleen ik zakelijke diensten aan [betrokkene 1] . Vanaf 2009 zijn ik en mijn vrouw zorg aan haar gaan verlenen. Ik was haar vertrouwenspersoon. Vanaf eind 2009 is de volmacht in werking getreden. Vanaf 2010 kreeg ik de beschikking over een bankpas bij de ING en de ABN. Deze passen lagen thuis. Ook mijn vrouw maakte gebruik van deze passen. Ik heb de rekening van [betrokkene 1] gebruikt om betalingen te doen en zei dat we dat later wel zouden verrekenen met de zorg die wij aan [betrokkene 1] verleenden. Ik heb dat zo gedaan omdat ik deze inkomsten niet allemaal wilde opgeven aan de belasting. Vanaf het in werking treden van de algemene volmacht mocht [betrokkene 1] het beheer over haar rekeningen niet meer doen, en lag het beheer over de bankrekeningen bij mij. Ik kon alle transacties verrichten op deze rekeningen. De transacties deed ik voornamelijk via internet. Mijn vrouw en ik deden de geldopnames voor [betrokkene 1] . Soms deden we dit contant en soms in de vorm van boodschappen. Ik deed de overschrijvingen van de rekeningen van [betrokkene 1] . Het klopt dat niet alle betalingen van de rekeningen van [betrokkene 1] ten behoeve van haar zijn geweest. Het klopt dat het energieverbruik aan Essent van 2010 tot 2013 van mijn eigen woning van de rekening van [betrokkene 1] is betaald. De betalingen met de creditcard in de periode van 2010 tot 2013 zijn allemaal betalingen geweest voor mijn eigen familie. Ik heb in 2013 bij de SNS bank een hypotheek op de woning van [betrokkene 1] afgesloten van € 40.000. Ik heb een hypotheek geregeld, omdat er geen geld meer op de rekening van [betrokkene 1] stond. 4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 20 mei 2014, nummer 2013102303 en 2014010729, opgenomen on pagina 410 e.v. van ordner 2 van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende: als verklaring van verdachte [verdachte] Ik heb gebruik gemaakt van een bankpas van een ING rekening van [betrokkene 1] . Er zijn dingen voor ons die door [betrokkene 1] betaald zijn. Er zijn ook een aantal contante opnames voor mijn uren. 5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 21 mei 2014, nummer 2013102303 en 2014010729 opgenomen op pagina 423 e.v. van ordner 2 van het onder 1 genoemde dossier, inhoudende: als verklaring van verdachte [verdachte] Mijn man of ik verrichtten de geldopnames voor [betrokkene 1] . Dit was voor haar zorg en een gedeelte voor ons. Mijn man deed overschrijvingen via internet of acceptgiro. 6. De door verdachte [verdachte] ter terechtzitting van het hof van 25 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Wij rekenden inderdaad € 65,- per uur voor werk wat ik in wezen ongeschoold verrichtte. 4.3. De toelichting op de eerste deelklacht noemt een aantal overwegingen uit de hierboven onder 4.2, onder ‘oordeel van het hof’ weergegeven passage, die niet herleidbaar zouden zijn tot de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Voor zover dit inderdaad het geval is, betreft het ‘s Hofs vaststellingen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.