PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00627 P Zitting 20 april 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de betrokkene. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 7 februari 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 41.893,06 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. Er bestaat samenhang met de zaak 20/
(1)reeds eerder gerealiseerde oogst. Uitgangspunt is een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken per oogst. De vermelde eerdere oogst is vastgesteld op basis van een ingesteld onderzoek, waarbij de volgende aanwijzingen bleken: Hennepresten - Er werden verdroogde resten van hennepplanten aangetroffen in vuilniszakken in de gang en woonkamer. - Er werd hennepafval aangetroffen in alle drie de kweekruimtes en in vuilniszakken die in de woonkamer stonden. Kalkafzetting In de drie kweekruimten bevond zich kalkafzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten. De hoogte van de kalkafzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil tegen de opstaande rand kwam overeen. Stof op koolstoffiltersDe aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd middels kettingen aan een balk. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van. het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kwekerij, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht. VerkleuringHet hout van de latten waaraan de assimilatielampen waren opgehangen was verkleurd op de plaatsen waar de lampen waren bevestigd aan de lat. Stof op voorwerpenEr lag stof op:- De kappen van de armaturen van de assimilatielampen. - Het stoffilter van de koolstofcilinder. Potgrond/wortelrestenIn de woonkamer en L-vormige hal waren een aantal (vuilnis)zakken met potgrond aangetroffen. In deze potgrond bevonden zich gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten. Verder hadden diverse stukken samengeperste potgrond dezelfde vorm en inhoud als de lege potten die in de kwekerij waren aangetroffen. Aannemelijk is dat deze potgrond zich in een eerder stadium in deze potten had bevonden. In de kweekruimtes waren potten met potgrond aangetroffen. In deze potgrond bevonden zich wortelresten van hennepplanten, wat er op duidt dat er sprake is geweest van een eerdere oogst. KostenDe in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken hennepkwekerij zijn op basis van het rapport Boom van 1 november 2010 per ruimte als volgt:Ruimte 1:Afschrijvingskosten: € 200,-Hennepstekken: (220 planten x € 2,85) = € 627,-Variabele kosten: (220 planten x € 3,33) = € 732,60Ruimte 2:Afschrijvingskosten: € 150,-Hennepstekken: (143 planten x € 2,85) = € 407,55Variabele kosten: (143 planten x € 3,33) = € 467,19Ruimte 3:Afschrijvingskosten: € 150,-Hennepstekken: (165 planten x € 2,85) = € 470,25Variabele kosten: (165 planten x € 3,33) = € 549,
- Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 december 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016164728-
- Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 42 e.v.): In de huurovereenkomst voor de zelfstandige woning gelegen aan [c-straat 2] te [plaats] , op de [plaats] woonlaag, is een overeenkomst gesloten tussen Stichting Vestia en [betrokkene] , geboren [geboortedatum]
- In de huurovereenkomst werd een huurperiode aangegaan met ingang van 29 januari 2016 voor onbepaalde tijd. Het door de huurder verschuldigde bedrag aan de Stichting Vestia komt op € 866,52 per maand.”
- Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2020 is door de verdachte het volgende verklaard en door de raadsman het volgende verweer gevoerd: “[…]Ik heb in de periode van 29 januari 2016 tot en met 20 mei 2016 te [plaats] in een pand aan [c-straat 1] hennepplanten geteeld. Ik heb in de periode van 29 januari 2016 tot en met 20 mei 2016 aldaar ook de daarvoor benodigde elektriciteit gestolen. Ik heb de hennepkwekerij opgezet om van schulden af te komen. U bespreekt met mij het ontnemingsrapport. De eerdere oogst die daarin wordt genoemd is mislukt. De luchtcirculatie was niet goed. De planten groeiden niet goed. Ik wilde de planten weghalen en ik heb nieuwe planten neergezet. Voordat ik het wist was ik opgepakt. Het invoeren van de lucht wordt geregeld via een kist die bovenin hangt. Er kwam geen goede lucht van buiten naar binnen. Er was niet genoeg zuurstof voor de planten en daarom groeiden ze niet goed. Ze groeiden wel, maar ze werden niet goed en compact. Ik kon ze nergens kwijt omdat ze niet goed waren. Ik heb alles weggehaald en in zakken gedaan. De zakken heb ik in de vuilcontainer gegooid. Er kan wat afval zijn achtergebleven. Ik heb dat in gedeeltes gedaan. Ik ga niet continu met zakken door het gebouw lopen. Ik nam steeds een paar zakken mee en die gooide ik weg. Ondertussen ben ik ook opnieuw begonnen. Het afval dat is gevonden was wat ik nog niet had weggegooid van de mislukte oogst. De nieuwe planten waren nog te klein om te oogsten. U bespreekt met mij de aangifte van Stedin Netbeheer B.V. Het klopt dat er een eerdere oogst is geweest, maar die is mislukt. De oudste raadsheer merkt op dat een getuige heeft verklaard over meerdere mannen in de lift. Ik weet niet wat die mevrouw heeft gezien. Het zegt me niets. Ik heb het alleen gedaan. Als het gelukt zou zijn, zou ik mijn schulden hebben kunnen afbetalen, maar mijn schulden zijn nog steeds hetzelfde. Ik woonde niet in de woning. Ik had daar alleen de hennepkwekerij. Ik heb de woning gehuurd bij Vestia. Ik betaalde huur. Op een vraag van zijn raadsman antwoordt de verdachte: Ik wist dat de oogst mislukt was omdat de planten er niet goed uitzagen. Er zitten altijd wel een paar bruine blaadjes tussen, maar bij mij waren er meer bruin dan zou moeten.[…]De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt mede: Mijn cliënt heeft aangegeven dat de eerste oogst mislukt is. Mijn cliënt heeft de hennepkwekerij opgezet om van zijn schulden af te komen. Die schulden zijn er nog steeds, zoals mijn cliënt heeft verklaard tijdens zijn verhoor, een jaar nadat de hennepkwekerij is aangetroffen. Als de oogst gelukt was, had hij zijn schulden kunnen afbetalen. Dat mijn cliënt bij zijn verhoor heeft verklaard dat hij een schuld had van ongeveer € 12.000,- impliceert dat de oogst daadwerkelijk is mislukt. Ik verzoek u de vordering af te wijzen. Subsidiair verzoek ik om matiging door rekening te houden met de draagkracht van mijn cliënt. Hij heeft geen inkomen.[…]”
- Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv wordt gesproken wanneer de verdachte of zijn raadsman, dan wel het openbaar ministerie, wil het ingenomen standpunt de – uiteindelijk in cassatie te toetsen – verplichting tot beantwoording scheppen, zijn standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren heeft gebracht. Wat betreft de stelplicht gelden betrekkelijk zware eisen. Het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten zijn belangrijke factoren die in concreto invulling geven aan de omvang van de motiveringsplicht van de rechter ter zake. De nadere motivering kan al besloten liggen in de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen en/of de aanvullende bewijsmotivering, waarbij komt dat bij niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet op ieder detail van de argumenten behoeft te worden ingegaan.
- Het hof heeft niet expliciet gereageerd op hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman ten aanzien van die eerdere oogst is aangevoerd. Kennelijk heeft het hof het aangevoerde niet aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Dat impliciete oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Overigens vindt het betoog van de verdediging in voldoende mate weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, met name in het tweede bewijsmiddel.
- Het middel faalt evident.
- Het eerste en het tweede middel slagen. Het derde en het vierde middel falen. Het vierde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dit is het voor de meervoudige kamer bestemde artikel dat is opgenomen in Titel V “Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting” van Boek II van het Wetboek van Strafvordering. Welk artikel is gerubriceerd in Titel VII “Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter”. Vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:20212:BW
- HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH
- HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma, HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma en HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6929, NJ 2010/315, m.nt. Buruma. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p.
- Zie ook Van Dorst, a.w., p. 195.