← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:433

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01155 Zitting 26 maart 2021 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaken 20/01155 en 20/01158 van: [eiser] , eiser tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. S.M. Kingma tegen 1. Spinnin’ Records B.V. 2. MusicAIIStars Management B.V., verweersters in cassatie, eiseressen in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. A.M. van Aerde en 1. Spinnin’ Records B.V. 2. MusicAllStars Management B.V., eiseressen tot cassatie, verweersters in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. A.M. van Aerde tegen [eiser] , verweerder in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. S.M. Kingma 1Inleiding 1.1 In juli 2012 kwam de veelbelovende deejay [eiser] , net 16 jaar oud, onder contract bij het platenlabel Spinnin’ Records. Het aan Spinnin’ Records gelieerde MusicAIIStars werd zijn manager. [eiser] (artiestennaam: Martin Garrix ) maakt elektronische dansmuziek. Zijn tracks worden verspreid langs digitale distributiekanalen en door hem als deejay uitgevoerd op festivals en dance events. In enkele jaren bereikte hij de wereldtop. 1.2 Hoewel ook voor een supertalent de sprong naar de wereldtop niet mogelijk is zonder omvangrijke marketinginspanningen, waren [eiser] en (vooral) zijn vader gaandeweg minder tevreden over de wijze waarop hun belangen werden behartigd. Ook vonden zij dat gelet op het eclatante commerciële succes de financiële afspraken te veel in het voordeel van platenlabel en manager uitvielen. 1.3 De verslechterde verstandhouding heeft eind 2015 geleid tot een door [eiser] aangespannen kort geding, dat is ingetrokken nadat partijen een regeling hadden getroffen over het tijdelijk voortgezette gebruik door Spinnin’ Records van de rechten op de tijdens hun samenwerking uitgebrachte tracks. Rond die tijd startte [eiser] tevens onderhavige bodemprocedure, die in de kern gaat over de geldigheid van de tussen partijen in (2012

  1. en)2013 gesloten overeenkomsten. 1.4 [eiser] heeft van een groot aantal contractsbepalingen de nietigheid ingeroepen, zowel op grond van dwaling (en andere wilsgebreken) als op grond van het auteurscontractenrecht (art. 25f lid 2 Auteurswet). Hij betoogt voorts dat hij en niet Spinnin’ Records als fonogrammenproducent heeft te gelden (art. 6 Wet op de naburige rechten). Het hof heeft [eiser] op de verbintenisrechtelijke geschilpunten in het ongelijk gesteld. Op de auteursrechtelijke en nabuurrechtelijke geschilpunten heeft het hof hem overwegend in het gelijk gesteld. Het hof heeft geoordeeld dat de overeenkomsten tussen partijen per 30 juli 2015 zijn beëindigd. 1.5 Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld en tevens over en weer incidenteel cassatieberoep ingesteld. Zij hebben in één schriftelijke toelichting hun stellingen in de vier cassatieberoepen toegelicht. In navolging daarvan zal ik de talrijke klachten per thema bundelen en in één conclusie bespreken. De zaken zijn echter niet gevoegd. Daarom neem ik vandaag in zaak nr. 20/01155 en in zaak nr. 20/01158 een afzonderlijke maar identieke conclusie. 2Feiten 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 2.2 [eiser] (hierna ook aangeduid als [eiser] of als [eiser]) is onder de artiestennaam Martin Garrix een bekende deejay. De in 2013 uitgebrachte track ‘ Animals ’ zorgde internationaal voor zijn grote doorbraak. In 2016 werd hij door het internationale magazine DJ MAG als nummer 1 deejay van de wereld uitgeroepen. 2.3 Spinnin’ Records B.V. (hierna: Spinnin) houdt zich sinds 1999 bezig met het vermarkten van muziek van deejay’s. Het platenlabel Spinnin is toonaangevend op het gebied van elektronische dansmuziek, afgekort als EDM. 2.4 MusicAllStars Management B.V. (hierna: MAS) houdt zich sinds 2007 bezig met het boeken, managen, exploiteren en vermarkten van personen, diensten en rechten in de entertainmentbranche. 2.5 [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren in de hier relevante periode (indirect) eigenaren en (indirect) bestuurders van zowel Spinnin als MAS (hierna samen aangeduid als Spinnin c.s.). 2.6 Op 21 mei 2012 heeft [eiser] , vertegenwoordigd door zijn vader [betrokkene 3] , voor de duur van drie jaar een exclusieve auteursrechtovereenkomst met Universal Music Publishing (hierna: Universal) gesloten. 2.7 Kort daarna ontmoette [eiser] , nog een beginnend artiest, [betrokkene 2] , die op creatief vlak bij Spinnin de leiding had. Na dat gesprek wilde [eiser] graag dat Spinnin zijn muziek zou gaan uitbrengen. 2.8 Naar aanleiding van dit gesprek heeft [betrokkene 1] , die de zakelijke leiding bij Spinnin had, op 20 juni 2012 aan [eiser] en [betrokkene 3] conceptovereenkomsten aangeboden voor zowel productie als management. In de begeleidende e-mail staat: "Zoals besproken met [betrokkene 4] en [betrokkene 2] treffen jullie bijgaand concept overeenkomsten voor de produkties en voor het door ons te voeren management. We zien jullie commentaar tegemoet. En. bel vooral als jullie een toelichting willen of uitleg wensen van bepaalde vaktermen.” 2.9 Op 26 juni 2012 heeft [betrokkene 3] de beide conceptovereenkomsten met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] besproken. Tijdens dit gesprek heeft hij aangegeven advies te willen inwinnen bij derden. 2.10 [eiser] heeft op 27 juni 2012 met [betrokkene 5] , een DJ-manager en een concurrent van MAS, gesproken. 2.11 [betrokkene 3] heeft advies ingewonnen bij een bedrijfsjuriste van Universal. In een e-mail van 3 juli 2012 bericht deze hem als volgt: "Ik vraag mij eerlijk gezegd af waarom [eiser] nu, in de fase waar hij nu in zit, een management contract zou moeten sluiten. (...) Voor het vervaardigen van opnamen kan hij een produktie/artiesten/licentie overeenkomst met Spinning afsluiten. Ook daar heeft het management contract geen toegevoegde waarde. Sterker nog. dat lijkt mij eerder belangenverstrengeling. Je kan moeilijk verwachten dat het management namens [eiser] stevig met zichzelf gaat onderhandelen over de voorwaarden van de produktie/artiesten/licentie overeenkomst. En, ingevolge die overeenkomst, is er al sprake van begeleiding van zijn carrière als artiest/dj/producer.(...) Als ik het goed lees dan verwacht Spinning dat [eiser] een kant en klare master aanlevert en ook hoesontwerpen e.d. Hij maakt de opnamen dus volledig voor eigen rekening en risico maar draagt wel alle rechten op die opnamen vervolgens over. zonder dat daar enige vergoeding tegenover staat (voorschot). [eiser] is dan in feite de fonogrammenproducent en niet Spinning, en hij heeft dus ook recht op dat deel van Sena. Ook is hij in deze overeenkomst zelf verantwoordelijk voor de contractuele afwikkeling m.b.t. andere medewerkenden aan de opnamen, sample clearances etc. (...) In feite kan hij onder de voorgestelde voorwaarden beter een licentie overeenkomst sluiten. Dan draagt hij zijn volledige rechten niet over maar verleent hij voor een beperkte duur het exploitatierecht aan Spinning." 2.12 [betrokkene 3] heeft de conceptovereenkomsten ook ter beoordeling voorgelegd aan een in het entertainmentrecht gespecialiseerde advocaat, mr. R. van Dongen. 2.13 Naar aanleiding van opmerkingen van [betrokkene 3] heeft [betrokkene 1] de conceptovereenkomsten op een aantal punten aangepast. Hij heeft op 9 juli 2012 een herziene versie gemaild. 2.14 Op 11 juli 2012 heeft [eiser] het managementcontract getekend (hierna: managementovereenkomst 2012). Omdat hij minderjarig was, heeft zijn vader als wettelijk vertegenwoordiger het contract voor akkoord ondertekend. 2.15 In deze overeenkomst staat onder meer het volgende: “Artikel 1 - Opdracht: 1.1 Artiest stelt Management aan als diens exclusieve manager om, gedurende de looptijd van deze overeenkomst, zijn zakelijke belangen te behartigen met betrekking tot zijn werkzaamheden als uitvoerend Artiest in de entertainmentsector en/of producer/auteur van muziekwerken, een en ander zoals aangegeven in artikel 3.1 van deze overeenkomst. 1.2 Management accepteert deze opdracht en zal dientengevolge alles doen en niets laten om Artiest te vertegenwoordigen, coachen, adviseren, managen en begeleiden met als doel de carrière van Artiest te bevorderen en te trachten hieruit werkzaamheden te ontplooien die hierop aansluiten. 1.3 Doelstelling van het management is om van Artiest binnen de duur van deze overeenkomst (zijnde enkele jaren) een succesvol artiest te maken. (...) Artikel 2 - Duur van de Overeenkomst: 2. Deze overeenkomst vangt aan op 11 juli 2012 en wordt aangegaan voor de duur van 2 (twee) jaar en zal dus lopen tot 11 juli 2014. Het Management heeft het recht om deze overeenkomst te verlengen met nog 1 jaar. (...) Artikel 3 - Rechten en Plichten van het Management: 3.1 Management verplicht zich jegens Artiest na ondertekening van deze overeenkomst zo goed als mogelijk de zakelijke en artistieke belangen van Artiest te behartigen met betrekking tot diens carrière als uitvoerend Artiest in de entertainmentsector, zoals maar niet beperkt tot dj, producer, componist, tekstdichter, arrangeur, presentator, etc. 3.2 Hiervoor zal het Management de volgende werkzaamheden in goed overleg met Artiest verrichten: • het begeleiden van de Artiest in zijn carrière als uitvoerend artiest: • Het voeren van onderhandelingen met derden met als doel Artiest te voorzien van werk dat aansluit op de artistieke mogelijkheden van Artiest, waarbij honorering, aard en frequentie van deze werkzaamheden in goed onderling overleg worden bepaald: • het adviseren van Artiest bij en het voeren van contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royalty vergoedingen; • het controleren van boekingen van optredens, het bemiddelen van overeenkomsten met derden ten behoeve van muziekopdrachten, (doen) opstellen van overeenkomsten en afrekeningen: • opzetten, uitvoeren en/of begeleiden van Artiest bij social media activiteiten • begeleiden bij aanmelden van werken van Artiest bij Buma Stemra en Sena. Artikel 5 - Vergoedingen: 5.1 Als vergoeding voor diens werkzaamheden ontvangt het Management een vergoeding van 20% (twintig procent) van de aan de Artiest toekomende netto inkomsten. De inkomsten worden verhoogd met de door het management verschuldigde BTW. Kosten die van de inkomsten af gaan zijn onder andere reis en verblijfkosten gemaakt om te draaien als dj. en studio huur in verband met de producties. (...) Artikel 7 - Beëindiging van de Overeenkomst: 7.1 Deze overeenkomst betreft een overeenkomst voor een bepaalde tijd en eindigt derhalve van rechtswege zoals bepaald in artikel 2 van deze overeenkomst. 7.2 Indien één der partijen zijn verplichtingen uit deze overeenkomst jegens de andere partij niet nakomt en strijdig met de bepalingen van deze overeenkomst handelt, kan de andere partij hem per aangetekend schrijven in gebreke stellen. Dit dient te gebeuren met een gedetailleerde omschrijving van de feiten hieromtrent. De andere partij heeft dam maximaal 8 weken (acht weken) de kans om alsnog zijn verplichtingen uit deze overeenkomst correct na te komen, dan wel zijn gedragingen ongedaan te maken. Geeft de betreffende partij hieraan geen gehoor, dan zal zij per aangetekend schrijven in verzuim worden gesteld en daarmee is de andere partij gerechtigd deze overeenkomst, zonder tussenkomst te beëindigen. (...) Artikel 10 - Slotbepalingen: (...) 10.3 De Artiest verklaart hierbij dat het management hem heeft geadviseerd om onafhankelijk advies in te winnen alvorens tot ondertekening van deze overeenkomst over te gaan.’’ 2.16 Op 20 juli 2012 heeft [eiser] de productieovereenkomst getekend (hierna: productieovereenkomst 2012), samen met een brief waarin de gemaakte afspraken zijn samengevat (hierna: briefovereenkomst 2012). Ook deze overeenkomsten zijn mede door zijn vader ondertekend. 2.17 In de briefovereenkomst staat onder andere het volgende: "Zoals uitvoerig besproken bevestigen wij hierbij het volgende. 1) Vanaf heden produceer jij exclusief voor Spinnin' Records B.V., dat wil zeggen alle eigen produkties en produkties met anderen, remixen e.d. worden via Spinnin' Records B.V. uitgebracht en verkocht. 2) Alle releases zullen via Spinnin' Records B.V. of via derden worden uitgebracht, een en ander in goed overleg. 3) De duur van deze exclusieve producers-overeenkomst is 2 (twee) jaar vanaf heden. 4) Spinnin’ Records B.V. wordt eigenaar van de produkties, releases, remixen e.d. die je produceert. Voor de produkties die je maakt gelden de condities zoals weergegeven in de produktieovereenkomst zoals gehecht aan en onlosmakend onderdeel van deze briefovereenkomst, inclusief de genoemde royalty en doorbetalings bepalingen. Echter voor zover nog niet overgedragen, draag je reeds hierbij bij voorbaat onherroepelijk en volledig over aan Spinnin’ Records B.V. alle rechten, onbeperkt, eeuwigdurend en wereldwijd, van de te maken en gemaakte produkties tijdens de duur van deze overeenkomst inclusief verlengingen conform de bepalingen uit deze overeenkomst, inclusief bijlagen, zonder dat daarvoor een aparte produktieovereenkomst nodig is. (...) 7) Spinnin' Records B.V. heeft het recht om deze overeenkomst te verlengen met 1 (een) jaar, op basis van dezelfde condities als in de producers en produktie overeenkomst, een en ander door Spinnin' Records B.V. schriftelijk te bevestigen uiterlijk 1 (een) maand voor het einde van betreffende periode. Echter, voor de royalties als genoemd in de produktieovereenkomst geldt een opslag van 10%, dat wil zeggen van 18% naar 19.8% (en 33%). Echter, indien het succes tegenvalt, geldt een deductie van 10%. dat wil zeggen van 18% naar 16.2% (en 27%). 8) Ondanks de exclusieve deal met Spinnin Records wil je toch ook samenwerken met Universal en daaromtrent zijn nadere afspraken gemaakt. (...)” 2.18 In de productieovereenkomst 2012, waarin [eiser] wordt aangeduid als ‘de producer’, staat – voor zover van belang – het volgende: "Artikel 2 - Rechten De Producer draagt bij de ondertekening van deze Overeenkomst aan SR over het volledige eigendomsrecht en het exclusieve recht om van de geluidsband en de opname(
  2. n)daarop reprodukties te vervaardigen en de aldus vervaardigde reprodukties in het gebied te verkopen of de geluidsband anderszins te exploiteren (inclusief transmissie/download, ringtone, streaming, kopiëren, beeldrecht en internet) in de ruimste zin des woords met dien verstande echter dat genoemd recht beperkt zal zijn tot het gebruik van de geluidsband als vermeld in de Bijlage, inclusief alle (re)mixen vocals en afgeleiden daarvan. De Producer verklaart tevens geen her-opnames. remakes of covers voor derden te vervaardigen van de geluidsband(
  3. en)als vermeld in de Bijlage. (...) Artikel 5 - Vergoedingen Als vergoeding voor de aan haar ingevolge deze overeenkomst verleende rechten, zal SR aan de Producer verschuldigd worden: I. (
  4. i)een royalty vergoeding als vermeld in de Bijlage over 100% SR verkopen van alle ingevolge deze overeenkomst afgerekende en niet geretourneerde en aan SR afgerekende reprodukties te berekenen over de door SR netto ontvangen PPD. (
  5. ii)Ingeval van in-house compilaties uitgebracht door SR zal SR 50% van het onder (
  6. i)bedoelde percentage verschuldigd worden II Voor wat betreft het verlenen van (sub) licentierechten aan derden en overige exploitatie in binnen- of buitenland bedraagt de royalty 30% (dertig procent) van de netto ontvangen royalties ontvangen door SR. (...) VI Voor YouTube zal de aankomende 2 jaar geen doorbetaling van inkomsten van toepassing zijn. Daarna geldt dat indien de inkomsten voor onderhavige titels substantieel zijn, en er een efficiënte afrekening kan worden geproduceerd op titel nivo, zullen partijen een doorbetaling overeenkomen voor audio met een maximum percentage zoals vermeld op de Bijlage voor Digitaal. Genoemde royalty zal proportioneel worden berekend op basis van het aantal titels dat op de respectievelijke reprodukties voorkomt. Artikel 6 - Naburige rechten SR zal als enige gerechtigd zijn tot de incasso van de vergoeding en deze te houden welke betrekking hebben op de naburige rechten (oa. Sena) als platenmaatschappij.” 2.19 In 2013 hebben [eiser] en MAS besloten om met het oog op de Amerikaanse markt het management uit te breiden met Scooter Braun Projects LCC te Los Angeles USA (hierna: SBP). 2.20 Op 30 juli 2013 heeft [eiser] een managementovereenkomst met MAS en SBP gesloten (hierna: co-managementovereenkomst). De bepalingen daarvan zijn gelijk aan de bepalingen van de managementovereenkomst 2012, uitgezonderd de bepalingen met betrekking tot de duur van de overeenkomst (art. 2 en 10.4) en de vergoedingen in art. 5. De vergoeding voor de aan [eiser] toekomende bruto-inkomsten uit ‘overige opbrengsten’, waaronder endorsements (sponsors) en merchandise, werd verhoogd van 20% naar 40%. 2.21 Art. 2 van de co-managementovereenkomst bevat een eenzijdig verlengingsbeding. Dat luidt als volgt: “Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract, vangt aan op 30 juli 2013 en wordt aangegaan voor de duur van 2 (twee) jaar en zal dus lopen tot 30 juli 2015. Het Management heeft het recht om deze overeenkomst eenmalig te verlengen met 2 (twee) jaar, een en ander door Management schriftelijk te bevestigen (één) maand voor 30 juli 2015" 2.22 Op 30 juli 2013 hebben [eiser] en Spinnin eveneens de briefovereenkomst 2013 en de productieovereenkomst 2013 gesloten. Deze zijn inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de overeenkomsten die het jaar daarvoor waren afgesloten. Nieuw is art. 5 sub VI van de productieovereenkomst, waarin is bepaald dat [eiser] een deel van de inkomsten uit YouTube zal krijgen. Beide overeenkomsten zijn aangegaan voor een periode van twee jaar, met als ingangsdatum 30 juli 2013. Dat volgt uit de punten 3 en 10 van de briefovereenkomst 2013, waarnaar in art. 11 van de productieovereenkomst 2013 wordt verwezen. Deze bepalingen luiden: “2) De duur van deze exclusieve producers-overeenkomst is 2 (twee) jaar vanaf heden. 10) Deze overeenkomst gaat heden in en is aanvullend/vervangt de voorgaande overeenkomst zoals getekend dd. 20 juli 2012.” 2.23 Art. 7 van de briefovereenkomst 2013 bevat een zelfde eenzijdige verlengingsoptie als art. 2 van de co-managementovereenkomst. 2.24 Een klein jaar later, op 25 juni 2014, heeft [betrokkene 3] een e-mail aan het management gestuurd, waarin hij zijn onvrede uit over de wijze waarop MAS en SBP de belangen van zijn zoon behartigen. [betrokkene 1] heeft per e-mail van 30 juni 2014 daarop gereageerd. 2.25 [betrokkene 3] heeft MAS en SBP vervolgens op 4 juli 2014 per aangetekende brief een ‘formal notice of default’ gestuurd. In deze brief sommeert hij MAS en SBP hem binnen acht weken kopieën te sturen van alle aanbiedingen die in 2014 aan zijn zoon zijn gedaan en hem op de hoogte te houden van alle nieuwe aanbiedingen. 2.26 Op 26 januari 2015 heeft MAS aan [eiser] bericht gebruik te maken van haar recht om de co-managementovereenkomst eenmalig met twee jaar te verlengen tot 30 juli 2017. Bij brief van 13 mei 2015 heeft Spinnin eveneens een beroep gedaan op haar recht de productieovereenkomst met twee jaar te verlengen tot 30 juli 2017. 2.27 Op 11 juni 2015 heeft [betrokkene 3] aan MAS meegedeeld de betalingen aan MAS in afwachting van de lopende gesprekken op te schorten. 2.28 In een brief van 29 juli 2015 heeft de raadsman van [eiser] aan Spinnin c.s. bericht dat alle overeenkomsten zijn vernietigd, ontbonden dan wel beëindigd. 2.29 Op 21 augustus 2015 heeft de raadsman van Spinnin c.s. aan [eiser] geantwoord dat Spinnin c.s. niet akkoord gaan met de vernietiging, ontbinding dan wel beëindiging van enige overeenkomst en hem aangemaand zijn verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten te blijven nakomen. 2.30 Spinnin c.s. hebben vervolgens bij brief van 28 augustus 2015 aan [eiser] meegedeeld de co-managementovereenkomst, de productieovereenkomst 2013 en de briefovereenkomst 2013 met onmiddellijke ingang te ontbinden omdat hij zijn verplichtingen tegenover hen niet nakwam. 2.31 Nadat [eiser] Spinnin in kort geding had gedagvaard en de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de zaak na de mondelinge behandeling had aangehouden, hebben partijen op 1 december 2015 een overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over voortgezette exploitatie van de tracks die [eiser] op basis van de productieovereenkomsten 2012 en 2013 aan Spinnin had overgedragen. Kort samengevat houdt deze regeling in: (
  7. i)de rechten op de ‘geluidsbanden’ worden door Spinnin aan [eiser] terug over gedragen, (
  8. ii)[eiser] verleent aan Spinnin een wereldwijde exclusieve licentie voor de exploitatie van die werken, en (iii) royalties worden 50/50 verdeeld. Uitdrukkelijk is bepaald dat deze (werk)afspraken volledig los staan van de beslechting van de geschilpunten in deze bodemprocedure, die toen net was opgestart. Het kort geding is daarop ingetrokken. 2.32 Bij beschikking van 31 mei 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland op verzoek van [eiser] het houden van een voorlopig getuigengehoor toegestaan. Gehoord zijn achtereenvolgens: [betrokkene 4] (creatief medewerker Spinnin), [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 6] (vader van een andere dj die in dezelfde periode door Spinnin en MAS is gecontracteerd), [betrokkene 5] (dj-manager) en [betrokkene 3] . 2.33 In september 2017 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun onderneming, waaronder Spinnin en MAS, verkocht aan Warner Music Group. 3Procesverloop Eerste aanleg 3.1 Op 9 november 2015 heeft [eiser] Spinnin c.s. gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank). 3.2 Ten aanzien van Spinnin heeft [eiser] , verkort weergegeven, het volgende gevorderd: - voor recht te verklaren dat de productieovereenkomsten 2012 en/of 2013, dan wel bepaalde bepalingen daarin, vernietigd zijn op grond van dwaling, althans bedrog, althans misbruik van omstandigheden; - voor recht te verklaren dat de productieovereenkomsten 2012 en/of 2013, dan wel bepaalde bepalingen daarin, vernietigd zijn op grond van art. 25f Auteurswet, althans dat zij wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing dienen te blijven; - voor recht te verklaren dat Spinnin toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de productieovereenkomsten 2012 en/of 2013; - Spinnin te veroordelen om een bedrag van € 3.718.438 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente; - te verklaren voor recht dat [eiser] fonogrammenproducent is in de zin van de Wet op de naburige rechten van alle tracks die hij geproduceerd heeft tussen 20 juni 2012 en 21 augustus 2015, voor het per track genoemde percentage; - Spinnin te veroordelen om opgave te doen van de inkomsten die zij heeft ontvangen uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent en de op die opgave vermelde bedragen te betalen; - Spinnin te veroordelen om op grond van art. 25d Aw (de bestsellerregeling) € 2 miljoen te betalen uit de inkomsten uit de exploitatie van de track ‘ Animals ’. 3.3 Ten aanzien van MAS heeft [eiser] , verkort weergegeven, het volgende gevorderd: - voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst 2012 en/of de co- managementovereenkomst, dan wel bepaalde bepalingen daarin, vernietigd zijn op grond van dwaling, althans bedrog, althans misbruik van omstandigheden; - voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst 2012 en/of de co- managementovereenkomst, dan wel bepaalde bepalingen daarin, vernietigd zijn op grond van art. 25f Auteurswet, althans dat zij wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing dienen te blijven; - voor recht te verklaren dat de co- managementovereenkomst is geëindigd per 30 juli 2015, althans dat deze overeenkomst niet is verlengd; - voor recht te verklaren dat MAS toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de managementovereenkomst 2012 en de co- managementovereenkomst; - MAS te veroordelen tot (terug)betaling van € 649.217 aan managementfees, en geleden schade, begroot op € 3.720.000, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.4 In reconventie hebben Spinnin c.s. ten behoeve van Spinnin, verkort weergegeven, het volgende gevorderd: - voor recht te verklaren dat [eiser] jegens Spinnin toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de productieovereenkomst 2013 en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade; - [eiser] te veroordelen tot vergoeding aan Spinnin van een bedrag van, primair, € 3.700.000, vermeerderd met wettelijke rente, althans subsidiair, vergoeding van geleden schade, zoals nader op te maken bij staat; - [eiser] te veroordelen tot betaling van redelijke kosten als bedoeld in art. 6.96 onder b BW. 3.5 In reconventie hebben Spinnin c.s. ten behoeve van MAS, verkort weergegeven, het volgende gevorderd: - [eiser] te veroordelen tot nakoming van zijn waardevergoedingsverbintenis ex art. 6:272 lid 2 BW; - [eiser] te veroordelen op de voet van art. 843a Rv inzage en afschrift te geven van de opgaven die hij op grond van de managementovereenkomst 2013 had moeten voldoen over de periode na 1 juli 2015 - 30 juli 2015; - voor recht te verklaren dat [eiser] jegens MAS toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de productieovereenkomst 2013 en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade; - [eiser] te veroordelen tot vergoeding aan MAS van een bedrag van, primair, € 2.697.000, vermeerderd met wettelijke rente, althans subsidiair, vergoeding van geleden schade, zoals nader op te maken bij staat; - [eiser] te veroordelen tot betaling van redelijke kosten als bedoeld in art. 6.96 onder b BW te betalen. 3.6 Bij vonnis van 20 september 2017 heeft de rechtbank de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomsten zijn vernietigd op grond van dwaling toegewezen. De rechtbank heeft ook de gevraagde verklaring voor recht toegewezen dat [eiser] de fonogrammenproducent is van de in het vonnis genoemde tracks voor de daarin genoemde percentages. De rechtbank heeft de reconventionele vorderingen van Spinnin c.s. grotendeels afgewezen. De rechtbank heeft de beoordeling van de gevolgen van de vernietiging van de overeenkomsten aangehouden. De rechtbank heeft hoger beroep open gesteld. Hoger beroep 3.7 Spinnin c.s. zijn van het vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (hierna: het hof). Zij hebben gevorderd, kort gezegd, het vonnis te vernietigen, de vorderingen van [eiser] alsnog af te wijzen en hun vorderingen alsnog toe te wijzen. Spinnin en MAS hebben hun eis vermeerderd. In hoger beroep hebben zij, naast hun eerder ingestelde vorderingen, een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] tegenover Spinnin ook is tekortgeschoten in de nakoming van de productieovereenkomst 2012. 3.8 [eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft aanvullend gevorderd, ook verkort weergegeven: - betaling door Spinnin van € 2 miljoen dan wel een door het hof te bepalen bedrag ten aanzien van door Spinnin ontvangen inkomsten uit exploitatie van de track ‘ Animals ’, op grond van art. 25d Aw, art. 25f Aw, art. 6:248 lid 2 BW dan wel art. 6:258 BW; - een verklaring voor recht dat Spinnin aan hem op grond van art. 6:162 BW, art. 6:212 BW, dan wel art. 6:248 lid 1 BW een pro rata vergoeding is verschuldigd voor zijn aandeel in de waardecreatie van het YouTube-kanaal van Spinnin, nader op te maken bij staat dan wel door het hof te bepalen, en - een verklaring voor recht dat MAS is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting tegenover [eiser] wat betreft diens bijdrage aan Spinnin’s YouTube-kanaal, en om die reden schadevergoeding dient te betalen nader op te maken bij staat. Ter bepaling van die schade vordert [eiser] op de voet van art. 843a Rv dat Spinnin aan hem verstrekt een bestand met gebundelde data betreffende videoclips op het YouTube-kanaal van Spinnin, een bestand met abonneegegevens van YouTube en een bestand met YouTube-views. 3.9 Tegen de ingestelde eiswijzigingen in de memorie van grieven en de memorie van antwoord hebben partijen over en weer geen bezwaren gemaakt, zodat het hof in zijn beoordeling van de gewijzigde eisen is uitgegaan. [eiser] heeft zijn eis op 26 april 2019 opnieuw vermeerderd. Namens hem is bewijsbeslag gelegd op de hiervoor genoemde YouTube-bestanden en is gevorderd dat die bestanden aan hem worden afgegeven. De vraag of deze eisvermeerdering op de voet van art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv is toegestaan, heeft het hof onbeantwoord gelaten omdat de onderliggende vordering is afgewezen. 3.10 Bij arrest van 24 december 2019 heeft het hof het volgende geoordeeld. Ten aanzien van de omvang van het hoger beroep heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen dat het op de voet van art. 356 Rv de zaak, ondanks het verzoek van partijen om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, aan zich houdt en de zaak zelf zal afdoen (rov. 7.2). Met betrekking tot het beroep op dwaling heeft het hof allereest het juridisch kader geschetst (rov. 7.7-7.12). Het hof heeft daarbij opgemerkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de in 2012 en in 2013 gesloten overeenkomsten. Het hof heeft geoordeeld dat de op 30 juli 2013 gesloten overeenkomsten de in 2012 gesloten overeenkomsten hebben vervangen (rov. 7.13). Vervolgens is het hof tot het oordeel gekomen dat [eiser] niet in dwaling verkeerde met betrekking tot (
  9. i)de rol van MAS in relatie tot Spinnin (rov. 7.15-7.24); (
  10. ii)de inhoud van de productieovereenkomst (rov. 7.25-7.32) en (iii) de verhoging van de endorsement-vergoeding en de toezegging van Spinnin om haar inkomsten met SBP te delen (rov. 7.33-7.36). Op grond hiervan is het hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomsten in 2012 en 2013 niet heeft gedwaald (rov. 7.37). 3.11 Op grond van de devolutieve werking kwam het hof vervolgens toe aan de vraag of [eiser] op grond van misleiding, bedrog of misbruik van omstandigheden de overeenkomsten terecht heeft vernietigd. Het hof is tot het oordeel gekomen dat daarvan geen sprake is (rov. 7.39-7.45). 3.12 Ten aanzien van het beroep op vernietiging van de overeenkomsten op grond van het auteurscontractenrecht heeft het hof overwogen dat het auteurscontractenrecht, dat in werking is getreden op 1 juli 2015, niet geldt voor overeenkomsten die voor die datum zijn gesloten. Art. 25d Aw is om die reden niet van toepassing op de in 2012 en 2013 gesloten overeenkomsten en biedt dus geen grond voor de door [eiser] gevorderde bestsellersvergoeding van de track ‘ Animals ’. Art. 25f Aw is daarentegen wél van toepassing op vóór 1 juli 2015 gesloten overeenkomsten, voor zover die overeenkomsten op 1 juli 2015 nog bestonden. Dat geldt dus niet voor de in 2012 gesloten overeenkomsten, omdat die zijn vervangen door de in 2013 gesloten overeenkomsten. Het hof heeft getoetst aan art. 25f lid 2 Aw of (bepalingen uit) de productieovereenkomst 2013 voor [eiser] onredelijk bezwarend zijn (rov. 7.47-7.54). De concrete toetsing van de bepalingen (rov. 7.55-7.67) heeft tot het oordeel geleid dat alleen de bepaling over de eenzijdige verlengingsmogelijkheid van Spinnin in het licht van de concrete omstandigheden van dit geval als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd vanwege de door het grote commerciële succes van [eiser] ontstane onevenredigheid tussen de vergoedingen aan hem en de opbrengsten voor Spinnin. Dit beding is door [eiser] terecht vernietigd met als gevolg dat de briefovereenkomst 2013, de productieovereenkomst 2013 en vanwege de nauwe samenhang met die overeenkomsten ook de managementovereenkomst 2013 op 30 juli 2015 (het hof zegt 2013 maar dat is een kennelijke schrijffout) zijn geëindigd (rov. 7.66). Het geheel aan overige bepalingen is niet onredelijk bezwarend, mede gelet op de beperkte looptijd van de overeenkomsten (rov. 7.67). 3.13 Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat [eiser] de productieovereenkomst met Spinnin en de co-managementovereenkomst met MAS niet rechtsgeldig heeft ontbonden. Spinnin c.s. zijn niet jegens [eiser] in hun zorgplichten tekortgeschoten en zijn evenmin in verzuim geraakt, zodat [eiser] de managementovereenkomst 2013 niet rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden. Daarnaast is Spinnin wat betreft de productieovereenkomst 2013 niet in gebreke gesteld, zodat de ontbinding van die overeenkomst reeds daarom al geen doel heeft getroffen. De overeenkomsten liepen door tot 31 juli 2015 (rov. 7.68-7.76). 3.14 Wat betreft de vraag of [eiser] is aan te merken als fonogrammenproducent in de zin van art. 1d Wet op de naburige rechten heeft het hof vooropgesteld dat daarbij het initiatief tot en de verantwoordelijkheid voor de eerste vastlegging bepalend zijn. Volgens het hof heeft de rechtbank het juiste toetsingskader toegepast. Het hof onderschrijft de motivering van de rechtbank en is met de rechtbank van oordeel dat in het licht van de vastgestelde feitelijke gang van zaken [eiser] als fonogrammenproducent kan worden aangemerkt (rov. 7.77-7.86). Bepalend is de eerste opname van een track. Deze conclusie heeft geen verdere gevolgen voor de rechtsgeldigheid van andere bepalingen uit de in 2013 gesloten overeenkomsten (rov. 7.85). 3.15 Op grond van het bovenstaande heeft het hof de vorderingen van [eiser] grotendeels afgewezen (rov. 8.1-8.8). Dat geldt ook voor de vorderingen die voor het eerst in hoger beroep zijn aangevoerd, te weten de vordering tot vergoeding van de waardecreatie en de daarmee samenhangende inzagevordering ex art. 843a Rv. De oorspronkelijke vorderingen van Spinnin c.s. in reconventie heeft het hof voor een deel toegewezen. Het gaat dan om de vordering van MAS dat [eiser] haar de in art. 5 managementovereenkomst 2013 overeengekomen managementvergoeding tot 30 juli 2015 doorbetaalt, voor de vaststelling waarvan het hof heeft verwezen naar de schadestaatprocedure. Cassatie 3.16 In de zaak met nr. 20/01155 heeft [eiser] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Spinnin c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het principale cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. 3.17 In de zaak met nr. 20/01158 hebben Spinnin c.s. – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Spinnin c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. 3.18 Zowel [eiser] als Spinnin c.s. hebben hun standpunten betreffende beide zaken gecombineerd in één schriftelijk toelichting die in beide zaken zijn ingediend, voor Spinnin c.s. mede door mr. N.M. Bilderbeek. Vervolgens hebben partijen in beide zaken hebben gerepliceerd en gedupliceerd. 4Bespreking van het cassatiemiddel Inleiding: opzet en context 4.1 Hierna worden de over en weer aangevoerde klachten als volgt gegroepeerd: A. Vernietiging op grond van dwaling (4.4 – 4.67) B. Toerekenbare tekortkoming en ontbinding (4.68 – 4.149) C. Vernietiging op grond van het auteurscontractenrecht (4.150 – 4.245) D. Wie is fonogrammenproducent? (4.243 – 4.280) E. Betaling managementvergoeding (4.281 – 4.290) F. Overige klachten (4.291 – 4.303) 4.2 De thema’s A en B betreffen hoofdzakelijk oordelen van het hof die sterk verweven zijn met de feiten en de omstandigheden van het geval. 4.3 De thema’s C en vooral D lijken vanuit het oogpunt van rechtsontwikkeling belangwekkender omdat daarover weinig rechtspraak bestaat. Onder C gaat het om de uitleg van een relatief nieuw stukje sectorspecifiek verbintenissenrecht, dat in het leven is geroepen met het oog op de bescherming van de maker. Onder D is aan de orde de vraag of bij EDM de deejay of het platenlabel als ‘fonogrammenproducent’ is aan te merken. De beantwoording van die vraag vereist dat een wettelijk begrip wordt toegepast op een situatie die in technologisch en commercieel opzicht niet bestond toen dat begrip werd ingevoerd. Het fenomeen EDM en de daarbij horende massale festivals en andere dansevenementen heeft ook andere nieuwe vragen doen rijzen. A. Vernietiging op grond van dwaling 4.4 De onderdelen 1 en 2 van het principale cassatiemiddel van [eiser] zijn gericht tegen het oordeel van het hof over dwaling, in rov. 7.5-7.38. Onderdeel 1 van het principale middel van [eiser] 4.5 Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.5-7.38 dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomsten in 2012 en 2013 niet heeft gedwaald. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat [eiser] mocht uitgaan van de mededelingen van [betrokkene 1] dat Spinnin en MAS beide contracten goed van elkaar konden scheiden en aparte bedrijven waren. Nu die mededelingen later onjuist bleken te zijn, rechtvaardigt dat een beroep op dwaling (art. 6:228 lid 1 onder a BW). 4.6 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof met zijn oordelen in rov. 7.10-7.24 heeft miskend dat de gehoudenheid om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat onder invloed van onjuiste voorstellingen een overeenkomst wordt aangegaan, niet zo ver gaat dat degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan niet zou mogen afgaan op de juistheid van door de wederpartij gedane mededelingen. 4.7 Als het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel dat niet kan worden volgehouden dat [eiser] in dwaling verkeerde onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. [eiser] heeft zich er immers op beroepen dat [betrokkene 3] , nadat hij extern advies had ingewonnen (zie 2.11 en 2.12 hiervoor) de bij hem gerezen twijfels met [betrokkene 1] heeft besproken en dat [betrokkene 1] vervolgens deze twijfels bij hem heeft weggenomen met de mededeling dat MAS en Spinnin professioneel genoeg waren om beide contracten goed van elkaar te scheiden. Daar het hof in rov. 7.22 in het midden heeft gelaten of [betrokkene 1] dit heeft gezegd, moet daar in cassatie veronderstellenderwijs van uit worden gegaan. Gelet hierop is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat [eiser] niet op de juistheid van de door [betrokkene 1] gedane mededelingen had mogen afgaan en dat hij daardoor niet gedwaald zou hebben. 4.8 Het hof heeft in rov. 7.15 het betoog omtrent dwaling aldus samengevat, onbestreden in cassatie, dat [eiser] ervan uitging dat MAS en Spinnin gescheiden bedrijven waren en dat hij na het tekenen van de managementovereenkomst op 11 juli 2012 ervan uitging dat MAS namens hem met Spinnin zou onderhandelen over de productieovereenkomst die op 20 juli 2012 is getekend. Dit betoog is gebaseerd op art. 3.1 en 3.2 managementovereenkomst waarin dat volgens hem expliciet is bepaald en op de mededeling van [betrokkene 1] dat MAS en Spinnin professioneel genoeg waren om hun belangen te scheiden en dat het aparte bedrijven waren. 4.9 Het hof heeft in rov. 7.8 overwogen dat voor een beroep op dwaling allereerst nodig is dat [eiser] stelt en bij voldoende betwisting bewijst dat er bij hem op het moment van sluiten van de overeenkomsten door een mededeling of een stilzwijgen van Spinnin c.s. een juiste voorstelling van zaken ontbrak. Dat is volgens het hof niet het geval. Het heeft in rov. 7.22 overwogen dat: “(…) in het licht van de door Spinnin c.s. genoemde omstandigheden niet kan worden volgehouden dat [eiser] in dwaling verkeerde met betrekking tot de rol van MAS in relatie tot Spinnin, ook niet indien [betrokkene 1] zou hebben gezegd, zoals [betrokkene 3] tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om beide contracten van elkaar te scheiden.” Het hof heeft dus geoordeeld dat er geen sprake was van een onjuist beeld bij [eiser] over de verwevenheid tussen MAS en Spinnin. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat [eiser] niet heeft mogen afgaan op de al dan niet gedane mededeling door [betrokkene 1] . Met andere woorden, zelfs als [betrokkene 1] heeft gezegd dat MAS en Spinnin professioneel genoeg waren om beide contracten van elkaar te scheiden en [eiser] van de juistheid van die mededeling is uitgegaan, dan nog bestond er volgens het hof bij [eiser] geen onjuist beeld over de verwevenheid tussen MAS en Spinnin. 4.10 De omstandigheden die het hof daarbij van belang heeft geacht zijn dat het vanaf het allereerste contact in 2012 voor [eiser] duidelijk was dat beide bedrijven onder leiding van dezelfde personen stonden en dat management en productie feitelijk door één team zou worden gedaan (rov. 7.17), dat de conceptovereenkomsten voor management en productie in 2012 tegelijkertijd aan [eiser] en [betrokkene 3] zijn gestuurd en daarover tegelijkertijd is onderhandeld (rov. 7.18), dat de juriste van Universal al had geschreven dat [eiser] moeilijk kon verwachten dat het management namens [eiser] stevig met zichzelf gaat onderhandelen over de voorwaarden van de productieovereenkomst (rov. 7.19), dat [betrokkene 3] wist dat MAS niet met Spinnin zou onderhandelen blijkens een door hem verstuurde e-mail aan [betrokkene 1] (rov. 7.20) en dat in de managementovereenkomst niet expliciet is bepaald dat MAS zou onderhandelen met Spinnin (rov. 7.21). Op grond van deze omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat [eiser] er bij het aangaan van de overeenkomsten niet van uitging dat MAS en Spinnin gescheiden bedrijven waren en dat MAS namens hem met Spinnin zou onderhandelen. Het hof heeft dus niet, zoals het middel betoogt, geoordeeld dat [eiser] niet op de juistheid van de door [betrokkene 1] gedane mededelingen heeft mogen afgaan. 4.11 Nu het hof bij zijn oordeel andere omstandigheden van belang heeft geacht die maken dat – zelfs als [betrokkene 1] de betreffende mededeling heeft gedaan en [eiser] van de juistheid daarvan is uitgegaan – er geen sprake was van een onjuist beeld bij [eiser] van de verwevenheid tussen Spinnin en MAS, heeft het hof niet miskend dat de onderzoeksplicht niet zo ver gaat dat degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan niet zou mogen afgaan op de juistheid van door de wederpartij gedane mededelingen. Ook de motiveringsklacht stuit daarop af. 4.12 Het subonderdeel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.13 Subonderdeel 1.2 is gericht tegen rov. 7.24, waarin het hof het volgende overwoogoverwogen: “Het zelfstandige verwijt van [eiser] dat Spinnin c.s. hem ten onrechte hebben doen geloven dat MAS een eigen team van eigen werknemers had, rechtvaardigt evenmin een beroep op dwaling, omdat [eiser] , zo blijkt uit onder andere de e-mail van 23 juli 2013, ervan uitging dat er feitelijk sprake was van één team.” 4.14 Het middel voert aan dat de genoemde e-mail van 23 juli 2013 dateert van meer dan een jaar ná het sluiten van de overeenkomsten in 2012 en geen inzicht biedt in de kennis van [betrokkene 3] voorafgaand aan het sluiten van die overeenkomsten. Het oordeel van het hof is temeer onbegrijpelijk nu [betrokkene 2] nog in 2016 tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat "bij MAS en Spinnin niet dezelfde werknemers in dienst zijn. Het zijn twee verschillende entiteiten met ieder hun eigen werknemers." 4.15 Ik wijs er op dat het hof in rov. 7.13 heeft overwogen dat voor het antwoord op de vraag of zich in dit geval dwaling heeft voorgedaan, een onderscheid moet worden gemaakt tussen de in 2012 en de in 2013 gesloten overeenkomsten. Het hof heeft daaromtrent geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de op 30 juli 2013 gesloten overeenkomsten de in 2012 gesloten overeenkomsten hebben vervangen. Partijen zijn dus in 2013 nieuwe zelfstandige overeenkomsten aangegaan. De e-mail waar het hof aan heeft gerefereerd is op 23 juli 2013, een week voor het sluiten van de nieuwe overeenkomsten, door [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] verstuurd. In tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, biedt deze e-mail dus inzicht in de kennis van [betrokkene 3] op dat moment. 4.16 In genoemde e-mail heeft [betrokkene 3] onder meer het volgende geschreven: “Productieovereenkomst en managementcontract onderbrengen bij een partij heeft veel natuurlijke voordelen (een team dat zich met alle promotie bezig houdt) maar er is wel een groot nadeel: een van de taken management is bijvoorbeeld onderhandelen over voorwaarden en royalties in de productieovereenkomst en gezien de verwevenheid van SR en MAS denk ik dat het op mijn weg ligt met externe begeleiding over condities na te denken”. Uit deze e-mail blijkt dat [eiser] in ieder geval bij het sluiten van de overeenkomsten in 2013 ervan op de hoogte was dat hij zijn contracten bij één partij onderbracht en dat er sprake was van één team. [betrokkene 3] liet blijken dat hij daar ook voordelen in zag, maar in die situatie wel een reden zag om externe begeleiding te zoeken. Ook [eiser] wist dat er sprake was van één team, maar dat heeft hem er niet van weerhouden nieuwe overeenkomsten aan te gaan. Uit niets blijkt dat dit voortschrijdend inzicht was of dat [eiser] bedenkingen had bij deze situatie. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof uit de geciteerde e-mail heeft afgeleid dat er ook reeds bij het aangaan van de overeenkomsten in 2012 geen sprake was van dwaling. De klacht onder 1.2 faalt. 4.17 Subonderdeel 1.3 klaagt dat het hof niet in het midden kon laten de juistheid van de stelling van [eiser] dat [betrokkene 1] heeft gezegd tegen [betrokkene 3] dat MAS en Spinnin professioneel genoeg waren om hun belangen te scheiden en dat het aparte bedrijven waren, nu Spinnin dit heeft betwist, hetgeen haar niet vrij stond in hoger beroep aangezien Spinnin dit in eerste aanleg heeft erkend in de zin van art. 154 Rv. Voor zover het hof heeft gemeend dat het een partij vrij staat om een feit dat uitdrukkelijk is erkend in hoger beroep alsnog te betwisten, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof geen gerechtelijke erkentenis heeft gelezen in de hiervóór aangehaalde stellingen, heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom dat zo is. 4.18 Dit subonderdeel bouwt voort op subonderdeel 1.1 en faalt om dezelfde redenen. Het hof kon de juistheid van de betreffende stelling van [eiser] in het midden laten, omdat het hof heeft geoordeeld dat zelfs als [betrokkene 1] de betreffende mededeling heeft gedaan en hij van de juistheid daarvan is uitgegaan, er geen sprake was van een onjuist beeld bij hem van de verwevenheid tussen MAS en Spinnin. 4.19 Subonderdeel 1.4 subonderdeel is gericht tegen rov. 4.10 in samenhang met rov. 7.26, waarin het hof het volgende heeft overwogen: “4.10 [eiser] is op 27 juni 2012 met [betrokkene 5] , een concurrent van MAS, gaan praten over de door Spinnin c.s. aangeboden overeenkomsten. (…) 7.26 [eiser] erkent onder 822 van zijn memorie van antwoord dat Spinnin c.s. tegenover hem geen bijzondere zorgplichten hebben zoals die van de banken tegenover consumenten van ingewikkelde bankproducten, maar meent desalniettemin dat Spinnin c.s. gehouden waren te controleren of [eiser] alle bepalingen goed begreep en hem, zo begrijpt het hof, te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Dit standpunt kan in het licht van de hiervoor onder 7.10 en 7.11 weergegeven juridische uitgangspunten niet worden gevolgd. De omstandigheid dat [eiser] op het moment van het tekenen van de overeenkomsten nog minderjarig en erg gretig was om bij Spinnin c.s. te tekenen, brengt geen verruiming van de mededelingsplicht mee. [eiser] werd immers vertegenwoordigd door zijn vader, die zich op zijn beurt liet bijstaan door ervaringsdeskundigen en juridische adviseurs.” 4.20 Het subonderdeel betoogt dat de vaststelling van het hof dat [eiser] op 27 juni 2012 met [betrokkene 5] , is gaan praten over de door Spinnin c.s. aangeboden overeenkomsten, onbegrijpelijk is. [betrokkene 5] had hem uitgenodigd voor een gesprek, naar aanleiding van een tip die [betrokkene 5] over hem had ontvangen. [betrokkene 5] heeft (als concurrent van MAS) niet de conceptovereenkomsten van MAS en Spinnin gezien. [eiser] had die ook niet bij zich toen hij op 27 juni 2012 met [betrokkene 5] ging praten. [betrokkene 5] heeft in het voorlopig getuigenverhoor onder ede bevestigd dat hij die overeenkomsten nooit heeft gezien, en dat hij ook niet met [eiser] over specifieke bepalingen of voorwaarden van de overeenkomsten met MAS of Spinnin heeft gesproken. Voor zover het hof in rov. 7.26 onder "ervaringsdeskundigen" ook [betrokkene 5] heeft verstaan, is dat oordeel daarmee evenzeer onbegrijpelijk. 4.21 Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof hier met ‘ervaringsdeskundigen en juridische adviseurs’ mede heeft gedoeld op [betrokkene 5] , gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers overwogen dat [betrokkene 3] zich liet bijstaan door ervaringsdeskundigen en juridische adviseurs (zie rov. 4.11 en 4.12 en ook hiervoor 2.11 en 2.12). Wat [betrokkene 5] betreft maakt het niet uit of hij daadwerkelijk die overeenkomsten heeft gezien. Het gaat erom dat hij op 27 juni 2012 met [eiser] heeft gesproken en hem heeft gewaarschuwd voor de ‘360 deal’ bij Spinnin en MAS. 4.22 De klacht gericht tegen de overweging van het hof in rov. 4.10 dat [eiser] met [betrokkene 5] heeft gesproken over de aangeboden overeenkomsten mist belang, omdat het aangevochten oordeel van het hof daar niet op berust. 4.23 Slotsom is dat onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel van [eiser] in zijn geheel faalt. Onderdeel 2 van het principale cassatiemiddel van [eiser] 4.24 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 7.10-7.11 en rov. 7.26-7.28 van het bestreden arrest, waarin het hof het volgende heeft overwogen: “7.10 De vraag of Spinnin c.s. op grond van hun uit artikel 6:228 lid 1 sub b BW voortvloeiende mededelingsplichten [eiser] op die, voor hem essentiële punten had behoren in te lichten, wordt eveneens bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van partijen. De mededelingsplichten van Spinnin c.s. gaan naar het oordeel van het hof niet zo ver dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de managementovereenkomst en de productieovereenkomst punt voor punt met [betrokkene 3] hadden moeten doorlopen, zoals [eiser] in zijn memorie van antwoord stelt. Met deze stelling miskent [eiser] dat van hem en zijn vader als zijn wettelijk vertegenwoordiger mocht worden verwacht dat hij de door hem ontvangen en ondertekende overeenkomsten zorgvuldig doorlas en indien de inhoud daarvan hem niet geheel duidelijk was, om opheldering zou hebben gevraagd. [eiser] had dus een onderzoeksplicht die inhield dat hij binnen redelijke grenzen gehouden was te voorkomen dat hij op basis van een onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomsten zou sluiten. 7.11 De mededelingsplichten van Spinnin c.s. in het kader van dwaling moeten worden onderscheiden van de zorgplichten die MAS en Spinnin op grond van de overeenkomsten tegenover [eiser] hadden. Het hof is met Spinnin c.s. (grief VII) van mening dat de rechtbank dit onderscheid in het bestreden vonnis uit het oog is verloren. De verwijten van [eiser] dat van MAS in het kader van de onderhandelingen met Spinnin en Rodeo Music en als zijn algemene belangenbehartiger een meer actieve en kritische houding had mogen worden verwacht, ziet op de omvang en de inhoud van de zorgplichten van MAS. Het schenden van die zorgplichten leidt mogelijk tot een toerekenbare tekortkoming van MAS in de zin van artikel 6:74 BW, maar is geen grond voor dwaling. (…) 7.26 [eiser] erkent onder 822 van zijn memorie van antwoord dat Spinnin c.s. tegenover hem geen bijzondere zorgplichten hebben zoals die van de banken tegenover consumenten van ingewikkelde bankproducten, maar meent desalniettemin dat Spinnin c.s. gehouden waren te controleren of [eiser] alle bepalingen goed begreep en hem, zo begrijpt het hof, te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Dit standpunt kan in het licht van de hiervoor onder 7.10 en 7.11 weergegeven juridische uitgangspunten niet worden gevolgd. De omstandigheid dat [eiser] op het moment van het tekenen van de overeenkomsten nog minderjarig en erg gretig was om bij Spinnin c.s. te tekenen, brengt geen verruiming van de mededelingsplicht mee. [eiser] werd immers vertegenwoordigd door zijn vader, die zich op zijn beurt liet bijstaan door ervaringsdeskundigen en juridische adviseurs. 7.27 Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat Spinnin c.s. [eiser] hadden moeten informeren dat YouTube voor hem mogelijk een aardige bron van inkomsten zou kunnen zijn (7.5 b.
  11. ii)en hem had moeten waarschuwen voor de risico's verbonden aan een overdracht van zijn rechten in geval van een faillissement van Spinnin c.s. (7.5 b.iv). Het verwijt dat Spinnin c.s. ten aanzien van deze punten haar mededelingsplicht heeft geschonden, is dus ongegrond. Daarbij komt dat Spinnin c.s. gelet op de mededeling van [betrokkene 3] op 26 juni 2012 dat hij advies zou inwinnen, ook niet hadden hoeven te begrijpen dat zij [eiser] op deze punten verder hadden moeten informeren. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien hoe dezelfde punten in 2013 een reden voor dwaling kunnen zijn. 7.28 Ten aanzien van de punten genoemd onder 7.5 b iii, iv, v, vi en vii geldt dat [eiser] hiermee voor het tekenen van de overeenkomst bekend was. [eiser] verkeerde ten aanzien van die punten dus niet in dwaling. Uit de stellingen van [eiser] begrijpt het hof dat hij er spijt van heeft dat hij met de daarop betrekking hebbende voorwaarden in de productieovereenkomst heeft ingestemd, maar dat rechtvaardigt geen beroep op dwaling. Dit geldt voor de in 2012 en 2013 gesloten overeenkomsten.” 4.25 Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof de mededelingsplichten van MAS en Spinnin in dit geval heeft miskend, en ten onrechte de aard van de overeenkomst en de deskundigheid van partijen niet heeft meegewogen. 4.26 Alvorens de zeven subonderdelen te bespreken stel ik het volgende voorop. 4.27 Bij een beroep op vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling in de zin van art. 6:228 BW is behalve dwaling en causaal verband vereist dat zich ten minste één van de in lid 1 omschreven gevallen voordoet. In dit onderdeel gaat het om geval b, het nalaten van het doen van een mededeling waartoe de wederpartij van de dwalende gehouden was. 4.28 Of een mededelingsplicht in een concreet geval bestaat, is afhankelijk van een aantal gezichtspunten. In het algemeen bestaat geen mededelingsplicht indien de wederpartij er redelijkerwijs van uit mag gaan dat de feiten reeds bij de dwalende bekend zijn of dat ze hem nog voor het aangaan van de overeenkomst bekend zullen worden. Daarbij is onder meer van belang de vraag of de wederpartij deskundige bijstand geniet. 4.29 Op de partij die zich op dwaling beroept kan daarnaast een onderzoeksplicht rusten. Het is niet uitgesloten dat zowel sprake is van een mededelingsplicht aan de zijde van de wederpartij van de dwalende als van een onderzoeksplicht aan de zijde van de dwalende. Als hoofdregel geldt dat de mededelingsplicht prevaleert boven de onderzoeksplicht. Het enkele feit dat een partij haar onderzoeksplicht naar bepaalde relevante gegevens verzaakt, sluit niet uit dat de andere partij ter zake van diezelfde gegevens een mededelingsplicht heeft. 4.30 Bij het beantwoorden van de vraag of een partij ter zake van bepaalde relevante gegevens naar de in het verkeer geldende opvattingen een mededelingsplicht heeft, dan wel of hij die gegevens voor zich mag houden omdat hij erop mag vertrouwen dat zijn wederpartij een onderzoek zal instellen en daardoor met meer bedoelde gegevens bekend zal worden, moet niet alleen worden gelet op alle bijzonderheden van het gegeven geval, maar ook en vooral daarop dat de regel dat de mededelingsplicht boven de onderzoekplicht gaat, juist ertoe strekt ook aan een onvoorzichtige partij bescherming te bieden. 4.31 Subonderdeel 2.1 voert aan dat het hof met zijn oordeel heeft miskend dat het enkele feit dat op een partij een onderzoeksplicht rust, niet uitsluit dat de andere partij ter zake van hetzelfde onderwerp een mededelingsplicht heeft. 4.32 Het subonderdeel voegt daaraan toe dat als het hof dit niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het enkele feit dat op [eiser] een onderzoeksplicht rustte, maakt dat op MAS c.q. Spinnin c.q. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet tevens de plicht rustte om de conceptovereenkomsten punt voor punt met [betrokkene 3] door te lopen (rov. 7.10) en waarom de enkele mededeling van [betrokkene 3] dat hij advies zou inwinnen maakt dat Spinnin en MAS niet hadden hoeven te begrijpen dat zij [eiser] verder hadden moeten informeren over de mogelijkheid dat YouTube voor hem een bron van inkomsten zou kunnen zijn en over de risico’s verbonden aan een overdracht van zijn rechten in geval van een faillissement van Spinnin c.s. (rov. 7.27). 4.33 Waar volgens het middel het hof heeft miskend dat het enkele feit dat op een partij een onderzoeksplicht rust niet uitsluit dat de andere partij ter zake van hetzelfde onderwerp een mededelingsplicht heeft, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft dat namelijk niet geoordeeld. Het hof heeft in rov. 7.10 overwogen dat de vraag of Spinnin en MAS op grond van hun uit art. 6:228 lid 1, onder b, BW voorvloeiende mededelingsplichten [eiser] op die voor hem essentiële punten hadden behoren in te lichten, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van partijen. Het hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat [eiser] een onderzoeksplicht had en dat, anders dan door hem in hoger beroep is gesteld, de mededelingsplichten van Spinnin en MAS niet zo ver gaan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de managementovereenkomst en de productieovereenkomst punt voor punt met zijn vader hadden moeten doorlopen. Met andere woorden, het hof heeft niet geoordeeld dat op Spinnin geen mededelingsplicht rustte omdat [eiser] een onderzoeksplicht had, maar dat hun mededelingsplicht niet zover ging als hij heeft gesteld. 4.34 Ik acht voorts niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 7.10 heeft geoordeeld dat Spinnin c.s. de overeenkomst niet punt voor punt met [betrokkene 3] hoefde door te lopen. Het hof heeft terecht van belang geacht dat [eiser] werd vertegenwoordigd door zijn vader, die vragen over de overeenkomsten heeft gesteld aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en die zich vervolgens heeft laten adviseren door ter zake kundige juristen. In die omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat van Spinnin en MAS niet kan worden verlangd dat zij zouden controleren of [eiser] alle bepalingen van de overeenkomsten zelf goed heeft begrepen en dat van hem kan worden verlangd dat hij aangeeft of er nog onduidelijkheid bestaat. 4.35 Het hof heeft daarnaast meegewogen dat [betrokkene 3] op 26 juni 2012 heeft aangegeven dat hij advies zou inwinnen. Ik voeg daar nog aan toe dat daarna nog enige tijd is verstreken voordat ondertekening plaatsvond (op 11 respectievelijk 20 juli 2012). Daardoor is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Spinnin en MAS niet hadden hoeven te begrijpen dat zij [eiser] op deze punten verder hadden moeten informeren. Ondersteunend daarbij is dat [betrokkene 3] in zijn eerste reactie op de conceptovereenkomsten van 25 juni 2012 aangaf dat het eigenlijk zijn bedoeling is om licentierechten voor een gelimiteerde periode over te dragen waardoor het eigendomsrecht van alle door [eiser] gemaakte producties bij hemzelf blijft en dat hij gezien de recente en mogelijke ontwikkelingen de vergoedingen voor YouTube zeker niet wil uitsluiten. Uit deze reactie blijkt dat er op dat moment, nog voor het inwinnen van extern advies, bij hem al kennis bestond op die punten. Daarnaast blijkt uit rov. 4.11 dat de bedrijfsjuriste van Universal in haar advies van 3 juli 2012 heeft gewaarschuwd voor het overdragen van rechten. In die wetenschap zijn [eiser] en zijn vader toch akkoord gegaan met de door Spinnin aangeboden voorwaarden. 4.36 Gelet op dit alles faalt subonderdeel 2.1. 4.37 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat bij het beantwoorden van de vraag of een partij ter zake van bepaalde relevante gegevens een mededelingsplicht heeft, moet worden gelet op alle bijzonderheden van het geval, waaronder de aard van de te sluiten overeenkomst, de hoedanigheid van partijen en hun deskundigheid. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het heeft de deskundigheid van [eiser] en [betrokkene 3] immers niet (kenbaar) afgewogen tegen de bij Spinnin en MAS aanwezige deskundigheid. 4.38 Verder betoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) heeft meegewogen dat de te sluiten managementovereenkomsten als overeenkomsten van opdracht waren te kwalificeren (zoals de rechtbank heeft vastgesteld en door Spinnin c.s. in hoger beroep is onderschreven), die gericht waren op het zo goed mogelijk behartigen van de zakelijke en artistieke belangen van de artiest. Heeft het hof gemeend dat de aard van overeenkomsten van opdracht tot belangenbehartiging zoals de onderhavige managementovereenkomsten niet relevant is voor de op de opdrachtnemer rustende mededelingsplicht, dan geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 4.39 Subonderdeel 2.3 betoogt dat het hof heeft miskend dat bij het beantwoorden van de vraag of een partij ter zake van bepaalde relevante gegevens naar de in het verkeer geldende opvattingen een mededelingsplicht heeft, van belang is dat zo’n mededelingsplicht juist ertoe strekt ook aan een onvoorzichtige contractspartij bescherming te bieden tegen de nadelige gevolgen van dwaling veroorzaakt door het verzwijgen van relevante gegevens. Dit brengt mee dat niet te spoedig voorrang aan de onderzoeks-/informatieplicht van die contractspartij boven de mededelingsplicht van de wederpartij dient te worden gegeven. Het hof heeft dat miskend, althans onvoldoende gemotiveerd waarom de omstandigheden waaruit het ontbreken van deskundigheid aan de zijde van [eiser] volgt niet tot het aannemen van een (verruimde) mededelingsplicht moesten leiden. 4.40 Subonderdelen 2.2. en 2.3 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 4.41 De mededelingsplicht van art. 6:228 lid 1, onder b, BW strekt ter bescherming van een onvoorzichtige contractuele wederpartij tegen de nadelige gevolgen van dwaling. Dit brengt mee dat niet te spoedig voorrang aan de onderzoeks-/informatieplicht van die partij boven de mededelingsplicht van de andere partij dient te worden gegeven. Bij een daartoe strekkend oordeel moet volgens de Hoge Raad op alle bijzondere omstandigheden van het geval worden gelet en moeten deze ook zo volledig en zo nauwkeurig mogelijk worden vastgesteld. 4.42 Het hof heeft dit alles echter niet miskend. Het hof heeft allereerst de deskundigheid van partijen meegewogen bij zijn oordeel. Het hof heeft immers in rov. 7.10 het volgende overwogen (onderstreping toegevoegd): “De vraag of Spinnin c.s. op grond van hun uit artikel 6:228 lid 1 sub b BW voortvloeiende mededelingsplichten [eiser] op die, voor hem essentiële punten had behoren in te lichten, wordt eveneens bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van partijen. (…)” 4.43 Ook uit rov. 7.26 en 7.27 blijkt dat het hof de minderjarigheid en de deskundigheid van [eiser] heeft meegewogen in zijn oordeel. Aangezien het hof heeft overwogen dat [eiser] werd vertegenwoordigd door zijn vader die zich op zijn beurt liet bijstaan door ervaringsdeskundigen en juridische adviseurs, hoefde het niet verder in te gaan op de achtergrond en kennis van [betrokkene 3] . Bij de vraag of een partij deskundig is, weegt ook mee of er sprake is van deskundige bijstand. 4.44 Daarnaast behoefde het hof evenmin nader in te gaan op de deskundigheid van Spinnin c.s. om, zoals het middel betoogt, de deskundigheid van [eiser] en [betrokkene 3] daartegen af te wegen. Het is duidelijk dat het hier ging om een professionele partij en dat het hof dit ook zo heeft meegewogen. 4.45 Het middel gaat er terecht van uit dat de aard van de overeenkomst van belang kan zijn om te bepalen of op de wederpartij van de dwalende een mededelingsplicht rust. Het gaat er dan om dat het type overeenkomst een argument oplevert voor het aannemen van een mededelingsplicht. Het hof heeft echter, in tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, niet uit het oog verloren dat de aard van de overeenkomst van belang kan zijn om te bepalen of op de wederpartij van de dwalende een mededelingsplicht rust. Dat de aard van de overeenkomst van belang kan zijn brengt echter niet met zich, waarop het middel lijkt te doelen, dat de zorgplicht van een opdrachtnemer in de zin van art. 7:401 BW invloed heeft op de mededelingsplicht. Het hof heeft terecht overwogen dat mededelingsplichten van Spinnin c.s. in het kader van dwaling moeten worden onderscheiden van zorgplichten die Spinnin c.s. op grond van de overeenkomsten met [eiser] hadden. Het schenden van die zorgplichten leidt mogelijk tot een toerekenbare tekortkoming van MAS in de zin van artikel 6:74 BW, maar is geen grond voor dwaling (rov. 7.11). 4.46 Het voorgaande is in lijn met hetgeen de Hoge Raad in het kader van risicovolle financiële producten en diensten meermaals heeft overwogen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de mededelingsplicht bedoeld in art. 6:228 lid 1, sub b, BW moet worden onderscheiden van de verplichtingen die uit een adviesrelatie kunnen ontstaan. Daarnaast moet ook de bijzondere zorgplicht voor banken en de daaruit voortvloeiende waarschuwingsplicht worden onderscheiden van de mededelingsplicht. De gedachte hierachter is dat moet worden voorkomen dat aan de mededelingsplicht zwaardere eisen worden gesteld dan gerechtvaardigd is. 4.47 In dat verband heeft het hof met betrekking tot de toerekenbare tekortkomingen van MAS en Spinnin in rov. 7.70 geoordeeld dat MAS niet is tekortgeschoten in haar verplichting om [eiser] bij te staan in zijn onderhandeling met Spinnin of in bredere zin had moeten toezien op de uitvoering van de productieovereenkomst door Spinnin omdat, zoals in rov. 7.21-7.23 wordt overwogen, MAS die verplichtingen op grond van de co-managementovereenkomst niet had. Het oordeel betreffende het beroep op dwaling wijkt dus niet af van het oordeel over tekortkoming (waar onderdeel 3 over gaat). Het ligt dan ook niet voor de hand dat het hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen als het, zoals het middel voorstelt, de zorgplichten die voorvloeien uit de met MAS en Spinnin gesloten overeenkomsten had meegewogen in zijn oordeel over de mededelingsplichten in het kader van het beroep op dwaling. 4.48 Aangezien het hof terecht onderscheid heeft gemaakt tussen mededelingsplichten van Spinnin c.s. in het kader van dwaling en zorgplichten die zij op grond van de overeenkomsten met [eiser] hadden, kan de eventuele verplichting als opdrachtnemer te wijzen op de gevolgen van gemaakte keuzes niet automatisch ertoe leiden dat het hof met betrekking tot het beroep op dwaling tot het oordeel had moeten komen dat het op de weg van Spinnin c.s. (c.q. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) lag om hem te informeren over de gevolgen van de uitsluiting van mogelijk aanzienlijke YouTube-inkomsten en over de risico’s van een eventueel faillissement van Spinnin. 4.49 Op grond van het voorgaande falen subonderdeel 2.2 en 2.3. 4.50 Subonderdeel 2.4 voert aan dat voor zover de overwegingen in rov. 7.26, onder verwijzing naar rov. 7.11, aldus moeten worden begrepen dat voor de beantwoording van de vraag of op een partij een mededelingsplicht heeft relevant is of op dezelfde partij (al dan niet) contractuele of buitencontractuele zorgplichten rusten, het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. 4.51 Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof en kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers in rov. 7.26 niet overwogen dat voor de vraag of op een partij een mededelingsplicht rust relevant is of op die partij een zorgplicht rust. Tevens is gelet op hetgeen ik bij de bespreking van de voorgaande subonderdelen heb opgemerkt niet onbegrijpelijk dat het hof gezien de omstandigheden van het geval geen aanleiding zag om de mededelingsplicht te verruimen. 4.52 Subonderdeel 2.4 faalt. 4.53 Subonderdeel 2.5 klaagt dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven van de stellingen van [eiser] over de op MAS rustende zorgplichten. In zijn memorie van antwoord heeft [eiser] de oordelen van de rechtbank in rov. 5.30 onderschreven dat op MAS de wettelijke plicht rustte om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer (art. 7:401 BW) in acht te nemen, dat voor Spinnin de algemene zorgplicht van art. 6:2 lid 1 BW geldt, en dat deze zorgplichten ook in de precontractuele fase van toepassing waren, op basis van de eisen van de redelijkheid en billijkheid. [eiser] heeft niets ‘erkend’ over het ontbreken van ‘zorgplichten zoals die van de banken tegenover consumenten van ingewikkelde bankproducten’ en evenmin gesteld dat Spinnin c.s. hem hadden moeten beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht op dezelfde wijze als banken consumenten van ingewikkelde bankproducten dienen te beschermen. 4.54 Ik wijs erop dat [eiser] bij memorie van antwoord onder 822 heeft gesteld: “De rechtbank noemde in r.o. 5.30 de zorgplicht die op Spinnin (als niet-opdrachtnemer, maar "gewone" wederpartij) rust de "algemene zorgplicht van art. 6:2 lid 1 BW". De rechtbank onderscheidde van die "algemene" zorgplicht de "bijzondere" zorgplicht die op MAS als opdrachtnemer rustte. Het gebruikt van "bijzonder" duidt dus niet op een subcategorie opdrachtnemers (zoals bankiers). Op MAS rustten dus de "gewone" zorgplicht zoals die op alle opdrachtnemers rust.” Het is niet onbegrijpelijk dat het hof hieruit heeft afgeleid dat [eiser] heeft erkend dat Spinnin c.s. tegenover hem geen bijzondere zorgplichten hadden. 4.55 Subonderdeel 2.5 faalt. 4.56 Volgens subonderdeel 2.6 heeft het hof in rov. 7.11 miskend dat de omstandigheid dat er een precontractuele of contractuele zorgplicht bestaat waarvan het niet in acht nemen een tekortkoming c.q. een onrechtmatige daad kan opleveren, nog niet uitsluit dat er bij het aangaan van de overeenkomst ook een mededelingsplicht is geschonden waardoor sprake is van dwaling. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, omdat uit rov. 7.11 dan niet duidelijk wordt in welk opzicht de rechtbank dan het onderscheid tussen mededelingsplichten en zorgplichten uit het oog heeft verloren. 4.57 Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Hetgeen het hof in rov. 7.11 heeft overwogen (geciteerd in 4.24) houdt niet in niet dat het schenden van een zorgplicht uitsluit dat er een grond voor dwaling is. 4.58 Dat het hof heeft overwogen dat de rechtbank dit onderscheid uit het oog heeft verloren is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft toereikend gemotiveerd zijn oordeel dat de rechtbank het schenden van die zorgplichten ten onrechte wel als grond voor dwaling heeft aangemerkt. 4.59 Om die reden faalt subonderdeel 2.6. 4.60 Subonderdeel 2.7 klaagt dat het hof zijn oordeel in rov. 7.28 dat [eiser] niet in dwaling verkeerde ten aanzien van het toe-eigenen door Spinnin van het Sena-producentendeel en ten aanzien van de mogelijkheid dat hij zelf als fonogrammenproducent zou hebben te gelden (rov. 7.5 b, onder iv en v), onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. [eiser] heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat hij de precieze gevolgen en de reikwijdte van de voorwaarden in de productieovereenkomst over het Sena-producentendeel niet kon overzien, dat Spinnin c.s. hem daarover had moeten informeren, dat hij in dwaling verkeerde en niet dat hij ‘er spijt van had’. Het hof had deze stellingen volgens het middel niet mogen passeren. Voor zover het arrest aldus moet worden gelezen dat het hier bestreden oordeel in rov. 7.28 voortbouwt op de in de voorgaande subonderdelen bestreden oordelen in rov. 7.26-27, dan vitiëren de daarin aangevoerde klachten in zoverre ook het oordeel in rov. 7.28. 4.61 In rov. 7.28 heeft het hof geoordeeld dat [eiser] ten aanzien van het toe-eigenen door Spinnin van het Sena-producentenaandeel (rov. 7.5 b, onder
  12. iv)en de kans dat hij zelf als fonogrammenproducent zou hebben te gelden (rov. 7.5 b, onder
  13. v)niet in dwaling verkeerde. Het hof heeft daartoe overwogen dat [eiser] hiermee vóór het tekenen van de overeenkomst bekend was. Het hof heeft hiermee niet voortgebouwd op zijn oordelen in rov. 7.26-7.27. Voor zover het subonderdeel daar wel van uitgaat, berust het dus op een onjuiste lezing van het arrest. 4.62 Tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 5.83-5.85 dat MAS [eiser] had moeten informeren op deze punten heeft Spinnin c.s. onder grief V aangevoerd dat [betrokkene 3] op 3 juli 2012 door de bedrijfsjuriste van Universal was geïnformeerd dat [eiser] mogelijk als fonogrammenproducent zou kunnen worden beschouwd en dat de fonogrammenproducent op grond van de wet gerechtigd is tot een eigen vergoeding (het Sena-producentendeel), naast de vergoeding voor de uitvoerend kunstenaar. Dat dit op zijn minst een punt van discussie zou kunnen zijn, was hem dus tijdig bekend. 4.63 [eiser] heeft daartegen ingebracht, samengevat, dat Spinnin c.s. niet hebben gezegd dat hij (mogelijk) fonogrammenproducent is en dat zij daar in 2012 wel duidelijkheid over hadden moeten scheppen. Tevens heeft hij gesteld dat [betrokkene 1] ook in 2013 niet heeft uitgelegd dat [eiser] fonogrammenproducent was, of dat daar een discussie over mogelijk was. Spinnin c.s. hebben op dit punt [eiser] en [betrokkene 3] niet of onjuist ingelicht, zodat ook als het hof de benadering van de rechtbank niet overneemt, dit nog steeds tot een geslaagd beroep op dwaling leidt. 4.64 Op basis van het geschetste partijdebat is niet onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat [eiser] op genoemde punten niet in dwaling verkeerde. Het hof heeft vastgesteld (rov. 4.11) dat de door [betrokkene 3] geraadpleegde juriste van Universal hem erop heeft gewezen dat “[eiser] […] dan in feite de fonogrammenproducent [is] en niet Spinning, en hij […] dus ook recht [heeft] op dat deel van Sena”. Daaruit volgt dat [betrokkene 3] (en daarmee [eiser] ) vóór het aangaan van de overeenkomsten hiermee bekend waren en [eiser] toen dus niet in dwaling verkeerde. Dar komt bij dat mijns inziens in redelijkheid niet van [betrokkene 1] kon worden verwacht dat deze aan [eiser] zou uitleggen dat hij fonogrammenproducent was, omdat daarover discussie kan bestaan, zoals wij hierna onder IV zullen zien. 4.65 Het hof is genoegzaam ingegaan op de standpunten van [eiser] . Ook subonderdeel 2.7 faalt. 4.66 Subonderdeel 2.8 bevat een veegklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking. 4.67 Slotsom is dat onderdeel 2 van het principale cassatiemiddel van [eiser] vergeefs is voorgesteld. Ik merk ten overvloede nog op dat ik in de gedingstukken van [eiser] niet een onderbouwing heb aangetroffen van de gedachte dat als Spinnin c.s. hem wél de informatie hadden verschaft die zij volgens de in dit onderdeel aangevoerde klachten hadden moeten verschaffen, de overeenkomsten niet zouden zijn afgesloten of wezenlijk andere voorwaarden zouden bevatten. Ik kan mij namelijk niet aan de indruk onttrekken dat het model waarbij productie en management in één hand zijn niet ongebruikelijk was en er ook geen aanwijzingen bestonden dat de geboden voorwaarden niet-marktconform waren, zoals een vergelijking met het kort daarvoor gesloten contract met Universal ook lijkt uit te wijzen. B. Toerekenbare tekortkoming en ontbinding 4.68 Onder dit kopje behandel ik onderdeel 3 van het principale cassatiemiddel van [eiser] , onderdeel 2 van zijn incidentele cassatiemiddel, alsmede onderdeel 3 van zowel het principale als het incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.. De klachten zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.68-7.76 over toerekenbare tekortkomingen van MAS en Spinnin en de ontbinding van de overeenkomsten. B.1 Onderdeel 3 van het principale middel van [eiser] 4.69 Onderdeel 3 van het principale cassatiemiddel klaagt over de beoordeling van zijn stelling dat MAS, zowel in 2012 als in 2013, gehouden was hem bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin over de voorwaarden van de productieovereenkomst en had moeten toezien op de uitvoering van deze overeenkomst door Spinnin. Het onderdeel bestaat uit negen subonderdelen. 4.70 Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof door ter onderbouwing van zijn oordeel in rov. 7.70 te verwijzen naar zijn oordeel in rov. 7.21-7.23 heeft miskend dat voor het aannemen van een precontractuele of contractuele zorgplicht om de opdrachtgever bij te staan tijdens onderhandelingen met een andere opdrachtnemer niet beslissend is of de opdrachtgever in dwaling verkeerde met betrekking tot de onderlinge verhouding tussen deze verschillende opdrachtnemers, althans dat het hof zijn oordeel dienaangaande onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. 4.71 In de aangevochten rov. 7.21-7.23 en rov. 7.70 heeft het hof het volgende overwogen: “7.21 In artikel 3.1 en 3.2 van de managementovereenkomst is niet expliciet bepaald dat MAS namens [eiser] met Spinnin over de voorwaarden van de productieovereenkomst zou onderhandelen. 7.22 Het hof is van oordeel dat in het licht van de door Spinnin c.s. genoemde omstandigheden niet kan worden volgehouden dat [eiser] in dwaling verkeerde met betrekking tot de rol van MAS in relatie tot Spinnin, ook niet indien [betrokkene 1] zou hebben gezegd, zoals [betrokkene 3] tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om beide contracten van elkaar te scheiden. Spinnin c.s. hebben genoegzaam aangetoond dat [eiser] en [betrokkene 3] bekend waren met de strekking van hun voorstel ("alle eieren in één mandje") en op grond van het advies van de juriste van Universal wisten dat van MAS niet kon worden verwacht dat zij met Spinnin zou onderhandelen over de voorwaarden van de productieovereenkomst. Dat [betrokkene 3] dit ook niet verwachtte, blijkt uit zijn e-mail aan [betrokkene 1] van 23 juli 2013. Op grond van die e-mail kan bovendien niet worden volgehouden dat [betrokkene 3] en [eiser] in de veronderstelling verkeerden dat MAS namens [eiser] kritische vragen aan Spinnin zou stellen over de wijze waarop Spinnin de productieovereenkomst uitvoerde, zoals [eiser] ten onrechte aanvoert. [betrokkene 3] gaf immers aan dat dit op zijn weg lag. 7.23 De stelling van [eiser] dat in artikel 3.1 en 3.2 van de managementovereenkomst en de co-managementovereenkomst expliciet is bepaald dat MAS namens [eiser] met Spinnin zou onderhandelen, is onjuist. In artikel 3.1 wordt daarover niets gezegd. In artikel 3.2 wordt gerefereerd aan het voeren van contractbesprekingen met derden. Het hof is van oordeel dat in het licht van de strekking van de deal en de hiervoor genoemde omstandigheden, redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat met "derden" Spinnin werd bedoeld. (…) 7.70 Het belangrijkste verwijt van [eiser] aan MAS is dat zij in haar zorgplicht tegenover [eiser] is tekortgeschoten omdat zij hem niet, althans onvoldoende, heeft bijgestaan in zijn onderhandelingen met Spinnin. Dit verwijt wordt door [eiser] in zijn memorie van antwoord en zijn conclusie van repliek in eerste aanleg uitgewerkt in talloze subverwijten die alle gegrond zijn op de stelling dat MAS verplicht was [eiser] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin of in bredere zin had moeten toezien op de uitvoering van de productieovereenkomst door Spinnin. AI deze verwijten missen grond, omdat MAS, zoals het hof hiervoor onder 7.21 - 7.23 heeft overwogen, deze verplichting op grond van de co-managementovereenkomst niet had.” 4.72 De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers in rov. 7.70 geoordeeld dat MAS niet in haar zorgplicht jegens [eiser] is tekortgeschoten wegens het niet of onvoldoende bijstaan van hem in zijn onderhandelingen met Spinnin, omdat MAS deze verplichting niet had op grond van de met haar gesloten co-managementovereenkomst (en ook niet op grond van de initiële managementovereenkomst uit juli 2012). Het hof heeft ter onderbouwing verwezen naar rov. 7.21-7.23 waarin het uiteenzet dat op MAS niet de verplichting rustte om namens [eiser] met Spinnin over de voorwaarden van de productieovereenkomst te onderhandelen. Dat het hof bij zijn oordeel over de zorgplichten van Spinnin c.s. heeft verwezen naar hetgeen het heeft overwogen met betrekking tot het beroep op dwaling, maakt nog niet dat het hof voor het aannemen van een precontractuele of contractuele zorgplicht om de opdrachtgever bij te staan tijdens onderhandelingen met een andere opdrachtnemer beslissend heeft geacht of de opdrachtgever in dwaling verkeerde met betrekking tot de onderlinge verhouding tussen deze verschillende opdrachtnemers. 4.73 Subonderdeel 3.1 faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.74 Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of MAS haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en voor zover het hof dat wel heeft beoordeeld, dat oordeel niet kenbaar uit het arrest volgt en daarom onvoldoende is gemotiveerd. 4.75 Het middel verwijst hier enkel naar nr. 1021 in de memorie van antwoord van [eiser] waarin hij terloops opmerkt dat de schending van precontractuele zorgplichten (ook) een onrechtmatige daad oplevert. Ik citeer: “Schending precontractuele zorgplichten 1021. De rechtbank oordeelde (terecht) dat op MAS (ex art. 7:410 BW) en Spinnin (ex art. 6:2 BW) precontractuele zorgplichten rusten. Schending van die precontractuele zorgplichten levert (ook) een onrechtmatige daad op. [eiser] vermeerdert zijn eis althans de grondslag daarvan in die zin dat duidelijk is dat als sprake is van schending van precontractuele zorgplichten door MAS en/of Spinnin [eiser] schade vergoed wenst te krijgen op grond van onrechtmatige daad (buiten de andere aangedragen gronden).” Nu verder niet is onderbouwd waarom sprake is van schending van precontractuele zorgplichten, kon het hof hieraan voorbij gaan. 4.76 Subonderdeel 3.3 betoogt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat MAS niet de door de rechtbank in rov. 5.30 opgesomde zorgplichten van een goed opdrachtnemer had, terwijl Spinnin c.s. tegen die eindbeslissingen niet heeft gegriefd. Het subonderdeel betoogt dat als het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, het onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, nu het de door de rechtbank opgesomde zorgplichten niet kenbaar in zijn overweging heeft betrokken. 4.77 In rov. 5.30 van het vonnis van 20 september 2017 heeft de rechtbank ten aanzien van de zorgplichten van MAS het volgende overwogen: “Nu de managementovereenkomsten 2012 en 2013 zijn te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht en MAS als de opdrachtnemer moet worden aangemerkt, rust op MAS de wettelijke plicht om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (art. 7:401 BW). Deze bijzondere zorgplicht betekent voor MAS onder meer de volgende verplichtingen: 1) de verplichting tot het vooropstellen van het belang van de opdrachtgever, 2) waarborgingsverplichtingen 3) de verplichting tot ongevraagd (spontaan) handelen ten behoeve van de opdrachtgever, 4) de verplichting tot het opvolgen van aanwijzingen van de opdrachtgever, 5) waarschuwingsverplichtingen mogelijk uitmondend in een weigeringsplicht, 6) de verplichting tot het vermijden van belangentegenstellingen, 7) informatieverplichtingen en 8) postcontractuele verplichtingen (zie Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/93). (…)” 4.78 Na deze uiteenzetting van verplichtingen die op een opdrachtnemer in het algemeen en dus ook op MAS rusten, heeft de rechtbank de zorgplicht van Spinnin en MAS verder uitgewerkt in rov. 5.79-5.82. Spinnin en MAS hadden volgens de rechtbank de verplichting om [eiser] “expliciet (op eigen initiatief)

(1)te informeren over de belangenverstrengeling die zich voordeed en/of
(2)te adviseren tot het inschakelen van een onafhankelijke derde, althans de verplichting om zich ten tijde van het sluiten van de nieuwe productieovereenkomst te vergewissen of [eiser] zich daadwerkelijk van een voldoende gekwalificeerde externe begeleiding had voorzien.” (rov. 5.82). In rov. 5.84 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat MAS de verplichting had om [eiser] (ook ongevraagd) te adviseren over alle onderwerpen die zijn zakelijke en artistieke belangen betroffen. 4.79 Bij memorie van grieven zijn Spinnin en MAS in grief VII opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank. Deze grief is zowel gericht tegen de algemene vooropstelling van de rechtbank in rov. 5.30-5.33 als de concretisering in rov. 5.79-5.82 en 5.84. Zij hebben aangevoerd dat zij niet tekort zijn geschoten in enige zorgvuldigheidsnorm, dat niet duidelijk is wat de bijzondere zorgvuldigheidsnorm specifiek zou inhouden en hoe MAS en Spinnin ten opzichte van die bijzondere zorgvuldigheidsnorm tekort zouden zijn geschoten. Tevens heeft Spinnin c.s. aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte abstraheert van de concrete omstandigheden bij de invulling van de zorgplicht en de beoordeling van de vraag of Spinnin en MAS die onder de gegeven omstandigheden zijn nagekomen. Gelet hierop kan het subonderdeel niet worden gevolgd. 4.80 Daarnaast geldt, zoals wij reeds zagen bij subonderdeel 3.1, dat het hof tot het oordeel is gekomen dat op MAS geen verplichting rustte om [eiser] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin of om in bredere zin toe te zien op de uitvoering van de productieovereenkomst door Spinnin. Het hof heeft daarmee niet geoordeeld dat de door de rechtbank opgesomde algemene verplichtingen die op een opdrachtnemer rusten voor MAS niet gelden, maar dat in het concrete geval MAS niet de verplichtingen had die de rechtbank in rov. 5.82 heeft aangenomen. In zoverre gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof. 4.81 Subonderdeel 3.3 faalt derhalve. 4.82 Subonderdeel 3.4 voert, samengevat, aan dat het hof heeft miskend dat op MAS een precontractuele zorgplicht rustte en dat dit meebracht dat MAS de verplichting had om (
  1. i)ervoor te zorgen dat [eiser] de overeenkomsten goed begreep en om (
  2. ii)te waarborgen dat het belang van [eiser] voorop zou staan bij het onderhandelen over de overeenkomst met Spinnin. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het onvoldoende gemotiveerd waarom die zorgplicht hier niet bestond. 4.83 Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.2 faalt het om dezelfde redenen. 4.84 Voor het overige zijn de omstandigheden van het geval bepalend voor het antwoord op de vraag welke (precontractuele) zorgverplichtingen op de opdrachtnemer rusten. Het oordeel van het hof over de concrete verplichtingen die op Spinnin c.s. rustten kan derhalve vanwege het feitelijke karakter daarvan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. 4.85 Het hof is niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. In het bestreden oordeel ligt namelijk niet besloten dat Spinnin en MAS geen zorgplichten hadden of dat die verplichtingen niet voorafgaand aan sluiten van de overeenkomst al golden. Het hof heeft beoordeeld of MAS in haar zorgplicht is tekortgeschoten om [eiser] bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin, hetgeen volgens het hof in rov. 7.70 het belangrijkste verwijt was. 4.86 Het hof heeft in rov. 7.70 verwezen naar rov. 7.21-7.23 (vgl. 4.71 hiervoor) Anders dan het subonderdeel en de schriftelijke toelichting onder 3.8.13 tot uitgangspunt nemen, heeft het hof niet overwogen dat [eiser] niet mocht verwachten dat MAS met Spinnin zou onderhandelen, maar dat [eiser] dit niet verwacht heeft. Dit oordeel is in lijn met hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtgever. De Hoge Raad heeft overwogen dat de zorgplicht van een opdrachtnemer haar grens vindt daar waar de opdrachtnemer goede grond heeft te vertrouwen dat de betreffende belanghebbende zichzelf reeds op de hoogte had gesteld of dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen voor die gevolgen vereist was. Uit de door het hof gegeven motivering volgt genoegzaam dat [eiser] voldoende op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomsten en wist dat MAS niet met Spinnin zou onderhandelen. Dit geldt ook voor de punten genoemd door [eiser] onder 3.4 onder (
  3. i)waarover het hof tevens reeds in rov. 7.27-7.28 heeft geoordeeld dat hij niet heeft gedwaald. Dat oordeel is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. 4.87 Ten overvloede voeg ik aan het voorgaande nog het volgende toe. Toen [eiser] met Spinnin kennis maakte had hij nog geen manager. Anders dan het spreekwoordelijke Braziliaanse stervoetballertje, voor wie een zaakwaarnemer op zoek gaat naar een topclub en daarmee onderhandelingen voert, zat hier het aanstormend talent zelf aan tafel bij de ‘topclub’, later met zijn vader die de tijd kreeg zich goed te informeren. In theorie hadden [eiser] en zijn vader een andere manager kunnen zoeken, maar zij achtten dat kennelijk niet opportuun. Sterker, de vragen die [betrokkene 3] had zagen alleen op de productieovereenkomst, die daarom ook iets later is ondertekend dan de managementovereenkomst. Gesteld noch gebleken is dat [betrokkene 1] aan het afsluiten van de productieovereenkomst de voorwaarde zou hebben verbonden dat MAS de exclusieve manager van [eiser] moest worden. 4.88 Subonderdeel 3.5 voert, kort gezegd, aan dat het hof ten aanzien van de co-managementovereenkomst van 30 juli 2013 alleen de ontbinding daarvan heeft beoordeeld, maar ten onrechte de vordering tot schadevergoeding wegens tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst door MAS niet heeft beoordeeld en dat het hof over de vordering tot schadevergoeding wegens tekortschieten in nakoming van de verplichtingen uit de managementovereenkomst 2012 in het geheel niets heeft overwogen. Voor zover het hof heeft gemeend dat het de vordering ten aanzien van de co-managementovereenkomst van 30 juli 2013 niet hoefde te beoordelen omdat het vereiste verzuim ontbreekt, heeft het hof volgens het middel miskend dat verzuim alleen vereist is als nakoming niet blijvend onmogelijk is en had het hof moeten onderzoeken of dit zich voordeed. Hieraan koppelt het middel nog een motiveringsklacht. 4.89 Wat betreft de co-managementovereenkomst van 30 juli 2013, wijs ik op rov. 7.68-7.71 waarin het hof heeft geoordeeld dat MAS niet is tekort geschoten in haar verplichtingen onder die overeenkomst. Hieruit volgt logischerwijs dat er geen ruimte is voor schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen. Dat het hof die vordering heeft afgewezen volgt ook uit rov. 8.1 waarin het hof, met uitzondering van enkele vorderingen die wel toewijsbaar zijn, de vorderingen van [eiser] in conventie heeft afgewezen en uit het dictum onder h waarin het hof alle overige vordering heeft afgewezen. 4.90 Wat betreft de managementovereenkomst 2012 heeft het hof in rov. 7.69 voorop gesteld dat die is vervangen door de in 2013 gesloten co-managementovereenkomst. Daarbij is tevens van belang dat het hof in rov. 4.20 heeft vastgesteld dat de bepalingen van de managementovereenkomst 2012 en de co-managementovereenkomst uit 2013 gelijk zijn, uitgezonderd de bepalingen met betrekking tot de duur van de overeenkomst en de vergoeding in artikel 5. Hieruit volgt dat de uit de overeenkomst uit 2012 voorvloeiende zorgplichten overeenkomen met die uit de overeenkomst uit 2013, waardoor het oordeel van het hof dat MAS niet tekort is geschoten in de nakoming van de co-managementovereenkomst uit 2013 redelijkerwijs niet anders zou kunnen luiden met betrekking tot de overeenkomst uit 2012. In zoverre heeft [eiser] geen belang bij de klacht. 4.91 Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat het de vordering ten aanzien van de co-managementovereenkomst van 30 juli 2013 niet hoefde te beoordelen omdat het vereiste verzuim ontbreekt, gaat het opnieuw uit van een onjuiste lezing van het arrest. Zoals gezegd heeft het hof in rov. 7.68-7.71 geoordeeld dat MAS niet is tekort geschoten in haar verplichtingen onder die overeenkomst en heeft het hof de vordering niet enkel afgewezen op de grond dat het vereiste verzuim ontbreekt. Daar komt bij dat [eiser] niets heeft gesteld – het middel noemt ook geen vindplaatsen – ten aanzien van de blijvende onmogelijkheid van de nakoming. Om die reden hoefde het hof dit niet te onderzoeken. 4.92 Uit het voorgaande volgt verder dat het hof voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Subonderdeel 3.5 faalt. 4.93 Subonderdeel 3.6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.21-7.23 en 7.70 en 7.71 (reeds geciteerd bij de bespreking van subonderdeel 3.1) dat MAS op grond van de co-managementovereenkomst niet de verplichting had om [eiser] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin of in bredere zin had moeten toezien op de uitvoering van de productieovereenkomst door Spinnin. 4.94 Onder 3.6.1 betoogt het middel in de kern dat het hof met zijn oordeel in rov. 7.23 dat in de co-managementovereenkomst niet expliciet is bepaald dat MAS met Spinnin zou onderhandelen de Haviltex-maatstaf heeft miskend. Als het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het hof zijn oordeel onvoldoende met redenen omkleed, omdat tegen de achtergrond van de volgende omstandigheden niet zou zijn in te zien dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat met ‘derden’ Spinnin werd bedoeld. Het middel wijst op (
  4. a)de mededeling van [betrokkene 1] over de professionaliteit van MAS en Spinnin en (
  5. b)de deskundigheid van MAS en Spinnin tegenover het gebrek aan deskundigheid aan de zijde van [eiser] . 4.95 Voor zover de klacht aanvoert dat het hof ten onrechte de onder (
  6. a)en (
  7. b)genoemde omstandigheden niet heeft meegewogen dan wel zijn oordeel daarover onvoldoende met redenen heeft omkleed, bouwt het wat betreft de onder (
  8. a)genoemde omstandigheid voort op de klacht in subonderdeel 1.1 en wat betreft de onder (
  9. b)genoemde omstandigheid op de klacht in subonderdeel 2.2 en 2.3. Reeds daarom faalt de klacht. 4.96 Het middel betoogt voorts dat het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat met ‘derden’ Spinnin werd bedoeld, onvoldoende is gemotiveerd omdat art. 3.2 (derde bullet) van de managementovereenkomst niet in algemene zin spreekt over ‘contractbesprekingen met derden’, maar – specifiek – over “contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royaltyvergoedingen”. [eiser] heeft gesteld dat met ‘derden’ in zijn geval niemand anders bedoeld kan zijn dan Spinnin nu hij (
  10. i)een exclusieve productieovereenkomst met Spinnin zou sluiten, (
  11. ii)Universal niet met ‘derden’ bedoeld kan zijn omdat de bepaling al was opgenomen in concepten van MAS die dateren van voordat MAS op de hoogte was van de bestaande relatie met Universal en (iii) (sub)licentienemers van Spinnin niet met ‘derden’ bedoeld kunnen zijn omdat het onderhandelen met die (sub)licentienemers de taak van Spinnin was, niet van MAS. 4.97 Naar mijn mening is het oordeel van het hof niet onvoldoende begrijpelijk. Immers, in de overeenkomst is niet expliciet bepaald dat MAS namens [eiser] met “de producer” zou onderhandelen. Hij was bovendien bekend met de strekking van het voorstel en wist dat van MAS niet kon worden verwacht dat zij met Spinnin zou onderhandelen over de voorwaarden van de productieovereenkomst, zoals het hof in rov. 7.22 heeft geoordeeld. In die omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden aangenomen dat met ‘derden’ Spinnin werd bedoeld. In overweging nemende dat [eiser] een beroep heeft gedaan op de in het vorige randnummer onder (
  12. i)t/m (iii) weergegeven stellingen kon het hof tot het oordeel komen dat MAS onder de co-managementovereenkomst niet de verplichting had om met Spinnin te onderhandelen en dat in art. 3.2 met ‘derden’ niet Spinnin is bedoeld. 4.98 Onder 3.6.2 herhaalt het middel in iets andere bewoordingen de klacht in subonderdeel 3.1 en onder 3.6.3 herhaalt het middel in wezen de klacht in subonderdeel 3.4. Beide klachten delen het lot van de genoemde subonderdelen. 4.99 Onder 3.6.4 klaagt het middel dat voor zover het hof heeft gemeend dat de zorgplicht die uit art. 7:401 BW voortvloeit (nog) niet gold vanaf het moment van de totstandkoming van de managementovereenkomst op 11 juli 2012 (zie rov. 4.14), maar (pas) vanaf het moment van de totstandkoming van de productieovereenkomst op 20 juli 2012 (zie rov. 4.16), het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het middelt koppelt hier ook weer een motiveringsklacht aan. 4.100 De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat de op MAS rustende zorgplicht nog niet gold vanaf het moment van de totstandkoming van de managementovereenkomst, maar dat MAS niet de verplichting had om [eiser] bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin. 4.101 Gelet op het voorgaande faalt subonderdeel 3.6 in zijn geheel. 4.102 Subonderdeel 3.7 betoogt dat het oordeel in rov. 7.71 dat vaststaat dat Spinnin c.s. [eiser] overeenkomstig art. 10.3 van de co-managementovereenkomst hebben geadviseerd onafhankelijk advies in te winnen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Spinnin c.s. hebben niet gesteld dat zij dat hebben geadviseerd, zodat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door dit verweer aan te vullen. 4.103 Daarnaast is volgens het middel genoemd oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [eiser] , die erop neerkomen dat nadat [betrokkene 3] op 22 juli 2013 aan [betrokkene 1] had gemaild dat hij extern advies in zou winnen hij daarvan is afgebracht door de antwoordmail van [betrokkene 1] waarin deze, kort gezegd, aangaf dat [betrokkene 3] zich geen zorgen hoefde te maken en dat [eiser] een goede deal aangeboden kreeg. 4.104 Voor zover het hof uitsluitend heeft bedoeld dat is voldaan aan de verplichting om te adviseren onafhankelijk advies in te winnen door het opnemen van de bepaling in art. 10.3 van de co-managementovereenkomst, heeft het hof miskend dat dit enkele opnemen in de overeenkomst niet meebrengt dat de verplichting correct is nagekomen en heeft het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom MAS toch geacht kan worden te hebben voldaan aan de zorgplicht. 4.105 Het voorgaande vitieert volgens het middel ook het oordeel in de slotzin van rov. 7.71, waar het hof heeft overwogen: “Het verwijt van [eiser] dat MAS tenminste de verplichting had zich ervan te vergewissen dat [eiser] en [betrokkene 3] bij het aangaan van de overeenkomsten in juli 2013 een onafhankelijke derde zouden inschakelen, mist eveneens grond. Vaststaat dat Spinnin c.s. [eiser] en [betrokkene 3] overeenkomstig artikel 10.3 van de co-managementovereenkomst hebben geadviseerd onafhankelijk advies in te winnen. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, gaat de zorgplicht van Spinnin c.s. naar het oordeel van het hof niet zo ver dat zij hadden moeten controleren of [eiser] en [betrokkene 3] dat advies ook hadden ingewonnen.” 4.106 Ik herinner eraan dat art. 10.3 van de co-managementovereenkomst het volgende bepaalt: “De Artiest verklaart hierbij dat het management hem heeft geadviseerd om onafhankelijk advies in te winnen alvorens tot ondertekening van deze overeenkomst over te gaan.’’ Deze bepaling staat ook in de managementovereenkomst 2012 (en mogelijk standaard in de managementovereenkomsten die MAS aanbood). 4.107 Het hof heeft in rov. 7.71 beoordeeld of er grond is voor het verwijt van [eiser] dat MAS tenminste de verplichting had zich ervan te vergewissen dat [eiser] en [betrokkene 3] bij het aangaan van de overeenkomsten in juli 2013 (een onafhankelijke) derde zouden inschakelen. Het hof is tot het oordeel gekomen dat zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, de zorgplicht van Spinnin c.s. niet zo ver gaat dat zij hadden moeten controleren of [eiser] en zijn vader dat advies ook daadwerkelijk hadden ingewonnen. In tegenstelling tot hetgeen het middel tot uitgangspunt neemt, gaat het hier dus niet om de vraag of MAS aan haar verplichting heeft voldaan om te adviseren onafhankelijk advies in te winnen, maar om de volgens [eiser] op MAS rustende verplichting om te controleren of hij dat advies ook daadwerkelijk heeft ingewonnen. Een dergelijke verplichting rustte niet op MAS. 4.108 Voor de volledigheid merk ik op dat het betoog dat Spinnin c.s. niet hebben gesteld dat zij hebben geadviseerd onafhankelijk advies in te winnen en dat het hof door dit te overwegen buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, niet opgaat. Spinnin c.s. hebben namelijk in eerste aanleg gesteld dat [eiser] in art. 10.3 van de managementovereenkomst heeft verklaard dat hem is geadviseerd om onafhankelijk advies in te winnen. Voorts heeft Spinnin c.s. gesteld dat het hoe dan ook duidelijk was dat [eiser] was geadviseerd om zich door een derde te laten bijstaan, zodat het argument dat MAS tekort is geschoten in de nakoming door haar advisering daarmee niet te rijmen is. 4.109 Subonderdeel 3.8 voert aan dat voor zover rov. 7.26 gaat over een zorgplicht van MAS, het hof heeft miskend dat de contractuele en/of precontractuele zorgplicht die op MAS rustte wel degelijk meebracht dat MAS gehouden was te controleren of [eiser] alle bepalingen goed begreep en hem te beschermen tegen de gevaren van lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. De verwijzing naar rov. 7.10-7.11 kan het oordeel niet dragen, omdat die overwegingen niet gaan over zorgplichten, maar over mededelingsplichten in het kader van dwaling. Voor zover het hof daarop heeft gedoeld in rov. 7.26 heeft het miskend dat voor het aannemen van een precontractuele of contractuele zorgplicht om de opdrachtgever bij te staan tijdens onderhandelingen met een andere partij niet beslissend is of de opdrachtgever in dwaling verkeerde met betrekking tot de onderlinge verhouding tussen de opdrachtnemer en deze partij. Als het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof verder niet heeft toegelicht waarom de omstandigheden die maken dat het hof in rov. 7.10-7.11 heeft geoordeeld dat geen sprake is van dwaling evenmin aanleiding zijn om het bestaan van een precontractuele of contractuele zorgplicht aan te nemen. 4.110 Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest van het hof in rov. 7.26 en kan daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Ik verwijs ook naar de bespreking van subonderdeel 2.3 hiervoor. 4.111 Subonderdeel 3.9 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.13 dat de op 30 juli 2013 gesloten productieovereenkomst de productieovereenkomst 2012 heeft vervangen en klaagt dat het hof bij dit oordeel de Haviltex-maatstaf heeft miskend, dan wel zijn oordeel met onvoldoende redenen heeft omkleed. Met zijn overweging verleent het hof meer gewicht aan de bepalingen van de overeenkomst dan aan de verklaring van [betrokkene 1] in een e-mail van 23 juli 2013 dat hij de termijn ‘wilde verlengen met 2 jaar’ en dat dit zou betekenen dat ‘de deals dan 4 jaar totaal zouden zijn’ en de verwachting die [eiser] aan die verklaring mocht ontlenen. Zonder nadere motivering die ontbreekt valt in elk geval niet in te zien dat de bepalingen van de productieovereenkomst, gelet op de genoemde e-mail van [betrokkene 1] , zo moeten worden uitgelegd dat het de bedoeling is geweest van partijen om de productieovereenkomst te vervangen en niet te verlengen. 4.112 Uit rov. 7.13 volgt naar mijn mening duidelijk dat het hof zijn oordeel, dat op dit punt overeenkomt met de door de rechtbank gegeven beoordeling, niet alleen heeft gebaseerd op de tekst van de overeenkomst, maar ook op andere omstandigheden van het geval. Het hof heeft immers overwogen dat het niet alleen heeft gelet op art. 2 van de managementovereenkomst 2013 (“Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract"), maar ook op de overige door de rechtbank genoemde omstandigheden. Het hof doelt hiermee klaarblijkelijk op de door de rechtbank in rov. 5.26 van haar vonnis genoemde omstandigheden die, kort gezegd, inhouden dat (
  13. i)de overeenkomsten uit 2012 en die uit 2013 verschillende aanvangsdatums, verschillende beëindigingsdatums alsmede een verschillende duur van de verlengingsopties hebben; (
  14. ii)met betrekking tot de managementovereenkomst een derde partij, SBP, is toegetreden en (iii) dat een verlenging van een bestaande overeenkomst, al dan niet met inhoudelijke aanpassingen, veelal wordt vastgelegd in een allonge of addendum dat aan de bestaande overeenkomst wordt gehecht, zoals art. 10 lid 1 van de managementovereenkomst van 2012 ook voorschrijft, hetgeen niet is gebeurd. 4.113 Daarbij heeft het hof overwogen dat genoemde e-mail van [betrokkene 1] van 23 juli 2013 het hof niet op andere gedachten heeft gebracht. Uit die e-mail blijkt dat hij de termijn met twee jaar wilde verlengen, maar niet op welke wijze hij dat wilde. Partijen hebben uiteindelijk gekozen voor nieuwe zelfstandige overeenkomsten. Het hof heeft daarom zijn oordeel dat het de bedoeling is geweest van partijen om de productieovereenkomst 2012 te vervangen en niet te verlengen met voldoende redenen omkleed. Subonderdeel 3.9 faalt. 4.114 Subonderdeel 3.10 is een voortbouwklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking. 4.115 Ik kom tot de slotsom dat onderdeel 3 van het principale cassatiemiddel van [eiser] in zijn geheel faalt. B.2 Onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel van [eiser] 4.116 Onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel van [eiser] is (eveneens) gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.68-7.75 over de ontbinding van de overeenkomsten. 4.117 Subonderdeel 2.1 betoogt, samengevat, dat het hof in rov. 7.69 heeft miskend dat de omstandigheid dat een overeenkomst is ‘vervangen’ door een andere overeenkomst nog niet in de weg staat aan een beroep op ontbinding van eerstbedoelde overeenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Nu [eiser] aan zijn beroep op ontbinding van de in 2012 gesloten managementovereenkomst ten grondslag heeft gelegd dat MAS tekort is geschoten in de nakoming daarvan door hem niet bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin en te informeren over de verwevenheid en belangenverstrengeling had het hof dit beroep op ontbinding moeten beoordelen. Voor zover het hof heeft gemeend dat er geen uit de in 2012 gesloten managementovereenkomst voorvloeiende verbintenissen waren, is dat oordeel, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. 4.118 De hier te bespreken klacht brengt – scherper dan het zojuist besproken subonderdeel 3.9 van het principale beroep – tot uitdrukking dat de discussie over verlenging versus vervanging van de overeenkomsten uit 2012 ertoe strekt om de door van [eiser] ingeroepen ontbinding ook van toepassing te laten zijn op de overeenkomsten uit 2012. Ten aanzien van de managementovereenkomsten gesloten in 2012 en 2013 heeft [eiser] wegens tekortschieten in de nakoming terugbetaling gevorderd van de management fees en schadevergoeding. Zoals ook volgt uit het middel, heeft [eiser] aan die vordering ten grondslag gelegd dat MAS tekort is geschoten door hem niet bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin en te informeren over de verwevenheid en belangenverstrengeling. Dat zijn dus weer dezelfde punten als die hiervoor werden genoemd in het kader van het beroep op dwaling. 4.119 Ik benadruk dat het hof wat betreft de managementovereenkomst van 11 juli 2012 in rov. 7.69 voorop heeft gesteld dat bij de beoordeling van de ontbinding het alleen kan gaan om een mogelijk tekortschieten van MAS in haar verplichtingen uit de in 2013 gesloten co-managementovereenkomst, omdat de in 2012 gesloten overeenkomst in het geheel is vervangen door de in 2013 gesloten overeenkomst. Wat betreft de co-managementovereenkomst 2013 heeft het hof vervolgens in rov. 7.70 geoordeeld dat MAS niet is tekort geschoten in haar verplichtingen onder die overeenkomst om [eiser] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin, omdat MAS die verplichting niet had. Het hof heeft daarbij verwezen naar hetgeen het in rov. 7.21-7.23 heeft overwogen over de bekendheid aan de zijde van [eiser] van de verhouding tussen MAS en Spinnin en daarmee samenhangend dat MAS de genoemde verplichtingen niet had op grond van de managementovereenkomsten. Deze laatstgenoemde overwegingen zien ook op de managementovereenkomst uit 2012, waaruit logischerwijs volgt dat MAS daarin ook niet kan zijn tekortgeschoten. 4.120 Daarbij is tevens van belang dat het hof in rov. 4.20 heeft vastgesteld dat de bepalingen van de managementovereenkomst 2012 en de co-managementovereenkomst uit 2013 gelijk zijn, uitgezonderd de bepalingen met betrekking tot de duur van de overeenkomst en de vergoeding in artikel 5. Hieruit volgt dat de uit de overeenkomst uit 2012 voorvloeiende zorgplichten overeenkomen met die uit de overeenkomst uit 2013, waardoor het oordeel van het hof dat MAS niet tekort is geschoten in de nakoming van de co-managementovereenkomst uit 2013 niet anders zou luiden met betrekking tot de overeenkomst uit 2012. Het onderdeel mist in zoverre belang bij de klacht. 4.121 Subonderdeel 2.2 voert aan dat voor zover het hof heeft gemeend dat MAS op grond van de in 2012 gesloten overeenkomst niet verplicht was [eiser] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. 4.122 Het subonderdeel bevat geen zelfstandige gronden en verwijst enkel naar de gronden uiteengezet in subonderdeel 3.6 van het middel in het principale cassatieberoep. Bij gevolg moet subonderdeel 2.2 in het lot van dat subonderdeel delen. 4.123 Subonderdeel 2.3 betoogt, samengevat, dat gelet op het voorgaande het oordeel van het hof in rov. 7.69 dat de ontbinding van de in 2012 gesloten productieovereenkomst niet hoefde te beoordelen omdat deze overeenkomst zou zijn vervangen door de in 2013 gesloten productieovereenkomst eveneens van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of onvoldoende is gemotiveerd. Het middel wijst erop dat [eiser] immers heeft aangevoerd dat de managementovereenkomst en de productieovereenkomst moeten worden beschouwd als samenhangende overeenkomsten, zodat ontbinding van de managementovereenkomst 2012 (zie de onderdelen 2.1 en 2.2) tot gevolg heeft dat de productieovereenkomst 2012) evenmin in stand kan blijven. 4.124 Het subonderdeel bouwt voort op de voorgaande subonderdelen en faalt om dezelfde redenen. 4.125 Subonderdeel 2.4 betoogt, kort samengevat, dat gelet op het voorgaande de oordelen van het hof in rov. 7.73 en 7.74 dat de overeenkomsten uit 2013 niet rechtsgeldig zijn ontbonden getuigen van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat door de samenhang tussen de in 2012 en in 2013 gesloten overeenkomsten de ontbinding van de overeenkomsten uit 2012 ook de ontbinding meebrengt van die uit 2013. 4.126 Deze klacht verbindt zijn lot aan de klachten in de voorgaande subonderdelen en kan daarom evenmin tot cassatie leiden. 4.127 Subonderdeel 2.5 is een veegklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking. 4.128 Ik kom tot de conclusie dat onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel van [eiser] in zijn geheel faalt. B.3 Onderdeel 3 van het principale en het incidentele middel van Spinnin c.s. 4.129 Onderdeel 3 van het principale en het incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s. is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.76 dat de door Spinnin en MAS beoogde ontbinding van de productieovereenkomst 2013 en de co-managementovereenkomst in hun brief van 28 augustus 2015 geen doel heeft getroffen. In de bestreden overweging heeft het hof het volgende overwogen: “De door Spinnin c.s. beoogde ontbinding van de productieovereenkomst 2013 en de co-managementovereenkomst in hun brief van 28 augustus 2015 hebben geen doel getroffen omdat de betrokken overeenkomsten op 31 juli 2015 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd al waren geëindigd (en gelet op het voorgaande niet met twee jaar zijn verlengd).” 4.130 Subonderdeel 3.1 betoogt, kort samengevat, dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het tenietgaan van verbintenissen. Dat een overeenkomst is geëindigd door het verstrijken van de looptijd, laat onverlet dat daaruit nog verbintenissen voortvloeien voor partijen, dat een tekortkoming in de nakoming van die verbintenissen in beginsel verplicht tot schadevergoeding, en dat die overeenkomsten kunnen worden ontbonden. 4.131 Subonderdeel 3.2 werkt subonderdeel 3.1 uit en wijst ter illustratie op een drietal verbintenissen die zijn voortgevloeid uit de overeenkomsten en die ook na het verstrijken van de looptijd nog bestonden. Het gaat om de verbintenis tot (
  15. a)betaling van de overeengekomen managementvergoeding die [eiser] ten onrechte heeft opgeschort (zie rov. 8.7); (
  16. b)voortdurende exploitatie door Spinnin van de tracks die hij onder de brief- en productieovereenkomst heeft aangeleverd; en (
  17. c)betaling aan MAS (en SBP) van commissie op basis van de post-contractuele vergoedingsregeling in art. 5.3 en 5.4 van de co-managementovereenkomst. 4.132 Subonderdeel 3.3 betoogt, samengevat, dat bij het voorgaande geldt dat in cassatie veronderstellenderwijs vaststaat dat [eiser] in verzuim was toen de overeenkomsten namens Spinnin c.s. buitengerechtelijk werden ontbonden. Als gevolg van de ontbinding (
  18. a)worden partijen bevrijd uit de ook na de looptijd op hen rustende verplichtingen; (
  19. b)is [eiser] echter verplicht tot vergoeding van schade op grond van art. 6:277 lid 1 BW en (
  20. c)moet hij de waarde van de al aan hem geleverde diensten vergoeden op grond van art. 6:272 lid 1 BW. Indien ontbinding niet zou hebben plaatsgevonden, dan verplicht [eiser] tekortkoming in de nakoming van de ook na 30 juli 2015 op hem rustende verbintenissen hem tot schadevergoeding (art. 6:74 BW). In ieder geval kan de beoordeling en ongemotiveerde afwijzing van de reconventionele vorderingen iv, v, viii en ix van Spinnin en MAS in rov. 8.7-8.8 en het dictum onder h niet in stand blijven. 4.133 De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 4.134 Ik stel voorop dat het mogelijk is dat verbintenissen hun werking blijven behouden na het tenietgaan van een overeenkomst. Na vernietiging of ontbinding van een overeenkomst kunnen immers verbintenissen ontstaan die nodig zijn voor een correcte afwikkeling daarvan, zoals ongedaanmakingsverplichtingen na ontbinding. Daarnaast kennen ook veel overeenkomsten zowel na gewone beëindiging als na ontbinding of vernietiging overlevende verplichtingen of regelingen die blijven voortbestaan, bijvoorbeeld non-concurrentiebedingen, geheimhoudingsbedingen, rechts- en forumkeuzebedingen of arbitrale bedingen. Terwijl de centrale prestaties onder de overeenkomst zijn vervallen, blijft de overeenkomst ten dele werkzaam. 4.135 In tegenstelling tot hetgeen het middel aanvoert, is het hof het voorgaande niet uit het oog verloren met zijn oordeel dat de beoogde ontbinding geen doel heeft getroffen omdat de betrokken overeenkomsten op 31 juli 2015 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd al waren geëindigd. 4.136 De in subonderdeel 3.2 onder a bedoelde verbintenis (zie 4.131 hiervoor) betreft de betaling van de overeengekomen managementvergoeding. Zoals het middel opmerkt, heeft het hof in rov. 8.7 geoordeeld dat [eiser] de betaling van de in art. 5 van de co-managementovereenkomst overeengekomen vergoeding aan MAS op 11 juni 2015 ten onrechte heeft opgeschort en dat hij alsnog de overeengekomen vergoeding van de werkzaamheden tot 30 juli 2015 dient te betalen. In het dictum onder e heeft het hof vervolgens voor recht verklaard dat [eiser] door het opschorten van zijn betalingen aan MAS toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit art. 5 van de co-managementovereenkomst en heeft het hof hem veroordeeld tot vergoeding van de door deze tekortkoming geleden schade aan MAS, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het hof heeft derhalve niet over het hoofd gezien dat dit een verbintenis is die na 30 juli 2015 is blijven voortbestaan. 4.137 De in subonderdeel 3.2 onder b bedoelde verbintenis betreft de ook na 30 juli 2015 voortdurende exploitatie door Spinnin van de tracks die [eiser] onder de brief- en productieovereenkomst heeft aangeleverd. In die overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat Spinnin 30% afdraagt aan [eiser] van de inkomsten uit bestaande tracks (uitgegeven vóór juli 2015) die Spinnin genereert. Het hof heeft een dergelijke verbintenis niet over het hoofd gezien door zijn afwijzing van de vorderingen onder viii en ix. Hetgeen Spinnin c.s. hebben gevorderd ten behoeve van Spinnin onder viii en ix gaat namelijk uit van de situatie dat verlenging heeft plaatsgevonden en betreft de schade die Spinnin door de ontbinding heeft geleden doordat zij haar rechten als fonogrammenproducent niet kan uitoefenen en de overeenkomsten niet worden nagekomen. Spinnin c.s. hebben die vordering als volgt omschreven: “viii. Voor recht verklaart dat [eiser] jegens Spinnin Records B.V. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op 30 juli 2013 gesloten overeenkomst (bestaande uit een in briefvorm opgestelde "exclusieve producers- overeenkomst" en een daaraan gehechte "Produktie overeenkomst") en derhalve op grond van art. 6:74 lid 1 BW en, na ontbinding door Spinnin Records B.V. op 28 augustus 2015, op grond van art. 6:277 lid 1 BW, jegens Spinnin Records B.V. aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van deze tekortkoming geleden schade; ix. Primair [eiser] zal veroordelen tot vergoeding aan Spinnin Records B.V. van een bedrag van EUR 3.720.000, = alsmede de wettelijke rente daarover, althans subsidiair [eiser] zal veroordelen tot vergoeding van alle door de onder viii. genoemde tekortkoming en daaropvolgende ontbinding door Spinnin Records B.V. geleden en te lijden schade, waaronder redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW en de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet” 4.138 De door Spinnin c.s. onder viii en ix gevorderde schade is door Spinnin c.s. onder het kopje positief contractsbelang gebracht en is als volgt omschreven: “Dit betekent dat [eiser] aan Spinnin Records de schade moeten vergoeden die Spinnin Records lijdt doordat zij haar rechten als fonogrammenproducent niet kan uitoefenen en de overeenkomsten niet worden nagekomen; het is immers zijn tekortkoming die de grond voor ontbinding heeft opgeleverd, zoals hij ook zelf bevestigt.” 4.139 Aangezien het hier niet gaat over een situatie dat de overeenkomst is verlengd en vervolgens is ontbonden en Spinnin zijn rechten niet meer kan uitoefenen, kan niet worden gezegd dat het hof de reconventionele vorderingen viii en ix ten aanzien van MAS in rov. 8.7-8.8 en in het dictum o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.