PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01659 Zitting 16 april 2021 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak 1. Heusden Veste B.V. 2. Swanenberg Beheer B.V. tegen [verweerster] Partijen worden hierna verkort aangeduid als Heusden Veste c.s. (afzonderlijk als Heusden Veste en Swanenberg ) respectievelijk [verweerster] . 1Inleiding en samenvatting 1.1. Deze zaak betreft de aansprakelijkheid van een echtgenoot uit hoofde van een in huwelijkse voorwaarden opgenomen zogenaamde Dozy-clausule. Twee beweerde aanspraken op deze echtgenoot zijn aan de orde, namelijk de regresvordering van een hoofdelijk medeschuldenaar en een vorderingsrecht uit hoofde van subrogatie. Volgens het arrest van het hof geldt voor beide vorderingen dat de echtgenoot niet aansprakelijk is. 1.2. Mijns inziens slagen enkele klachten van het cassatiemiddel tegen de beslissing van het hof met betrekking tot de vordering uit hoofde van subrogatie. 2Feiten en procesverloop 2.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (
(1958). De rechterlijke goedkeuring mocht niet van het opnemen van een verdergaande clausule afhankelijk worden gesteld. Zie HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2292, NJ 1998/205 m.nt. W.M. Kleijn. Zie over de aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden na ontbinding op grond van art. 1:102 BW (oud) en de Dozy-clausule onder meer: T.R. Hidma, Huwelijksvoorwaarden staande huwelijk (diss. Nijmegen), Arnhem: Gouda Quint 1986, p. 67-77; B.E. Reinhartz, Derdenbescherming in het huwelijksvermogensrecht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 273-283; Klaassen-Eggens-Luijten-Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, eerste gedeelte, Huwelijksgoederenrecht, Deventer: Kluwer 2005, nr. 708; B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2008, p. 323-325; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/365-367 en 405; A.R de Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019/92-95; B.E. Reinhartz, GS Personen- en familierecht, art. 1:102 BW (actueel tot en met 15 januari 2019), aant. 5; M.J.A. van Mourik, L.C.A. Verstappen & W. Burgerhart, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding Deel A, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 278-
- Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), Stb. 2011,
- Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 6 en 27-
- Zie Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 12-13 en
- Vergelijk: Asser/Sieburgh 6-II 2017/285; R.J. van der Weijden, GS Verbintenissenrecht, art. 6:151 BW, aant.
- Zie TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 562: Een derde die de vordering voldoet, verkrijgt bij subrogatie alle rechten van de schuldeiser jegens elk der hoofdelijke schuldenaren, die hij dus hoofdelijk voor het geheel kan aanspreken, ongeacht hun interne draagplicht. Zie productie 16 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie. Zie artikel 6 van het (ontwerp) akkoord. Productie 17 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie. Productie 18 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie. Volgens haar eigen stellingen 1,4% van haar vordering. Zie de pleitnotities van de zijde van Heusden Veste en Swanenberg van 15 december 2017 onder
- Heusden Veste c.s. hebben aangevoerd dat de vorderingen niet bij de curator zijn aangemeld, omdat zij te laat waren. Zie het proces-verbaal van 15 december 2017, p. 3 onderaan. De procesinleiding in cassatie verwijst naar de pleitnotities van de zijde van Heusden Veste en Swanenberg van 15 december 2017 onder 38, alwaar mede wordt verwezen naar productie 12 bij de akte houdende producties van Swanenberg van 15 maart
- Uit die productie blijkt dat aan [echtgenoot van verweerster in cassatie] voornamelijk aandelen zijn toebedeeld en aan [verweerster] voornamelijk onroerend goed. Vergelijk ook het volgende punt van de pleitnotities van de zijde van Heusden Veste en Swanenberg van 15 december 2017, dus onder 39: Heusden Veste en Swanenberg hebben ervoor gezorgd dat een schuld met rente en kosten van circa € 2,2 miljoen betaald is. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2016/197 (ASR/Achmea). Vergelijk ook HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8690, NJ 2010/12 m.nt. J. Hijma, waarin eventueel reeds dezelfde opvatting kan worden gelezen. De discussie in de literatuur vóór het arrest ASR/Achmea wordt kernachtig weergegeven bij W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, Den Haag: Boom juridisch 2016, par. 5.2.1 (p. 104). Naast de in de volgende noot genoemde rechtspraak met betrekking tot overwaarde-arrangementen haalt de steller van het middel rechtspraak aan die onder het oude recht is gewezen. Die rechtspraak is met het arrest ASR/Achmea achterhaald. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7575, NJ 2004/618 m.nt. P. van Schilfgaarde (mr. Bannenberg q.q.); HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023, NJ 2016/48 m.nt. F.M.J. Verstijlen (prejudiciële beslissing; mr. Van Logtestijn q.q.); HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094, NJ 2016/49 m.nt. F.M.J. Verstijlen (mr. Ingwersen q.q.). HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023, NJ 2016/48 m.nt. F.M.J. Verstijlen (prejudiciële beslissing; mr. Van Logtestijn q.q.), onder 3.3.
- Idem, onder 3.3.
- Vergelijk Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/
- Productie 1 bij de akte van Heusden Veste van 15 maart 2017.