PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00174 Zitting 11 mei 2021 (bij vervroeging) CONCLUSIE P.C. Vegter In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 17 januari 2020 door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het eerste cumulatief/alternatief onder het tweede gedachtestreepje is ten laste gelegd en wegens “medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd en medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts is een vordering op een Zwitserse bank met een waarde van € 937.013,69 verbeurd verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft acht middelen van cassatie voorgesteld. Ik begin met het derde middel. Dat middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de feiten (deels) zijn verjaard. 4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “zij in de periode vanaf 1 december 1993 tot en met 13 december 2001 te Amsterdam en in België en in Luxemburg tezamen en in vereniging met anderen meermalen geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze geldbedragen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, immers hebben verdachte en mededaders: - in de periode van 14 mei 1999 tot 1 juni 2001 een geldbedrag van ongeveer fl. 797.868,= (gelden afkomstig vanwege dadingsovereenkomst met KBC-bank), te België gestort/laten storten op de derdenrekening van [betrokkene 1] te [plaats] en dit bedrag voorhanden gehad en - in de periode van 1 december 1995 tot 14 december 2001 een geldbedrag van (om en nabij) 1.502.110,- euro (waarde kasbons) bij de KBC-bank te België voorhanden gehad; - omstreeks 1 februari 2000 ongeveer $ 70.645,- en $ 390.454,- voorhanden gehad (opname per kas Banque Continentale du Luxembourg); en zij in de periode vanaf 14 december 2001 tot 1 maart 2005, te Amsterdam en in België en in Zwitserland, tezamen en in vereniging met anderen van geldbedragen de werkelijke aard, de herkomst of de vindplaats heeft verborgen en verhuld en deze geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat deze geldbedragen - onmiddelijk of middelijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, immers hebben verdachte en mededaders: - in de periode van 14 december 2001 tot en met 14 april 2003 voorhanden gehad een geldbedrag van (om en nabij) 1.502.110,-euro, bij de KBC-bank te België; - in de periode van 14 april 2003 tot 1 maart 2005 ongeveer 1.835.400,- euro,(waarde kasbons inch rente) gestort bij de LGT-bank te Zwitserland, althans voorhanden gehad.” 5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van dit middel in: “Subsidiair moet het openbaar ministerie deels niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege verjaring, aldus de raadsman in hoger beroep. Als gevolg van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geldt in deze zaak een verjaringstermijn van 12 jaar, omdat de strafbepalingen van heling en witwassen een strafbedreiging van vier jaar kennen. Dit betekent dat alle eventueel gepleegde feiten met een pleegdatum voorafgaand aan 23 juli 2000 aan verjaring onderhevig zijn en dus niet meer kunnen worden vervolgd, aangezien de eerste daad van vervolging in de onderhavige zaak bestaat uit het uitbrengen van de dagvaarding op 23 juli 2012. Het hof overweegt als volgt. Het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde betreft - voor zover van belang - opzetheling. Opzetheling kan bestraft worden met een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste vier jaar. Uit artikel 70 Sr volgt dat bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld, de verjaringstermijn twaalf jaren is. Voorts stuit elke daad van vervolging de verjaring. Een daad van vervolging betreft iedere formele daad uitgaande van het openbaar ministerie of rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een uitvoerbare gerechtelijke beslissing te geraken. Uit het dossier volgt dat het openbaar ministerie op 15 december 2005 een rechtshulpverzoek aan de bevoegde justitiële autoriteiten van Luxemburg heeft uitgevaardigd in het strafrechtelijk onderzoek gericht tegen de verdachte. Het hof acht het uitvaardigen van dit rechtshulpverzoek een daad van vervolging en de verjaringstermijn is hierdoor gestuit. Uit artikel 72 lid 2 Sr volgt dat na stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Voor het onderhavige geval vervalt daardoor het recht van vervolging indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken van vierentwintig jaren. Ingevolge artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, behoudens een aantal uitzonderingsgevallen die zich hier niet voordoen. Zowel witwassen als heling zijn voortdurende (commissie)delicten zodat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na afloop van de ten laste gelegde periode. Gelet op de perioden, zoals in de gedachtestreepjes zijn vermeld in het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde, geldt dat de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, lid 2 Sr niet is verstreken. Het verweer wordt verworpen.” 6. In toelichting op het middel lees ik de klacht dat de verjaring niet is gestuit nu het rechtshulpverzoek aan Luxemburg niet kan worden beschouwd als de daartoe vereiste daad van vervolging en bovendien de datum van dat verzoek de vervolgde niet bekend of betekend was. Het oordeel van het hof dat de feiten moet worden aangemerkt als voortdurende (commissie)delicten is volgens de steller van het middel onjuist. 7. Het hof heeft drie gevallen van opzetheling (art. 416 Sr) en twee gevallen van opzetwitwassen (art. 420bis Sr) cumulatief bewezenverklaard. De strafbedreiging was in de bewezenverklaarde periode van de drie gevallen van heling voor dat delict ten hoogste vier jaren gevangenisstraf en in de bewezenverklaarde periode van de twee gevallen van witwassen voor dat delict eveneens vier jaar. De verjaringstermijn is en was ingevolge art. 70, eerste lid aanhef en onder 3, Sr twaalf jaren. De verjaringstermijn van twaalf jaar voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding leidt – wanneer de mogelijkheid van stuiting van de verjaring buiten beschouwing blijft - tot verjaring van feiten die liggen voor 23 juli 2000. Dit oordeel van het hof is juist en wordt in cassatie terecht niet betwist. 8. Het witwassen is niet verjaard nu beide feiten volledig zijn gepleegd na 23 juli 2000. De eerste en de tweede heling zijn zowel voor als na 23 juli 2000 gepleegd. Het hof heeft onder meer overwogen dat zowel witwassen als heling voortdurende (commissie)delicten zijn zodat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na afloop van de ten laste gelegde periode. Bij voortdurende delicten (in de kern een ongeoorloofde toestand, welke men doet voortduren) vangt de verjaringstermijn aan op de dag na de tenlastegelegde periode (die in dit geval samenvalt met de bewezenverklaarde periode). De klacht is naar ik begrijp nu dat van zo een voortdurend (commissie)delict hier geen sprake is. Het hof heeft kennelijk bedoeld dat zowel de eerste als de tweede bewezenverklaarde heling een voortdurend (commissiedelict) is. De gedraging is bij die feiten telkens (ook) het voorhanden hebben van een geldbedrag en dat is een toestand die men laat voortduren. De Hullu noemt heling ook uitdrukkelijk als voorbeeld van het strafbaarstelling van een verboden toestand. Alleen voor de derde bewezenverklaarde, omstreeks 1 februari 2000 gepleegde, heling geldt dat dit feit wanneer de mogelijkheid van stuiting van de verjaring buiten beschouwing blijft, is verjaard nu het ligt voor 23 juli 2000. 9. Ook in het licht van de tijdsaanduiding in de eerste zin van de bewezenverklaring kan dit derde helingfeit niet worden aangemerkt als een voortdurend delict. De klacht over de vraag of het rechtshulpverzoek kan worden aangemerkt als een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit heeft daarmee uitsluitend nog betrekking op de derde bewezenverklaarde heling. Ik begrijp de steller van het middel aldus dat - naar zijn oordeel en anders dan het hof meent - het rechtshulpverzoek geen daad van vervolging vormt, zoals in art. 72, eerste lid, Sr is vereist voor stuiting. De steller van het middel voegt nog toe dat het verzoek geen vordering is als bedoeld in art. 181 Sv en bovendien niet in behandeling is genomen. 10. Artikel 72 Sr, eerste lid, Sr luidt sinds 1 januari 2006: ”Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.” In de hier relevante periode voor 1 januari 2006 luidde de bepaling: “Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij.” 11. De woorden ‘daad van vervolging’ in art. 72, eerste lid, Sr moeten niet strafvorderlijk worden begrepen, maar hebben een ruime materiële betekenis. Het gaat om een formele daad uitgaande van het openbaar ministerie of de rechter om in de fase van de vervolging, de fase voorafgaande aan de tenuitvoerlegging, tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken. In de woorden van de Hoge Raad moet de daad het karakter hebben om een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. Door van zijn bevoegdheid tot het verrichten van een daad van vervolging gebruik te maken, waaraan art. 72, eerste lid, Sr het rechtsgevolg van stuiting der verjaring verbindt, brengt het openbaar ministerie tot uitdrukking dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. De klacht faalt voor zover deze inhoudt dat voor een daad van vervolging het louter formele criterium van een vordering als bedoeld in art. 181 Sv is vereist. 12. Dat een uitgaand rechtshulpverzoek een daad van vervolging is, is voor zover ik heb kunnen nagaan nog niet met zoveel woorden door de Hoge Raad beslist. Wel speelde het een rol in HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3692. Ik citeer r.o. 4.4. “Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van […] als getuige in de strafzaak tegen de verdachte, welk verhoor plaatsvond op grond van een rechtshulpverzoek van de Rechter-Commissaris. In aanmerking genomen dat dit een daad van vervolging is als bedoeld in het eerste lid van art. 72 Sr, op 6 december 2009 heeft plaatsgevonden, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.” 13. Waarnaar verwijst het woord ‘dit’ in deze overweging? Ik lees dat de Hoge Raad een verhoor van een getuige (in het kader van een rechtshulpverzoek) aanmerkt als een daad van vervolging, maar dat hoeft nog niet zonder meer te betekenen dat elk rechtshulpverzoek als zodanig is aan te merken. Mij lijkt echter het doen van een rechtshulpverzoek in het algemeen wel tot uitdrukking te brengen dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. Het arrest uit 2015 hoeft dus niet zo te worden gelezen dat een rechtshulpverzoek slechts kan worden aangemerkt als een daad van vervolging voor zover daarin onderzoekshandelingen, zoals het verhoor van een getuige, worden gevraagd. 14. Het rechtshulpverzoek bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het betreft een rechtshulpverzoek van 15 december 2005 en dat verzoek is mogelijk een daad van vervolging die tot stuiting van de verjaring leidt voor zover de verjaring niet al is voltooid. Voltooide verjaring kan immers niet worden gestuit. De derde heling was op 15 december 2005 nog niet verjaard, zodat die dag in beginsel kan worden beschouwd als het moment van stuiting. 15. Volgens de steller van het middel voldeed het rechtshulpverzoek van 15 december 2005 echter “materieel niet aan de (…) te stellen eisen.” Kennelijk wordt gedoeld op een schrijven om nadere informatie van de Luxemburgse onderzoeksrechter d.d. 4 januari 2006 (dossier 8.2.1.1) dat leidde tot het verstrekken van nadere informatie op 17 januari 2006 (aanvullend rechtshulpverzoek). Het betrof inlichtingen over het grondfeit van de heling en van het witwassen te weten handel in verdovende middelen. Vervolgens is het verzoek ingewilligd en is uiteindelijk een deel van het antwoord op het verzoek in de bewijsconstructie van het hof verwerkt. 16. Aan de klacht ligt kennelijk de vooronderstelling ten grondslag dat een rechtshulpverzoek geen daad van vervolging kan zijn indien vervolgens na het doen van het verzoek aanvullende inlichtingen worden gevraagd. Die vooronderstelling is niet nader toegelicht en ik zie niet in waarom een verzoek om nadere informatie van de buitenlandse autoriteiten ertoe zou moeten leiden dat het oorspronkelijke verzoek niet voldoet aan het materiele criterium voor een daad van vervolging als bedoeld in art. 72, eerste lid, Sr. Immers het vragen (en verstrekken) van nadere inlichtingen staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie tot uitdrukking heeft gebracht dat vanwege de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging is vereist. De voortvarendheid van de verstrekking van de nadere inlichtingen wijst eerder op het tegendeel. 17. Dan resteert de klacht over de kenbaarheid van de daad van vervolging (het rechtshulpverzoek). Inderdaad gold het vereiste van kenbaarheid of betekening tot 1 januari 2006 en dus ten tijde van het doen van het rechtshulpverzoek op 15 december 2005. Over het vervallen van het vereiste houdt de memorie van toelichting in: "Artikel 72 Sr bepaalt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend is. De koppeling van de stuiting aan de daad van vervolging is goed te verenigen met de rechtsgronden voor de verjaring. Door een daad van vervolging geeft het Openbaar Ministerie te kennen dat het de strafvervolging wil voortzetten en, derhalve, nog een gerechtvaardigde behoefte aan toepassing van het strafrecht en mogelijkheden tot waarheidsvinding aanwezig acht. De veronderstelling dat het ontbreken van strafbehoefte en verminderde bewijsbaarheid strafvervolging na de verjaringstermijn niet langer rechtvaardigt, gaat in deze gevallen niet op. De eis dat bij onbekendheid van de vervolgde met de daad van vervolging van een rechtsgeldige betekening sprake moet zijn, een eis die noch in Duitsland noch in Frankrijk wordt gesteld, is moeilijker te verenigen met de rechtsgronden voor verjaring (vgl. Van Dorst, a.w., p. 199). Zij houdt geen verband met strafbehoefte of bewijsbaarheid. Indien de naam van de verdachte nog niet bekend is, stelt de eis van een rechtsgeldige betekening het Openbaar Ministerie voor grote problemen. Indien de naam wel bekend is, verzekert de eis van een rechtsgeldige betekening niet dat de verdachte daadwerkelijk van de strafvervolging op de hoogte is. Als de verdachte bijvoorbeeld met onbekende bestemming naar het buitenland is vertrokken, zal ook een correcte betekening hem lang niet altijd van de strafvervolging op de hoogte brengen. In het licht van deze overwegingen stellen de indieners voor artikel 72 Sr zodanig aan te passen dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde en onafhankelijk van de vraag of de daad van vervolging de vervolgde bekend of hem betekend is. Dit impliceert niet dat de eis van betekening van daden van vervolging, waar de wet haar stelt, een loze eis wordt. Zij blijft gelden, en het niet naleven kan nog steeds rechtsgevolgen hebben. Zo zal de strafvervolging, in geval de verdachte daarvan op de hoogte raakt, in het licht van het redelijke termijnvereiste met de vereiste spoed moeten worden gevoerd.” 18. De vraag of in de onderhavige zaak aan het vereiste is voldaan heeft in feitelijke aanleg niet geleid tot enig verweer en het hof heeft er geen overwegingen aan gewijd. De passage uit de wetsgeschiedenis relativeert de betekenis van het bedoelde vereiste sterk. Verder neem ik in aanmerking dat het rechtshulpverzoek is aangevuld en vervolgens ook is uitgevoerd in een periode dat het vereiste niet meer gold. Voor zover al wordt vastgehouden aan de eis, kan dit slechts leiden tot de conclusie dat het derde helingfeit is verjaard. Gelet op de ernst en aard van dat feit is het van zo ondergeschikte betekenis voor de veroordeling in zijn geheel dat cassatie achterwege kan blijven. 19Het derde middel treft deels doel, maar dat hoeft niet tot cassatie te leiden. 20. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. 21. Het bestreden arrest houdt hieromtrent in: “De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in verband met de extreme overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is op 25 mei 2005 voor het eerst verhoord in de onderhavige zaak en vanaf dat moment mocht zij ervan uitgaan dat zij als verdachte in rechte zou kunnen worden betrokken. Dat is ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep 14 en een halfjaar geleden. Er zijn geen omstandigheden die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen. Bovendien is er in de onderhavige zaak een factor die met zich mee had moeten brengen dat de zaak extra voortvarend behandeld zou worden, namelijk de gezondheidssituatie van de verdachte. Ter onderbouwing van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding geldt dat de overschrijding van de redelijke termijn feitelijk tot gevolg heeft gehad dat de verdachte met name haar ondervragingsrecht niet meer kan uitoefenen, nu meerdere getuigen zijn overleden in de tussenliggende periode. Er is sprake van een gemankeerd proces, waardoor als sanctie op het vormverzuim niet kan worden volstaan met bewijsuitsluiting of strafvermindering of de enkele constatering van dat verzuim. Het hof overweegt als volgt. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Gelet op het voorgaande wordt het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging verworpen. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verder bij de strafoplegging bespreken. Wat betreft het niet meer kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht, zal het hof dit aan de orde stellen bij de bespreking van de bewijsverweren.” 22. Het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in casu niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, past ook volgens de steller van het middel in de rechtspraak van de Hoge Raad. Dat het gevolg van tijdsverloop kan zijn dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, maakt dit niet anders. Of het ondervragingsrecht tekort is gedaan, is niet factor bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn, maar een in het kader van de eerlijke berechting van verdachte afzonderlijk te bespreken vraag. Het hof heeft die vraag dan ook op goede grond afzonderlijk besproken. 23Het tweede middel faalt. 24. Het vierde middel klaagt over de verwerping een beroep op vormverzuimen in het kader van de rechtshulp en in het kader van het gebruik van een opname van een gesprek dat zich bevond op een bij een doorzoeking aangetroffen cd-rom. 25. Het bestreden arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het vierde middel van belang in: “Standpunt verdediging Rechtshulpverzoeken De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtshulpverzoeken die in het kader van de onderhavige zaak zijn uitgegaan, zijn gebaseerd op onvolledige en gedenatureerde samenvattingen van verklaringen van getuigen en op overige aangedikte/opgeklopte informatie. In onderhavige zaak is (zeer waarschijnlijk bewust) aantoonbaar onjuiste informatie gedeeld met de buitenlandse autoriteiten. Kortom, het internationale opsporingsonderzoek is gebaseerd op gemanipuleerde en onjuiste informatie, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijke procesorde, aldus de raadsman. In beslag genomen cd-rom Deze cd-rom is in beslag genomen tijdens een doorzoeking van het kantoor van toenmalig advocaat van de verdachte [betrokkene 2] op 25 april 2005. [betrokkene 2] en zijn collega [betrokkene 3] stonden verdachte op dat moment al jaren bij. Gelet op het feit dat [betrokkene 2] in het Laurier-onderzoek reeds als verdachte werd aangemerkt, betekent dit dat het verschoningsrecht zoals gewaarborgd in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten tijde van de doorzoeking in volle omvang aanwezig was voor zover het informatie betrof die betrekking had op de relatie tussen advocaat en cliënt. Doorbreking van het verschoningsrecht is alleen mogelijk indien sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. In deze zaak blijkt niet dat een toetsing heeft plaatsgevonden of dat sprake was van een zeer uitzonderlijke omstandigheid die de doorbreking van het verschoningsrecht zou kunnen rechtvaardigen. De verdediging neemt hierbij in ogenschouw dat de cd-rom geen voorwerp vormt van het strafbare feit, noch heeft gediend tot het begaan van een strafbaar feit. Voorts merkt de verdediging op dat indien mededelingen die zijn gedaan door of aan een geheimhouder die als verdachte is aangemerkt, de officier van justitie eerst het oordeel van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep waartoe die geheimhouder behoort dient in te winnen. Deze procedure is niet gevolgd in onderhavige zaak. Het bewijsmateriaal dat ten grondslag ligt aan het nadere opsporingsonderzoek tegen verdachte komt deels voort uit de uitwerking van de gesprekken of deze cd-rom. Dit levert derhalve een vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv. Conclusie Primair neemt de verdediging het standpunt in dat de combinatie van enerzijds het verkrijgen van bewijs via rechtshulpverzoeken op basis van onjuiste en deels misleidende informatie, samen met de verloochening van het verschoningsrecht voldoende is om de conclusie te trekken dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces. Het staat vast dat deze handelswijze in het voorbereidend onderzoek als een ernstig vormverzuim in de zin van 359a Sv dient te worden beschouwd. Het openbaar ministerie dient dan ook niet ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. Subsidiair dient het onrechtmatig gebruik van de cd-rom opnamen tot bewijsuitsluiting te leiden. Oordeel van het hof Rechtshulpverzoeken Bij de beoordeling van dit verweer hanteert het hof het volgende uitgangspunt. Het handelen of nalaten van het openbaar ministerie kan onder omstandigheden een zodanig ernstige schending van een behoorlijke procesorde opleveren dat zulks tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, dan wel advocaat-generaal, dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval echter slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak geen sprake van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte waardoor diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is geschaad. Het is het hof niet gebleken dat er onvolledige of gedenatureerde verklaringen zijn gebruikt in de rechtshulpverzoeken. Het openbaar ministerie heeft delen van verklaringen opgenomen waaruit de betrokkenheid van de zoon van verdachte bij strafbare feiten zou blijken. Dat het openbaar ministerie in deze verklaringen geen neutrale dan wel ontlastende uitspraken heeft opgenomen, maakt niet dat de delen die wel zijn opgenomen gedenatureerd of onjuist zijn. Ook overigens is niet gebleken dat de rechtshulpverzoeken doelbewust zijn geformuleerd op een wijze die in strijd is met de waarheid, of dat sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte in de formuleringen in de rechtshulpverzoeken. De enkele stelling van de raadsman is hiertoe onvoldoende. In beslag genomen cd-rom Het hof overweegt dat het dossier een cd-rom bevat met daarop een gesprek tussen de verdachte, haar partner [betrokkene 4] en getuige [betrokkene 5] . Gelet op de inhoud van het gesprek, neemt het hof aan dat dit vermoedelijk in of rond het jaar 2000 heeft plaatsgevonden. Het gesprek is heimelijk en zonder toestemming van [betrokkene 5] opgenomen door verdachte en [betrokkene 4] . Dat het is opgenomen in opdracht van [betrokkene 2] blijkt nergens uit. Wel volgt uit de verklaringen van [betrokkene 4] dat deze cd aan [betrokkene 2] is gegeven in een periode waarin hij in zijn hoedanigheid van advocaat handelingen heeft verricht ten behoeve van verdachte. De cd-rom is op 25 april 2005 in beslag genomen tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] behartigde toen al enkele jaren samen met [betrokkene 3] de belangen van verdachte bij het traceren en beheren van het nagelaten vermogen van [betrokkene 6] . Artikel 98, eerste lid, Sv bepaalde - ten tijde van de doorzoeking en inbeslagname van de cd-rom in 2005 - dat bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij artikel 218, niet in beslag worden genomen brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, tenzij met hun toestemming. In het toenmalige tweede lid stond: “Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.” In de jurisprudentie wordt aan het begrip ‘geschrift’ ruime betekenis toegekend. Daaronder vallen ook gegevensdragers die op eenvoudige wijze leesbaar kunnen worden gemaakt. In overeenstemming daarmee zal het hof de cd-rom beschouwen als een geschrift in de zin van het artikel 98 Sv. Uit het toenmalige tweede lid van artikel 98 Sv volgt dat de daar genoemde brieven en geschriften welke het voorwerp van het strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, te allen tijde in beslag genomen kunnen worden, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. Op de inbeslaggenomen cd-rom staat een gesprek tussen de verdachte, haar partner [betrokkene 4] en getuige [betrokkene 5] . Het gesprek gaat over de omvang, de stand van zaken van het traceren en het beheren van geld. Voorts wordt besproken hoe ze het geld dat in het buitenland op rekeningen staat in Nederland kunnen krijgen, waarbij ze zo weinig mogelijk belasting (willen) betalen. Tijdens dat gesprek wordt onder meer gezegd - waarbij het hof in het midden laat door wie dit wordt gezegd - ‘dan hebben we dus gewoon die hele zwarte buit hebben we in een keer wit bij hem op zijn rekening. Dat is de achterliggende gedachte geweest.’ Het hof is van oordeel dat het gesprek op de cd-rom betrekking heeft op de wijze waarop geld, afkomstig van misdrijf, kon worden achterhaald en witgewassen. Het heeft gediend tot het begaan van het strafbare feit. Gelet hierop valt de cd-rom onder de uitzondering van het toenmalige tweede lid van artikel 98 Sv, zodat het verschoningsrecht van [betrokkene 2] hiervoor niet gold. De inbeslagname van de cd-rom was rechtmatig. Gelet op al het voorgaande wordt het verweer op alle onderdelen verworpen.” 26. In HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 heeft de Hoge Raad het beoordelingskader van de vormverzuimen bijgesteld. In het kader van de sanctie niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is het volgende van belang: “2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie: “Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.” 2.5.2 De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239). 2.5.3 In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.” 27. Het hof heeft bij de vraag onder welke voorwaarden vormverzuimen kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie de maatstaf toegepast die ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest gold. De steller van het middel vraagt geen aandacht voor de wijziging van de maatstaf door de Hoge Raad na het wijzen van het arrest door het hof, maar voorafgaande aan het indienen van de schriftuur. Zie voor dat aangepaste criterium het citaat onder het vorige randnummer. De overweging van het hof komt er per saldo op neer dat er noch in het kader van het rechtshulpverzoek noch in het kader van het gebruik van de cd-rom sprake was van een vormverzuim. Dat oordeel wordt in cassatie betwist. 28. Voor wat betreft het rechtshulpverzoeken houdt de schriftuur (p. 5; met weglating van twee noten) het volgende in: “Het Gerechtshof doet het voorkomen, of de verdediging hier louter een “ballonnetje heeft opgelaten“ waarbij de enkele suggestie is gedaan dat er in strijd zou zijn gehandeld met de waarheid en daarmee het eerlijk proces. Met name de concrete verwijzing door de verdediging naar de verklaringen van getuigen [betrokkene 7] , waarbij het gedeelte waarin de getuige zich uitlaat dat hij niet weet welke rol [betrokkene 6] speelde in de door hem genoemde “hasjsfeer", is een niet te negeren element in een verklaring dat als misleiding kan worden beschouwd van de aangezochte autoriteiten. Hetzelfde geldt voor de apert onjuiste informatie over de justitiële documentatie van [betrokkene 6] . Ter zitting is ter onderbouwing van de onjuistheid van de informatie dat [betrokkene 6] 33 antecedenten had, waaronder overtreding van de Opiumwet, een na zijn overlijden verstrekte VOG overgelegd, dat vanzelfsprekend niet zou zijn verstrekt ware de in het rechtshulpverzoek opgenomen informatie juist. De blote ontkenning van het Gerechtshof, dat er substantieel onjuiste informatie is verstrekt aan de justitiële autoriteiten leidt ertoe dat het verweer strekkende tot schending van artikel 359a Sv op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is verworpen.” 29. In de schriftuur van cassatie doemt ondanks de bijgestelde maatstaf bij de beoordeling van de niet-ontvankelijkheid wegens vormverzuim het argument van de misleiding op. Kennelijk is de stelling dat de rechtshulpverzoeken onrechtmatig zijn in geval daarin de verklaring van [betrokkene 7] niet wordt opgenomen en de mededeling over de antecenten van [betrokkene 6] wel en daarom had het hof zich in het bijzonder over deze getuigenverklaring en deze vermelding van antecenten in het kader van de verwerping moeten uitlaten. Mij gaat dat alleen al te ver omdat de rechtshulp niet is verzocht in het kader van strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 6] ter zake van drugshandel, maar in het kader van heling en witwassen tegen verzoeker in cassatie. In dat verband is informatie over het mogelijke gronddelict niet volledig irrelevant, maar het is hoe dan ook niet doorslaggevend wie dat gronddelict heeft gepleegd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat van een ongeoorloofde selectie van de inlichtingen over het gronddelict (handel in verdovende middelen) geen sprake was, is dat onjuist noch onbegrijpelijk. 30. Dan de cd-rom met een gesprek waarvan de inhoud in de onderhavige zaak is gebruikt als bewijsmiddel 32. In het kader van het onderzoek Laurier heeft er op 25 april 2005 een doorzoeking plaats gevonden in de woning [a-straat 1] [plaats] , in gebruik bij [betrokkene 2] en zijn echtgenote [betrokkene 8] . Bij deze doorzoeking is onder andere onder nummer B.3.2.1 de cd-rom in beslag genomen. 31. Op de dag van de doorzoeking luidde art. 98 Sv als volgt: “1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij artikel 218, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. 2. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.” 32. Op de dag van de doorzoeking luidde art. 218 Sv als volgt: “ Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.” 33. De eerste klacht is gestut op de aanname dat door het beslag op de cd-rom het verschoningsrecht is doorbroken nu wordt geklaagd dat het hof geheel voorbij is gegaan aan de rechtspraak van de Hoge Raad dat doorbreking van het verschoningsrecht slechts mogelijk is in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het hof heeft echter geoordeeld dat het verschoningsrecht niet gold. Dat recht is dus niet doorbroken zodat deze klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. 34. Na een uitvoerig citaat van hetgeen in feitelijke aanleg ter verdediging naar voren is gebracht wordt vervolgens zonder nadere toelichting geklaagd dat het hof bij de verwerping van het verweer een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de artt. 98 Sv en 218 Sv. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de bewaring van cd-rom niet plaats vond in het kader van normale rechtsbijstand en dat daarom de cd-rom niet in dat kader aan een advocaat was toevertrouwd. De cd-rom was een geschrift, een voorwerp dat diende tot het begaan van het strafbare feit als bedoeld in art. 98, tweede lid, oud Sv. Zonder nadere toelichting zie ik niet in wat er onjuist of onbegrijpelijk is aan dit oordeel van het hof. Dat [betrokkene 2] (tevens) de advocatuur uitoefende en (mogelijk) verdachte ook in die hoedanigheid heeft bijgestaan doet hier niet aan af. 35. Dat de wijze waarop het hof de inhoud van het gesprek heeft uitgelegd onbegrijpelijk is, doet aan het voorgaande ook niet toe of af. Het hof heeft in het kader van de bespreking van het verweer inderdaad (onder meer) in het midden gelaten wie de woorden “Dan hebben we dus gewoon die hele zwarte buit hebben we in een keer wit bij hem op zijn rekening.” heeft uitgesproken. Ik zie niet in welke betekenis een antwoord op de vraag wie die woorden heeft gesproken heeft voor de al niet aanwezigheid van een vormverzuim. Als de steller van het middel meent dat de weergave van het gesprek in bewijsmiddel 32 (onder 22) onvolledig en in het nadeel van verzoekster is, is dat een andere kwestie die niet past in de sleutel van het vormverzuim waarin het middel is gegoten. Overigens zijn nu juist de geciteerde woorden in bewijsmiddel 32 onder 22 niet specifiek aan één van de gespreksdeelnemers verbonden. Het hof heeft de uitgesproken woorden kennelijk voor alle deelnemers aan het gesprek belastend geacht zonder er belang aan te hechten wie de woorden heeft uitgesproken en dat is gelet op de context niet onbegrijpelijk. 36. Ik houd het er voor dat de (motivering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.