← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:392

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01088 Zitting 20 april 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte. Inleiding De verdachte is bij arrest van 20 maart 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 “medeplegen van moord, meermalen gepleegd”, 2 “medeplegen van poging tot moord” en 3 subsidiair “medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en, voor zover toegewezen, voor hetzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr aan de verdachte opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader bepaald. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal in het arrest vermelde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Er bestaat samenhang met de zaak 20/01123. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte hebben mrs. R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur zeven middelen van cassatie voorgesteld. Achtergrond van de zaak 4. Op 29 december 2012 vond in Amsterdam-West in de Staatsliedenbuurt een schietpartij plaats. Op basis van de feitelijke vaststellingen van het hof in het arrest komt het volgende beeld naar voren, van wat in de Staatsliedenbuurt en vervolgens daarna in de omgeving van de Haarlemmerweg is voorgevallen.Schietpartij Vanaf 22.30 uur kwamen bij de politie verschillende meldingen binnen over een schietpartij in de Staatsliedenbuurt. Toen de politie ter plaatse arriveerde, werd in de Van Bossestraat een zwaargewonde man aangetroffen. Dit bleek [slachtoffer 1] te zijn. Hij had meerdere schotwonden, waaronder een doorschotletsel in het hoofd. Later die avond overleed hij aan zijn verwondingen. In de Tweede Keucheniusstraat, die haaks op de Van Bossestraat staat, bleek het lichaam van [slachtoffer 2] te liggen. In zijn lichaam werden zestien tot zeventien ‘schotkanalen’ vastgesteld, waarvan er meerdere door zijn hoofd waren gegaan. Aan de andere kant van de Van Bossestraat, op de hoek met de Schaepmanstraat, stond een zwarte Range Rover met knipperende alarmlichten, twee open deuren en elf (door)schotbeschadigingen in de voorruit, het dak en de hoofdsteunen in de auto. Van deze Range Rover hadden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] kennelijk gebruikgemaakt. De laatste wist ternauwernood aan de kogelregen te ontkomen door tussen woonboten in het water van het Oostelijk Marktkanaal te springen. Bij de liquidaties en de poging daartoe waren twee auto’s betrokken: een Audi en een Volkswagen Golf. De over een stoep rennende [slachtoffer 1] is in de Van Bossestraat door drie van de vier inzitten vanuit de rijdende Golf beschoten. Toen hij op de grond viel, stopten de Audi en de Golf dicht bij hem. Uit de Golf stapten drie mannen, die gericht op [slachtoffer 1] schoten. Vervolgens reden de Audi en de Golf weg in de richting van de kruising van de Van Bossestraat en de Schaepmanstraat, waar de Range Rover stond geparkeerd. [slachtoffer 2] probeerde, tevergeefs, te ontkomen door met de Range Rover weg te rijden. Vanuit de Audi werd door de eigen voorruit heen geschoten op de Range Rover. [slachtoffer 2] sprong uit de Range Rover en rende weg. De Audi reed hierop met hoge snelheid achter [slachtoffer 2] aan, waarbij vanuit het bijrijdersraam op hem werd geschoten. De bijrijder stapte vervolgens uit de Audi en liep al schietend op [slachtoffer 2] af. Hierop schoot de bijrijder nog een aantal keer van zeer korte afstand op [slachtoffer 2] . Daarbij hield hij ook het wapen recht boven het slachtoffer. Kort na het incident heeft de overlevende, [betrokkene 1] , bij één van de ter plaatse gekomen opsporingsambtenaren een korte verklaring afgelegd. Deze verklaring hield onder meer in dat hij de personen kent die in de Audi zaten van waaruit is geschoten. Eén van de inzittenden heeft hij geïdentificeerd als [bijnaam] , dit is de bijnaam van de verdachte. In de buurt is een groot aantal kogelhulzen en (schot)beschadigingen aangetroffen: één kogel baande zich in een woonboot een weg door een kinderkamer, gang en achtergevel. Een tweede kogel perforeerde de voorgevel bij de slaapkamer en werd aangetroffen in de wand van de achtergevel. Andere kogels veroorzaakten beschadigingen aan de paal van een verkeersbord, auto’s en een woning. Vlucht Meteen na de schietpartij hebben de Audi en de Volkswagen Golf de Staatsliedenbuurt met hoge snelheid verlaten, waarbij zij volgens ooggetuigen als een pakketje achter elkaar aan reden. De politie kreeg om 22:36 uur de melding dat de Audi wegreed in de richting van de Haarlemmerweg. Daar stonden twee motoragenten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gepositioneerd. Nadat [verbalisant 2] de Audi met hoge snelheid zag komen aanrijden, zette hij met zwaailicht de achtervolging in. [verbalisant 1] stond opgesteld bij het kruispunt met de Australiëhavenweg. Toen de Audi dat kruispunt naderde, minderde de auto opeens vaart en reed stapvoets verder. Vanuit het rechterachterportier werd op een afstand van ongeveer vijf meter in de richting van [verbalisant 1] geschoten met een AK-47. [verbalisant 1] liet zich direct met zijn motor op het wegdek vallen. Toen in de richting van [verbalisant 2] werd geschoten, ging ook hij onder zijn dienstmotor liggen. De Audi reed weg in de richting van Halfweg. De verbalisanten bleven ongedeerd; een aantal projectielen perforeerde één van de motoren. Om 22:51 uur werd de Audi zonder inzittenden aangetroffen op de Bok de Korverweg. De voorruit en de ruit aan de bijrijderszijde waren beschadigd. Op basis van de uiterlijke kenmerken van de beschadigingen in de voorruit is geconstateerd dat ze waarschijnlijk zijn ontstaan nadat van binnenuit de Audi door het raam heen is geschoten. In de auto lagen kogelhulzen, op het dashboard werd glasgruis aangetroffen en op de kentekenplaat zat bloed van één van de slachtoffers. In de sloot parallel aan de Nico Broekhuysenweg – langs de door de Audi gereden (vlucht)route – zijn op 4, 5 en 11 januari 2013 vier vuurwapens gevonden. In de nabijheid van de Bok de Korverweg is (enige tijd later) in een tuinhuisje dat op naam van de echtgenote van de verdachte stond een paar Nike sportschoenen aangetroffen, waarin en waaraan zich glasdeeltjes bevonden. Procesgang 5. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn aangehouden op respectievelijk 19 maart 2013 en 24 januari 2013. 6. Nadat het dagenlange onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 27 januari 2015 een aanvang had genomen, deed de rechtbank Amsterdam op 1 mei 2015 uitspraak en werden [verdachte] en [medeverdachte] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. 7. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ving aan op 20 januari 2016 en nam vijfenveertig dagen in beslag. Ook het hof veroordeelde, op 20 maart 2020, de verdachten tot een levenslange gevangenisstraf. Bewezenverklaring 8. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard: “onder 1 hij op 29 december 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapens kogels in de lichamen van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] geschoten, waardoor die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] zodanige verwondingen hebben opgelopen dat zij daardoor zijn overleden; onder 2 hij op 29 december 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van zijn voornemen om, tezamen in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met (een) vuurwapen(

  1. s)een aantal kogels in de richting van die persoon heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; onder 3 subsidiair hij op 29 december 2012 te Amsterdam tezamen in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf opzettelijk twee politieambtenaren, namelijk [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (beiden motoragent, werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een aantal kogels in de richting van die [verbalisant 1] en die [verbalisant 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke pogingen tot doodslag werden voorafgegaan van strafbare feiten, te weten het medeplegen van moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 1] , welke pogingen tot doodslag op [verbalisant 1] en [verbalisant 2] werden gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan die feiten straffeloosheid te verzekeren.” V. Bespreking van de middelen 9. Ter wille van de leesbaarheid wijzig ik de volgorde van de in de schriftuur voorgestelde middelen enigszins. Ik begin met het tweede middel. Dat middel betreft het forensisch vergelijkend glasonderzoek van de glasdeeltjes die in of aan het paar, in het tuinhuisje aangetroffen, Nike-schoenen zijn aangetroffen. Vervolgens bespreek ik het eerste, het derde en het vierde middel. Deze drie middelen hebben met elkaar gemeen dat zij de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen tot onderwerp hebben. Daarna volgt het vijfde middel, waarin ’s hofs oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de poging tot gekwalificeerde doodslag op de twee motoragenten wordt betwist. Ik sluit af met een bespreking van het zesde en het zevende middel, die beide betrekking hebben op de motivering van de opgelegde levenslange gevangenisstraf. 1. Het tweede middel: de glasdeeltjes in en op de aangetroffen Nike-schoenen 10. Het tweede middel klaagt over (
  2. i)’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om de deskundige prof. J.M. Curran te horen over het vergelijkend glasonderzoek dat heeft plaatsgevonden op de, in en aan het paar Nike-schoenen, aangetroffen glasdeeltjes alsmede over het door hem benoemde ‘two-trace problem’ en de invloed daarvan op de ‘likelihood-ratio’ en de bewijswaarde, en (
  3. ii)de verwerping van het mogelijke alternatieve scenario dat het glas op de schoenen terecht is gekomen doordat de broer van de verdachte door gebieden met grote hoeveelheden glas is gelopen. 11. Een kleine drie maanden na de schietpartijen zijn zwart-oranje Nike-schoenen gevonden in het tuinhuisje dat op naam stond van de echtgenote van de verdachte. Uit het DNA-onderzoek dat aan de schoenen is verricht, zijn DNA-mengprofielen van minimaal drie of vier personen aangetroffen waarbij de matchkans niet kon worden berekend. Het betreft DNA van mogelijk onder meer de verdachte en zijn twee broers. Dit DNA-onderzoek is, naar ik begrijp vanwege die beperkte matchkans, door het hof buiten beschouwing gelaten. 12. Het hof heeft wel de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek dat aan de schoenen is verricht voor het bewijs gebruikt. De desbetreffende overweging van het hof (arrest, p. 41-42) houdt daarover het volgende in: “Aangetroffen forensisch materiaal (DNA en glas) […] Aan de [a-straat 1] , in de nabijheid van de Bok de Korverweg, ligt een tuinhuizencomplex. Het tuinhuisje nummer [001] op dit tuinhuizencomplex stond ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen op naam van de echtgenote van de verdachte. In dit tuinhuisje is een paar Nike sportschoenen aangetroffen, dat door het NFI is onderworpen aan een vergelijkend glasonderzoek. Zoals hierboven in hoofdstuk 4 paragraaf 2 is beschreven is daarbij een glasdeeltje aangetroffen, dat zowel in brekingsindex als sporenelementsamenstelling overeenkomt met de ruit van het rechter voorportier van de Audi. De overeenkomst van brekingsindex en sporenelementsamenstelling, zoals deze is geconstateerd tussen het glasdeeltje en de Audi-portierruit, is volgens de NFI-deskundige Hordijk, zoals door hem weergegeven in het eerder genoemde rapport van 27 mei 2013 zeer discriminerend. Het hof stelt dan ook vast dat in het tuinhuisje, dat op naam stond van de echtgenote van de verdachte en waar de verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep ook met regelmaat kwam, een glasdeeltje is aangetroffen dat in direct verband kan worden gebracht met de door de daders bij de schietincidenten gebruikte Audi en als zodanig met de tenlastegelegde feiten. Immers, uit het verloop van de gebeurtenissen zoals weergegeven in hoofdstuk 2 volgt dat de daders na de schietincidenten in de Staatsliedenbuurt en op de Haarlemmerweg de Audi op de Bok de Korverweg hebben achtergelaten, waar deze slechts enkele minuten later door de politie is aangetroffen met onder meer een vernielde ruit in het rechter voorportier. Het hof concludeert daaruit dat het niet anders kan, dan dat het glasdeeltje is vrijgekomen doordat die zijruit ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen kapot is gegaan. Daarbij komt dat het betreffende glasdeeltje is aangetroffen op een locatie die in verband staat met de verdachte. Het voorgaande brengt het hof tot de vaststelling dat de bevindingen van het vergelijkend glasonderzoek met betrekking tot dit glasdeeltje passen bij hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard omtrent de plaats in de Audi, en rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten.” 13. Over de methoden en resultaten van het vergelijkend glasonderzoek heeft het hof eerder in het arrest een aparte paragraaf gewijd. Daaruit volgt – in mijn woorden – dat van de 35 geselecteerde glasdeeltjes die aan de schoenen zijn aangetroffen, bij één deeltje een in grote mate waarschijnlijk verband met de gebruikte Audi kan worden gelegd. Met betrekking tot een ander deeltje kan er eveneens een verband worden gelegd, zij het met een minder grote mate van waarschijnlijkheid. Van de andere 33 glasdeeltjes is er geen verband gelegd kunnen worden en wordt aangenomen dat deze niet van de Audi afkomstig zijn. Het hof heeft in het arrest het volgende overwogen ten aanzien van het glasonderzoek (arrest, p. 25-31 respectievelijk p. 41-42; hier met weglating van de voetnoten): “Paragraaf 2 - De Nike sportschoenen Op 19 maart 2013 is het tuinhuisje nummer [001] gelegen op het tuinhuizencomplex aan de [a-straat 1] in Amsterdam doorzocht. Dit tuinhuisje stond op naam van [betrokkene 2] , de echtgenote van de verdachte. Daar is een paar Nike sportschoenen aangetroffen. Aan de zolen werd op glassplinters gelijkend materiaal aangetroffen. Deze Nike sportschoenen (AAFS3608NL) zijn inbeslaggenomen en naar het NFI gezonden voor nader forensisch onderzoek.[…]Glas-onderzoek Ir. M.L. Hordijk, deskundige blaasonderzoek van het NFI, heeft een vergelijkend glasonderzoek aan deze Nike sportschoenen verricht en daaromtrent het volgende gerapporteerd. Van de schoenen zijn door middel van uitkloppen zogenaamde stofmonsters verkregen. In deze stofmonsters zijn tientallen glasdeeltjes aangetroffen. Uit de totale hoeveelheid aangetroffen glas zijn 35 willekeurig gekozen deeltjes in het vergelijkend glasonderzoek betrokken. Van 29 uit deze 35 glasdeeltjes is de brekingsindex bepaald. De overige 6 deeltjes zijn direct (uit efficiency overwegingen) in sporenelementsamenstelling met het referentieglas vergeleken. Daarbij bleken alle 6 deeltjes van het referentieglas te verschillen. Bij een vergelijkend glasonderzoek wordt vreemd- (het hof begrijpt: te onderzoeken glas) en referentieglas met elkaar vergeleken en wordt bepaald of de resultaten beter passen bij hypothese 1 of bij de alternatieve hypothese 2. Voor deze zaak zijn op grond van de verkregen informatie de volgende hypothesen geformuleerd: Hypothese I: De op/in de schoenen (AAFS3608NL) aangetroffen glasdeeltjes zijn afkomstig van de vernielde autoruit(en), waartoe het referentieglas (AAFM4917NL) en/of (AAFJ2844NL) heeft behoord. Hypothese 2: De op/in de schoenen (AAFS3608NL) aangetroffen glasdeeltjes zijn afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(
  4. en)of glazen object(
  5. en)dan de vernielde autoruiten, waartoe het referentieglas (AAFM49I7NL) en (AAFJ2844NL) heeft behoord. Het referentieglas (AAFM4917NL) betreft glas dat afkomstig is van het portier rechtsvoor van de Audi RS4 en bestaat uit gehard glas met een dikte van 3,8 mm. Het referentieglas (AAFJ2844NL) betreft glas dat afkomstig is van de voorruit van de Audi RS4 en bestaat uit niet-gehard gelaagd glas (twee lagen glas met daartussen een laag kunststof), waarbij de afzonderlijke lagen glas 2,0 mm dik zijn. De afzonderlijke lagen glas worden hierna ‘referentieglas (AAFJ2844NL-A)’ en ‘referentieglas (AAFJ2844NL-B)’ genoemd.De onderzochte glasdeeltjes zijn op de volgende kenmerken en in onderstaande volgorde met het referentieglas vergeleken: - brekingsindex; - samenstelling van de sporenelementen met behulp van laser ablatie inductief gekoppeld plasma massaspectrometrie (LA-ICPMS). Daarbij geldt dat in elke volgende fase van het getrapt verlopende vergelijkend onderzoek verder wordt gegaan met de glasdeeltjes die in de vorige fase(
  6. n)van het onderzoek niet van het referentieglas konden worden onderscheiden. In de conclusie wordt een uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheid van de bevindingen in het licht van de geformuleerde hypothesen. Bij het vergelijkend glasonderzoek is het volgende vastgesteld: - één gasdeeltje komt zowel in brekingsindex als sporenelementsamenstelling overeen met referentieglas van het portier rechtsvoor van de Audi (AAFM4917NL), hierna: ‘glasdeeltje Z’. Bezien in het licht van voornoemde hypothesen geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoekdeel veel waarschijnlijker zijn, wanneer dit deeltje afkomstig is van de vernielde autoruit, waartoe het referentieglas (AAFM4917NL) heeft behoord (hypothese 1) dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp (hypothese 2). - één glasdeeltje komt in brekingsindex overeen zowel met het referentieglas (AAFM4917NL) als met het referentieglas (AAFJ2844NL-A). Dit deeltje is echter te klein om in sporenelementsamenstelling met het betreffende referentieglas vergeleken te kunnen worden. Bezien in het licht van voornoemde hypothesen geldt dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek iets waarschijnlijker zijn, wanneer dit deeltje afkomstig is van de vernielde autoruit, waartoe het referentieglas (AAFM4917NL) of (AAFJ2844NE) heeft behoord (hypothese 1) dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp (hypothese 2). - voor de overige 33 glasdeeltjes geldt dat ze niet afkomstig kunnen zijn van de vernielde autoruiten waartoe het referentieglas (AAFM4917NL) en (AAFJ2844NL) heeft behoord (hypothese 2 is waar). Bij de interpretatie van de resultaten van het onderzoek stelt Hordijk dat de combinatie van brekingsindex en sporenelementsamenstelling, zoals bepaald met LA-ICPMS (waarbij 10 elementen worden gemeten) zeer discriminerend is; overeenkomst tussen vergeleken glasdeeltjes leidt tot de conclusie dat het onderzoeksresultaat voor deze glasdeeltjes veel waarschijnlijker is wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. 2.1 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft - kort samengevat - het volgende aangevoerd.[…] Verweer ten aanzien van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek De verdediging heeft voorts aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat glasdeeltje Z afkomstig is van een andere Audiruit. De likelihood ratio van het NFI ten aanzien van de hypothesen rondom het glasdeeltje is een inschatting die voorkomt uit statistiek en sluit geenszins uit dat het glasdeeltje toch van een andere autoruit afkomstig is. In de database van het NFI zitten maar 17 glasmonsters van autoruiten, waaronder geen enkel glasmonster van een andere Audiruit dan van de onderhavige Audi. De waarschijnlijkheidsuitspraken van het NFI ontberen derhalve overtuiging voor enige conclusie buiten gerede twijfel omtrent de oorsprong van het glasdeeltje. Daarbij is veelzeggend dat maar één van de vele aangetroffen glasdeeltjes overeenkomsten vertoont met de sporenelementsamenstelling van het referentieglas. De verdediging heeft op dit punt verwezen naar de reactie van de door haar geraadpleegde deskundige, prof. J.M. Curran, FCSFS Head of Department of Statistics University of Auckland. De uitspraken omtrent de mogelijke herkomst van het glasdeeltje zijn dermate afhankelijk van tal van onbekende factoren dat de waarschijnlijkheidsuitspraken dermate fragiel zijn, dat deze geen rol dienen te spelen in de bewijsconstructie. De aanname dat het glasdeeltje van de onderhavige Audi afkomstig is, haalt de bewijstechnische ondergrens dan ook niet. Voorwaardelijk verzoek De verdediging heeft verzocht indien en voor zover het hof dit forensisch materiaal voor het bewijs zal gebruiken, prof. J.M. Curran, FCSF Head of Department of Statistics University of Auckland, te doen oproepen teneinde hem als deskundige te kunnen horen omtrent de bewijswaarde van glasdeeltje Z, aangezien de door het NFI weergegeven likelihood ratio geen blijk geeft van het verwerken van de zogeheten “two trace” problematiek.[…] 2.3 Oordeel van het hof Verweer tot uitsluiting resultaten vergelijkend glasonderzoek van het bewijs Het hof begrijpt het verweer van de verdediging tot uitsluiting van het bewijs van de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek aldus, dat het steunt op de volgende twee stellingen. Enerzijds stelt de verdediging dat sprake is [van] een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, omdat de Nike sportschoenen (het onderzoeksmateriaal) niet tijdig zijn veiliggesteld, waardoor voor de verdachte ontlastend onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden. Anderzijds begrijpt het hof dat de verdediging stelt dat bedoeld vormverzuim erin gelegen is, dat het niet mogelijk is geweest tegenonderzoek - de verdediging spreekt van contra-expertise - te verrichten. […] De stelling van de verdediging dat rekening moet worden gehouden met de reële mogelijkheid dat het bewuste glasdeeltje daarop terecht is gekomen, omdat de broer van de verdachte, [betrokkene 3] , na diens vrijlating op 10 maart 2013 met die schoenen door gebieden met grote hoeveelheden glas heeft gelopen, berust louter op door de verdediging geponeerde aannames en veronderstellingen en is op geen enkele wijze concreet onderbouwd. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen. Ten aanzien van het verweer dat ziet op de schending van het recht op tegenonderzoek overweegt het hof als volgt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt met betrekking tot het glasonderzoek ten aanzien van de Nike sportschoenen het volgende. De deskundige Hordijk heeft een vergelijkend glasonderzoek op bronniveau verricht aan de Nike sportschoenen en heeft daaromtrent, zoals hierboven is weergegeven, gerapporteerd in zijn rapport van 27 mei 2013. De verdediging is naar aanleiding van dit rapport in de gelegenheid gesteld schriftelijk aanvullende vragen te stellen. De deskundige Hordijk heeft die aanvullende vragen bij briefrapport van 16 september 2014 beantwoord. Uit dit briefrapport blijkt niet dat Hordijk tot andere bevindingen en conclusies is gekomen met betrekking tot de onderzochte glasdeeltjes dan eerder door hem (op bronniveau) gerapporteerd. Op verzoek van de verdediging is de deskundige Hordijk ter terechtzitting van het hof van 24 mei 2016 gehoord, waarbij de verdediging in de gelegenheid is geweest de deskundige uitvoerig te bevragen en deze die vragen ook heeft beantwoord. De verdediging heeft na afloop van dit deskundigenverhoor ter terechtzitting aangegeven zich te zullen beraden omtrent een verzoek tot het doen verrichten van nader glasonderzoek op activiteitniveau. Het hof stelt vast dat de verdediging een dergelijk verzoek niet op enig (later) moment heeft gedaan. Ook om een tegenonderzoek in de zin van een nieuw vergelijkend glasonderzoek op bronniveau door een andere deskundige heeft de verdediging nimmer verzocht. Op 13 oktober 2016 heeft onder leiding van de raadsheer-commissaris, in aanwezigheid van de verdediging en het Openbaar Ministerieleen expertmeeting plaatsgevonden met deskundigen van het NFI in het kader van nader onderzoek op bronniveau en activiteitniveau van biologische sporen en DNA. Naar aanleiding van deze bijeenkomst heeft dr. B. Kokshoom van het NFI een rapport ‘Toelichting op het onderzoek naar biologische sporen en DNA’ op 22 december 2016 opgemaakt. In dit rapport heeft de deskundige een toelichting gegeven op de praktische haalbaarheid van een criminalistische interpretatie (het hof begrijpt: onderzoek op activiteitniveau) van het onderzoek naar biologische sporen en DNA. Daarbij is op pagina 4 van het rapport het volgende vermeld: NB. Indien een evaluatie van de bevindingen van het onderzoek naar biologische sporen en DNA op activiteitniveau gewenst is, dan kunnen op verzoek ook de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek op activiteitniveau worden gewogen. (...)’ Anders dan de verdediging heeft betoogd, is een onderzoek op activiteitniveau van de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek wel mogelijk geweest, maar is daarom, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, niet door de verdediging verzocht. Dat onderzoek op activiteitniveau van de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA achterwege is gebleven, mede omdat niet duidelijk was wat er met de sportschoenen is gebeurd in de periode vanaf het schietincident tot de inbeslagneming op 19 maart 2013, maakt dat niet anders.[…]Verweer ten aanzien van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek De deskundige drs. J.A. de Koeijer van het NFI heeft een aanvullend samenvattend rapport van de NFI-onderzoeken naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op 29 december 2012 opgesteld. Hierin is op pagina 17/18 met betrekking tot het glasonderzoek het volgende opgenomen: “Naar aanleiding van de beantwoording van aanvullende vragen in het rapport van 16 september 2014 (het hof begrijpt: het NFI-rapport van 16 september 2014, C2 0605 e.v.) en op de zitting van 24 mei 2016 (het hof begrijpt: ter terechtzitting van het hof op 24 mei 2016) door glasdeskundige M. Hordijk wil ik (J.A. de Koeijer) nog het volgende opmerken: Tijdens het verhoor (het hof begrijpt: van de deskundige Hordijk ter terechtzitting van het hof van 24 mei 2016) komt het aantal autoruiten in de NFI glasdatabase ter sprake. Dhr. Hordijk merkt op dat er maar 17 auto(voor)ruiten in de database zijn opgenomen. Wat hij echter niet vermeldt is dat dit aantal voor de bewijskracht van het glasonderzoek in de context van deze zaak niet relevant is. Op voorhand staat namelijk niet vast dat het glas op de diverse stukken van overtuiging afkomstig moet zijn van een autoruit. Om de zeldzaamheid van dit glas en daarmee ook de bewijskracht vast te kunnen stellen, moet het aangetroffen glas worden vergeleken met een verzameling die representatief is voor glas dat normaal gesproken in kleding bij verdachten wordt aangetroffen. Dit betreft niet alleen glas van autoruiten maar ook van andere soorten ruiten en glazen verpakkingen. Het relevante deel van de database is dus veel groter dan die 17 autoruiten en beslaat tussen de 900 en 1000 monsters. In zowel het verslag van het verhoor op zitting als in de beantwoording van de vragen van 16 september 2014 wordt gevraagd naar het onderscheidend vermogen van het glasonderzoek in relatie tot ruiten van andere Audi A4 modellen. Deze vraag is eveneens niet relevant voor de bewijskracht van het glasonderzoek in de context van deze zaak (...), tenzij de verdachte aannemelijk kan maken dat er een veel grotere kans is dat hij glas van een andere Audi A4 op zijn kleding heeft dan van een willekeurige andere bron van glas zoals woningruiten en glazen verpakkingen. ” De stelling dat er een reële mogelijkheid bestaat dat glasdeeltje Z op de sportschoenen terecht is gekomen, omdat de broer van de verdachte met die schoenen door gebieden met grote hoeveelheden glas heeft gelopen, is door de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat die schoenen veelal gedragen werden in een gebied waar regelmatig Audi’s, naar het hof begrijpt: met gebroken ruiten, werden gedumpt. Tegen die achtergrond bezien is er geen aanleiding om aan te nemen dat er een zeer aanzienlijke (grotere) kans bestaat dat er glas van een Audi A4/RS4 op de Nike sportschoenen zal worden aangetroffen. Gelet daarop is er geen reden om bij het vergelijkend glasonderzoek een representatieve verzameling Audi ruiten, zoals door de verdediging voorgestaan, te betrekken en is er, zoals verwoord door De Koeijer, geen reden om het op de schoenen aangetroffen glas met een andere (meer specifieke) verzameling te vergelijken dan een verzameling die representatief is voor glas dat normaal gesproken in kleding bij verdachten wordt aangetroffen. Het hof gaat dan ook uit van de conclusies die de deskundige Hordijk heeft getrokken aan de hand van de in zijn rapportage opgenomen hypothesen, te weten dat resultaten van het vergelijkend glasonderzoek veel waarschijnlijker zijn, wanneer het glasdeeltje Z afkomstig is van het glas van het portier rechtsvoor van de Audi, dan wanneer het glasdeeltje Z afkomstig is van een willekeurige andere ruit of glazen object dan de vernielde autoruit. Het hof herhaalt het hiervoor door de deskundige Hordijk in zijn rapport van 27 mei 2013 vermelde over de overeenkomst van brekingsindex en sporenelementsamenstelling, zoals deze is geconstateerd tussen glasdeeltje Z en de Audi-portierruit, inhoudende: “De combinatie van brekingsindex en sporenelementsamenstelling, zoals bepaald met LA-ICPMS (waarbij 10 elementen worden gemeten) is zeer discriminerend; overeenkomst tussen vergeleken glasdeeltjes leidt tot de conclusie dat het onderzoeksresultaat voor deze glasdeeltjes veel waarschijnlijker is wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is”. De omstandigheid dat op de schoenen slechts één glasdeeltje is aangetroffen, dat in brekingsindex en sporenelementsamenstelling overeenkomt met die zijruit van de Audi, doet niet af aan de bewijskracht van die bevindingen, nu het vergelijkend glasonderzoek een onderzoek op bronniveau (dat wil zeggen per onderzocht deeltje) betreft. De omstandigheid dat er ook tal van glasdeeltjes zijn aangetroffen die géén overeenkomst vertonen met het referentieglas van de Audi maakt dat niet anders. Het verweer van de verdediging wordt op alle onderdelen verworpen. De resultaten en de conclusies van het vergelijkend glasonderzoek door de NFI-deskundige Hordijk zijn bruikbaar voor het bewijs. Voorwaardelijk verzoek Het verzoek van de verdediging om prof, J.M. Curran, FCSF Head of Department of Statistics University of Auckland te doen oproepen teneinde hem als deskundige te kunnen bevragen omtrent de door het NFI berekende likelihood ratio (bewijskracht) in relatie tot de door de verdediging benoemde ‘two trace’-problematiek wordt afgewezen. Blijkens het door de verdediging bij pleidooi overgelegde e-mailbericht van 16 december 2018 met een reactie van Curran op vragen van de verdediging – waarbij Curran voorafgaand aan zijn antwoord waarin hij het ‘two-trace-problem’ benoemt, opmerkt “I’m not sure I understand the last question” –, betreft de ‘two-trace problem’ een situatie waarin één spoor overeenkomt en (tal van) andere niet, welk gegeven van invloed zou zijn op de berekening van de likelihood ratio. Wat er ook zij van deze informatie, het hof begrijpt daaruit dat dit betrekking heeft op factoren die een rol kunnen spelen bij een onderzoek op activiteitenniveau. Nu een glasonderzoek op activiteitniveau niet heeft plaatsgevonden, ontbreekt de noodzaak Curran hieromtrent te horen. Voor het overige acht het hof zich in het licht van de te beantwoorden vragen van 348 en 350 Sv voldoende voorgelicht omtrent het vergelijkend glasonderzoek op bronniveau. […].” 14. Terwijl het hof met name dat ene met de autoruit van de Audi corresponderende glasdeeltje Z gebruikt voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij de aan hem tenlastegelegde feiten, ziet de verdediging juist in de glasdeeltjes waarmee het verband met de Audi níet gelegd kan worden een aanwijzing voor gebrek aan die betrokkenheid. Ten einde deze visie te onderbouwen nam de verdediging contact op met (onder anderen) prof. J.M. Curran. Aan de ter terechtzitting van 18 december 2018 in hoger beroep voorgedragen pleitnota zijn als bijlage 6 de e-mailberichten met vragen van de verdediging aan en de reacties daarop van Curran gehecht. De relevante passages uit de e-mails geef ik hieronder weer. De vragen aan Curran zijn als volgt geformuleerd: “An important question in this criminal case is whether a glass particle that was found under a shoe, is coming from the windshield of an AUDI RS4 (make 1998) that was used during the crime. Judgement has been made about the likelihood, based on several hypotheses, of whether the glass particle was coming from this particular windshield. Apparently, the likelihood ratio is being calculated with a computer program. The result of this calculation was that it is much more likely that the particle is coming from a broken windshield from an Audi than that it is coming from any other window/windshield or any other glass object. This conclusion becomes more likely (10 to 100 times more likely) when not any other glass, but any other AUDI /window/windshield becomes part of the evidential value. During the court session the expert witness involved in this case has stated as follows: […]Would you be able, based on the previous, to give your expert opinion on this method of calculating the likelihood ratio. We would like to know whether this method, that uses the trace element composition one hand and the rarity of the glass particle other hand, reflects a correct likelihood ratio. The database of the NFI plays a role in this rarity. Is this a correct statistic method? We wonder if this method unjustly surpasses other context. Like for example the location where the particular car with the broken window/windshield was found, what we know about the amount of produced Audi’s with windows/windshields with the same glass composition and the fact that more glass particles (of which no judgment about trace element composition could be made) have been found under the same shoes were was found the one particle that matches in trace element composition.” 15. De reactie van Curran daarop luidt: “If the method is the same as that published in 2017 (https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1355Q30617300266) then yes I understand what it does and how it works. The principles are statistically sound, but no model can ever be "correct." Rather we hope that it as desirable performance characteristics. In Forensic Science these are usually firstly that the chance of misleading evidence (in either direction) is very low, and that there is some conformance to expectation. The latter is a bit vague, but the work in the paper takes a very well-defined statistic which gives unrealistically large and small numbers and calibrates it so that it is not so extreme. I think the gist of your second question is whether geographic factors and others can influence the characteristics of a glass database. The answer to that is almost certainly yes. For example, although not unusual, Audis are far less common in New Zealand than say Toyotas or Hondas. Having said that, the NFIs database contains glass collected only in the Netherlands, and is probably as fit for purpose as one could get. I'm not sure I understand the last question. If the assertion is that there is "non-matching" glass on the defendant's shoes, then this should devalue the evidence. This is known in forensic science as the "two-trace problem," where one trace matches the scene, and the other does not. This would theoretically halve the value of the evidence (the LR). If the assertion is that there is a lot of untyped (i.e. the trace elements have not been measured), then I'd be inclined to ask why this was omitted. That however would be unusual. In cases where there is a lot of recovered glass, the labs often will measure only a sample, if it is realistic to assume that all fragments originated from the same source.” 16. De verdediging heeft vervolgens die laatste vraag in een daaropvolgend e-mailbericht kort toegelicht, waarbij erop wordt gewezen dat er meer dan dertig glasdeeltjes onder de schoenen waren gevonden maar dat slechts drie daarvan groot genoeg waren om onderzocht te kunnen worden op sporenelementsamenstelling (trace elements), terwijl van die drie deeltjes slechts één deeltje correspondeert met de specifieke autoruit. De vraag van de verdediging: ‘is deze informatie relevant voor het antwoord?’, wordt door Curran als volgt beantwoord: “Yes, in that case the LR should be reduced by a factor of 2 or 3, depending on whether the remaining two fragments match each other or not. The theory is covered here: https://doi.org/10.1016/S0015-7368

(87)72785-6 and here https://doi.org/10.1016/S1355-0306
(03)71759-6.” 17. Zoals gezegd klaagt het middel in de eerste plaats over de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek tot het doen horen van deskundige prof. J.M. Curran over de in het middel aangestipte punten. Volgens de verdediging is het horen van Curran met name van belang vanwege diens laatste emailbericht, waarin hij erop wijst dat het zogenoemde ‘two trace-problem’ van invloed kan zijn op de ‘likelihood ratio’ van het met de autoruit corresponderende glasdeeltje. 18. Het hof heeft te dien aanzien vastgesteld dat deze ‘two trace-problematiek’ slechts speelt in het kader van onderzoek op activiteitenniveau, een onderzoek dat in de onderhavige zaak niet heeft plaatsgevonden. Het hof dit (voorwaardelijke) verzoek dan ook afgewezen, omdat de noodzaak daartoe ontbreekt. 19. Daarover het volgende. Forensisch onderzoek op bronniveau betreft onderzoek naar de bron, dat wil zeggen naar de herkomst van een bepaald object of persoon. Onderzoek op activiteitenniveau is daarentegen gericht op de activiteit die ertoe heeft geleid dat het spoor van een bepaalde bron op de plaats delict is gekomen. Curran maakt in zijn mail zelf geen onderscheid tussen onderzoek op bronniveau en onderzoek op activiteitenniveau. Daaruit kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat dus de two trace-problematiek op zowel bronniveau als op activiteitenniveau (in dezelfde mate) van belang is. Bij het onderzoek op bronniveau is enkel relevant of een verband kan worden gelegd tussen een bepaald onderzoeksobject en de tenlastegelegde feiten. Het hof heeft een dergelijk verband in de resultaten van het onderzoek van glasdeskundige Hordijk vastgesteld en derhalve die resultaten overgenomen en tot de zijne gemaakt. Dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het ‘two trace-problem’ en dat het hof het oproepen en horen van Curran niet noodzakelijk heeft geacht, is niet onbegrijpelijk. Het ‘two trace-probleem brengt immers, naar het hof eveneens heeft vastgesteld, geen verandering in de likelihood-ratio en resultaten van het onderzoek op bronniveau; het is, als gezegd, slechts relevant in het licht van een onderzoek op activiteitenniveau. Dat het ‘two trace-problem’ óók voor de likelihood-ratio op bronniveau van belang zou zijn, is door de verdediging niet bepleit, en van de mogelijkheid om een verzoek tot het doen van onderzoek op activiteitenniveau is door haar geen gebruik gemaakt. 20. In de tweede plaats keert het middel zich tegen ’s hofs verwerping van het verweer dat het glasdeeltje onder de schoen terecht is gekomen nadat de broer van de verdachte met die schoenen door gebieden met grote hoeveelheden glas heeft gelopen, namelijk in de buurt van het tuinhuisje op een plek waar veel autowrakken worden gedumpt. Dit verweer is in de ter terechtzitting van 18 december 2018 in hoger beroep voorgedragen pleitnota als volgt onder woorden gebracht (p. 108 e.v.): “Alternatieve scenario’s voor de aanwezigheid van het glasdeeltje onder de schoen, anders dan daar terechtgekomen door hetgeen cliënt ten laste is gelegd, zijn dan ook zeker niet uit te sluiten en gelet op onder meer genoemde verklaring van Hehenkamp zeer aannemelijk worden geacht. Ik heb u reeds gewezen op meer feiten die dit ondersteunen. Zo kan het onder de schoen terecht gekomen zijn tijdens het dragen van [betrokkene 3] na zijn vrijlating, er zat immers verse modder aan de schoenen. Of door een tot op heden onbekende derde (broer?) die ze gedragen heeft op enig moment na de schietpartij. Ook nog altijd mogelijk indien het in werkelijkheid toch een glasdeeltje betreft van een andere Audi, dat op enig willekeurig moment, dus zelfs voor de schietpartij dit deeltje eronder is gekomen. De dumpplek was zoals gezegd niet ver van het tuinhuisje dus het is niet onaannemelijk dat het glasdeeltje middels het lopen door glas van de betreffende of een andere gedumpte Audi onder de schoen terecht is gekomen.” 21. De verdediging heeft ter onderbouwing van dat verweer er (onder meer en door mij samengevat) op gewezen, dat de aangetroffen Nike-schoenen een maat te klein zijn voor de verdachte, dat zijn broer deze schoenen heeft herkend en heeft verklaard dat deze schoenen van hem zijn, dat de schoenen nog kort voordat zij in beslag werden genomen zijn gebruikt, dat bij de observaties niet is waargenomen dat de verdachte de aangetroffen Nike schoenen heeft gedragen en dat een getuige heeft verklaard te hebben gezien dat de daders onder meer legerlaarzen droegen. 22. Deze onderbouwing van de verdediging mist vaste bodem. Zij is speculatief van aard en bovendien sluiten de aangevoerde argumenten ook in onderlinge samenhang bezien niet uit dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde de aangetroffen Nike-schoenen droeg. Ook verklaren zij niet hoe glasdeeltje Z in of aan een van die schoenen terecht is gekomen. 23. Het tweede middel faalt in beide onderdelen. 2. Het eerste, het derde en het vierde middel: klachten met betrekking tot de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) de getuige [betrokkene 1] 24. Voor de verdediging betreft een belangrijk twistpunt in deze zaak de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 1] . Hoewel hij zowel in eerste aanleg bij de rechter-commissaris alsook ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is bevraagd kunnen worden, heeft de verdediging (telkens) betoogd dat zij de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] onvoldoende heeft kunnen controleren. Het hof heeft in zijn arrest (p. 14) het standpunt van de verdediging aldus verwoord en samengevat, dat de verklaringen van de getuige niet objectiveerbaar zijn en hij aantoonbaar de waarheid heeft bemanteld en dat bijna alle wezenlijke vragen van de verdediging aan hem onbeantwoord zijn gebleven, zulks als gevolg van het vanwege zijn actieve rol in het criminele circuit “ruimhartig toegekende verschoningsrecht” en zijn kennelijke belang om bepaalde zaken in nevelen te hullen. Het derde middel betreft de (on)mogelijkheden die de verdediging zou hebben gekregen om [betrokkene 1] effectief te horen. Het vierde middel betreft de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 1] in haar algemeenheid. 25. Aanwijzingen dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn, meent de verdediging te kunnen putten uit de verklaringen van een aantal getuigen, onder wie [betrokkene 4] , die hebben gezegd van [betrokkene 1] te hebben gehoord dat hij de verdachte helemaal niet heeft herkend en dat hij uit wraak de verdachte zou hebben aangewezen als één van de schutters. De verdediging heeft de gelegenheid gehad deze getuigen te ondervragen. Omdat volgens de verdediging daarna een nieuwe omstandigheid aan het licht was gekomen – [betrokkene 4] zou door derden zijn benaderd om tegen betaling de door hem afgelegde verklaring te wijzigen – verzocht zij [betrokkene 4] nogmaals als getuige te horen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen. Op die afwijzing heeft het eerste middel betrekking. 26. Het eerste middel keert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs afwijzing van het verzoek om [betrokkene 4] opnieuw als getuige te horen. 27. De advocaat van de verdachte, mr. Weski, heeft op 13 december 2018 het hof per e-mail verzocht [betrokkene 4] als getuige op te roepen in verband met een verklaring in zijn eigen zaak, die van belang zou zijn in de zaak tegen de verdachte. Die verklaring zou wijzen op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] waarin hij de verdachte als een van de daders van de liquidaties in de Staatsliedenbuurt aanwijst. De getuige [betrokkene 4] is daarom in de onderhavige zaak op 14 december 2018 ter terechtzitting gehoord. Daar heeft hij verklaard dat hij in 2015 enige tijd samen met [betrokkene 1] op dezelfde afdeling in detentie had gezeten, dat ze een ‘klik’ hadden en dat [betrokkene 1] toen eens tijdens het luchten had gezegd “dat hij bij de rechtbank heeft verklaard dat hij [bijnaam] heeft herkend, maar dat dat niet zo was”. [betrokkene 4] zat naar eigen zeggen “in zo’n zelfde soort situatie” als de verdachte – hij werd destijds verdacht van de moord op [betrokkene 5] en een aantal pogingen tot moord – en gaf als reden voor het afleggen van de verklaring in de voorliggende zaak dat het hem dwars zat “dat je met een leugen mensen tot levenslang veroordeeld kunt krijgen”. 28. Op 29 januari 2020 ontving mr. Weski een e-mailbericht van de raadsman van [betrokkene 4] met de mededeling dat [betrokkene 4] meermalen door derden was benaderd om tegen betaling zijn verklaring te wijzigen. Op grond van deze nieuwe informatie deed de verdediging het verzoek aan het hof om [betrokkene 4] opnieuw als getuige op te roepen en te horen. Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting van 4 februari 2020 afgewezen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting (p. 3/4) houdt omtrent dit een en ander het volgende in: “Mr. Weski voert het woord aan de hand van haar schriftelijke pleitnotities, die door haar aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.Kort samengevat, formuleert de raadsvrouw het verzoek om [betrokkene 4] opnieuw als getuige ter terechtzitting van het hof te doen oproepen. De raadsvrouw heeft een e-mailbericht ontvangen van de advocaat van [betrokkene 4] , inhoudende “Eerder legde mijn cliënt [betrokkene 4] een getuigenverklaring af ter zitting van het gerechtshof in de Staatsliedenbuurt zaak. [betrokkene 4] vertelde mij dat hij sinds het afleggen van zijn verklaring diverse keren is benaderd om (tegen betaling) opnieuw te getuigen maar dan aldus dat hij aangeeft eerder als getuige de waarheid niet te hebben gesproken. Daarbij is aan [betrokkene 4] medegedeeld, zo zei hij mij, dat "die jongens niet mogen worden vrijgesproken want dan was alles voor niets geweest”. Het fijne weet ik hier niet van, doch mijn cliënt vroeg mij u dit door te geven. Onder verwijzing naar dat bericht wenst de raadsvrouw [betrokkene 4] te horen omtrent diens kennelijke recente (althans na zijn getuigenverklaring ter zitting) contact met [betrokkene 1] en/of diens contacten, dan wel derden en daarmee over wetenschap van de motieven van [betrokkene 1] en/of diens contacten/derden om het strafproces tegen de verdachte oneigenlijk ten nadele van de verdachte te beïnvloeden. […] Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de verdediging om [betrokkene 4] als getuige op te roepen, wordt afgewezen. Het hof stelt vast dat [betrokkene 4] reeds ter terechtzitting van het hof van 14 december 2018 als getuige is gehoord, in aanwezigheid van de verdediging. Blijkens de informatie van de raadsman van [betrokkene 4] , die mr. Weski het hof heeft doen toekomen en welke informatie ter onderbouwing van het onderhavige verzoek dient, is [betrokkene 4] sindsdien benaderd om een andersluidende verklaring af te leggen, in de zin dat hij ter terechtzitting van het hof niet de waarheid heeft verteld. [betrokkene 4] heeft hieraan geen gehoor gegeven. De raadsvrouw verzoekt thans [betrokkene 4] opnieuw als getuige op te roepen teneinde hem over voornoemde gang van zaken te kunnen bevragen, waarbij een en ander dient ter nadere onderbouwing van de door de verdediging betrokken stelling dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn en dat hij het strafproces tegen de verdachte op oneigenlijke wijze beïnvloedt. Dit standpunt heeft de raadsvrouw niet alleen bij pleidooi in december 2018 betrokken, maar reeds vanaf het moment dat zij de verdediging van de verdachte [verdachte] op zich heeft genomen. Zij heeft sindsdien ter onderbouwing van die stelling een zeer groot aantal onderzoekwensen geformuleerd. Het hof heeft de verdediging tot op heden ruimschoots de gelegenheid geboden deze stelling nader te doen onderzoeken. Het hof heeft in dit verband veel getuigenverzoeken toegewezen en getuigen ter terechtzitting gehoord. Het hof betrekt bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van het huidige verzoek laatstgenoemde vaststellingen. Daarbij komt ook gewicht toe aan de stand waarin het onderzoek ter terechtzitting zich thans bevindt, te weten de fase van repliek en dupliek, nadat zowel door het Openbaar Ministerie als de verdediging bij respectievelijk requisitoir en pleidooi uitdrukkelijke standpunten zijn betrokken. Tegen deze achtergrond bezien, acht het hof het niet noodzakelijk [betrokkene 4] hernieuwd als getuige te doen oproepen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. Mr. Weski merkt naar aanleiding daarvan het volgende op. Ik hoor u bij de afwijzing van mijn verzoek refereren aan eerder door mij ingenomen standpunten. Ik wens daarbij opgemerkt te hebben dat ik niet alleen uitdrukkelijk standpunten heb betrokken ten aanzien van de rol van [betrokkene 1] maar ook ten aanzien van derden.” 29. De terechtzitting van 6 februari 2020 was ingeruimd voor de duplieken van de raadslieden van de verdachte en de medeverdachte. Bij die gelegenheid heeft de raadsvrouw van de verdachte andermaal het verzoek gedaan (in voorwaardelijke vorm) om [betrokkene 4] als getuige op te roepen: “De verdediging wenst [betrokkene 4] te vragen door wie hij is benaderd, welke informatie hem daarbij precies door wie is medegedeeld. Uiteraard is een prangende vraag of hem bekend is uit die contacten waarom 'die jongens' niet mogen worden vrijgesproken? En wat er dan allemaal voor niets zou zijn geweest. Antwoorden op deze vragen kunnen een belangrijk ander licht werpen op de inhoud van het dossier en hetgeen het OM bij requisitoir en repliek naar voren heeft gebracht over de (on)betrouwbaarheid van [betrokkene 1] en diens belastende verklaringen. Het horen van [betrokkene 4] hierover is dan ook direct van belang voor de integriteit van het onderzoek en het materiaal in het dossier en voor de bewijsvraag van de cliënt ten laste gelegde feiten.” 30. Het arrest houdt het volgende in omtrent het oordeel van het hof over de verklaringen van de getuige [betrokkene 4] en de afwijzing van het verzoek om hem nogmaals als getuige te horen (omdat de relevante passages over de tekst in het tamelijk omvangrijke arrest zijn verspreid, vermeld ik telkens tussen vierkante haakjes het paginanummer waar het geciteerde onderdeel te vinden is): “Het hof zal bij de beoordeling van genoemde betrouwbaarheid ook betrekken dat in hoger beroep door getuigen is verklaard, dat [betrokkene 1] tegen hen gezegd zou hebben dat hij [verdachte] niet heeft gezien in de Staatsliedenbuurt. De verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] komen naar de kern genomen erop neer dat [betrokkene 1] valselijk [verdachte] heeft beschuldigd uit - naar het hof begrijpt - wraak. Behoudens hetgeen dezen inhoudelijk - wel en ook niet - hebben verklaard, zal het hof bij zijn beoordeling tevens betrekken het tijdstip en de wijze waarop zij hebben verklaard. [p. 38][…] De verdediging heeft veel naar voren gebracht over mogelijke motieven van [betrokkene 1] om de verdachte te belasten en hiernaar is ook veel aanvullend onderzoek verricht. In dit verband zijn verklaringen afgelegd dóór de getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] , [betrokkene 8] en de NN-getuige. [p. 40] […] De getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] hebben verklaard dat [betrokkene 1] valselijk de verdachte heeft beschuldigd uit - naar het hof begrijpt - wraak, maar deze bewering is door geen van de getuigen concreet nader onderbouwd. Dit acht het hof opmerkelijk. […] [p.40]Daargelaten dat het hof zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] op tal van punten aan waarachtigheid ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat deze verklaringen niet zijn onderbouwd en daarmee niet aannemelijk zijn geworden. Overigens is opvallend te noemen dat de getuige [betrokkene 4] zich tijdens een terechtzitting in zijn eigen zaak op 13 december 2018 zonder nadere toelichting heeft uitgelaten over de leugenachtigheid van [betrokkene 1] en dat ook [betrokkene 7] en [betrokkene 8] pas in een zeer laat stadium, tegen het einde van de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in december 2018, als getuigen met betrekking tot de leugenachtigheid van [betrokkene 1] naar voren zijn gekomen. [p. 40][…] De verdediging heeft verzocht om [betrokkene 4] opnieuw als getuige te horen. De verdediging heeft het verzoek tot hernieuwd horen van deze getuige ook ter terechtzitting van 4 februari 2020 gedaan. Het hof heeft het toen afgewezen. Het hof stelt vast dat thans andermaal wordt verzocht [betrokkene 4] opnieuw als getuige te horen. [p.46] Nu de verdediging geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht ziet het hof geen reden thans anders te beslissen dan ter terechtzitting van 4 februari 2020. Het verzoek wordt afgewezen, nu de noodzaak tot het horen van [betrokkene 4] ook thans niet is gebleken.” [p.46] 31. Indien de verdediging het verzoek doet tot het oproepen en horen van een getuige, dient dat verzoek te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval – en met inachtneming van het toepasselijke criterium – moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. 32. Het hof heeft op de terechtzitting van 4 februari 2020 het verzoek om [betrokkene 4] nogmaals te horen afgewezen op grond van de overweging dat hem de noodzaak daarvan niet is gebleken. Aan zijn afwijzing van het twee dagen later, op 6 februari 2020, herhaalde (voorwaardelijk gedane) verzoek, ligt ten grondslag de overweging dat de noodzaak tot het horen van [betrokkene 4] ook toen het hof niet was gebleken aangezien de verdediging geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren had gebracht. 33. Hoewel [betrokkene 4] niet eerder was gehoord over de vraag of hij door derden was benaderd om tegen betaling de door hem afgelegde verklaring te wijzigen en de verdediging hem daarover niet heeft kunnen ondervragen, was het beoogde doel van het verzoek niet anders dan dat van alle eerdere, grotendeels wel al ingewilligde verzoeken, die het aantonen van de onbetrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 1] en diens pogingen om het strafproces tegen de verdachte te beïnvloeden. Reeds bij het eerste verzoek om [betrokkene 4] opnieuw op te roepen, gedaan op de terechtzitting van 4 februari 2020, gaf de verdediging te kennen [betrokkene 4] te willen bevragen omtrent (
  1. i)het contact met [betrokkene 1] en/of diens contacten, (
  2. ii)het contact met derden en (iii) over hetgeen [betrokkene 4] wist van de motieven van [betrokkene 1] om het strafproces te beïnvloeden. Bij de afwijzing van dit verzoek heeft het hof nadrukkelijk betrokken dat de raadsvrouw van de verdachte al sinds het moment dat zij de verdediging voert de stelling poneert dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn en dat hij het strafproces tegen de verdachte op oneigenlijke wijze beïnvloedt, dat de verdediging ruimschoots de gelegenheid is geboden die stelling nader te doen onderzoeken en dat pas in de fase van repliek en dupliek het verzoek tot hernieuwde oproeping is gedaan. 34. Volgens de stellers van het middel schiet dat oordeel van het hof tekort gelet op de eisen van een eerlijk proces, de in eerste aanleg opgelegde straf, de in hoger beroep gevorderde levenslange gevangenisstraf, het belang van de verdachte, de inhoud en bron van de aan het verzoek ten grondslag gelegde e-mail, de concreetheid van hetgeen in de e-mail is gesteld en de door de verdediging concreet en specifiek aangegeven onderwerpen waarover de betreffende getuige gehoord zou dienen te worden. Indien en voor zover de stellers van het middel daarmee een verband beogen te leggen met de ‘overall fairness of the trial’, merk ik op dat een nadere onderbouwing daaromtrent ontbreekt. 35. Dat de eerlijkheid van het strafproces door de afwijzende beslissing van het hof geweld wordt aangedaan, vermag ik overigens niet in te zien. De nieuwe informatie die voor de verdediging de aanleiding was de verzoeken op de terechtzittingen van 4 en 6 februari 2020 te doen, past, zoals het hof heeft overwogen, geheel in de reeks van eerdere verzoeken waarmee (tevergeefs) werd getracht de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] en diens pogingen het strafproces te beïnvloeden onder de loep te nemen. Wat dat betreft was het hof inmiddels voldoende ingelicht, zo blijkt uit zijn daarop betrekking hebbende overwegingen. Dat de verdediging het verzoek twee dagen na de afwijzing op 4 februari 2020, bij dupliek op 6 februari 2020, op een enigszins andere wijze inkleedde, brengt daarin geen verandering. Ik meen dan ook dat de bestreden beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot het opnieuw horen van [betrokkene 4] als getuige, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. 36. Het eerste middel faalt. 37. Het derde middel klaagt dat het hof de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd en het andersluidende verweer van de verdediging heeft verworpen, aangezien de verdediging onvoldoende in de gelegenheid zou zijn geweest deze getuige effectief te ondervragen. 38. Het hof heeft in het bestreden arrest een hoofdstuk gewijd aan de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen en de vraag of deze verklaringen bruikbaar zijn als bewijsmiddel. Voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, houdt het arrest (p. 13-15) daarover het volgende in (hier met weglating van de voetnoten): “Hoofdstuk 3 - De verklaringen van [betrokkene 1] heeft verklaringen afgelegd, die naar de kern genomen inhouden dat hij [verdachte] heeft gezien en heeft herkend als één van de inzittenden van de Audi. Volgens [betrokkene 1] zat [verdachte] voorin op de bijrijdersstoel naast de bestuurder. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de herkenning door [betrokkene 1] van [verdachte] als inzittende van de Audi steeds uitdrukkelijk onderwerp van debat geweest. In de hierna volgende overwegingen zal het hof hetgeen door de verdediging en het Openbaar Ministerie omtrent genoemde herkenning naar voren is gebracht bespreken en de vraag of de verklaringen van [betrokkene 1] bruikbaar zijn als bewijsmiddel beantwoorden. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft uitgebreid verweer gevoerd ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] . Daarbij heeft de verdediging gesteld dat die verklaringen wegens strijd met artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) althans op grond van artikel 359a, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat de betrouwbaarheid van die verklaringen onvoldoende effectief getoetst kon worden wegens fatale beperkingen van het ondervragingsrecht mede te wijten aan onevenwichtig onvolledig en niet integer verricht onderzoek, een en ander in strijd met de onschuldpresumptie. Het verweer tot bewijsuitsluiting op grond van onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv wegens schending van artikel 6 EVRM valt uiteen in de volgende onderdelen: A. De verdediging heeft [betrokkene 1] onvoldoende effectief kunnen ondervragen en de betrouwbaarheid van diens verklaringen onvoldoende effectief kunnen toetsen. B. Er is sprake van een onherstelbare besmetting van de integriteit van het onderzoek door politie en Openbaar Ministerie. C. De politie heeft verregaand onzorgvuldig en in strijd met het “Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek” gehandeld bij een fotoconfrontatie met [betrokkene 1] . A. Geen effectieve ondervraging en effectieve toetsing van de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] en diens verklaringen Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] - hoewel hij meermalen door de verdediging als getuige bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep is bevraagd - onvoldoende kon worden gecontroleerd. Niet alleen zijn de verklaringen op zich niet objectiveerbaar, [betrokkene 1] heeft volgens de verdediging bovendien aantoonbaar de waarheid bemanteld. Als gevolg van het aan [betrokkene 1] vanwege diens actieve rol in het criminele circuit ruimhartig toegekende verschoningsrecht en diens kennelijke belang om bepaalde zaken in nevelen te hullen, zijn bijna alle wezenlijke vragen van de verdediging onbeantwoord gebleven. De verklaring omtrent de herkenning is daardoor geminimaliseerd tot het aanwijzen van de verdachte, waardoor de verdachte onherstelbaar in zijn verdedigingspositie is benadeeld. Daarnaast zijn verzoeken van de verdediging tot onderzoek naar objectieve gegevens buiten de invloedsfeer van [betrokkene 1] afgewezen. Het effectief kunnen toetsen van de verklaringen van [betrokkene 1] is dan ook niet mogelijk geweest. Bij gebreke aan compensatie dient de verdachte reeds daarom te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging dat sprake is van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv niet kan slagen. De verklaringen van [betrokkene 1] zijn bruikbaar voor het bewijs. Het is een gegeven dat [betrokkene 1] voorkomt in andere strafrechtelijke onderzoeken en gelet daarop een verschoningsrecht heeft. Hij is meermalen als getuige gehoord, maar ook veel andere personen zijn als getuigen gehoord. De verdediging heeft [betrokkene 1] ook omtrent de verklaringen van die personen kunnen bevragen. Het verdedigingsrecht is niet teveel beperkt. Bovendien heeft er in hoger beroep nog naar veel kwesties onderzoek plaatsgevonden, mede naar aanleiding van verzoeken van de verdediging daartoe. De resultaten van dergelijk onderzoek zijn in processen-verbaal of rapporten vastgelegd en aan de verdediging verstrekt. Ook daaromtrent heeft de verdediging [betrokkene 1] kunnen bevragen. Oordeel van het hof Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [betrokkene 1] op de volgende momenten verklaringen heeft afgelegd, al dan niet in de vorm van een getuigenverhoor. Op 29 december 2012, onmiddellijk na de schietpartij op de plaats delict, heeft [betrokkene 1] tegen de politie verklaard over degenen die bij de gebeurtenissen betrokken zouden zijn geweest. Op 28 januari 2013 heeft [betrokkene 1] gebeld naar de politie en verklaard over hetgeen op 29 december 2012 is voorgevallen. Vervolgens heeft [betrokkene 1] op 23 februari 2013, op 28 maart 2013, op 14 mei 2013, op 30 mei 2013, op 17 juli 2013, op 11 december 2013 en op 26 mei 2014 verklaringen afgelegd bij de politie. Hij is tweemaal bij de rechter-commissaris als getuige gehoord in aanwezigheid van de verdediging, te weten op 6 maart 2014 en 20 maart 2014. In hoger beroep is [betrokkene 1] wederom als getuige gehoord en wel ter terechtzittingen op 26 mei 2016, 10 oktober 2018 en tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 10 december 2018, 17 december 2018 en ten slotte nog op 4 februari 2020, waarbij de verdediging telkens in de gelegenheid is geweest hem te bevragen. In totaal heeft [betrokkene 1] zestien keer een verklaring afgelegd, al dan niet in de vorm van een getuigen verhoor. Daarbij is de verdediging zeven keer in de gelegenheid geweest hem uitvoerig te bevragen, waarbij hij op veel vragen antwoord heeft gegeven. Hoewel de verdediging terecht heeft opgemerkt dat [betrokkene 1] zich als getuige ten aanzien van tal van hem door de verdediging gestelde vragen op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, levert deze omstandigheid geen schending van het aan de verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende ondervragingsrecht op. Vooropgesteld moet worden dat indien een getuige een beroep doet op het hem op grond van artikel 219 Sv toekomend recht zich te verschonen van de beantwoording van een hem gestelde vraag, toewijzing daarvan onderworpen is aan het oordeel van de rechter aan de hand van de in voornoemd artikel gegeven kaders. In het onderhavige geval is de verdediging en ook het Openbaar Ministerie steeds in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het wel of niet toewijzen van een beroep op het verschoningrecht door [betrokkene 1] ten aanzien van hem gestelde vragen, alvorens door het hof daarop gemotiveerd is beslist. Dat de criminele achtergrond van [betrokkene 1] en diens belang om in dat kader niet man en paard te noemen met het oog op een mogelijke strafrechtelijke veroordeling bij die beoordeling een aanzienlijke rol hebben gespeeld, doet aan bovenstaande conclusie - geen schending van artikel 6 EVRM - niet af. Het hof betrekt hierbij dat [betrokkene 1] op vragen die zien op de kern van het tenlastegelegde - de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] betrokken zijn bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt - telkens zonder voorbehoud, duidelijk en veelal gedetailleerd heeft geantwoord.Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof de conclusie niet anders luiden dan dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest [betrokkene 1] als getuige te bevragen en daarbij hetgeen hij eerder heeft verklaard te toetsen. Ook is de verdediging ruimschoots in de gelegenheid geweest [betrokkene 1] te confronteren met de verklaringen van andere getuigen en nieuwe onderzoeksbevindingen. Dat [betrokkene 1] vanwege het hem toegekende verschoningsrecht niet alle bij de verdediging levende vragen heeft beantwoord, brengt evenmin een schending van artikel 6 EVRM en/of in artikel 359a Sv met zich. Wel kan de verdediging worden nagegeven dat bij de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] een rol zal spelen dat hij zich heeft kunnen verschonen van de beantwoording van vragen over zijn kennelijke ontmoeting met een persoon voorafgaand aan het moment waarop hij beschoten is. Het hof zal dit aspect meewegen bij de waardering van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen.” 39. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De Hoge Raad heeft in de arresten van 4 juli 2017 onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland het beoordelingskader uiteengezet op grond waarvan de strafrechter dient te beoordelen of het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht verenigbaar is met art. 6 EVRM. In dat verband heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de verdediging aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, staat er niet aan in de weg dat een door een (niet-ondervraagde) getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk (straf)proces. In het bijzonder kan daaraan zijn voldaan doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – doordat het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. 40. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring — daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd — te toetsen en aan te vechten. Waar het gaat om de effectiviteit van de ondervragingsmogelijkheid, komt mede betekenis toe aan het bestaan en het toepassen van wettelijke voorschriften en procedures die beogen te bevorderen dat de getuige de gestelde vragen (naar waarheid) beantwoordt, waaronder de voorschriften betreffende de verplichting om bij het verhoor te verschijnen en (de mogelijkheid van) het beëdigen dan wel aanmanen van de getuige.In de situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem of haar stelt of doet stellen, ontbreekt in de regel een dergelijke behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging.De opvatting dat slechts dan van “an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness” in de zin van art. 6 EVRM sprake is, indien alle door of namens de verdediging gestelde vragen zijn beantwoord door de getuige, is echter niet juist. 41. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat [betrokkene 1] zestien keer een verklaring heeft afgelegd, dat de verdediging zeven keer in de gelegenheid is geweest hem uitvoerig te bevragen en dat [betrokkene 1] op veel vragen antwoord heeft gegeven. Het hof heeft onder ogen gezien dat [betrokkene 1] zich “tal van keren” op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Die omstandigheid leidt er volgens het hof echter niet toe dat het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden. Ook al heeft [betrokkene 1] vanwege het hem toegekende verschoningsrecht niet alle bij de verdediging levende vragen beantwoord, hij heeft, naar het hof kennelijk heeft vastgesteld, in ieder geval wel “op vragen die zien op de kern van het tenlastegelegde - de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] betrokken zijn bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt - telkens zonder voorbehoud, duidelijk en veelal gedetailleerd geantwoord”. Daarnaast is steeds aan de verdediging en het openbaar ministerie de gelegenheid geboden zich uit te laten over het al dan niet toewijzen van het verschoningsrecht aan de getuige ten aanzien van de aan hem gestelde vragen. Bovendien heeft het hof met het oog op toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] nadrukkelijk overwogen bij de waardering van deze verklaringen rekening ermee te hebben gehouden dat [betrokkene 1] gebruik heeft gemaakt van zijn verschoningsrecht voor zover het betreft een kennelijke ontmoeting met een persoon die aan het moment waarop hij beschoten is voorafging. 42. De stellers van het middel zien in de overwegingen van het hof waarin enerzijds wordt gerept van het beantwoorden van veel vragen en anderzijds het tal van keren inroepen van het verschoningsrecht een innerlijke tegenstrijdigheid. Nu het één het ander niet uitsluit, zie ik niet in hoe het gebruik van deze onbepaalde hoofdtelwoorden een innerlijke tegenstrijdigheid kan opleveren, laat staan tot cassatie kan leiden. Voor zover de stellers van het middel willen betogen dat het hof het oordeel dat het ondervragingsrecht niet is geschonden heeft gegrond op de enkele omstandigheid dat de verdediging zeven keer in de gelegenheid is geweest [betrokkene 1] te ondervragen en dat het hof derhalve slechts kwantitatieve factoren in plaats van kwalitatieve factoren bij dat oordeel heeft betrokken, berust dit betoog op een verkeerde lezing van ‘s hofs arrest. 43. Op grond van het voorgaande getuigt, tot zoverre, het oordeel van het hof dat het in art. 6 EVRM neergelegde ondervragingsrecht niet is geschonden, zodat de verklaringen van [betrokkene 1] tot het bewijs konden worden gebezigd, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat in cassatie niet wordt bestreden dat [betrokkene 1] (als getuige) op veel vragen antwoord heeft gegeven, en dat evenmin wordt opgekomen tegen de vaststelling van het hof dat de getuige op vragen die betrekking hadden op de door het hof aangeduide kern van het tenlastegelegde “telkens zonder voorbehoud, duidelijk en veelal gedetailleerd” antwoord heeft gegeven. 44. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, beoogt kennelijk daarnaast nog te klagen over een tweetal met het ondervragingsrecht samenhangende beslissingen van (de voorzitter van) het hof. 45. Het betreft in de eerste plaats de grenzen die de voorzitter zou hebben gesteld aan het ondervragingsrecht door op voorhand de onderwerpen te beperken waarop de vragen van de verdediging en het openbaar ministerie aan de getuige betrekking mochten hebben. Ik heb mij afgevraagd of hetgeen in dit verband in de schriftuur wordt gepresenteerd wel tot een cassatiemiddel in de zin der wet gerekend kan worden. De stellers van het middel concretiseren/preciseren deze (deel)klacht namelijk niet, zodat ook niet goed valt na te gaan waarop de (deel)klacht nu precies het oog heeft. Naar ik gezien de talrijke ingevoegde citaten uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep vermoed, ziet de (deel)klacht op de mededeling die de voorzitter blijkens het proces-verbaal (p. 2/3) heeft gedaan op de terechtzitting van 10 oktober 2018. Op die ‘tussenregiezitting’ wees de voorzitter erop dat het hof bij het toewijzen van het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen had beslist dat de ondervraging diende te worden toegespitst op de volgende onderwerpen: de verklaring van de anonieme bedreigde getuige, de vragen die de getuige [betrokkene 1] tijdens het verhoor van 26 mei 2016 onder verwijzing naar het verschoningsrecht niet heeft beantwoord, eventuele nieuwe onderzoeksbevindingen die deel uitmaken van het onderzoek Ebetsu en die in een directe relatie staan tot de gebeurtenissen op 29 december 2012. Daarbij merkte de voorzitter op dat eventuele vragen omtrent de door het openbaar ministerie ingebrachte stukken van 26 maart 2018 en 3 oktober 2018 in de ondervraging van de getuige konden worden betrokken, mits en voor zover deze binnen het genoemde kader vielen. 46. Dat noem ik geen beperking, maar het vooraf aanbrengen van een duidelijke structuur teneinde het getuigenverhoor ordentelijk en doelmatig te laten verlopen. Bovendien ging het blijkens het proces-verbaal van deze ‘tussenregiezitting’ niet om een beperking in absolute zin. Het was een nadrukkelijk verzoek van de voorzitter aan de verdediging – en niet alleen aan de verdediging, maar ook aan het openbaar ministerie – om daarmee bij het stellen van de vragen rekening te houden. 47. In cassatie is van meer belang dat het hier een beslissing van de voorzitter als bedoeld in art. 272 Sv betreft. Voor het toetsen van een dergelijke beslissing is in cassatie geen ruimte. En overigens: uit de stukken van het geding voor zover voorhanden in cassatie, is mij niet gebleken dat tegen deze beslissing destijds bezwaar is gemaakt door de procesdeelnemers en evenmin dat de verdediging daardoor is belet de door haar gewenste vragen aan de getuige [betrokkene 1] te stellen, terwijl mij ook anderszins niet is gebleken dat de verdediging door deze beslissing op enigerlei wijze in haar verdediging is geschaad. 48. In de tweede plaats richten de stellers van het middel kennelijk nog een pijl op de wijze waarop het hof is omgegaan met het toekennen van het verschoningsrecht aan de getuige. Zij doelen daarbij op “de ruimhartige toepassing” van dit recht, onder meer in de gevallen waarin de verdediging (en het openbaar ministerie) zich hebben verzet tegen toekenning ervan en het hof het beroep daarop desondanks heeft toegelaten. Het hof heeft dat evenwel steeds gemotiveerd. Als ik goed zie, wordt dit in de schriftuur door de stellers van het middel niet bestreden. Waarom die motivering niet zou deugen, wordt niet in zoveel woorden uiteengezet. Wel voeren de stellers van het middel aan dat een getuige die zelf slachtoffer is van een schietincident, geen verschoningsrecht lijkt toe te komen ten aanzien van de vragen wie hem heeft beschoten en met wie hij op het moment van de beschieting had afgesproken. Daarbij wordt gerefereerd aan HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2859. Om die reden zou de toekenning van het verschoningsrecht aan [betrokkene 1] met betrekking tot de afspraak bij Artis reeds van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. 49. In de zaak die heeft geleid tot het genoemde arrest van 30 september 2014 ging het echter om een andere situatie: de getuige wilde de vraag niet beantwoorden wie op hem had geschoten. In de onderhavige zaak heeft [betrokkene 1] die vraag nu juist wel beantwoord. Ik meen dat het hof zonder miskenning van art. 219 Sv heeft geoordeeld dat met betrekking tot bepaalde vragen [betrokkene 1] een beroep op het verschoningsrecht toekwam en dat dit oordeel, gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk is; het kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst, lijkt mij. 50. Voor zover het middel de voormelde beslissingen wil bestrijden, treft het evenmin doel. 51. Het derde middel faalt. 52. Het vierde middel klaagt dat de verwerping van “het door argumenten onderbouwd verweer” van de verdediging dat de verklaringen van getuige [betrokkene 1] met name over de identiteit van ‘ [bijnaam] ’ niet betrouwbaar zijn, onvoldoende met redenen is omkleed “in het licht van de aard en indringendheid van het verweer/uitdrukkelijk onderbouwde standpunten”. 53. Blijkens de laatste alinea van de toelichting op het middel (4.38, p. 302) richt de klacht zich met name tegen een aantal gevoerde ‘deelverweren’ die onder de grotere noemer van het betrouwbaarheidsverweer kunnen worden geschaard. Volgens de stellers van het middel is het hof “niet voldoende ingegaan op het verweer van de verdediging betreffende de herkenning van personen die hij [A-G: de getuige [betrokkene 1] ] in de Audi heeft gezien en over de door hem waargenomen muts op het hoofd van de bijrijder [en] in het bijzonder het door de verdediging gevoerde verweer dat de verklaring van [betrokkene 1] tegenstrijdig is aan de waarnemingen bij de door het hof gehouden reconstructie en dat hij innerlijk tegenstrijdig en onaannemelijk heeft verklaard.” Daarbij komt, aldus de stellers van het middel, dat het hof in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom de ontlastende verklaringen ten gunste van de verdachte niet aannemelijk zijn. 54. Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] heeft het hof in het bestreden arrest overwogen (p. 37-44, hier met weglating van de voetnoten): “6.3 Oordeel van het hof Beoordelingskader Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard, overeenkomt met of steun vindt in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kan de ouderdom en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen evenals een mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring. Dat de betreffende verklaringen door de betrokkene mogelijk (mede) zouden zijn afgelegd uit wraak, maakt dit niet anders. Dit aspect speelt immers in het beoordelingskader reeds een rol en dient te worden bezien en gewogen in samenhang met de overige aanknopingspunten voor de toetsing van de betrouwbaarheid. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] komt voorts betekenis toe aan het feit dat [betrokkene 1] ook zelf een rol heeft vervuld in het criminele circuit en daarvoor is veroordeeld. Hetzelfde heeft te gelden voor tal van andere personen die als getuigen zijn gehoord. Gelet daarop is niet uit te sluiten dat (deels) onware verklaringen zijn afgelegd. Verklaren over een criminele gebeurtenis en de daarbij betrokkene(
  3. n)betekent immers veelal dat ook over eigen crimineel gedrag moet worden verklaard. Het is geenszins ondenkbaar dat de zo te noemen ‘criminele’ getuige (mede) wordt gedreven door tot onderlinge criminele verhoudingen te herleiden motieven, die voor de rechter niet kenbaar zijn. Als een dergelijke verklaring aanwijzing oplevert dat de waarheid geweld wordt aangedaan, zal de rechter moeten nagaan of reeds daarom alle door die getuige afgelegde verklaringen terzijde dienen te worden geschoven of dat er niettemin reden is om de betekenis daarvan te relativeren. In dat laatste geval kan de uitkomst zijn dat een aanwijzing voor onwaarheid spreken toch geen betekenis heeft voor de in de voorliggende strafzaak te nemen bewijsbeslissingen. Het hof zal bij de beoordeling van genoemde betrouwbaarheid ook betrekken dat in hoger beroep door getuigen is verklaard, dat [betrokkene 1] tegen hen gezegd zou hebben dat hij [verdachte] niet heeft gezien in de Staatsliedenbuurt. De verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] komen naar de kern genomen erop neer dat [betrokkene 1] valselijk [verdachte] heeft beschuldigd uit - naar het hof begrijpt - wraak. Behoudens hetgeen dezen inhoudelijk - wel en ook niet - hebben verklaard, zal het hof bij zijn beoordeling tevens betrekken het tijdstip en de wijze waarop zij hebben verklaard. Ook de verklaring van de getuige [betrokkene 14] - inhoudende dat hem geld geboden is om te verklaren dat [betrokkene 1] heeft gelogen over zijn herkenning van [verdachte] - zal bij de beoordeling een rol spelen. De verklaringen van [betrokkene 1] Op 29 december 2012 heeft [betrokkene 1] , kort nadat hij beschoten was, verklaard: “Ik ken de drie jongens die hebben geschoten en die in de Audi zaten. In de Audi zat [bijnaam] . [bijnaam] is de oudste broer van de jongen die de juwelier heeft doodgeschoten. Juwelier [betrokkene 9] . In deze eerste verklaring verwijst [betrokkene 1] naar ‘ [bijnaam] ’ als degene die hij heeft gezien. [betrokkene 1] brengt de aanduiding [bijnaam] in verband met de overval op juwelier [betrokkene 9] . De politie heeft naar aanleiding van deze verklaring van [betrokkene 1] nader onderzoek gedaan. Hieruit is het volgende gebleken. De overval op juwelier [betrokkene 9] , die plaatsvond op 7 oktober 2010, is onderzocht in het onderzoek 13Nesse. [betrokkene 10] is voor zijn betrokkenheid bij deze dodelijke overval veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek 13Nesse blijkt dat [betrokkene 3] destijds is aangemerkt als verdachte. Uit dit proces-verbaal volgt verder dat de in het onderzoek 13Nesse bedoelde [betrokkene 3] zes broers heeft. [betrokkene 3]
(1992)heeft meerdere oudere broers, [betrokkene 11]
(1991), [betrokkene 12]
(1982), [verdachte]
(1980)en [betrokkene 13]
(1975). De verdachte [verdachte] is de op één na oudste broer van [betrokkene 3] . In het HKS systeem van de politie staan de broers [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 11] bekend met onder andere de bijnaam ‘ [bijnaam] ’. [betrokkene 13] staat bekend onder de bijnaam ‘ [betrokkene 13] ’. Bij het wijkteam [...] staan de [broers] in het algemeen bekend onder de bijnaam [bijnaam] , dit is niet officieel in de systemen vastgelegd.Het hof markeert dat [betrokkene 1] in de eerste momenten na de beschieting in de Staatsliedenbuurt één van de betrokkenen heeft geïdentificeerd als ‘ [bijnaam] ’. Op grond van de bevindingen van de politie kan worden vastgesteld dat [betrokkene 1] met ‘ [bijnaam] ’ doelt op één van de [broers] . De onmiddellijke en directe verwijzing naar één van de [broers] wordt door [betrokkene 1] verder geconcretiseerd door te zeggen dat het om de oudste broer zou gaan, die hij heeft gezien. Vastgesteld moet worden dat [betrokkene 1] niet direct verwijst naar de verdachte [verdachte] , maar dat [verdachte] wel de op één na oudste is van de broers en de bijnaam [bijnaam] heeft. [betrokkene 1] heeft na zijn eerste verklaring op 29 december 2012 meermalen nader verklaard over hetgeen hij heeft waargenomen. Op 28 januari 2013 heeft [betrokkene 1] gebeld naar de politie en verklaard over hetgeen op 29 december 2012 is voorgevallen. Hij zegt dan “ [verdachte] ’s gezicht heb ik één miljoen procent gezien”, waarbij hij aangeeft de anderen (het hof begrijpt: de andere inzittenden van de Audi) niet te hebben gezien. Vervolgens heeft [betrokkene 1] op 23 februari 2013, op 28 maart 2013, op 14 mei 2013, op 30 mei 2013, op 17 juli 2013, op 11 december 2013 en op 26 mei 2014 verklaringen afgelegd bij de politie. In het verhoor van 28 maart 2013 heeft [betrokkene 1] gezegd dat hij [bijnaam] heeft herkend en dat hij later heeft gehoord dat zijn naam [verdachte] is. Tijdens dit verhoor is aan [betrokkene 1] een fotocollage getoond - met meerdere broers van de verdachte - en [betrokkene 1] heeft daarbij [verdachte] aangewezen als degene die hij bedoelt met ‘ [bijnaam] ’ en heeft gezien in de Staatsliedenbuurt. [betrokkene 1] is tweemaal bij de rechter-commissaris als getuige gehoord in aanwezigheid van de verdediging, te weten op 6 maart 2014 en 20 maart
  1. In hoger beroep is [betrokkene 1] wederom als getuige gehoord en wel ter terechtzittingen op 26 mei 2016, 10 oktober 2018 en tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 10 december 2018, 17 december 2018 en ten slotte nog op 4 februari 2020, waarbij de verdediging telkens in de gelegenheid is geweest hem uitvoerig te bevragen. In totaal heeft [betrokkene 1] zestien keer een verklaring afgelegd, al dan niet in de vorm van een getuigenverhoor. Steeds heeft hij verklaard dat hij de verdachte heeft gezien in de Staatsliedenbuurt en dat de verdachte zat in de Audi op voorstoel rechts voorin naast de bestuurder. Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de getuige [betrokkene 1] in al zijn verklaringen de verdachte [verdachte] identificeert als degene die op 29 december 2012 gezeten was op de bijrijdersplaats in de Audi en betrokken was bij het op hem schieten. De betrouwbaarheid van de verklaringen Zoals hiervoor is overwogen, heeft [betrokkene 1] veel verklaringen afgelegd en heeft [betrokkene 1] steeds gezegd de verdachte te hebben herkend. In hoger beroep heeft op 15 november 2016 een schouw/reconstructie plaatsgevonden van het moment dat de Audi kwam aanrijden en tot stilstand kwam ter hoogte van de plek waar [betrokkene 1] op 29 december 2012 stond. De schouw/reconstructie heeft plaatsgevonden met de bij de tenlastegelegde feiten gebruikte Audi RS
  2. Er is bij de schouw/reconstructie gereden met verschillende snelheden (55, 50 en 40 km per uur), met en zonder gevoerd koplamplicht, waarbij onderscheidenlijk dusdanig geremd is dat het ABS van de Audi in werking kwam of niet. De Audi is daarbij tot stilstand gebracht ter hoogte van de plaats die [betrokkene 1] in zijn verhoor ter terechtzitting in hoger beroep op 25 mei 2016 had aangegeven. Het hof heeft tijdens de schouw/reconstructie geconstateerd dat bij alle snelheden, of het koplamplicht nu aan was of niet en ongeacht de wijze waarop is geremd, door de zijruit gelaatstrekken van de bijrijder konden worden waargenomen. Ook heeft het hof telkens de contouren waargenomen van een persoon op de achterbank. Op basis hiervan komt het hof tot het oordeel dat [betrokkene 1] de waarnemingen heeft kunnen doen, die hij steeds zegt te hebben gedaan. [betrokkene 1] heeft tijdens de getuigenverhoren, waarbij hij is bevraagd door de verdediging van [verdachte] respectievelijk [medeverdachte] , niet op alle vragen antwoord willen geven en zich meermalen beroepen op zijn verschoningsrecht. Echter, in al zijn verklaringen op vragen die zien op de kern van het tenlastegelegde - de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] betrokken zijn bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt - heeft [betrokkene 1] telkens zonder voorbehoud, duidelijk en veelal gedetailleerd geantwoord. Op geen enkel moment is [betrokkene 1] teruggekomen op zijn verklaring over de positieve herkenning van [verdachte] en - hoewel [betrokkene 1] aangeeft ‘te weten’ dat [medeverdachte] achterin de Audi zat - heeft [betrokkene 1] steeds gezegd verder niemand van de overige inzittenden in de Audi te hebben herkend. De verdediging heeft veel naar voren gebracht over mogelijke motieven van [betrokkene 1] om de verdachte te belasten en hiernaar is ook veel aanvullend onderzoek verricht. In dit verband zijn verklaringen afgelegd door de getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] , [betrokkene 8] en de NN-getuige. Het hof stelt voorop dat de NN-getuige door de rechter-commissaris als anonieme bedreigde getuige op de voet van artikel 226a en verder Sv is gehoord. Ingevolge artikel 226e Sv komt aan de rechter-commissaris de bevoegdheid toe de betrouwbaarheid van deze getuige te onderzoeken en daaromtrent een oordeel te geven. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2018 dat door de rechter-commissaris is opgemaakt houdt zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de NN-getuige in dat deze onbetrouwbaar is. Gelet daarop gaat het hof reeds daarom aan de verklaring van de NN-getuige voorbij. De getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] hebben verklaard dat [betrokkene 1] valselijk de verdachte heeft beschuldigd uit - naar het hof begrijpt - wraak, maar deze bewering is door geen van de getuigen concreet nader onderbouwd. Dit acht het hof opmerkelijk. Bij het waarderen van het door deze getuigen niet nader duiden van het motief voor [betrokkene 1] om valselijk te verklaren, betrekt het hof ook de verklaring van getuige [betrokkene 14] . Deze verklaring houdt in dat [betrokkene 14] geld geboden is om te verklaren dat [betrokkene 1] heeft gelogen over zijn herkenning van [verdachte] . Daargelaten dat het hof zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] op tal van punten aan waarachtigheid ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat deze verklaringen niet zijn onderbouwd en daarmee niet aannemelijk zijn geworden. Overigens is opvallend te noemen dat de getuige [betrokkene 4] zich tijdens een terechtzitting in zijn eigen zaak op 13 december 2018 zonder nadere toelichting heeft uitgelaten over de leugenachtigheid van [betrokkene 1] en dat ook [betrokkene 7] en [betrokkene 8] pas in een zeer laat stadium, tegen het einde van de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in december 2018, als getuigen met betrekking tot de leugenachtigheid van [betrokkene 1] naar voren zijn gekomen. Met inachtneming van het hierboven gegeven beoordelingskader komt het hof tot het oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 1] , waarin hij de verdachte aanwijst als inzittende van de Audi en daarmee als één van de daders bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt, betrouwbaar is. Daarbij neemt het hof ook in ogenschouw dat de verklaringen van [betrokkene 1] steun vinden in objectieve gegevens in het dossier met betrekking tot aangetroffen forensisch materiaal, zoals hierna zal worden besproken. Aangetroffen forensisch materiaal (DNA en glas) De door de daders van de schietincidenten in de Staatsliedenbuurt gebruikte Audi is direct na de gebeurtenissen aangetroffen op de Bok de Korverweg te Amsterdam. Zowel de voorruit als de zijruit aan de passagierskant rechts voor waren beschadigd dan wel vernield. Zoals hiervoor in hoofdstuk 4 paragraaf 1 is beschreven heeft het NFI DNA-onderzoek verricht aan de bemonsteringen op de hoofdsteunen van de Audi. Op de hoofdsteun van de stoel rechtsvoor (de stoel van de bijrijder voorin), meer specifiek aan de rechter (raam)zijde van die hoofdsteun, is DNA-materiaal aangetroffen. De uitkomst van het DNA-onderzoek is dat het aangetroffen celmateriaal in bemonstering AAFJ2839NL#09 van de hoofdsteun afkomstig kan zijn van [verdachte] . Deze bevinding is meer dan één miljard maal waarschijnlijker als deze bemonstering celmateriaal van [verdachte] bevat dan van een willekeurig ander persoon. De bevindingen van het NFI ten aanzien van het aangetroffen DNA-spoor van de verdachte brengen de verdachte in direct verband met de bijrijdersstoel rechtsvoor in de Audi. Deze bevindingen geven steun aan de verklaringen van [betrokkene 1] , die de verdachte als inzittende van de Audi op die stoel plaatst en daarmee de verdachte in tijd en plaats aan de tenlastegelegde feiten in de Staatsliedenbuurt verbindt. Het door de verdediging geschetste scenario dat de verdachte op enig moment contact heeft gehad met een inzittende van de Audi door een geopend raam of portier aan de bijrijderszijde, waardoor zijn DNA op die hoofdsteun terecht is gekomen, is geenszins onderbouwd en reeds daarom niet aannemelijk geworden. Ook de enkele stelling van de verdediging dat geen sprake is van een daderspoor, omdat de plaats waar het betreffende DNA-spoor is aangetroffen, te weten de zijkant van de hoofdsteun, niet het meest voor de hand liggende deel van de auto is, waarmee de bijrijder in aanraking komt, kan - wat daar ook van zij - het hof niet tot een ander oordeel brengen. De constatering dat in de Audi ook DNA-sporen van anderen zijn aangetroffen maakt dat niet anders. Behoudens DNA-onderzoek aan de hoofdsteun van de Audi heeft het NFI ook vergelijkend glasonderzoek verricht. Aan de [a-straat 1] , in de nabijheid van de Bok de Korverweg, ligt een tuinhuizencomplex. Het tuinhuisje nummer [001] op dit tuinhuizencomplex stond ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen op naam van de echtgenote van de verdachte. In dit tuinhuisje is een paar Nike sportschoenen aangetroffen, dat door het NFI is onderworpen aan een vergelijkend glasonderzoek. Zoals hierboven in hoofdstuk 4 paragraaf 2 is beschreven is daarbij een glasdeeltje aangetroffen, dat zowel in brekingsindex als sporenelementsamenstelling overeenkomt met de ruit van het rechter voorportier van de Audi. De overeenkomst van brekingsindex en sporenelementsamenstelling, zoals deze is geconstateerd tussen het glasdeeltje en de Audi-portierruit, is volgens de NFI-deskundige Hordijk, zoals door hem weergegeven in het eerder genoemde rapport van 27 mei 2013 zeer discriminerend. Het hof stelt dan ook vast dat in het tuinhuisje, dat op naam stond van de echtgenote van de verdachte en waar de verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep ook met regelmaat kwam, een glasdeeltje is aangetroffen dat in direct verband kan worden gebracht met de door de daders bij de schietincidenten gebruikte Audi en als zodanig met de tenlastegelegde feiten. Immers, uit het verloop van de gebeurtenissen zoals weergegeven in hoofdstuk 2 volgt dat de daders na de schietincidenten in de Staatsliedenbuurt en op de Haarlemmerweg de Audi op de Bok de Korverweg hebben achtergelaten, waar deze slechts enkele minuten later door de politie is aangetroffen met onder meer een vernielde ruit in het rechter voorportier. Het hof concludeert daaruit dat het niet anders kan, dan dat het glasdeeltje is vrijgekomen doordat die zijruit ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen kapot is gegaan. Daarbij komt dat het betreffende glasdeeltje is aangetroffen op een locatie die in verband staat met de verdachte. Het voorgaande brengt het hof tot de vaststelling dat de bevindingen van het vergelijkend glasonderzoek met betrekking tot dit glasdeeltje passen bij hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard omtrent de plaats in de Audi, en rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten. […] Aantreffen vuurwapens langs de vluchtroute Zoals weergegeven in hoofdstuk 2 zijn in een sloot langs de vluchtroute van de Audi vier vuurwapens dicht bij elkaar (binnen een straal van 6-10 meter) aangetroffen, te weten twee AK’s, een Glock en een Colt. Uit munitie-wapen vergelijkend onderzoek door het NFI van op verschillende plaatsen delict aangetroffen hulzen en/of munitiedelen met de in de sloot aangetroffen vuurwapens is gebleken, dat de onderzoeksbevindingen zeer veel waarschijnlijker zijn onder hypothese dat in de Staatsliedenbuurt en de op de kruising Haarlemmerweg/Australiëhavenweg gevonden hulzen zijn verschoten met één van de aangetroffen AK’s dan dat deze verschoten zijn met een ander vuurwapen van dit type. Tot dezelfde uitkomst - zeer veel waarschijnlijker - komt het NFI ten aanzien van de van de hulzen en/of munitiedelen die in/bij het lichaam van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen en de Glock. Uit de in hoofdstuk 4 paragraaf 3 weergegeven bevindingen blijkt dat de in de sloot aangetroffen Colt op scherp stond (hamer naar achter), één patroon in de kamer had en acht patronen in de patroonhouder. De Colt is bemonsterd op de loop en op de patroonhouder. DNA-onderzoek door het NFI heeft een DNA-profiel van een man opgeleverd, waarbij het celmateriaal telkens afkomstig kan zijn van [medeverdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel (de matchkans) is telkens kleiner dan één op één miljard. Het NFI heeft ook een DNA-onderzoek uitgevoerd op een bemonstering van een patroon uit de patroonhouder van de Colt. Onderzoek aan deze bemonstering heeft een DNA-profiel van ten minste twee personen opgeleverd, onder wie [verdachte] en minimaal één onbekende persoon. Onder de volgende hypothesen is gerapporteerd en is de hierna genoemde bewijskracht berekend. Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon. Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van twee willekeurige onbekende personen. Het verkregen DNA-mengprofiel AAFO4666NL#01 uit de bemonstering is ten minste 80 duizend keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. De NFI-deskundige heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd dat een waarschijnlijkheidsratio van 80.000 in de categorie van 10.000 tot 1.000.000 valt, en daarmee - vertaald naar een verbale schaal — ‘zeer veel waarschijnlijker’ is. Op grond van bovenstaande bevindingen kan samenvattend ten aanzien van de in de sloot aangetroffen vuurwapens het volgende worden geconcludeerd. Twee van de vier wapens - in elk geval één AK-47 en de Glock - zijn gebruikt bij de tenlastegelegde feiten. De Colt lag in de directe nabijheid van de drie andere vuurwapens, te weten twee automatische vuurwapens en een handvuurwapen. Het aantreffen van twee automatische vuurwapens en twee handvuurwapens in de sloot langs de vluchtroute van de Audi en in de nabijheid van de plaats waar de daders de Audi hebben achtergelaten, past bij een beeld dat uit het dossier naar voren komt, waarbij sprake is van twee schutters, die ieder een automatisch vuurwapen en een handvuurwapen bij zich hadden. Dat niet is komen vast te staan dat de Colt ook daadwerkelijk bij de schietincidenten is gebruikt, doet daaraan niet af. Daarbij acht het hof van betekenis dat zowel de verdachte als [medeverdachte] op grond van de bevindingen van het DNA-onderzoek in verband worden gebracht met de Colt. Deze vaststellingen acht het hof - bezien in samenhang met de andere bewijsmiddelen - belastend voor de verdachte. Samenvattende conclusie De verdachte is door [betrokkene 1] waargenomen en geïdentificeerd als één van de betrokkenen bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt. [betrokkene 1] heeft de verdachte gezien, toen hij voor in de Audi zat op de bijrijdersstoel. Deze waarneming van [betrokkene 1] vindt bevestiging in het aangetroffen DNA-profiel van de verdachte op de hoofdsteun van de bijrijdersstoel van de Audi. Dat de verdachte daadwerkelijk betrokken was bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt vindt verder bevestiging in het aantreffen van een glasdeeltje uit de Audi in het tuinhuisje van zijn echtgenote. Ten slotte acht het hof van belang dat op een patroon in de Colt, die is aangetroffen in de directe nabijheid van de op 29 december 2012 gebruikte AK-47 en Glock, DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen en op de loop en de patroonhouder van die Colt DNA-materiaal van [medeverdachte] .”
  3. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Over de keuzes die de feitenrechter daarin maakt hoeft hij in beginsel geen verantwoording af te leggen. Op dit uitgangspunt is in het Nederlandse strafprocesrecht in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv een uitzondering gemaakt, in die zin dat de rechter in de desbetreffende gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Van een dergelijke motiveringsplicht is onder meer sprake indien de rechter afwijkt van een door of namens de verdachte ter terechtzitting naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel en hij dat bewijsmiddel toch tot het bewijs bezigt.
  4. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.
  5. Het hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsvrouw in hoger beroep op verschillende wijzen naar voren is gebracht, de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar geacht. Alvorens tot een slotsom te komen over de betrouwbaarheid van het bewijs, heeft het hof een beoordelingskader uiteengezet aan de hand waarvan het de betrouwbaarheid heeft getoetst. In dat beoordelingskader geeft het hof er onder meer rekenschap van dat [betrokkene 1] ook zelf een rol heeft vervuld in het criminele circuit en dat dit de betrouwbaarheid van zijn verklaringen kan beïnvloeden.
  6. Bij het oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar zijn, heeft het hof in de eerste plaats in aanmerking genomen dat het hof tijdens de schouw/reconstructie telkens zelf – bij de verschillende snelheden waarmee werd gereden, bij het met en zonder koplamplicht rijden, bij het op verschillende wijzen remmen – heeft kunnen waarnemen dat de gelaatstrekken van de bijrijder door de ruit waarneembaar waren. Op basis van deze feitelijke vaststellingen is het hof tot het oordeel gekomen dat [betrokkene 1] de waarnemingen heeft kunnen doen, die hij steeds zegt te hebben gedaan. Daarnaast volgt de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] naar het oordeel van het hof onder meer uit de omstandigheden dat de op de kern van het tenlastegelegde betrekking hebbende verklaringen – met betrekking tot de vraag of [verdachte] en [medeverdachte] betrokken zijn bij de bedoelde gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt – steeds duidelijk en gedetailleerd, en zonder voorbehoud, waren en dat [betrokkene 1] op geen enkel moment van zijn verklaring op de positieve herkenning van [verdachte] is teruggekomen. Daarbij komt, aldus het hof, dat [betrokkene 1] ook steeds heeft gezegd verder niemand van de overige inzittenden in de Audi te hebben herkend, hoewel hij heeft aangegeven ‘te weten’ dat [medeverdachte] achterin de Audi zat. Ik begrijp deze overweging van het hof aldus, dat áls [betrokkene 1] onwaarheden had willen vertellen hij ook heel makkelijk had kunnen zeggen dat hij [medeverdachte] had herkend; dát heeft [betrokkene 1] echter niet gedaan en dit maakt het des te aannemelijker dat de verklaringen van [betrokkene 1] in dit verband betrouwbaar zijn. De getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] hebben weliswaar verklaard te hebben gehoord dat [betrokkene 1] de verdachte helemaal niet heeft herkend, maar deze verklaringen zijn door het hof – niet onbegrijpelijk – terzijde geschoven, omdat ze pas in een zeer laat stadium zijn gedaan en niet concreet nader onderbouwd zijn, anders gezegd omdat het bij deze verklaringen aan waarachtigheid en oprechtheid ontbreekt. Tot slot betrekt het hof bij zijn overwegingen ook de omstandigheid dat de verklaringen van [betrokkene 1] steun vinden in objectieve gegevens, namelijk forensisch materiaal, te weten (i) het DNA van de verdachte op een hoofdsteun van de Audi, (ii) het glasdeeltje in of aan de Nike schoen die is aangetroffen in het tuinhuisje dat ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen op naam van de echtgenote van de verdachte stond en (iii) het DNA van de verdachte op een patroon uit de patroonhouder van de Colt.
  7. Waarom precies het hof volgens de stellers van het middel niet voldoende zou zijn ingegaan op het verweer van de verdediging betreffende de herkenning van personen die [betrokkene 1] in de Audi heeft gezien en het hof in onvoldoende mate heeft gemotiveerd waarom de ontlastende verklaringen ten gunste van de verdachte niet aannemelijk zijn, is mij niet duidelijk. Het hof heeft met verwijzing naar objectieve gegevens uitvoerig gemotiveerd waarom het de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar acht. Het heeft voorts nadrukkelijk stilgestaan bij de verklaringen die [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 4] en [betrokkene 8] hebben afgelegd, en ook bij [betrokkene 1] ’s rol in het criminele circuit. De gevolgtrekkingen die het hof op grond daarvan maakt, zijn naar het mij voorkomt ook in het licht van hetgeen de verdediging op dit punt heeft aangevoerd niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Ik weet niet op welke omstandigheden het hof aangaande de herkenning dan nog uitdrukkelijk had moeten ingaan. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet stroken met de feiten en omstandigheden in het dossier, geldt hetzelfde. Dat [betrokkene 1] een muts op het hoofd van de bijrijder in de Audi heeft waargenomen, is niet onverenigbaar met hetgeen het hof ter zake van de reconstructie heeft vastgesteld. Het hof heeft immers geconstateerd dat de gelaatstrekken van de bijrijder door de ruit waarneembaar waren. De omstandigheid dat het hof niet is ingegaan op de kennelijk onjuiste aanduiding van twee parkeervakken op de plaats waar de verdachte heeft gestaan, maakt dat niet anders, mede in aanmerking genomen dat het belang daarvan niet verder is onderbouwd door de verdediging.
  8. Ook het vierde middel faalt.
  9. Het vijfde middel: medeplegen poging (gekwalificeerde) doodslag op de verbalisanten
  10. Het vijfde middel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van de poging tot gekwalificeerde doodslag op de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende met redenen is omkleed en dat meer in het bijzonder direct redengevend bewijs ontbreekt voor wat betreft het opzet van de verdachte op dit feit.
  11. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in (hier met weglating van de voetnoten): “Hoofdstuk 2 – Vaststaande feiten en omstandigheden […] Plaats delict 2 - Haarlemmerweg/Asustraliëhavenweg Naar aanleiding van de meldingen over het schieten in de Staatsliedenbuurt en het wegrijden van de Audi in de richting van de Haarlemmerweg hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich gepositioneerd langs de Haarlemmerweg. Om 22:36 uur wordt gemeld dat een motoragent achter een Audi aanrijdt en dat op de Haarlemmerweg op politiemensen wordt geschoten. Om 22:37 uur roept een motoragent op de Haarlemmerweg via portofoonverkeer: “We worden beschoten. Automatische wapens.” Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt het volgende. [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij vanaf zijn positie een grijskleurige Audi aan zag komen rijden, dat die Audi met hoge snelheid reed en dat hij met zwaailicht de achtervolging heeft ingezet. Hij zag dat de Audi afremde op de kruising van de Haarlemmerweg en de Australiëhavenweg. Hij zag dat de Audi stapvoets over de kruising reed. Hij zag dat [verbalisant 1] , die zich daar had opgesteld, in de richting van de Audi reed. Op het moment dat de Audi [verbalisant 1] passeerde zag [verbalisant 2] steekvlammen uit het rechterachterportier komen en hoorde hij het geluid van geweerschoten. De afstand tussen [verbalisant 1] en de Audi bedroeg op dat moment zo’n vijf meter. [verbalisant 2] zag [verbalisant 1] direct daarna met zijn motor op het wegdek vallen. [verbalisant 2] hoorde dat de geweerschoten doorgingen. Hij zag dat er ook zijn kant op werd geschoten, waarna hij achter/onder zijn dienstmotor is gaan liggen. Hij zag dat de steekvlammen zijn richting op gingen en hij voelde projectielen langs hem schieten. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de Audi aan zag komen rijden, met daarachter [verbalisant 2] . Hij zag dat toen de Audi vlak bij hem was, één van de rechter zijruiten open ging, waarna de loop van een vuurwapen zichtbaar werd. Hij zag steekvlammen uit dat raamportier komen en hoorde zware knallen, die hij herkende als automatisch geweervuur. Hij zag dat er, terwijl de Audi over de kruising reed, voortdurend in hun richting werd geschoten. Hij zag meerdere patronen afketsen op het wegdek. Hij zag de Audi wegrijden in de richting van Halfweg. De motoren van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn onderzocht. Daarbij werd aan de motor van [verbalisant 1] een perforatie waargenomen in een uitlaatpijp aan de voorzijde van het motorblok en twee perforaties in het expansiedeel van de uitlaat achter het motorblok en voor de einddemper. Hoewel de hoek waarin de motor zich bevond op het moment van raken niet kan worden vastgesteld, past de hoek waaronder het projectiel de uitlaat aan de voorzijde heeft doorboord het meest bij een projectiel dat rechts voor de motor op een hard oppervlak is gericocheerd en de (schots)lijn waaronder het projectiel het expansiedeel van de uitlaat heeft doorboord het meest bij een gekantelde motor. Ook is er onderzoek gedaan op de kruising van de Haarlemmerweg en de Australiëhavenweg. Daarbij zijn tien flessenhalshulzen, kaliber 7,62 x 39 mm (AAFM4915NL en AAEQ2075NL) aangetroffen. […] Hoofdstuk 6 – Overwegingen ten aanzien van het bewijs […] Medeplegen en voorbedachte raad Ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 29 december 2012 bij de gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt twee groepen van daders betrokken zijn geweest. Een dadergroep kwam met een Audi ter plaatse, de andere dadergroep met een zwarte auto, vermoedelijk een VW Golf. De chronologie der gebeurtenissen zoals die uit getuigenverklaringen door het hof wordt afgeleid, is de volgende. De Audi is gestopt ter hoogte van [betrokkene 1] , twee inzittenden (een dader op de achterbank en een dader op de bijrijdersstoel voorin) zijn uitgestapt en hebben [betrokkene 1] beschoten. [betrokkene 1] is weggerend en heeft kunnen ontkomen. De daders zijn vervolgens weer in de Audi gestapt. De Audi is achteruit gereden en rechtsaf de Van Bossestraat ingereden. De Audi is daarbij gevolgd door de VW Golf. In de Van Bossestraat is de Audi gestopt en daarachter is de Golf gestopt. Vanuit de Golf zijn drie daders uitgestapt, die vervolgens [slachtoffer 1] hebben beschoten. [slachtoffer 1] is daardoor zwaargewond geraakt en is kort na aankomst in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Na het beschieten van [slachtoffer 1] zijn de daders weer teruggelopen naar de Golf, waarna de Audi is doorgereden. De Golf is weggereden. De Audi is vervolgens op de Schaepmanstraat tegenover de Range Rover, waarmee [betrokkene 1] en de slachtoffers waren gekomen, komen te staan. Vanuit de Audi is geschoten op de Range Rover. [slachtoffer 2] is op de vlucht geslagen en is daarbij achtervolgd door de Audi. Op Tweede Keucheniusstraat is [slachtoffer 2] door een dader uit de Audi doodgeschoten. De dader is weer in de Audi gestapt en de Audi is richting de Van Hallstraat weggereden. De Audi en Golf zijn gezamenlijk uit de Staatsliedenbuurt weggereden en zijn dicht op elkaar rijdend gezien op de Haarlemmerweg. Het hof concludeert uit de gang van zaken zoals die uit bewijsmiddelen volgt, dat de inzittenden van Audi - onder wie [verdachte] en [medeverdachte] - in nauwe en bewuste samenwerking hebben geopereerd met de inzittenden van de Golf. De twee te onderscheiden dadergroepen zijn gelijktijdig ter plaatse gekomen met het kennelijk plan om [betrokkene 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden. De bewuste en nauwe samenwerking vindt daarbij niet alleen steun in het gelijktijdig ter plaatse zijn en weer vertrekken uit de Staatsliedenbuurt, maar ook in het gezamenlijk oprijden naar de Van Bossestraat, het daar achter elkaar halt houden en het wachten van de Audi totdat [slachtoffer 1] was neergeschoten door de daders uit Golf en deze terugliepen haar de Golf. Uit de wijze van uitvoering, met meerdere daders in twee auto’s en met meerdere (automatische) vuurwapens, leidt het hof af dat sprake is geweest van een intensieve voorbereiding met het doel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] om het leven te brengen. Dat [betrokkene 1] aan die aanslag heeft weten te ontkomen, doet aan dat beoogde doel niet af. Op grond van de voorgaande overwegingen acht het hof bewezen dat de daders ten aanzien van de tenlastegelegde feiten met betrekking tot Lkorf, [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] met een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld en dat daarbij sprake was van voorbedachte raad. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op [betrokkene 1] en het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde Op grond van het rijgedrag van de chauffeur van de Audi – het sterk afremmen op de kruising Haarlemmerweg met de Australiëhavenweg en stapvoets verder rijden – en het daarop vanaf de rechter (passagiers)zijde met een automatisch wapen schieten op de beide motoragenten, concludeert het hof dat de inzittenden van de Audi – onder wie Behadi en [medeverdachte] – in nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld bij het schieten op de motoragenten om aan hun aanhouding te ontkomen. Uit de handelingen, die in een zeer korte tijdspanne hebben plaatsgevonden, kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Poging tot moord kan daarom niet worden bewezen. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 primair tenlastegelegde. Het hof komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag op de motoragenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] om aan hun aanhouding te ontkomen.”
  12. De verdediging heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2018 overeenkomstig de daaraan gehechte pleitnota – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd (ingevoegde p. 144-144E): "Ten aanzien van meer specifiek feit 1, feit 2 en feit 3 nog het volgende. Geen materiaal bevindt zich in het dossier betreffende enigerlei onderlinge afspraken of samenwerking ten aanzien van de uitvoering daarvan. […] Niet kan worden gesproken van medeplegen in de vorm van enig aanwijsbaar of verondersteld doel of plan of dus gezamenlijkheid in de vorm van een nauwe en bewuste samenwerkingsverband ten aanzien van een specifiek daarop gericht handelen waartoe onderling afspraken bestaan en een aandeel van enig gewicht ter verwezenlijking daarvan genoegzaam kan worden bewezen uit het dossier.[…] Ditzelfde doet zich voor bij de PD waar op de agenten zou zijn geschoten. Volstrekt onbekend is, wat zich in die auto ten opzichte van de agenten heeft plaats gevonden. […] Geen verklaringen, noch forensisch materiaal, noch enigerlei ander redengevend materiaal linkt specifiek cliënt aan enigerlei plan, geen voorbedacht kalm raad, noch aan enigerlei voorbereiding of uitvoering ook niet in de vorm van medeplegen aan het van het leven beroven van het slachtoffers noch aan wetenschap of betrokkenheid bij de aanwezigheid van enigerlei wapen of munitie buiten gerede twijfel. Geen redengevend bewijs voor de opzet op enig tenlastegelegd feit. […] En is de aanwezigheid van [betrokkene 1] vergelijkbaar met hetgeen door de rechtbank en het OM is overwogen ten aanzien van de beschoten agenten; kort gezegd een impulsieve reactie van zoals gezegd mogelijk ook maar een van de twee mannen nu ook niet vaststaat dat ze beiden hebben geschoten. Of misschien was er nog wel een vierde persoon in de audi. […] Geen verklaringen, noch forensisch materiaal, noch enigerlei ander redengevend materiaal linkt specifiek in deze constellatie cliënt aan enigerlei plan, noch aan enigerlei voorbereiding of uitvoering ook niet in de vorm van medeplegen en voo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.