PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01382 Zitting 5 maart 2021 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak Digital Revolution B.V. (hierna: Digital Revolution), advocaat: mr. H.J.W. Al
§ 6Rn.
23 (“An einem Vergleich fehlt es, wenn sich ein Unternehmen darauf beschränkt, eigene Waren oder Dienstleistungen anzupreisen oder wenn lediglich eine Aufforderung erfolgt, sich mit dem Angebot des Mitbewerbers auseinanderzusetzen. Kein Fall der vergleichenden Werbung liegt deshalb vor, wenn auf der Internetseite ein Link auf das Angebot eines Konkurrenten verweist.”). In vergelijkbare zin Köhler/Bornkamm/Feddersen/Köhler, 39. Aufl. 2021,
§ 6Rn.
56; Ohly/Sosnitza/Ohly, 7. Aufl. 2016,
§ 6Rn. 37. Anders Mü
KoUWG/Menke, 2. Aufl. 2014,
§ 6Rn.
- Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/191, Vgl. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/
- HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron onder verwijzing naar HvJ 16 juli 1998, C-210/96, NJ 2000/374 (Gut Springenheide) en HvJ 19 september 2006, C-356/04, NJ 2007/18 m.nt. M.R. Mok (Lidl/Colruyt) Schriftelijke toelichting namens Digital Revolution nrs. 6.2-6.
- HvJ 8 februari 2017, C-562/15, ECLI:EU:C:2017:95, NJ 2018/2, IER 2017/42 m.nt. Hoogenraad en Duivenvoorde, punten 36-
- D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) en vergelijkende reclame (Mon. BW nr. B49b), 2019/3.101 Schriftelijke toelichting namens Digital Revolution nr. 6.3 Vgl. o.m. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie 2019/55; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/
- Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, PbEU 2005, L 149/
- HvJ 26 oktober 2016, C-611/14, ECLI:EU:C:2016:800, AB 2017/37 m.nt. S.W. Haket en M.J.M. Verhoeven (Canal Digital Danmark). Vgl. ook HvJ EU 23 januari 2019, C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 Walbusch Walter Busch), punt 37 e.v.; HvJ 12 mei 2011, C-122/10, ECLI:NL:XX:2011:BQ5458, IER 2011/49 m.nt. P.G.F.A. Geerts, TvC 2012/3 m.nt. Van Boom (Ving Sverige), waarover mijn conclusie sub 3.7.1-3.8 voor HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1191 (art. 81 RO). Bij deze stand van zaken kan m.i. in het midden blijven of uit de in het middel genoemde vindplaatsen volgt dat Digital Revolution in hoger beroep heeft gesteld dat de ‘niet-klikkers’ misleid worden (zie met name de appeldagvaarding nr. 4.4.1). Zie hierover de schriftelijke toelichting namens Media Concept nrs. 25-26 en 44 en de reactie daarop in de schriftelijke repliek nr. 4.
- Zie de geciteerde passage uit de inleidende dagvaarding en voorts de pleitaantekeningen in eerste aanleg nr. 7.2 (“dat de op de website gebruikte prijzen gunstig en laag zouden zijn”). vgl. ook de dagvaarding in hoger beroep nr. 9.2.2 en de pleitnota in hoger beroep nr. 8.2.
- Vgl. D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), 2019/42, die onderscheidt tussen comparatief- of superioriteitsreclame (zoals “voordeliger dan”) en superlatief- of absolute superioriteitsreclame (zoals “de voordeligste”). De schriftelijke toelichting namens Media Concept nr. 26 wijst terecht op het belang van deze uitspraak in verband met de personen die niet zelf doorklikken naar de bestemmingspagina. HvJ 8 februari 2017, C-562/15, ECLI:EU:C:2017:95, NJ 2018/2, IER 2017/42 m.nt. Hoogenraad en Duivenvoorde, punt 31, met verwijzing naar HvJ 18 november 2010, C-159/09, ECLI:EU:C:2010:696, NJ 2011/53 (Lidl), punt 46 en HvJ 12 mei 2011, C-122/10, ECLI:EU:C:2011:299 (Ving Sverige) punt
- Zie ook de schriftelijke toelichting namens Digital Revolution nrs. 8.1 en 9.3-9.
- MvA, Kamerstukken II, 1978/1979, 13 611, nr. 6, p.
- D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), 2019/62-63; D.W.F. Verkade, Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten (Mon. BW B49a), 2016/49-
- Vgl. ook MvA, Kamerstukken II, 1978/1979, 13 611, nr. 6, p. 15; C.J.J.C. van Nispen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:195, aant.
- D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), 2019/63; D.W.F. Verkade, Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten (Mon. BW B49a), 2016/
- Vgl. voorts P.G.F.A. Geerts & A.M.E. Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, 2020, p. 725; C.J.J.C. van Nispen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:195, aant. 2, en art, 6:193j, aant. 1; C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper & T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 3 2012/5.3.4.
- Zie voorts HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1562, NJ 1996/246 m.nt. D.W.F. Verkade, rov. 4.
- Vgl. HR 15 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2817, NJ 1999/665 m.nt. D.W.F. Verkade, rov. 3.3.2-3.3.
- Zie voorts MvA, Kamerstukken II, 1978/1979, 13 611, nr. 6, p. 15 (“Wordt in kort geding een verbod gevraagd van bepaalde, volgens de eiser onjuiste en daardoor misleidende mededelingen, en kan de gedaagde de juistheid van deze mededelingen niet op korte termijn aannemelijk maken, dan zal de president, de belangen van partijen tegen elkaar afwegende, voorshands tot het opleggen van een verbod kunnen komen”); G.H. Lankhorst, T&C BW (actueel t/m 21-1-2021), art. 6:195, aant. 6; C.J.J.C. van Nispen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:195, aant. 1 en 10, en art. 6:193j, aant. 5; P.G.F.A. Geerts & A.M.E. Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, 2020, p 760; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/320; D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), 2019/66; D.W.F. Verkade, Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten (Mon. BW B49a), 2016/51; C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper & T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 3 2012/5.3.4.1.4; Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/132.