PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05071 Zitting 20 april 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de verdachte. Inleiding De verdachte is bij arrest van 24 oktober 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “feitelijke aanranding van de eerbaarheid, begaan tegen een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar en voorafgegaan en vergezeld van geweld” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald. Namens de verdachte heeft mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld. Bewezenverklaring en bewijsvoering
(1)en aan dit proces-verbaal gehecht.] In aanvulling hierop verklaart de raadsman: In voetnoot 5 op pagina 7 van het rapport van 19 juli 2018 van dr. Aarts staat dat de kans dat een bepaalde hypothese waar is, ook afhangt van informatie buiten het forensische expertiseterrein en daardoor buiten de reikwijdte van het rapport valt. Daar zit wat mij betreft de crux. Zaken die buiten het expertiseterrein van de deskundige vallen, zijn niet meegenomen in het rapport. U, voorzitter, vraagt mij of met die passage niet enkel tot uitdrukking wordt gebracht dat een rechter niet alleen behoort te kijken naar de inhoud van een deskundigenrapport, maar ook de rest van het dossier in aanmerking moet nemen? Dat lees ik er ook in, maar ook dat er zaken zijn die buiten het expertiseterrein van de deskundige vielen. Ik denk niet dat dit een soort algemene disclaimer is. Verder wil ik ter nadere onderbouwing van het verzoek een tekst van Henry Prakken en Ronald Meester overleggen, alsmede van beide auteurs het curriculum vitae. De raadsman legt een tekst over met als titel ‘Bayesiaanse analyses van complexe strafzaken door deskundigen. Betrouwbaar en zo ja: nuttig?’, alsmede de cv’s van de auteurs, Henry Prakken en Ronald Meester. [Griffier: de overgelegde stukken worden gevoegd in het dossier.] De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid zich uit te laten over het verzoek van de raadsman en deelt mede: Wat mij betreft wordt het verzoek afgewezen. In het licht van het onderzoek dat al heeft plaatsgevonden, acht ik de noodzakelijkheid van het verzochte nader onderzoek onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft bij tussenarrest van 22 december 2016 de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde het NFI een aantal vragen te laten beantwoorden. Nadien is veel gebeurd en is het nodige duidelijk geworden met betrekking tot de beperkingen die er zijn met het oog op de beantwoording van die vragen. Zo is duidelijk geworden dat er, als er al duidelijkheid kan worden verkregen over de aard van aangetroffen celmateriaal, bijvoorbeeld dat het zou gaan om speeksel, in het geval van meerdere donors niet kan worden vastgesteld van welke van die donors dat speeksel afkomstig is. Ook is duidelijk geworden dat eventuele duidelijkheid over de hoeveelheid aangetroffen celmateriaal het onderzoek niet verder zal brengen. Niet voor niets heeft het hof in de formulering van de opdracht die is gegeven op de regiezitting van 18 mei 2017 al een voorbehoud gemaakt met de betrekking tot de mogelijkheid van het verkrijgen van duidelijkheid over de hoeveelheid en de aard van het aangetroffen celmateriaal. Wat mij betreft is, in het licht van de redelijkerwijs beschikbare mogelijkheden, voldaan aan de door het hof gegeven opdrachten en is er geen aanleiding voor nader onderzoek. In de visie van het openbaar ministerie is het cruciale punt dat er celmateriaal van de verdachte op [benadeelde] ’s kleding is aangetroffen en dat de verdediging hiervoor geen ontlastende verklaring heeft gegeven. De raadsman reageert als volgt op de advocaat-generaal: Het problematische aan het onderzoek dat is verricht door deskundige Aarts is dat een wiskundige berekening is gemaakt, zonder dat de vereiste voorbereidingsstappen zijn gezet. Verder is niet duidelijk of op in beslag genomen kledingstukken nog celmateriaal kan worden aangetroffen, want dit is niet geprobeerd. In een eerder stadium van het strafproces heeft het hof dit noodzakelijk geacht. Volgens de advocaat-generaal heeft de verdediging geen ontlastende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van celmateriaal van mijn cliënt op de kleding van het slachtoffer. Er is een aantal maanden verstreken tussen het incident en de dag waarop mijn cliënt is aangehouden. Dit tijdsverloop heeft de herinnering van mijn cliënt aan 26 mei 2015 geen goed gedaan. Hij stelt dat hij niet de dader is en dat hij op die datum thuis is geweest. Het alternatieve scenario van de verdediging is dat iemand anders dan mijn cliënt het ten laste gelegde heeft begaan. De advocaat-generaal reageert als volgt op de raadsman: In reactie op de stelling van de verdediging dat de verdachte die dag zijn woning niet heeft verlaten, verwijs ik naar de wetmatigheid dat de kans op indirecte overdracht van celmateriaal afneemt naarmate het aantal handelingen volgend op het primaire contact toeneemt. Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede: Het hof wijst het verzoek om aanvullend onderzoek af. Het hof acht zich reeds voldoende geïnformeerd en neemt hierbij onder meer in aanmerking: - het onderzoek dat in hoger beroep reeds heeft plaatsgevonden; “ - de regiebijeenkomst van 7 december 2018, waarbij door dr. Aarts is ingegaan op het nut van, het belang bij, en de (on)mogelijkheid tot nader onderzoek naar de aard en hoeveelheid van het van de verdachte afkomstige celmateriaal dat is aangetroffen op de kleding van [benadeelde] ; - het ontbreken van een meer gedetailleerde verklaring van de verdediging voor de aanwezigheid van celmateriaal van de verdachte op de kleding van [benadeelde] . Op grond van het voorgaande acht het hof het verzochte aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.” 10. Het hof heeft het door de verdediging gedane verzoek, niet onbegrijpelijk, opgevat als een verzoek tot het benoemen van een deskundige door de zittingsrechter dan wel – na een verwijzing door de zittingsrechter – door de raadsheer-commissaris. Een dergelijk verzoek is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek is telkens of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken. 11. Het hof heeft bij zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek de juiste maatstaf toegepast. Voor zover het middel daarover bedoelt te klagen, faalt het. 12. Voorts maak ik uit de toelichting op het middel op, dat de steller van het middel de opvatting is toegedaan dat de verdediging hier een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen, waarop het hof in zijn afwijzende beslissing niet heeft gerespondeerd in de zin van, zo begrijp ik, het bepaalde in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Om die reden zou de beslissing van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn, met name ook omdat “de verdediging aan de hand van wetenschappelijk onderzoek [heeft] bepleit dat richtlijnen hoe een bayesiaanse analyse in complexe strafzaken dient te worden uitgevoerd, niet is nageleefd en wordt verzocht om bij het aanvullende onderzoek deze richtlijnen wel in acht te nemen en dat hierdoor het onderzoek ook niet volledig is geweest”. 13. De steller van het middel ziet kennelijk over het hoofd dat het gedane aanhoudingsverzoek niet is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop de motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv ziet. Het middel berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast merk ik op dat de vier in het artikel van Prakken en Meester geformuleerde ‘richtlijnen’ geen richtlijnen zijn in de zin van – kort gezegd – de wet of een professionele beroepsuitoefening waaraan de rapporterend deskundige gebonden is. 14. Ook overigens is het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het (doen) van het verzochte aanvullend onderzoek niet is gebleken, naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk, terwijl het in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, geen nadere motivering behoefde. Ik heb daarbij in aanmerking genomen dat het hof gemotiveerd tot uitdrukking heeft gebracht dat het zich reeds voldoende geïnformeerd acht op de door het hof genoemde gronden. 15. Zo heeft het hof in de eerste plaats gewezen op het onderzoek dat al in hoger beroep had plaatsgevonden. Daarbij zal het hof het oog hebben gehad op het NFI-rapport van 23 oktober 2015, het NFI-rapport van 10 december 2015 en het FLDO-rapport van 18 april 2016 (zie de bewijsmiddelen 9-11). Voorts stel ik vast dat het hof op de terechtzitting van 8 december 2016 het verzoek van de verdediging om aanhouding voor nader onderzoek heeft gehonoreerd. Het ging toen in ieder geval om het gevraagde onderzoek op activiteitenniveau zoals door de raadsman geformuleerd en daarnaast om onderzoek naar een mogelijk verband tussen het spoor op de mouw en de andere aangetroffen sporen. Het hof heeft de precieze onderzoeksopdracht geformuleerd in het tussenarrest van 22 december 2016 en achtte het noodzakelijk dat het NFI nader onderzoek zou verrichten naar de volgende zeven vragen: “1. Gaat het bij het biologisch materiaal dat is aangetroffen op de buitenzijde van de achterzijde van de onderbroek (SIN AAIF6350NL#01), de buitenzijde van de achterzijde van de legging (SIN AAIF6351NL#01) en de buitenzijde van de rechtermouw van een t-shjrt (AAIF6352NL#01) om klassieke sporen (bloed, sperma, speeksel of haar) en/of om biologische contactsporen? 2. Hoeveel celmateriaal is er in de onder vraag 1 genoemde bemonsteringen aangetroffen? 3. Kunnen er ten aanzien van de onder vraag 1 genoemde sporen conclusies worden getrokken op activiteitenniveau (gaat het om een greep/aanraakspoor, secundaire/tertiaire overdracht of een andersoortig spoor)? Zo nee, kunt u aangeven welke informatie u minimaal nodig heeft om dit te beoordelen? 4. Wat kunt u zeggen over de (on)mogelijkheden van indirecte overdracht van het – met verdachte overeenkomende – DNA-materiaal, rekening houdend met onder andere het antwoord op vraag 1 en 2? 5. Gevraagd wordt om de DNA-nevenkenmerken aangetroffen in de bemonstering met SIN AAIF6352NL#01 te vergelijken met de referentieprofielen van getuige [betrokkene 1] (RABG5261NL), getuige [getuige] (RABG5311NL) en verdachte [verdachte] (RGZ759). Gevraagd wordt om, indien er een match wordt verkregen, de daarbij behorende matchkans te rapporteren. 6. Indien vraag 5 geen overeenkomst(
- en)oplevert: is/zijn er overeenkomst(
- en)tussen de onbekend gebleven donor(
- en)van de DNA-nevenkenmerken uit bemonstering AAIF6352NL#01 (NFI: van minimaal twee personen) en de DNA-kenmerken verkregen uit bemonstering AAIF6350NL#01C (FLDO: van minimaal drie personen)? Hiervoor zullen de bevindingen van het FLDO met betrekking tot bemonstering AAIF6350NLU01C aan het NFI beschikbaar worden gesteld. 7. Kunnen de DNA-profielen van de onbekend gebleven donoren nogmaals vergeleken worden met de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken?” 16. De formulering van de vragen 1 t/m 4 sloten aan bij de vragen zoals geformuleerd door de raadsman. Naar aanleiding van de zeven door het hof uitgeschreven vragen is door het NFI op 31 maart 2017 rapport uitgebracht, waarin tevens een toelichting wordt gegeven op een eerder NFI-rapport. Op de regiezitting van het hof van 18 mei 2017 is besproken welk onderzoek er eventueel nog mogelijk was en welke vragen daartoe gesteld moesten worden. In dat verband is Simone van der Soest als deskundige (van het NFI) gehoord, ook over de door het hof geformuleerde vragen. Daarop achtte het hof het noodzakelijk dat een nader onderzoek werd uitgevoerd zoals door het hof bij tussenarrest van 22 december 2016 was geformuleerd in de vragen 1, 2, 3 en 4 (in onderling verband en samenhang bezien). De te onderzoeken vraag luidde: “Is het waarschijnlijker dat het DNA van verdachte op de kleding van het slachtoffer terecht is gekomen via directe of via indirecte overdracht?” Zoals besproken met de deskundige Van der Soest, zou bij de beantwoording van deze vraag de hoeveelheid en de soort DNA worden meegenomen voor zover dat mogelijk was. Uiteindelijk is daaruit het rapport van de forensisch deskundige dr. Aarts d.d. 19 juli 2018 voortgekomen (zie bewijsmiddel 12). 17. In de tweede plaats heeft het hof bij zijn afwijzende beslissing de regiezitting van 7 december 2018 betrokken, waarin dr. Aarts is ingegaan op de door het hof genoemde punten, te weten “het nut van, het belang bij, en de (on)mogelijkheid tot nader onderzoek naar de aard en hoeveelheid van het van de verdachte afkomstige celmateriaal dat is aangetroffen op de kleding van [benadeelde] ”. 18. En in de derde plaats heeft het hof gewezen op het ontbreken van een meer gedetailleerde verklaring van de verdediging voor de aanwezigheid van celmateriaal van de verdachte op de kleding van [benadeelde] . Het is wel duidelijk dat het hof daarbij doelt op de dadersporen die op de achterzijde van de legging en op de onderbroek van [benadeelde] zijn aangetroffen. 19. Het tweede middel faalt. Het eerste middel 20. Het eerste middel keert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. 21. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 oktober 2019 heeft de raadsman van de verdachte bij gelegenheid van het pleidooi verweer gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitnotitie (waaraan door de griffier het kenmerk 2 is gegeven). Deze pleitnotitie houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in (hier met weglating van de voetnoten): “[…] Alternatieve scenario's In onderhavige zaak kan niet worden uitgesloten en is het in de visie van de verdediging aannemelijk dat er alternatieve scenario's zijn voor het aantreffen van het DNA van [verdachte] op de kleding van [benadeelde] . a. Derde verdachte Uit de verklaring van [benadeelde] volgt dat ze aan haar rechtermouw is vastgepakt door de dader. De dader heeft in de mouw geknepen volgens [benadeelde] . Uit het onderzoek van het NFI volgt dat: - Op deze mouw een DNA-mengprofiel is aangetroffen van minimaal twee personen; - er geen match met het DNA-profiel van [verdachte] ; - maar zijn er DNA-nevenkenmerken van minimaal twee personen aangetroffen, waarvan minimaal één man en gaat het om minimaal twee onbekende personen. Als [verdachte] de dader was geweest in deze zaak, zou het voor de hand liggen dat DNA van hem was aangetroffen op de mouw. Uit de verklaring van [benadeelde] volgt dat de man met zijn linkerhand haar rechtermouw heeft vastgepakt. [benadeelde] komt vervolgens op haar linkerzij te liggen en de man ligt achter haar ook op zijn linkerzij. Het is dan logisch/aannemelijk dat de man met zijn rechterhand de broek van [benadeelde] probeert uit te trekken, omdat zijn linkerarm wordt geblokkeerd door het lichaam van [benadeelde] . De mens is meest rechtshandig. Naar schatting 10 tot 15 procent van de mensen is linkshandig. Met de rechterhand wordt ook vaak handen geschud. Dit zou kunnen verklaren, indien [verdachte] niet de dader is maar een onbekend gebleven derde het delict heeft gepleegd, waarom er geen DNA van [verdachte] op de mouw is aangetroffen, maar wel van een onbekende man en waarom er DNA van drie personen is aangetroffen op de onderbroek van [benadeelde] . Er is door het NFI noch door het FLDO onderzoek gedaan naar de overeenkomsten tussen de DNA op de mouw en het derde profiel op de onderbroek. Hieruit dient te worden afgeleid dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het DNA van [verdachte] op de kleding is terechtgekomen door het plegen van het delict, terwijl het DNA van de onbekend gebleven derde daar is terechtgekomen op een wijze die niet aan het delict gerelateerd is. De mogelijkheid bestaat immers eveneens dat die onbekend gebleven derde het delict heeft gepleegd, terwijl het DNA van [verdachte] op de kleding is terechtgekomen op een wijze die niet aan het delict gerelateerd is, dan wel daar is terecht gekomen door middel van secundaire overdracht. In casu kan een vergelijking worden gemaakt met een zaak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 november 2016 ECLI:NL:GHAMS:2016:4673. In de zaak uit Amsterdam is er een man overvallen in zijn woning door één enkele dader. Deze dader heeft tijdens de overval de broek van de aangever gehaald. Op de rand en de binnenzijde van de rechterachterzak van de broek van aangever is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Het Hof overweegt: 'Uit de rapporten en in het bijzonder uit hetgeen door de deskundige, de heer [naam], is verklaard ter zitting, blijkt dat is aangenomen dat in het mengprofiel zichtbaar zijn het volledig DNA-profiel van het slachtoffer, en daarnaast zwak aanwezige DNA-kenmerken van tenminste twee andere personen. Handmatige vergelijking van deze DNA-kenmerken in de DNA-databank leverde een match op met het DNA-profiel van de verdachte. Daarnaast zijn, aldus de deskundige, nog de kenmerken van een tweede persoon zichtbaar die echter niet nader zijn onderzocht. Desgevraagd verklaarde hij dat deze laatste kenmerken niet als achtergrond-DNA kunnen worden beschouwd. Het hof concludeert bij deze stand van zaken dat uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek volgt dat naast het slachtoffer twee andere personen aan het celmateriaal hebben bijgedragen van wie - gelet op de feitelijke context - slechts één als donor tijdens de overval kan worden beschouwd. Nu uit de rapportages van het NFI geen gegevens naar voren komen die op activiteitniveau een onderscheid mogelijk maken van deze beide profielen levert het onderzoek van het NFI onvoldoende bruikbaar bewijsmateriaal voor hetgeen de verdachte is ten laste gelegd. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het DNA van de verdachte in de broekzak is terechtgekomen door het plegen van het delict, terwijl het DNA van de onbekend gebleven derde daar is terechtgekomen op een wijze die niet aan het delict gerelateerd is. De mogelijkheid bestaat immers eveneens dat die onbekend gebleven derde het delict heeft gepleegd, terwijl het DNA van de verdachte bij de broekzak is terechtgekomen op een wijze die niet aan het delict gerelateerd is, dan wel daar is terecht gekomen door middel van secundaire overdracht. Er zijn geen andere bewijsmiddelen die wijzen in de richting van de verdachte. Aan het telecom-onderzoek kan geen belastende betekenis worden toegekend, en datzelfde geldt voor de weinig specifieke beschrijvingen die de getuigen van de dader hebben gegeven. ' In de zaak [verdachte] moet eveneens worden vastgesteld: - Dat er op basis van de verklaringen van de getuigen maar één dader is geweest; - dat er op de onderbroek van [benadeelde] een DNA-mengprofiel is vastgesteld afkomstig van ten minste drie personen; - dat uit de rapportages van het NFI en FLDO volgt dat er geen gegevens naar voren komen die op activiteitenniveau onderscheid mogelijk maken; - dat er eveneens geen andere bewijsmiddelen die wijzen in de richting van [verdachte] . In casu kan er niet met zekerheid worden vastgesteld dat het DNA van [verdachte] op de kleding van [benadeelde] terecht is gekomen door het plegen van het delict, terwijl het DNA van de onbekend gebleven derde daar is terechtgekomen op een wijze die niet aan het delict is gerelateerd. De onbekend gebleven derde kan het delict ook hebben gepleegd. b. Indirecte overdracht 'Uit de verklaring van [verdachte] en zijn moeder volgt dat hij een zusje heeft in de leeftijd van [benadeelde] en dat het zusje van [verdachte] zeer regelmatig in de buurt speelt waar de gebeurtenissen van 26 mei 2015 hebben plaatsgevonden. De moeder van [verdachte] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het zusje van [verdachte] mogelijk op maandag 25 mei 2015 bij het vriendinnetje heeft gespeeld woonachtig aan de [c-straat] in [plaats] . Deze woning is 350 meter gelegen van de woning van waar [benadeelde] op 26 mei verbleef. Niet kan worden uitgesloten dat er biologische contactsporen via het zusje van [verdachte] zijn overgedragen op de kleding van [benadeelde] . Dit kan via direct contact zijn geweest tussen het zusje van [verdachte] en [benadeelde] , maar ook via indirect contact via een schommel, skelter, enzovoort. c. Contaminatie voor en tijdens veiligstellen Uit het aanvullende proces-verbaal van bevindingen betreffende het veiligstellen van de sporen blijkt dat [benadeelde] voordat de politie ter plaatse was, meerdere keren geknuffeld is door haar moeder. Daarnaast zou zij ook door vriendinnen, moeders van vriendinnen, haar broertje en opa en oma zijn aangeraakt. Niet kan worden uitgesloten dat er bij het knuffelen en troosten van [benadeelde] sporen zijn overgedragen op de legging en band van de onderbroek. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat er sprake is geweest van contaminatie bij het veiligstellen van de kleding van [benadeelde] waardoor sporen van de legging op de band van de onderbroek terecht zijn gekomen. Immers, het bemonsteren van biologische contactsporten moet onder stringente condities gebeuren. Uit het aanvullende proces-verbaal van bevindingen betreffende het veiligstellen van de sporen blijkt dat [benadeelde] zelf haar legging en onderbroek heeft uitgetrokken. De mogelijkheid bestaat dat de onderbroek en legging bij het uittrekken contact hebben gemaakt waardoor er contaminatie van de sporen heeft plaatsgevonden. Dat er DNA is aangetroffen op de band van de onderbroek, hoeft derhalve niet te betekenen dat dat DNA er op de band van de onderbroek heeft gezeten op het moment dat de kleding werd uitgetrokken. Immers, uit een DNA-mengprofiel is niet vast te stellen hoe en in welke volgorde (in tijd) het celmateriaal van de verschillende personen op (het betreffende monster van) het stuk van overtuiging is terechtgekomen. Gezien de huidige stand van zaken van het onderzoek en de alternatieve scenario's die niet kunnen worden uitgesloten, kan er simpelweg niet worden uitgesloten dat het DNA van [verdachte] , via via, mogelijk via een derde, is overgebracht op de kleding van [benadeelde] . Zoals ik heb bepleit in het verzoek tot aanhouding en verwijzing naar de raadsheer-commissaris bestaat in de wetenschap en in de rechtspraktijk discussie over het gebruik van kansrekening, en over de zogenaamde regel van Bayes in het bijzonder bij strafrechtelijke bewijzen. In de conclusie van het artikel van Prakken en Meester wordt te kennen gegeven dat de wetenschap geen beproefde en algemeen aanvaardbare methode voor de toepassing van Bayesiaans denken in complexe strafzaken biedt. Ook is niet voldaan aan de richtlijnen voor een betrouwbaar onderzoek die door Prakken en Meester worden gegeven. Dit is juist wel de methode die is toegepast in deze zaak. Bij het beoordelen van het rapport valt op dat bij de evaluatie van de onderzoeksresultaten een beperking wordt gemaakt tot een bespreking van de omstandigheden die een belangrijke rol spelen bij het bepalen van de bewijskracht van de verkregen onderzoeksresultaten. Indien naar de voetnoten bij de bevindingen alle vijf de gedachtestreepjes wordt gekeken lijkt het deskundigenoordeel alleen/vooral te worden gebaseerd op de literatuur waarnaar wordt verwezen. Dit wordt ook bevestigd in de e-mail van de deskundige van 28 september 2018. Een eigen, op de onderhavige zaak toegespitst deskundigenoordeel of een koppeling tussen het eigen oordeel en de literatuur volgt niet uit het onderzoek. Daar komt bij dat de input voor het onderzoek onvolledig is geweest, in die zin dat niet alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegenomen in de analyse. Ook hiervoor verwijs ik naar mijn pleitaantekeningen met het verzoek tot aanhouding. De analyse en het waarschijnlijkheidsoordeel is derhalve niet volledig geweest. Uit voetnoot vijf volgt dat de kans dat een bepaalde hypothese waar is ook afhangt van informatie buiten het forensische expertiseterrein van de deskundige en valt daardoor buiten de reikwijdte van het rapport van Aarts. Van een multidisciplinair onderzoek is geen sprake geweest en wederom moet geconcludeerd worden dat het onderzoek onvolledig is. Ook wijs ik uw gerechtshof in verband met het gebruik van de Bayesiaanse methode in het strafrecht op: - Zaak zes van Breda. ECLI:NL:GHDHA:2015:2860. Het gerechtshof Den Haag overweegt: "... dat de betrouwbaarheid van voormelde methode en daarmee van de uit het gebruik van deze methode voortvloeiende uitkomsten naar de huidige stand van de wetenschap te onzeker is voor daadwerkelijke toepassing in een complexe strafzaak als de onderhavige. Om deze reden heeft het hof de conclusie(
- s)uit voormelde rapportage van dr. Alkemade bij de beoordeling van het bewijs dan ook geheel buiten beschouwing gelaten." - Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWV:2016:3060) de rechtbank overweegt: “De berekening van Derksen waaruit zou blijken dat verdachte - kort gezegd - waarschijnlijk onschuldig is, is gemaakt volgens de theorema van Bayes. Daarmee is een - naar het oordeel van de rechtbank - niet onomstreden regel uit de kansrekening gebruikt voor de strafrechtelijke waarheidsvinding waarvan de uitkomst in hoge mate afhangt van de selectie en waardering van de bewijsmiddelen die door Derksen is gemaakt. De rechtbank sluit niet uit dat deze methode, mits juist toegepast, een hulpmiddel kan zijn bij de waarheidsvinding, maar de uiteindelijke beantwoording van de vraag of een tenlastegelegd feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, is geen vraag die zich leent voor kansrekening. De beantwoording van die vraag is en blijft voorbehouden aan de rechter. Daarbij komt dat de rechtbank in deze zaak een andere selectie en waardering van de bewijsmiddelen maakt dan Derksen. De rechtbank laat om bovengenoemde redenen de rapporten van Derksen buiten beschouwing bij de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv …” - Brandstichting Oosterland Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2016:5165). Het gerechtshof overweegt: 'Bayesiaanse analyse: Het hof heeft het rapport van dr. F.J.M. Alkemade, gelet op de tegenwerpingen van prof. dr. mr. H. Prakken in het tegenonderzoek, niet laten bijdragen aan het oordeel van het hof omtrent de bewezenverklaring.'. Ik vraag uw gerechtshof dan ook gelet op hetgeen ik zojuist heb bepleit om het rapport van deskundige Aarts buiten beschouwing te laten bij de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 SV. Mocht uw gerechtshof het rapport wel bruikbaar en betrouwbaar vinden, wijs ik op de ordegrootte van bewijskracht die aan de conclusie is verbonden. Er wordt gesproken over véél waarschijnlijker tot zeer veel waarschijnlijker waarbij de ordegrootte varieert van 100 tot en met 1.000.000. Dit is een grote variatie. Daar komt bij dat er geen uitspraak wordt gedaan over de waarschijnlijkheid van de hypothesen zelf. Alleen over de waarschijnlijkheid van de verkregen onderzoeksresultaten indien de hypothesen waar zijn. Het aangetroffen DNA is daarbij het enige bewijsmiddel dat naar [verdachte] wijst. Zoals bepleit bevat het dossier veel contra-indicaties voor betrokkenheid van cliënt. Er is bovendien eerder door uw gerechtshof vastgesteld dat onderzoek niet volledig is geweest en dat er noodzaak bestond tot aanvullend onderzoek naar het DNA. Deze opheldering is er niet gekomen. Alles in samenhang bezien leidt er in de visie van de verdediging toe dat er twijfel is en bij twijfel dient te worden vrijgesproken.” 22. Het hof heeft dit verweer in zijn bewijsoverweging samengevat en verworpen. Ik verwijs daarvoor naar randnummer 5. 23. Volgens de steller van het middel heeft het hof alleen te kennen gegeven dat het geen redenen ziet om te twijfelen aan wat door deskundige Aarts is gerapporteerd in zijn rapport van 19 juli 2018 en dat het diens bevindingen en conclusies overneemt, en behoefde het oordeel van het hof nadere motivering, die ontbreekt, gelet op hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht “ter grondslag aan het verzoek tot terzijde schuiven van het rapport”. 24. Hetgeen ter zake is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Kennelijk heeft ook het hof het verweer van de verdediging als zodanig verstaan. 25. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof wat betreft zijn beslissing niet de redenen heeft opgegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft immers uitvoerig uiteengezet waarom het de verdediging niet volgt in haar gedachtegang met betrekking tot de door haar geopperde alternatieve scenario’s. In de weerlegging van het standpunt van de verdediging heeft het hof allereerst de resultaten van het DNA-onderzoek aangehaald. Voorts heeft het hof erop gewezen dat – naar aanleiding van het verweer van de verdediging – aan de forensisch deskundige dr. Aarts de door het hof genoemde hypothesen zijn voorgelegd en heeft het in zoveel woorden aangehaald wat dr. Aarts daarover heeft gerapporteerd. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het geen redenen ziet aan de bevindingen van dr. Aarts te twijfelen en dat het om die reden de bevindingen en conclusies van dr. Aarts overneemt. Daarin ligt besloten dat het hof deze bevindingen en conclusies op haar merites heeft beoordeeld en daar kennelijk geen onduidelijkheden of aan twijfel onderhevige punten heeft ontwaard. Het daarin vervatte oordeel van het hof dat het rapport van dr. Aarts in zoverre gebruikt kan worden voor het bewijs is niet onbegrijpelijk en kan verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet verder worden getoetst. De jurisprudentiële voorbeelden, die de raadsman in zijn pleitnotitie geeft, doen daaraan niet af. 26. Ik merk tot slot op dat, anders dan de steller van het middel in navolging van de raadsman in zijn pleidooi lijkt te menen, het aangetroffen DNA niet het enige bewijsmiddel is dat naar de verdachte wijst. Ik wijs op de verklaringen van [benadeelde] , van de andere kinderen en van de verdachte, alsook de eigen waarneming van het hof. 27. Uit het voorgaande volgt dat het naar voren gebrachte standpunt van de verdediging niet op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is verworpen. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het eveneens. 28. Het middel faalt. Slotsom 29. De middelen falen en kunnen, lijkt mij, beide worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. 30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189. Vgl. ook HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:651. Onder de eerste vier gedachtestreepjes op p. 6 van de, op de terechtzitting van 8 december 2016 door hem overgelegde, pleitnota. De Hoge Raad pleegt zich op dat punt neer te leggen bij de uitleg die de feitenrechter heeft gegeven aan wat op de terechtzitting is aangevoerd, aldus Van Dorst. Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2018, p. 196.